CConstaterende datLoon op Zand
Koppel je AI →
Document · PDF

11-02-2021 Raadsbesluit herstelbesluit bestemmingsplan Wereld van de Efteling 2030.pdf

Raadsvergadering 11 februari 2021, gemeente Loon op ZandBij agendapunt: Raadsvoorstel herstelbesluit bestemmingsplan Wereld van de Efteling 20309.319 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Raadsvoorstel Portefeuillehouder Zaakdossiernummer Documentnummer

G. Bruijniks

2K18.05505 2020.35836 1ilil1ilflilililflil¡ltilillllllllillllllllillllllllil

Ondenarerp

Raadsvoorstel over herstelbesl uit bestemmi ngsplan 'Wereld van de Efteling 2030'

Beleidsprogramma

8. VHROSV

Aan de raad van de gemeente Loon op Zand,

Inleiding Op 20 september 20'18 stelde uw raad het bestemmingsplan 'Wereld van de Efteling 2030' vast. Op 19 september 2019 stelde uw raad het herstelbesluit bestemmingsplan 'Wereld van de Efteling 2030' vast. Met het herstelbesluit uit 2019 paste uw raad een aantal planregels van het bestemmingsplan aan. Daarnaast werd het Beeldkwaliteitsplan aangepast en het rapport 'Laddertoets uitbreiding Efteling' d.d. 25 juni 2019 en het memo 'Uitgangspunten stikstofberekeningen Wereld van de Efteling 2030 van 25 juni 2019, toegevoegd. Tussenu itspraak begteo ¡d ¡gsBþ n Op woensdag 14 oktober 2020 deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna:

Afdeling) een tussenuitspraak voor het bestemmingsplan 'Wereld van de Efteling 2030'.

Van de twee ingekomen beroepschriften verklaarde de Afdeling één beroepschrift in zijn geheel ongegrond. Het grootste gedeelte van de in het andere beroepschrift opgenomen beroepsgronden verklaarde de Afdeling eveneens ongegrond. Met de tussenuitspraak geeft de Afdeling uw raad de opdracht via een zogenaamde 'bestuurlijke lus' het bestemmingsplan op 15 onderdelen te herstellen. ln voorliggend raadsvoorstel geven we invulling aan de herstelopdracht zoals vastgelegd in de tussenuitspraak van de Afdeling voor het bestemmingsplan 'Wereld van de Efteling 2030'. We geven per onderdeel aan wat het oordeel van de Afdeling was en hoe we deze herstellen om te voldoen aan de herstelopdracht. De aanpassingen dragen bovendien bijtot een betere bescherming van de belangen van omwonenden.

Beslispunten Wijstellen u voor:

1. Naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d.14 oktober 2020 een herstelbesluit te nemen voor het bestemmingsplan 'Wereld van de Efteling 2030'.

Beoogd effect Met het herstelbesluit voor het bestemmingsplan 'Wereld van de Efteling 2030' beogen dat we voldoen aan de herstelopdracht van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Argumenten 1.1 Uw raad is bevoegd het herstelbesluit te nemen. Met voorliggend raadsvoorstel stellen we uw raad voor het herstelbesluit voor het bestemmingsplan 'Wereld van de Efteling 2030' vast te stellen. Hiermee geven we invulling aan de herstelopdracht zoals vastgelegd in de tussenuitspraak van de Afdeling. ln het herstelbesluit geven we per onderdeel aan wat het oordeel van de Afdeling was en hoe we deze herstellen om te voldoen aan de herstelopdracht. 1.2 Uw raad kreeg van de Afdeling 26 weken de tijd om een herstelbesluit te nemen. Met de tussenuitspraak van 14 oktober 2020 gaf de Afdeling uw raad een termijn van maximaal 26 weken om het bestemmingsplan 'Wereld van de Efteling 2030'te herstellen. Met behandeling van dit voorstel in uw raadsvergadering van ll februari 2021 voldoen we ruimschoots aan de door de Afdeling gestelde termijn. 1.3 Na vaststelling van het herstelbesluit door uw raad doet de Afdeling einduitspraak in dit dossrer, Na het vaststellen door uw raad van het herstelbesluit is het aan de Afdeling einduitspraak in dit dossier te doen, nadat ook appellanten nog hebben kunnen reageren op het herstelbesluit en er mogelijk een zitting bij de Afdeling plaatsvindt. Tot het moment van de einduitspraak is de inwerkingtreding van het bestemmingsplan 'Wereld van de Efteling 2030' geschorst.

Kanttekeningen 1 .1 Contractuele verplichtingen initiatiefnemer. Voor de raadsbehandeling op 11 februari 2021 moeten door de initiatiefnemer nog enkele contractuele verplichtingen worden geeffectueerd.

Financieel De ambtelijke kosten en de kosten voor de juridische advisering brengen we in rekening bij initiatiefnemer.

Voortgang Als uw raad voorliggend herstelbesluit vaststelt kunnen appellanten hierop reageren bij de Afdeling Hierna volgt - eventueel na een zitting bij de Afdeling - een einduitspraak van de Afdeling over het bestemmingsplan 'Wereld van de Efteling 2030'. De Afdeling beoordeelt hierbij of met het herstelbesluit voldaan is aan de tussenuitspraak van 14 oktober 2020. Communicatie De gemachtigde van appellanten stuurden we ter kennisname het raadsvoorstel met de herstelpunten toe, nadat de stukken op de raadsagenda voor I I februari 2021 kwamen. Na vaststelling van het herstelbesluit door uw raad maken we het besluit op de gebruikelijke wijze bekend (op Overheid.nl en de Duinkoerier) en stellen we het aangepaste bestemmingsplan beschikbaar op vrnvw.ruimtelijkeplannen.nl. De Afdeling en advocaat van appellanten stellen we hiervan in kennis.

2

Bijlagen 14 oktober 2020 (2020.30424). '. Tussenuitspraak Raad van State d.d. (2020.37508). lndicatieve kaart verkeersafiruikkeling . Toelichting en planregels bestemmingsplan 'Wereld van de Efteling 2030' met aanpassingen

. . . . . . . . .

gearceerd (2021 .01 07 6). Toelichting bestemmingsplan 'Wereld van de Efteling 2030' (2021.01073). Planregels bestemmingsplan'Wereld van de Efteling 2030' (2021.01074). Verbeelding bestemmingsplan 'Wereld van de Efteling 2030' (2021.01075). Bijlagen bij de planregels (2021 .01 105). Bijlagen bijde plantoelichting m.u.v. bijlage 4 en 5 (2021.01113). Bijlage 4a bij de plantoelichting Q02'1.01115). Bijlage 4b bij de plantoelichting (2021.01 1 16). Bijlage 4c bij de plantoelichting (2021.01117). Bijlage 5 bij de plantoelichting (2021.01118).

3

Besluit De raad van de gemeente Loon op Zand;

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 5 januari 2021, nummer 2020.34921.

besluit: 1. Naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad

van State het bestemmingsplan 'Wereld van de Efteling 2030 op de volgende punten te herstellen (zoals ook is opgenomen in de onderhavige versie van het bestemmingsplan) en de bijgevoegde bijlagen vast te stellen:

Tussenuitspraak van 14 oktober 2020 ln de tussenuitspraak van 14 oktober 2020 heeft de Afdeling de meeste beroepsgronden ongegrond verklaard. De Afdeling heeft onder meer geoordeeld dat: de gekozen planbegrenzing in stand kan blijven; het bestemmingsplan voldoet aan de voonrvaarden uit het Masterplan en de drie extra voonvaarden die de raad aan het Masterplan heeft toegevoegd; het bestemmingsplan in overeenstemming is met de 'Structuurvisie Loon op Zand 2030 (1e herziening)'van B maart 2018; het natuurcompensatieplan voor het Natuur Netwerk Nederland (hierna: 'NNN'), waaronder de aanleg van een natuurbrug valt, leidt tot verbetering van de kwaliteit van het NNN als geheel; de verrichte verkeersonderzoeken ten grondslag mochten worden gelegd aan het bestemmingsplan en dat daarbij uitgegaan mocht worden van het verkeersprognosemodel 'Hart van Brabant 2014'; de nieuwe ontsluitingsstructuur, waarbij maximaal 74 dagen per jaar gebruik wordt gemaakt van de zuidelijke ontsluiting, aanvaardbaar is; het uitgangspunt dat op maximaal 15 dagen per jaar filevorming optreedt eveneens

aanvaardbaar is; de bereikbaarheid van de percelen van appellanten in de toekomstige situatie voldoende gewaarborgd is; het maximumaantal van 7 miljoen bezoeken per jaar deugdelijk is vastgelegd in de planregels; de gehanteerde parkeernorm van 1,74 parkeerplaats per 1.000 bezoeken per jaar toereikend is om op eigen terrein van de Efteling te voorzien in de (bestaande en toekomstige) parkeerbehoefte; de toename van verkeer niet leidt tot overschrijdingen van de geluidnormen uit de Wet geluidhinder; het realiseren van de zorgboerderij aan de Bernsehoef 6 in overeenstemming is met het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling heeft op enkele onderdelen geoordeeld dat het bestemmingsplan nog niet toereikend gemotiveerd is. De Afdeling heeft de raad gelegenheid gegeven om de geconstateerde tekortkomingen binnen het kader van de lopende beroepsprocedure te herstellen. ln rechtsoverweging 138 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling aangegeven op welke onderdelen herstel nodig is:

4

'138. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beslechting van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel B:51d van de Awb op te dragen de in deze uitspraak geconstateerde gebreken in het herstelbesluit van 19 september 2019 te herstellen. De Afdeling zal hieftoe een termijn stellen. De raad dient daaftoe: a. met inachtneming van overweging 32.6 alsnog toereikend te motiveren waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied - in dit geval het huidige attractiepark zijnde - in de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkelingen kan worden voorzien, dan wel het bestreden besluit te wijzigen. b. met inachtneming van overweging 42.4 de beoogde wijze van ontsluiting van de westeliike verblijfsrecreatie via de nieuwe toegangsweg en het westelijke parkeerterrein alsnog door middel van een voorwaardelijke verplichting in de planregels vasf te leggen; c. met inachtneming van overweging 87.3 en overweging 42.4 opnieuw te bezien of de verkeersbewegingen van en naar de camperparkeerplaats leiden tot onaanvaardbare verkeershinder of aantasting van de bereikbaarheid op de Bernsehoef en directe omgeving, en indien nodig, het plan op passende wijze aan fe passen' d.

met inachtneming van overweging 52.4 in artikel 10, lid 10.1, onder a, van de planregels te verduidelijken aan welke eisen de verruiming van de rotondes bij de aansluiting op de N261 ter hoogte van Loon op Zand moet voldoen om meer dan 6,33 miljoen bezoeken per jaar te kunnen toestaan; e. met inachtneming van overweging 58.2 in artikel 25, lid 25.4, onder b, van de planregels alsnog inzichtelijk te maken onder welke omstandigheden van de afwijkingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt, bijvoorbeeld door de planregel te hertormuleren en/of toepassrng te geven aan añikel 3.1.2, tweede lid, onder a, van het Bro, dan wel de afwijkingsbevoegdheid uit de planregels te verwijderen; f. met inachtneming van overweging 66.2 in artikel 13, lid 1 3.1 , onder h, van de planregels alsnog vast te leggen dat alleen ondersteunende dagrecreatieve voorzieningen ten behoeve van de verbliifsrecreatie zijn toegestaan;

g. met inachtneming van overweging 71.2 nader onderzoek te doen naar de geluidbelasting vanwege het attractiepark (deelgebied B) op de woningen aan de Bernsehoef en in dat onderzoek buitenattracties en stemgeluid in en buiten attracties te betrekken. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek dient de raad opnieuw te beoordelen of bij de woningen aan de Bernsehoef sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wat betreft geluid en, indien nodig, het plan op passende wijze te wijzigen; h. met inachtneming van overweging 76.1 de ligging van de beoordelingspunten als bedoeld in tabel 1 bii

aftikel 16, lid 26.9, van de planregels te verduidelijken; i. met inachtneming van overweging 79.2 alsnog te bezien of het noodzakelijk is de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - voorwaardelijke verplichting geluid" ook toe te kennen aan de camperparkeerplaats;

j. met inachtneming van de overwegingen 82.2, 82.3, 83.2 en 84.2 alsnog onderzoek te doen naar de gevolgen van de westelijke verblijfsrecreatie en de camperparkeerplaats voor de bedrijfsvoering van de bedrijven aan de fiocatie 7], flocatie 9] en locatie 4l en de gebruiksmogelijkheden van deze percelen, deze gevolgen alsnog in de belangenafweging te betrekken en, indien nodig, het plan op passende wijze aan te passen. Daarbij moet de raad voor ftocatie 7l alsnog uitgaan van de maximale mogeliikheden van het voor dat perceel geldende bestemmingsplan en rekening houden met een spuitzone, dan wel alsnog toereikend motiveren waarom in dit geval sprake is van een zodanig bijzondere situatie dat daarvan kan worden afgezien; k. met inachtneming van overweging 85.5 het besluit te wijzigen door een planregeling vast te stellen waarbij, mede gezien de gegeven belangen van [appellant sub 2] en anderen, toereikend wordt gemotiveerd waarom ter plaatse van deelgebieden 8.2 en 8.3 waar welke bouwmogeliikheden worden

geboden;

5

L met inachtneming van overweging 87.3 inzake de camperparkeerplaats hetzii alsnog onderzoek te verrichten naar de gevolgen van de ontwikkelingen die het plan daadwerkelijk mogeliik maakt, hetzii het

bestreden besluit te wijzigen waarbij valt te denken aan vaststelling van een andere planregeling die is begrensd op camperparkeerplaats met 4B standplaatsen en de uitgevoerde onderzoeken. Daarbii dient de raad met inachtneming van overweging 68.4 ook opnieuw onderzoek te doen naar de geluidbelasting op de woning aan de [tocatie 3] en alsnog toereikend te motiveren waarom bii die woning wat betreft geluidhinder sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklímaat; m. met inachtneming van de overwegingen 106.4, 107.2, 107.3, 108.1 en 110 hetzii alsnog sluitend te onderbouwen dat, rekening houdend met de in de voor-toets betrokken maatregelen, geen toename van de stikstofdepositie optreedt ten opzichte van de referentiesituatie of dat significante negatieve effecten ondanks een toename van de sfrksfofdepositie uitgesloten zijn, hetzij alsnog een (aanvulling op de) passende beoordeling te maken en in dat kader beoordelen of de natuurliike kenmerken van het Natura 2000-gebied "Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen" worden aangetast. Voor zover de raad daarbii de voorgenomen maatregelen noodzakelijk acht als maatregelen in het kader van de voortoets dan wel als mitigerende maatregelen, dient de raad artikel 26 lid 26.3.1 van de planregels aan fe passe n door: 1. de lijst van agrarische percelen in bijlage 5 bij de planregels aan te passen op de inmiddels door hem

beoogde wijze; 2. de voorgenomen beperking van het houtverbruik tot een maximum van 276.000 kg per iaar vast te leggen in onderdeel d; 3. de reikwijdte van de onderdelen b, c en d alsnog te beperken en in deze bepaling alsnog aan te duiden voor welke onderdelen van de Efteling de beperkingen voor het gebruik van diesel, aardgas en de verbranding van hout in vuurkorven gelden; n. met inachtneming van de overwegingen 85.5 en 125.1 alsnog te beoordelen of de regeling in artikel 10, lid 10.2.2, onder e, van de planregels die gebouwde parkeervoorz¡eningen buiten beschouwing laat bij het bebouwingspercentage leidt tot een onaanvaardbare aantasting van landschappeliike en cultuurhistorische waarden en deze bepaling indien nodig aan te passen; o. met inachtneming van overweging 129.3 in de planregels voor de bestemmingen "Groen" en "Verkeer" alsnog te voorzien in een passende regeling voor de maximumbouwhoogte van lichtmasten.

Bij het nemen van een nieuw besluit hoeft geen foepassrng te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Een nieuw besluit moet op de wettelijk voorgeschreven wijze worden be ke ndge maakt e n medegedee ld." Hierna wordt per onderdeel een voorstel voor het door de raad te nemen herstelbesluit geformuleerd. Door het bestemmingsplan volgens het onderstaande voorstel gewijzigd vast te stellen wordt voldaan aan de herstelopdracht die de Afdeling aan de raad heeft gegeven. Vooraf wordt opgemerkt dat vier herstelopdrachten (het betreft de onderdelen c, j, i en l) verband houden met de camperparkeerplaats die op grond van het bestemmingsplan op de voormalige gemeentewerf gerealiseerd mag worden. De Efteling heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak besloten om af te zien van de mogelijkheid om een camperparkeerplaats te kunnen realiseren. Daarom zal voor wat betreft de camperparkeerplaats aan de herstelopdracht voldaan worden door de plangrenzen van het bestemmingsplan zodanig gewijzigd vast te stellen dat de locatie van de voormalige gemeentewerf niet langer tot het plangebied behoort. Door deze wijziging van de plangrenzen , zal ter plaatse van de voormalige gemeentewerf de vorige bestemming blijven gelden.

6

Het herstelbesluit Onderdeel a. Ladder voor duurzame verstedelijking Voorgesteld wordt om aan paragraaf 4.4van de plantoelichting het volgende toe te voegen: "ln het bestaande attractieparkgedeelte van de Efteling geldt op grond van zowel het vorige als het onderhavige bestemmingsplan een maximum bebouwingspercentage van 11%o. Momenteel is circa 10% van het attractieparkgedeelte bebouwd. Dat betekent dat nog circa 1%o van het attractieparkgedeelte bebouwd mag worden. Op onderstaande afbeelding (zie tevens Bijlage 22) is het bestaande ruimtegebruik binnen het attractieparkgedeelte inzichtelijk gemaakt. De bestaande bebouwde oppervlakte is aangeduid met gele vlakken. De totale opperulakte van de gele vlakken bedraagt circa 10% van het aftractiepark. Met een groene kleur zijn de zogenoemde attractiegebieden aangeduid. Attractiegebieden ziin thematische werelden die behoren bij een bepaalde attractie. Ze bestaan deels uit bebouwd oppervlak, maar daarnaast ook uit verhardingen bedoeld voor wachtrijen en ontvangstpleinen, attractieonderdelen, zoals bijvoorbeeld de track (baanprofiel) van een achtbaan en beplanting. De met groen aangeduide delen van het attractiepark zijn dus in gebruik en daarom niet beschikbaar voor de beoogde uitbreiding.

Met de kleur grijs zijn de parkeervoorziening P1 met het bussfafion Europalaan en de percelen díe in gebruik zijn als op- en overslaglocatie (zoals magazijnen van het dienstencentrum, de plantenkas en de milieustraat) aangeduid. Het spreekt voor zich dat deze gronden ook niet beschikbaar ziin voor een andere invulling. Het op- en overslagterrein ten noordwesten van het Eftelingtheater is overigens daarnaast ook niet geschikt voor een andere functie, omdat het terrein verontreinigd is en de saneringskosten zodanig zijn dat het niet rendabel is om de betreffende gronden voor een andere functie te (her)ontwikkelen.

Iussen de kleuren bevindt zich de hoofdinfrastructuur, het opperulaktewatersysteem (het zogenoemde Katerwatersysteem) en het landschappelijk raamwerk. Het attractiepark bevat een netwerk van lanen, paden en pleinen waarover gasten de attracties kunnen bereiken. ln veel gevallen zijn de pleinen onderdeel van een attractiegebied (aangeduid met groen). Iussen de infrastructuur en de attractiegebieden ligt het landschappelijk raamwerk bestaande uit beplantingen en water. Dit raamwerk zorgt ervoor dat verschillende attractiegebieden van elkaar gescheiden zijn en het aftractiepark wordt afgescheiden van de buitenwereld. De betreffende delen van het attractiepark kunnen dus niet voor nieuwe attracties worden ¡ngezet. Zonder deze voorzieningen kan het huidige attractiepark niet functioneren.

7 '.,T¡l: .lrl

Op de afbeelding zijn drie gebieden met de kleur blauw weergegeven. Het betreft de volgende gebieden:

A- Deelgebied fussen Max & Moritz en Pirana Dit deelgebied is 3.198 m2 groot. Voor dit gebied wordt een project voorbereid. Dit deelgebied is daarom niet beschikbaar voor de beoogde uitbreidingsplannen. B - Deelgebied fussen Spooks/of en Baron 1898

Dit deelgebied is 4.813 m2 groot en is beschikbaar voor ontwikkeling. C - Pythonweide Dit deelgebied is 4.586 m2 groot en is beschikbaar voor ontwikkeling.

De conclusie luidt dat er in het bestaande attractiepark nog circa 9000 m2 beschikbaar is om nieuwe ontwikkelingen te realiseren. Deze beperkte ruimte is volstrekt ontoereikend om de plannen van de Efteling te realiseren en de Efteling toekomstbestendig te maken. De resterende niet-bebouwde gronden van het attractiepark (89% van het oppervlakte) zijn evenmin geschikt en beschikbaar voor de gewenste uitbreiding. Op de betreffende gronden zijn, zoals hiervoor toegelicht, bestaande attracties, parkeervoorzieningen, infrastructurele voorzieningen (zoals wandelpaden en pleinen), waterpaftijen en groenvoorzieningen aanwezig. Het bebouwingspercentage van 1 1 %o betekent dus geenszins daf s/echfs 1 1 %o van de gronden van het bestaande attractiepark in gebruik is. Het bestaande attractiepark meet 72,7 ha. Daarvan is 71,44 ha in gebruik en daarom niet geschikt en beschikbaar voor de beoogde uitbreidingsplannen. Het is daarom niet mogelijk om binnen de grenzen van het huidige aftractiepark in de behoefte, bestaande uit de beoogde uitbreiding van het attractiepark, te voorzien. Bovendien is het uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onwenselijk dat de verstening van het bestaande attractiepark toeneemt. Het maximum bebouwingspercentage is het uitgangspunt van zowel de'Nota Ambities en Uitgangspunten Wereld van de Efteling 2030' als het'Masterplan Wereld van de Efteling 2030'.

Zoals onder andere is toegelicht in de 'Nota Ambities en Uitgangspunten Wereld van de Efteling 2030', is de filosofie achter een laag bebouwingspercentage dat gasten ondergedompeld worden in de Wereld van de Efteling, een sprookjesachtige omgeving met veel aandacht en ruimte voor een natuurlijk landschap met verrassingselementen. Dit maakt de Efteling uniek. Het is belangrijk dat dit unieke karakter behouden blijft, ook om de impact van het bestaande attractiepark op de omgeving te beperken. Niet voor niets is het bestaande attractiepark in de structuurvisie Loon op Zand, de recreatieve kamer in het hart van Brabant (gemeente Loon op Zand, 5 maaft 201 5) aangeduid als'half open cultuurlandschap'.",

De hiervoor weergegeven afbeelding zal als Bijlage 22 bij de plantoelichting gevoegd worden

Onderdeel b. Nieuwe toegangsweg westelijke verbl¡jfsrecreat¡eve voorz¡en¡ngen Voorgesteld wordt aan de planregels de volgende regel toe te voegen: "26.2 Voorwaardelijke verplichting ontsluitingsroute parkeerterrein verblijfsrecreatieve voonieningen westzijde Bernsehoef en Dodenauweg

De verblijfsrecreatieve voorzieningen ten westen van de Bernsehoef (geóiedspaspootl 8.4 van het Beeldkwaliteitsplan (Efteling verblijf)) mogen uitsluitend gebruikt worden indien:

a. de parkeervoorzieningen ten behoeve van deze verblijfsrecreatieve voorzieningen zijn gerealiseerd en daarna onafgebroken in stand worden gehouden op een uitsluitend ten behoeve van deze verblijfsrecreatieve voorzieningen ingericht gedeelte van het Parkeerterrein West (gebiedspaspoort

8'9);en

b. het onder a bedoelde gedeelte van het Parkeerterrein West door verblijfsgasten, personeel en leveranciers van de verblijfsrecreatieve voorzieningen niet direct vanaf de Eftelingsestraat kan worden aangereden; en

I

c. het onder a bedoelde gedeelte van het Parkeerterrein West uitsluitend kan worden aangereden d.

vanaf een interne weg over het Eftelingterrein, welke interne weg ontsluit via de Europalaan of de aansluiting op de Eftelingsesfraaf ter plaatse van gebiedspaspoort 8.2 (zuidelijke ontsluiting); en verkeersbewegingen ten behoeve van laden en /ossen op het verbl¡jfsrecreatieterrein door verblijfsgasten, personeel en leveranciers uitsluitend plaatsvinden vanaf het onder a bedoelde gedeelte van het Parkeerterrein West, waarbij directe ontsluiting op en/of verkeersuitwisseling met de Eftelingsestraat ter hoogte van het Parkeerterrein West niet mogeliik is."

Toelichting: Met deze planregel is geborgd dat geen directe verkeersuitwisseling plaatsvindt tussen de nieuwe westelijke verblijfsrecreatie en de Eftelingsestraat. Als Bijlage bij dit herstelbesluit wordt een indicatief kaartje gevoegd, waarop zichtbaar is op welke wijze de verkeersafiruikkeling ten behoeve van de nieuwe verblijfsrecreatie plaatsvindt.

Onderdeel c. Ontsluiting camperparkeerplaats Voorgesteld wordt de plangrenzen zodanig aan te passen dat de locatie van de voormalige gemeentewerf niet meer tot het plangebied behoort. Dat betekent dat ter plaatse de vorige bestemming herleeft. De vorige bestemming maakt de aanleg van een camperparkeerplaats niet mogelijk, zodat op deze wijze gevolg wordt gegeven aan de herstelopdracht onder c van de tussenuitspraak.

Artikel 13.4.4 bevat een voorwaardelijke verplichting, op grond waarvan de camperparkèerplaats moet worden ontsloten via de Duiksehoef. Vanwege het vervallen van de mogelijkheid een camperparkeerplaats te realiseren, is de voorwaardelijke verplichting uit artikel 13.4.4 en de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - verblijfsrecreatie - ontsluiting uitsluitend via Duiksehoef' overbodig geworden. Voorgesteld wordt om artikel 13.4.4 en de aanduiding op de'specifieke vorm van recreatie - verblijfsrecreatie - ontsluiting uitsluitend via Duiksehoef' te schrappen. Onderdeel d. Rotondes Voorgesteld wordt artikel 10.1, onder a, van de planregels te vervangen door de volgende regel "a. dagrecreatieve voorzieningen voor 7 miljoen bezoeken per jaar, met dien verstande dat meer dan 6,33 miljoen bezoeken per jaar zijn toegestaan indien is voldaan aan de volgende voorwaarde: de capaciteit van de bestaande rotondes bij de aansluiting op de N261 ter hoogte van Loon op Zand moet zijn verruimd door twee knierotondes aan te leggen conform de aan de planregels als biilage 6 aangehechte tekeni nge n.",

en als Bijlage 6 de tekeningen van de van de knierotondes (kenmerk:121078, tekeningnummer 1001 en 121078, tekeningnummer 1002) aan de planregels toe te voegen, en voorts de volgende definitie van knierotonde toe te voegen aan artikel 1 van de planregels: "1.124 knierotonde

een variant op een turborotonde, waarbij door het realiseren van meerdere, verspringende, rijstroken ee n opti m a Ie d oor stromi ng wordt gere al i see rd. ",

en voorts artikel 10.6 aan de planregels toe te voegen "10.6. Afwijkingsbevoegdheid ten behoeve van alternatieve verkeersmaatregelen

in plaats van

knierotondes Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwiiken van het bepaalde in artikel 10.1, onder a, door te bepalen dat in plaats van knierotondes alternatieve verkeersmaatregelen gerealiseerd mogen worden, indien op basis van een nader verkeersonderzoek is aangetoond dat bii meer dan 6,33 mitjoen bezoeken per jaar door middel van deze alternatieve verkeersmaatregelen een

I

deugdelijke verkeersafwikkeling gegarandeerd is op de aansluiting op de N261 ter hoogte van Loon op Zand.".

En de volgende tekst aan de plantoelichting toe te voegen "Door in artikel 10.1, onder a, van de planregels te verwijzen naar de tekeningen van de knierotondes en de tekeningen als bijlage 6 aan de planregels toe te voegen, wordt geborgd dat er knierotondes worden gerealiseerd waarmee voldoende capaciteit beschikbaar is om 7 miljoen bezoeken per jaar te venuerken. Dit wordt als volgt toegelicht. In de notitie'Verkeersstudie aanvullende ontsluitingsvarianten'(25-01-2018, ref: 104960/18-001.138) is de conclusie getrokken dat er voor het verwerken van meer dan 6,33 miljoen bezoeken per jaar aanpassingen nodig zijn aan de bestaande infrastructuur. Uit de beschikbare onderzoeken volgt dat die aanpassingen moeten bestaan uit een verruiming van de capaciteit van de rotondes bij de aansluiting Loon op Zand en dat de capaciteit van deze rotondes kan worden verruimd door de aanleg van knierotondes. De werking van de knierotondes is gesimuleerd (zie de notitie'Resultaten VISSIM simulaties', 6 augustus 2019, ref: 114426/19-012.879). Uit de simulatie volgt dat de huidige enkelstrooks rotondes in de toekomstige situatie (bij meer dan 6,33 miljoen bezoeken per jaar) niet voldoen, maar dat knierotondes de verkeersstromen die samenhangen met 6,33 miljoen bezoeken tot (in elk geval) 7 miljoen bezoeken wel kunnen verwerken.

ln de notitie van 20 mei 2020 (ref: 121078/20-007.947) is aangetoond dat de knierofondes passen binnen de geldende verkeersbestemming ter plaatse van de aansluiting Loon op Zand. Hiermee is voldoende aangetoond dat door de aanleg van de knierotondes, conform de tekeningen die als bijlagen 6 aan de planregels worden gehecht, meer dan 6,33 miljoen bezoeken per jaar verwerkt kunnen worden.".

Onderdeel e. Parkeren Voorgesteld wordt artikel 25.4,lid b, van de planregels te schrappen Toelichting: Hierdoor vervalt de mogelijkheid om bij binnenplanse afi,vijkvergunning af te wijken van de parkeernorm.

Onderdeel f. Ondersteunende recreat¡eve voon¿¡en¡ngen Artikel 13.1 , onder h van de planregels te vervangen door de volgende regel "h. ondersteunende dagrecreatieve- en sportvoorzieningen, die ondergeschikt zijn aan de overige toegelaten functies binnen de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie', in de vorm van spot't- en speelvelden, speeltoestellen, wandel-, ruiter- en fietspaden, vis- en picknickplaatsen en strandjes;",

en aan artikel 1 van de planregels de volgende begripsbepaling toe te voegen "1.125 Speeltoestel foesfe/ bestemd voor vermaak of ontspanning met een maximale hoogte van 4 m en waarbij uitsluitend van zwaaftekracht of fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt.".

10

Onderdeel g. Geluidbelastíng vanwege (stem)geluid buiten attracties Aan artikel 10 van de planregels de volgende regel toe te voegen: "1 0. 5.2 lndoor attracties

Ter plaatse van de aanduiding'specifieke vorm van recreatie - indoor attracties' zijn uitsluitend overdekte attracties toegestaan. Buitenattracties zijn, met uitzondering van speeltoestellen, niet toegestaan.

en aan artikel 1 van de planregels de volgende definities toe te voegen: "1 .126 Overdekte attractie Een attractie die geheel inpandig wordt gerealiseerd, met dien verstande daf de opsfe/strook voor de wachtrij in de openlucht gelegen mag zijn.

1.127 Buitenattractie Een attractie die niet inpandig, maar geheel of gedeeltelijk in de openlucht is gelegen.

1.l28lnpandig Binnen een gebouw, met dien verstande dat het gebouw met wanden omsloten dient te zijn."

En voorts de volgende tekst aan de plantoelichting toe te voegen "ln artikel 10.5.2 is geborgd dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - indoor attracties' uitsluitend overdekte attracties mogen worden gerealiseerd. Deze aanduiding is op de verbeelding geprojecteerd op de westelijke uitbreiding (deelgebieden 8.2 en 8.3 a/s bedoeld in het beeldkwaliteitsplan). Hiermee wordt aangesloten bij het verrichte geluidonderzoek.",

en voorts het nadere geluidonderzoek van Rho van I december 2020 ("Stemgeluid westelijke uitbreiding dagrecreatie (deelgebied B)") als Bijlage 23 aan de plantoelichting toe te voegen" Toelichting: De Afdeling ovenrveegt in rechtsovenrveging 71 .2 van de tussenuitspraak dat de berekening van de geluidbelasting als gevolg van piekgeluiden, waaronder het stemgeluid in attracties, is gebaseerd op het uitgangspunt dat in de westelijke uitbreiding uitsluitend overdekte attracties worden gerealiseerd, tenarijl dit in de planregels niet is geborgd. De Afdeling overweegt daarnaast dat de gevolgen van het stemgeluid buiten attracties in de westelijke uitbreiding onvoldoende in beeld zijn gebracht. Naar aanleiding van de herstelopdracht is een onderzoeksopdracht uitgezet bij Rho. Uit de onderzoeksresultaten (Bijlage 23 bij de plantoelichting) blijkt dat de piekbelasting buiten het attractiepark aanvaardbaar is wanneer uitsluitend binnenattracties worden gerealiseerd en dat het stemgeluid buiten attracties evenmin een belemmerende factor is voor de vaststelling van het herstelbesluit. Dit geldt voor zowel het langtijdgemiddeld geluidniveau, als voor het maximaal geluidniveau (de piekbelasting) als gevolg van stemgeluid buiten attracties. Het onderzoek van Rho wordt als Bijlage 23 aan de plantoelichting gehecht.

Met het voorgestelde artikel 10.5.2 wordt geborgd dat ter plaatse van de aanduiding'specifieke vorm van recreatie - indoor attracties' uitsluitend overdekte attracties mogen worden gerealiseerd. Deze aanduiding wordt, door een wijziging van de verbeelding, geprojecteerd op de westelijke uitbreiding (deelgebied B, zie figuur 5.12van het MER, p. 90 van bijlage 4 bijde plantoelichting). Hiermee wordt aangesloten bij het verrichte geluidonderzoek. Het gevolg van deze nadere regeling is dat geen overschrijding van de richtwaarden zal plaatsvinden ter plaatse van de woningen aan de Bernsehoef Gelet op de inhoud van het nadere geluidonderzoek en het gegeven dat in de planregels geborgd is dat uitsluitend binnenattracties mogen worden gerealiseerd, is naar het oordeel van de raad

11

aangetoond dat bij de woningen aan de Bernsehoef sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wat betreft geluid.

Onderdeel h. Verduidelijken beoordelingspunten geluid Voorgesteld wordt artikel 26.9 van de planregels te vervangen door de volgende regel:

.26.9 Voorwaardelijke verplichting geluid a. Het gebruik van de gronden met de functieaanduiding: 'specifieke vorm van recreatie voorwaardelijke verplichting geluid' is uitsluitend toegestaan, indien ter plaatse van de in tabel 1

genoemde beoordelingspunten wordt voldaan aan de in die tabel aangegeven grenswaarden voor het Ia

ngtijdge m idde ld be oord eli ng s n ive a u.

Tabel 1 Grenswaarden

X

Beoordelingspunt

Hooqte tml

daq tdB(A)l

avond

nacht

IdB(A)I

tdB(A)l

5

60

55

50

2

Iml tml 131966,5 407316,1 131732,8 407291,7

5

51

4B

40

3

131538,2 407281,9

5

50

50

41

4

131355,4 407285,4

5

49

48

5

131004,2 407207,7

52

50

43 43

6

130908,6 407024,6

5 5

130772,2 407038,8

5

47 49

42

7

50 50

I I

130469,2 406971,8

5

53

52

45

49 45 45 45 45

42

53 56

52

45 48

46 45 45 48 45

45 45 45

37

40

30

45

35

1

30053,1 407004,7

5

51

10

129636,7 406563,5

5

11

129625,2 406353,3

5

12

129769,5 405714,5

5

13

130017,4 405069,3

14

132278,4 405666,6

5 5

47 45 45 45

15

132140,6 406258,5 131948,5 407098,3 130522,5 406176,7 130802,7 405842,2 131277,1 405710,6 130841,5 405547,6

18 19 20 21

22

1

5 5 5 5 5

5

52

42

39 35 35 35

35 35

b. de locatie van de beoordelingspunten is weergegeven in Bijlage 7 van deze regels; c. de waarden in de kolommen'X en'Y' betreffen de coördinaten in het sysfeem van de Rijksdriehoeksmeti n9.",

en de tekening met beoordelingspunten als Bijlage 7 aan de planregels te hechten

Onderdeel i. Voorwaardelijke verplichting geluid toekennen aan camperparkeerplaats Verwezen wordt naar onderdeel c.

12

Onderdeelj. Gevolgen westelijke verblijfsrecreatie en camperparkeerplaats voor de bedrijven van appellanten, incl. spuitzone. Herstelopdracht j. heeft betrekking op de locaties Bernsehoef 2 (Alpine en bijzondere rotsplanten), Bernsehoef 4 en Bernsehoef 5. Bernsehoef 2 Zoals toegelicht in onderdeel c, komt de camperparkeerplaats te vervallen. Het is daarom niet nodig rekening te houden met een spuitzone in relatie tot de camperparkeerplaats. Op de onderstaande afbeelding is een zone van 50 meter rondom de gronden van het bedrijf aan de Bernsehoef 2 geprojecteerd op de verbeelding bij het bestemmingsplan" Hieruit blijkt dat, de camperparkeerplaats weggedacht, binnen een afstand van 50 meter geen (andere) gevoelige functies voor langdurig verblijf zijn geprojecteerd. Binnen deze afstand zijn uitsluitend gronden aanwezig met de bestemming 'Recreatie - Sport', zonder functieaanduiding 'verblijfsrecreatie'. Dat betekent dat ook anderszins geen aanleiding bestaat om te voorzien in een spuitzone. .t +.) + t

Ò++a otta

a

.t"âjù

)+

++a ôi}t +at +ta

a+t I ''

a a + ++l a taa + I

a+

,)a+ ,} .}

+ra.}a

l

a

+a ++ .'a +a+ aoa

ù a aaa

+ta ++

+a+ a)a ++ I +a+ aa+ a+a +

++Ò tÒ. 'Þ+at Òaa aa+ ilata +++ la+ + iaa

r+at+a,..,:;t+t +a+i+ a+ì+aa+a

+

aat+ a+t+ t

+*+ +*t +a1 +aa

a

I

++taaa+ila

+a+a+t+++a++ atatÕ

attoaa a + +

l a

:äii

+ +

l+a +4. +a+ aa+ a++ oi

t+ +l +

+.1 +

a+tt +aa++ôó.}.) a+ta+a?++'l+ aIaì++r+:+o+. a+ ++ ++ ,ù+ .t++,1 +a +a ++ +ç ++.+' It a¡l t.l aa +tt+: Õ ++ ++ '|+ .}l++: t ++ .)a +a ]+ati aa +Õ++ + +*r+ ,t

::t

Bernsehoef 4 ln rechtsoverweging 83.2van de tussenuitspraak overweegt de Afdeling dat de raad niet voldoende heeft onderbouwd waarom de strook met de bestemming 'Agrarisch met waarden - natuur- en landschapswaarden' niet ook bij het bestemmingsvlak voor het bedrijf behoort en de paardenhouderij ook daar mag worden uitgeoefend. Daarom is volgens de Afdeling niet zeker of wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hamvraag is of binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur en Landschapswaarden' een paardenhouderij is toegestaan, en meer in het bijzonder dierenverblijven en mestopslagvoorzieningen kunnen worden gerealiseerd waarbij een hinderzone moet worden aangehouden van 50 meter. De geldende bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur en Landschapswaarden' staat agrarische bedrijfsuitoefening toe in de vorm van agrarische bodemexploitatie. Hierna wordt de vraag beantwoord of een paardenhouderij hieronder valt.

13

Paardenhouderij is in artikel 1 van de planregels als volgt gedefinieerd: "een bedrijf waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden venicht

die gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen, en verhandelen van paarden, en het produceren van agrarische producten als melk en vlees. Voorbeelden: paarden fokken of opfokken, hengstenhouderij, paardenmelkerij, training- en sportstallen, handelsstallen, stalhouderijen, spermawinsfaflons en paardenpensions,"'

ln artikel 1 zijn ook de volgende begrippen gedefinieerd agrarisch bedrijf: een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van telen van gewassen of het houden van dieren, waarbij onderscheid wordt gemaakt in: a. een (vollegronds)teeltbedrijf; b. een veehouderij;

c. d.

eenglastuinbouwbedrijf; een overig agrarisch bedrijf.

ag rari sc h bed rijf, veehoude rij : agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren.

agrarisch bedrijf, grondgebonden veehouderij: veehouderij waarvan het voer en de mest voor het overgrote deel gewonnen respectievelijk aangewend worden op gronden die in gebruik zijn van de veehouderij en die in de directe omgeving liggen van de bedrijfslocatie.

agrarisch bedrijf, intensieve veehouderij: agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen,

alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grond ge bond e n vee h oud erij. ag ra ri sc h bed rijf, g I astu i n bouwbed rijf :

agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvindt. ag rarisch bedrijf, overig : agrarisch bedrijf dat niet binnen de begripsbepaling van veehouderij, vollegrondsteeltbedrijf of glastuinbouwbedrijf valt, gericht op het het telen van vissen, wormen, insecten en/ of gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt.

agrarisch bedrijf, (vollegronds)teeltbedrijf: agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. ag rari sch tech n i sch h ul pbed rijf :

bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of dat agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, zoals loonwerkbedrijven, bedrijven voor mestopslag en handel, veetransport en veehandel, met u itzond e ri ng van me st bewerki ng.

14

Voorbeelden van agrarisch technische hulpbedrijven zijn: grootveeklinieken, Kl-stations, mestopslag- en mesthandelsbedrijven, loonwerkbedrijven (inclusief verhuurbedrijven voor I

and bouwwerktu ige n), veetransportbedrijven, veehandelsbedrijven.

agrarisch verwant bedrijf : bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven waarb| gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzonderi ng van mestbewerki ng.

Voorbeelden van agrarisch verwante bedrijven zijn: dierenasiels, dierenklinieken, groencomposteringsbedrijven, paardenhouderijen, hondenkennels, hoveniers- bedrijven, i n ste I I i nge

n voor ag rari sch pra ktij kond erwij s.

Gelet hierop, kwalificeren paardenhouderijen als 'agrarisch verwant bedrijf en derhalve niet als 'agrarisch bedrijfl. Deze plansystematiek komt ook tot uitdrukking in de wijzigingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders om Agrarische bestemmingen te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch Paardenhouderij' zoals vervat in planregel 3.7.11 bij de bestemming 'Agrarisch', in planregel 5.7.11 bi) de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en in planregel 6.7.9 bij de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur en Landschapswaarden'. Een paardenhouderij is derhalve geen agrarische bedrijfsuitoefening in de vorm van agrarische bodemexploitatie zoals planregel 6.1 vereist. De conclusie is - in tegenstelling tot het StAB-advies - dus dat de bestemming 'Agrarisch met waarden

- Natuur en Landschapswaarden' paardenhouderij-activiteiten niet toestaat. Het oprichten van

dierenverblijven, schuilgelegenheden en het aanleggen van opslagvoorzieningen ten behoeve van vaste mest is derhalve in strijd met de bestemmingsregeling en daarom niet toegestaan. De ruimtelijke scheiding tussen de paardenhouderij en de voorziene recreatieverblijven is derhalve meer dan 50 meter en daarmee toereikend. De recreatieverblijven leiden niet tot een beperking van de exploitatiemogelijkheden van de paardenhouderij. Uitbreidingsmogelijkheden op gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - natuur- en landschapswaarden' biedt de geldende planregeling niet voor de paardenhouderij. Die kunnen door de recreatieverblijven dus ook niet vervallen. Bernsehoef 5

Ter uitvoering van herstelopdracht j. is onderzoek gedaan naar de gevolgen van de westelijke verblijfsrecreatie voor de bedrijfsvoering van het bedrijf aan de Bernsehoef 5. Tussen het bedrijf Bernsehoef 5 en de westelijke verblijfsrecreatie ligt een strook van circa 40 meter breed met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden'. Bovendien mogen op de strook grond met de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing' (binnen het plangebied) geen recreatieverblijven worden gebouwd. ln beginsel is hiermee een afstand van minimaal 50 meter tussen de paardenhouderij aan de Bernsehoef 5 en de recreatieverblijven geborgd. Ook ten aanzien van de paardenhouderij aan de Bernsehoef 5 is beoordeeld of een bedrijfsuitoefening op de tussengelegen strook met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur en Landschapswaarden' is toegestaan. Onder venruijzing naar hetgeen hiervoor ten aanzien van het bedrijf Bernsehoef 4 is overwogen, luidt het antwoord op die vraag ontkennend. Op de tussengelegen strook is een agrarische bedrijfsuitoefening in de vorm van agrarische bodemexploitatie toegestaan, alsmede enkele nadere aangeduide bedrijven.

Aangezien een paardenhouderij in de planregels niet worden aangemerkt als 'agrarisch bedrijf', maar als 'agrarisch veruvant bedrijf', is de uitoefening van een paardenhouderij op de tussengelegen strook niet toegestaan. Het oprichten van dierenverblijven, schuilgelegenheden en het aanleggen van opslagen ten behoeve van vaste mest is derhalve in strijd met de bestemmingsregeling en niet rechtens toegestaan. De ruimtelijke scheiding tussen de paardenhouderij en de voorziene recreatiewoningen bedraagt meer dan 50 meter en is dus

15

toereikend. De recreatiewoningen leiden niet tot een beperking van exploitatiemogelijkheden van de paardenhouderij. Uitbreidingsmogelijkheden op gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - natuur- en landschapswaarden' biedt de geldende planregeling niet voor de paardenhouderij. Die kunnen door de recreatiewoningen derhalve ook niet vervallen.

Onderdeel k. Bouwmogelijkheden inclusief gebouwde parkeervoorzieningen Voorgesteld wordt aan de deelgebieden 8.2 en 8.3 de aanduiding'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - gebouwde parkeervoorzieningen' toe te kennen, en voorts aan een strook van 50 meter breed aan de zuidzijde van de deelgebieden 8.2 en 8.3, gemeten vanuit de grens met de verkeersbestemming voor de Eftelingsestraat, de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'en de aanduiding'maximum hoogte overige bouwwerken: 15 m'toe te kennen. Tevens wordt voorgesteld aan hoofdstukT.2 van de plantoelichting onder het kopje "Recreatie Dagrecreatie" de volgende zin toe te voegen: "Ter plaatse van de deelgebieden 8.2, 8.3 en 8.9 waarvoor in het beeldkwaliteitsplan gebiedspaspoorten zijn opgesteld zijn gebouwde parkeervoorzieningen uitgesloten.".

Toelichting Door het projecteren van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - gebouwde parkeervoorzieningen' op de verbeelding ter plaatse van de deelgebieden 8.2 en 8.3 worden gebouwde parkeervoorzieningen in deze deelgebieden uitgesloten. Hierdoor wordt geborgd dat maximaal 60% van de gronden in de deelgebieden 8.2 en 8.3 mogen worden bebouwd" Door het toevoegen van de aanduiding'maximum bouwhoogte (m)'en de aanduiding'maximum hoogte overige bouwwerken: 15 m' aan een strook van 50 meter breed aan de zuidzijde van de deelgebieden 8.2 en 8.3 ter hoogte van de woningen aan de Bernsehoef, wordt geborgd dat er in de directe nabijheid van de woningen aan de Bernsehoef tot een hoogte van maximaal 15 meter gebouwd mag worden. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat tussen de woningen aan de Bernsehoef en de westelijke uitbreiding van het attractiepark een landschappelijke wal van 30 meter breed moet worden opgericht en in stand moet worden gehouden. Met deze aanpassingen van de verbeelding, wordt voldaan aan herstelopdracht k.

Onderdeel L Gamperparkeerplaats Verwezen wordt naar onderdeel c. Onderdeel m. Stikstof ln de onderdelen 97 tot en met 1 '10 van de tussenuitspraak komt het aspect stikstof aan de orde. ln onderdeel 102.1 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat er geen grond is voor het oordeel dat de stikstofdepositie in het memo van Rho van 25 juni 2019 dat aan het herstelbesluit ten grondslag is gelegd niet op de juiste manier is berekend.

ln het memo van Rho staat verder dat door het treffen van een aantal maatregelen wordt bewerkstelligd dat de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie niet toeneemt. De Afdeling stelt vast dat in beroep niet ter discussie staat dat de betreffende maatregelen op zichzelf niet In de voortoets betrokken mogen worden, maar alleen dat die voordelen niet juist zijn vastgesteld en dat de maatregelen niet uitvoerbaar en handhaafbaar zijn.

16

ln beroep is aangevoerd dat bij de berekening van de stikstofdepositie ten onrechte is uitgegaan van een vermindering van het gas- en dieselgebruik van de Efteling met25o/o. Volgens de beroepen is niet duidelijk wat de bestaande rechten voor het gas- en dieselverbruik in de referentiesituatie waren. De Afdeling heeft dit betoog afgewezen (r.o. 104.1). ln beroep is verder aangevoerd dat voor wat betreft het houtgebruik onduidelijk is of hiervoor in de referentiesituatie een toestemming was. Ook dit betoog heeft de Afdeling afgewezen (r.o. 105.1). Voor wat betreft de beëindiging van het agrarische gebruik van een aantal percelen is aangevoerd dat niet uitgegaan zou zijn van de juiste uitgangspunten. Er zou bovendien niet voldaan zijn aan de voorwaarden voor intern en extern salderen uit de Beleidsregel natuurbescherming van de provincie en de rechtspraak van de Afdeling. Ook is aangevoerd dat in de referentiesituatie op een aantal van de percelen agrarisch gebruik planologisch niet was toegestaan en dat een aantal percelen, zoals het overloopparkeerterrein, feitelijk niet voor agrarische doeleinden in gebruik was. Tot slot zijn de berekening van de stikstofdepositie op basis van de kwalificatie'graslanden' en 'maispercelen/gewas' en de daarbij behorende getallen betwist.

Volgens de Afdeling is de raad voor wat betreft het overloopparkeerterrein uitgegaan van feitelijk bestaand, planologisch legaal gebruik (r.o. 106.3). Omdat gebleken is dat voor een aantal percelen niet voldoende kon worden aangetoond dat het agrarisch gebruik planologisch legaalwas, heeft de raad op 14 mei2020 een nieuwe berekening overgelegd. ln deze berekening zijn deze percelen vervangen door een aantal andere percelen waarop wél een agrarische bestemming rust (en die evenals de andere percelen feitelijk als agrarisch perceel in gebruik waren op de referentiedatum). De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak gelegenheid gegeven deze omissie te herstellen (r.o. 106.4). Om op dit punt aan de uitspraak gevolg te geven, wordt een lijst met de juiste agrarische percelen als bijlage 5 bij de planregels gevoegd. Voor wat betreft de bezwaren die tegen de berekening van de stikstofdepositie zijn geuit, ovenrveegt de Afdeling dat er geen grond is voor het oordeel dat in het memo van25 juni 2019 van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan (r.o. 106.5).

ln beroep is aangevoerd dat het aardgas, diesel en houtverbruik niet controleerbaar zou zijn. De Afdeling heeft dit beroep afgewezen (r.o. 107.2). Voor wat betreft de vermindering van het aardgas- en dieselverbruik heeft de Afdeling geoordeeld dat er geen aanleiding is om te betwijfelen dat de Efteling toereikende maatregelen kan nemen om te voldoen aan de maxima die in de planregels zijn vastgelegd (r.o. 107.2). Voor wat betreft het houtverbruik heeft de Afdeling geconstateerd dat niet is uitgesloten in de planregels dat het hout dat niet in de vuurkorven wordt verbrand in de biomassacentrale wordt gebruikt. De Afdeling heeft de raad gelegenheid geboden dit in de planregels alsnog te regelen. Aan de raad wordt voorgesteld om de tekst van artikel 26.3.1 van de planregels zodanig aan te passen, dat wordt voldaan aan deze herstelopdracht van de Afdeling. De Afdeling stelt voorts dat de voorgeschreven beperkingen van het diesel-, aardgas- en houtverbruik voor het gehele plangebied gelden. De Afdeling signaleert dat deze beperkingen ook gelden voor percelen waarover de Efteling geen zeggenschap heeft. De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak in staat gesteld de redactie van artikel 26.3.1van de planregels zodanig aan te passen dat de beperkingen uitsluitend gelden voor de gronden van de Efteling.

Ook hiertoe wordt aan de raad een voorstel tot aanpassing van artikel 26.3.1van de planregels gedaan, waarmee recht wordt gedaan aan de herstelopdracht van de Afdeling.

17

Tegen deze achtergrond wordt voorgesteld artikel 1 en artikel 26.3.1 van de planregels als volgt gewijzigd vast te stellen: 29 huisvesflngssysfeem Huisvestingssysfeem als bedoeld in bijlage 1 Rav

"1. I

1.130 Rav Regeling ammoniak en veehouderij zoals die regeling luidt ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan." "26.3.1

De ingebruikname van gronden ten behoeve van de uitbreiding van het bestaande attractiepark zoals aangeduid op pagina 7 van het Beeldkwaliteitsplan als'Efteling Park' en die zijn weergegeven in gebiedspaspoort 8.1 (Efteling Park - Oost), gebiedspaspoort 8.2 (Efteling Park - West l), gebiedspaspoort 8.3 (Efteling Park - West ll) van het Beeldkwaliteitsplan is uitsluitend toegestaan indien: a. b.

c. d.

e.1

e.2 e.3

e.4

het bestaande agrarische gebruik op de percelen, die zijn aangeduid op de kaart die als bijlage 5 bij de planregels is gevoegd, feitelijk is beëindigd en voor zolang dat gebruik gestaakt blijft; ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - regeling emissie' het gebruik van diesel niet meer dan 218.650 liter diesel per jaar bedraagt, uitgezonderd het dieselverbruik dat verband houdt met motorvoertuigen die samenhangen met bezoeken; ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - regeling emissie' het gebruik van aardgas binnen het plangebied niet meer dan 1.207.054 m3 per jaar bedraagt; ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - regeling emlssle' maximaal 276.000 kg hout per jaar wordt verbrand.

Deze hoeveelheid mag uitsluitend verbrand worden in een biomassacentrale op de huidige locatie; de drijver van de melkrundveehouderij aan de Loonse Molenstraat 45 in Loon op Zand (5175 PS) bij het college van burgemeester en wethouders van Loon op Zand een melding als bedoeld in aftikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer heeft ingediend die ziet op het veranderen van de werking van deze melkrundveehouderij door een vermindering van het aantal te houden dieren met: ten minste 50 sfuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar in het huisvestingssysfeem 43.100; en ten minste 94 stuks melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar in het huisvestingssysfeem 41.100; ten opzichte van de vergunde dieraantallen en huisvestingssysfemen zoals die volgen uit de milieuvergunning van I augustus 2006 met nummer 0618 opgenomen als Bijlage I bij de planregels. Met deze melding is verzekerd dat sprake is van een afname van ten minste 50 sføks vrouwelijk jongvee en ten minste 46 melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar in de betreffende hulsvesfrngssystemen, zoals die volgen uit de Hinderwetvergunning d.d. 10 december 1991 nr.

9139 opgenomen als Bijlage 9 bij de planregels (vergunde rechten op de relevante referentiedatum 7 december 2004); de melding als bedoeld onder e.1 door het college van burgemeester en wethouders schriftelijk is geaccepteerd; uit de melding als bedoeld onder e.1 en de acceptatie als bedoeld onder e.2 blijkt dat de gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging strekt ten behoeve van de uitbreiding van het bestaande attractiepark zoals in de aanhef van dit artikel 26.3.1 is geformuleerd; het houden van vee in het bedrijf Loonse Molenstraat 45 in Loon op Zand (5175 PS) feitelijk is beëindigd en voor zolang dat gebruik gestaakt blijft.",

en voorts de kaart die als Bijlage 5 bijde planregels is gevoegd te vervangen door de bijgevoegde kaart met agrarische percelen, de Milieuvergunning van I augustus 2006 met nummer 0618 en de Hinderwetvergunning van 10 december 1991 met nummer 9139 als Bijlage 8 respectievelijk Bijlage 9 aan de planregels te hechten. Toelichtinq ln onderdeel I 10 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat gelet op wat er in de tussenuitspraak over stikstof is overuvogen niet kan worden geconcludeerd dat de stikstofdepositie niet zal toenemen en dat de raad aan het memo van 25 juni 2019 niet zonder meer de conclusie heeft

18

mogen ontlenen dat significant negatieve gevolgen op Natura 2O0O-gebieden uitgesloten zijn. De Afdeling heeft de raad daarom opgedragen in het kader van de bestuurlijke lus alsnog sluitend te onderbouwen dat de stikstofdepositie niet toeneemt, dan wel te motiveren waarom ondanks een toename van de stikstofdepositie het bestemmingsplan toch in overeenstemming met de Wet natuurbescherming kan worden vastgesteld. Door middelvan bovenstaande wijziging van artikel 26.3.1van de planregels is aan deze opdracht gevolg gegeven. Het nieuwe artikel 26.3.1van de planregels borgt de in het memo van25 juni 2019 beschreven maatregelen. Met ingang van 15 oktober 2020 is een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS beschikbaar gekomen. Het is onzeker of in het kader van het herstelbesluit een berekening met het nieuwe rekenprogramma gemaakt moet worden. Daarom is op basis van de nieuwste versie van het rekenprogramma AERIUS zekerheidshalve een nieuwe berekening uitgevoerd. Aangezien de inzichten over de te hanteren invoergegevens voor bemesting sinds de vorige berekening zijn gewijzigd, is, hoewel de Afdeling de gebruikte invoergegevens in de tussenuitspraak heeft aanvaard, met de gewijzigde inzichten gerekend. Bovendien is gerekend met (uitsluitend) de agrarische percelen die vermeld staan op Bijlage 5 bij de planregels.

Aanvullend is in de nieuwe berekening rekening gehouden met de beëindiging van het melkrundveebedrijf aan De Loonse Molenstraat 45 in Loon op Zand (5175 PS). Omdat dit bedrijf buiten het plangebied is gelegen betreft dit een mitigerende maatregel waar in het stikstofonderzoek (als passende beoordeling) onder vooruvaarden rekening mee mag worden gehouden. Er is tussen de Efteling en de drijver van het melkrundveebedrijf een overeenkomst gesloten waarbij de stikstofrechten worden overgenomen ten behoeve van de uitbreiding van de Efteling. Daardoor is sprake van directe samenhang tussen de gedeeltelijke 'intrekking'van de milieutoestemming en de uitbreiding waarin het bestemmingsplan voorziet. Ook overigens wordt voldaan aan de vooruvaarden die uit de rechtspraak volgen voor externe saldering met agrarische bedrijven voor bestemmingsplannen (zie bijvoorbeeld ABRS 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2318). Het voorgestelde artikel 26.3.1 aanhef en onder e van de planregels is gebaseerd op de in deze rechtspraak aanvaarde uitgangspunten. Voor het overige zijn voor de berekening dezelfde invoergegevens en uitgangspunten gebruikt als in de eerdere AERIUSberekening. De nieuwe berekening wordt als Bijlage 24 bij de plantoelichting gevoegd.

Uit de nieuwe berekening blijkt dat er rekening houdend met de salderingsmaatregelen geen stikstoftoename wordt berekend op het in de directe nabijheid gelegen Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen. Ter plaatse is sprake van een (forse) afname. Er volgt uitsluitend een zeer geringe toename van maximaal 0,04 mol N/ha/jaar op 1 stikstofgevoelig hexagoon in het Natura 2000-gebied Langstraat. Uit AERIUS volgt dat in dit hexagoon (afgerond) 0,0 ha H7140A- Overgangs- en trilvenen aanwezig is waarvan de kritische depositiewaarde beperkt wordt overschreden. Beoordeeld is dat, mede gelet op deze geringe hoeveelheid en het zeer geringe areaal, verzekerd is dat de natuurlijke kenmerken van dit Natura 2000-gebied niet worden aangetast. Dat geldt uiteraard ook voor de overige Natura 2000-gebieden, omdat daar geen sprake is van een stikstoftoename.

Onderdeel n. Gebouwde parkeervoorzieningen en onaanvaardbare aantasting van landschappelijke en cultuurhistorische waarden Voorgesteld wordt aan paragraaf 6.5 van de toelichting de volgende passage toe te voegen "Ten aanzien van de deelgebieden 8.2 en 8.3 waarvoor gebiedspaspoorten zijn vastgesteld in het beeldkwaliteitsplan is beoordeeld of in voldoende mate rekening is gehouden met de cultuurhistorische en landschappelijke waarden in het gebied. Door bebouwde parkeervoorzieningen uit te sluiten in de deelgebieden 8.2 en 8.3, mag ten hoogste 60% van deze deelgebieden worden bebouwd. ln de deelgebieden 8.2 en 8.3 geldt in beginsel een maximale bouwhoogte van 25 meter. Aan de noord- en zuidzijde van de deelgebieden 8.2 en 8.3 is aan een strook grond de aanduiding'maximum bouwhoogte (m)'en aanduiding'maximum hoogte overige bouwwerken: 15 m' toegekend, waardoor op deze stroken grond gebouwen en attracties tot een maximale hoogte van

't9

15 meter zijn toegestaan. Hierdoor ontstaat een geleding in de bouwhoogte in de deelgebieden 8.2 en 8.3.

Het beeldkwaliteitsplan omschrijft in hoofdstuk 6 de landschappelijke ídentiteit van de Wereld van de Efteling. Het dorp Kaatsheuvel ligt in een overgangsgebred fussen de hoger gelegen zandgronden in het zuidoosten naar de lager gelegen kleigronden in het noordwesten. Hierdoor ontbreekt een specifieke identiteit. Wanneer wordt ingezoomd op het plangebied van de Wereld van de Efteling dan kenmerkt dit gebied zich als onderdeel van het kleinschalige mozaieklandschap van de Meierij. Ook wel coulrsse/andschap genoemd. Dit landschap bestaat uit een afwisseling van bebouwde gebieden, landbouwgronden en bosgebieden. Veelal worden de landbouwgronden omzoomd door houtwallen of boomsingels, vroeger bedoeld als omkadering en afscherming van de percelen. Deze identiteit vormt de basis voor het landschappelijke raamwerk zoals beschreven en verbeeld in hoofdstuk 7 van het beeldkwaliteitsplan. Wanneer verder wordt ingezoomd op de deelgebieden 8.2 en 8.3, dan gaan de aanwezige houtwallen, boomsingels en vrijstaande bomen onderdeel uitmaken van de landschappelijke identiteit. Beide deelgebieden worden in de toekomst omzoomd door landschappelijke wallen (in oostwest richting) en houtsingels (noord-zuid richting). Hierdoor ontstaan landschappelijke kamers die kenmerkend zijn voor het coulisselandschap.

Binnen deze landschappelijke omkadering worden, binnen een hoogtegeleding van aan de buitenzijde maximaal 15 meter en aan de binnenzijde maximaal 25 meter, gelaagd de attractiegebieden gestalte gegeven. Door deze invulling worden de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied gerespecteerd."

Onderdeel o. Lichtmasten Voorgesteld wordt om artikel 6.2.2 van de planregels te vervangen door de volgende regel "6.2.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. het bouwen van nieuwe verlichtingsarmaturen is niet toegestaan; b. de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2 m; c. de bouwhoogte van (artistieke) kunstwerken mag niet meer bedragen dan 6 m; d. overkappingen zijn niet toegestaan; e. bestaande verlichtingsarmaturen die aanwezig waren ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan mogen in stand blijven en mogen worden vervangen door nieuwe verlichtingsarmaturen, voor zover de nieuwe verlichtingsarmaturen worden geplaatst op dezelfde locatie als de bestaande verlichtingsarmaturen en niet hoger zijn dan de bestaande verlichtingsarmaturen.",

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=LoonOpZand&id=5c1847f6-e80a-418a-a071-6b29b7e70cbd