Startdocument Warmteprogramma gemeente Lochem 2026
Tekst van het document
Startdocument Warmteprogramma gemeente Lochem 2026: Uitgangspuntennotitie Inleiding Dit is het startdocument voor het eerste warmteprogramma van de gemeente Lochem. Het warmteprogramma moet eind 2026 door het college worden vastgesteld, en is de opvolger van de Transitievisie Warmte (TVW) uit 2022. De uitgangspunten in dit startdocument dienen als basis voor het maken van keuzes in de aanpak voor het warmteprogramma, en vormen daarmee het fundament. De uitgevoerde evaluatie naar de TVW (bijlage 1), de tijdlijn bewonersinitiatieven (bijlage 2) en het concept plan van aanpak voor het warmteprogramma (bijlage 3) dienen als input voor de uitgangspunten. Bij de actualisatie van het warmteprogramma, over 5 jaar, kunnen wij de uitgangspunten actualiseren. Op basis van de evaluatie en monitoring van het warmteprogramma, en de dan nieuwste ontwikkelingen in wetten.
Uitgangspunten 1. Participatie Uitgangspunt: Als gemeente betrekken we inwoners en andere belanghebbenden. De warmtetransitie is een onderwerp dat iedere inwoner van een bestaande woning in Lochem, letterlijk achter de voordeur, raakt. Daarom is het van belang dat we inwoners op een zinvolle manier betrekken. In de participatie met inwoners hebben we aandacht voor de stille meerderheid en kwetsbare groepen. Daarnaast kent onze gemeente vele maatschappelijke en private organisaties wiens gebouwen ook aardgasvrij moeten worden. Daarom is er een grote groep stakeholders die we moeten betrekken. In een vroegtijdig stadium benaderen we stakeholders als netbeheerder Liander, woningcorporaties IJsseldal Wonen en Viverion en energiecoöperatie LochemEnergie om hun kennis en ervaring toe te passen. Zowel bij het opstellen van het warmteprogramma als het maken van mogelijke uitvoeringsplannen. Daarnaast betrekken we maatschappelijke organisaties en ondernemers. Dit om hun inzicht te krijgen aan welke voorwaarden het warmteprogramma moet voldoen om dit sociaal haalbaar te maken. Ook zoeken we de verbinding met andere overheden zoals buurgemeenten binnen of buiten de regio Stedendriehoek (zie ook uitgangspunt 8). Hoe de participatie exact wordt ingestoken, wordt nog nader uitgewerkt. Voor de invulling hiervan maken we gebruik van het gemeentelijk participatiebeleid wat de raad
1
zal gaan vaststellen. Het is van belang dat iedereen mee moet kunnen doen, want de warmtetransitie raakt ook iedereen.
2. Bewonersinitiatieven Uitgangspunt: In de gemeente Lochem stimuleren we bewonersinitiatieven. In de gemeente Lochem kennen we een lange geschiedenis van bewonersinitiatieven op het gebied van klimaat en energie (bijlage 2: tijdlijn bewonersinitiatieven). In de uitvoering van het warmteprogramma willen we deze opgedane ervaring en kennis van onze inwoners zo optimaal mogelijk toepassen. Zij kennen hun buurt, weten wat werkt en hebben vaak al draagvlak. Zonder lokaal draagvlak wordt de warmtetransitie een lastig verhaal, met name voor (kleinschalige) collectieve oplossingen. Uit onderzoek van netbeheerder Liander blijkt dat het benodigd elektrisch vermogen bij een collectieve warmteoplossing ongeveer 25-50 % lager is dan wanneer in hetzelfde gebied alleen individuele warmtepompen zouden zijn1. Met andere woorden: collectieve oplossingen zijn minder belastend voor het net dan wanneer iedereen een individuele warmtepomp zou hebben. Daarnaast kunnen collectieve warmteoplossingen andere schaalvoordelen bieden in bijvoorbeeld investering en ruimtelijke impact23, maar ook op het gebied van geluid4. Als gemeente kunnen we niets afdwingen, maar we kunnen collectiviteit wel stimuleren vanuit onze gemeentelijke regierol.
Onze bewoners hebben laten zien zelf stappen te willen en kunnen zetten richting een duurzaam Lochem, zoals LochemEnergie, Aardgasvrij Laren, en de Buurtenergiestrategieën (BES’sen). Daarnaast laat de inmiddels beëindigde waterstof-pilot in beschermd stadsgezicht Berkeloord zien dat vanuit de gemeenschap innovatie van wereldklasse tot uiting kan komen. Daarom proberen we bewonersinitiatieven, bijvoorbeeld in de vorm van mini-warmtenetten5 (250 woningen), te stimuleren en daarop mogelijk aan te haken. Dit vraagt om heldere communicatie waarbij we naar bewoners toe gaan. Om te laten zien welke mogelijkheden er zijn en wat dit voor bewoners zou betekenen. De BES’sen kunnen hiervoor als basis dienen. Daarnaast zoeken we ook naar mogelijkheden om verschillende typen bebouwing op elkaar te laten aansluiten door bewoners en ondernemers samen te brengen. Een combinatie van verschillende typen bebouwing met een verschillend verbruiksritme en energieprofiel kan namelijk voordelen bieden bij gezamenlijke warmtealternatieven.
alternatieve-warmteoplossingen.pdf Ontwikkelperspectief duurzame warmtebronnen 3 Warmteoplossingen en ruimtegebruik | NPLW 4 Cumulatief geluid warmtepompen | NPLW 5 Handreiking mini- en kleinschalige warmtenetten 1 2
2
3. Aanwijsbevoegdheid Uitgangspunt: We gaan zorgvuldig om met de aanwijsbevoegdheid. Met de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) krijgt de gemeente een aanwijsbevoegdheid. In het concept Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw) staat deze bevoegdheid als volgt geformuleerd: "De aanwijsbevoegdheid houdt in dat een gemeente binnen haar grondgebied bepaalde wijken kan aanwijzen die overgaan op een duurzame energievoorziening ter vervanging van het aardgas6”. Door het inzetten van de aanwijsbevoegdheid stopt de levering van aardgas voor dat specifieke gebied na 8 jaar. Bewoners kunnen daarbij zelfstandig kiezen voor een alternatief als de levering van aardgas stopt. Daarnaast gelden hiervoor allemaal wettelijke vereisten waar de gemeente aan moet voldoen. In het warmteprogramma bekijken we per gebied hoe we omgaan met de aanwijsbevoegdheid om op die manier bij te dragen aan het tempo van verduurzaming, en bewoners te faciliteren die er naar streven om eerder dan 2050 aardgasvrij te worden. Het inzetten van de aanwijsbevoegdheid ligt bij de gemeenteraad, binnen de kaders in de wet die hiervoor gelden. In het warmteprogramma beschouwen we de aanwijsbevoegdheid daarom als een middel, en niet als een doel op zich, waar we zorgvuldig mee omgaan.
4. Duidelijk en realistisch tijdspad Uitgangspunt: Het warmteprogramma biedt een duidelijk en realistisch tijdspad richting 2035 voor alle inwoners, gebruikers en gebouweigenaren in de gebouwde omgeving die nog afhankelijk zijn van aardgas. Doelstelling is dat heel Nederland van het aardgas gaat, ook de gemeente Lochem. Een dergelijk grote operatie kan niet overal tegelijk. We zullen ergens moeten beginnen en moeten eindigen. Daarom pakken we dit op een planmatige manier aan, gebaseerd op een gefaseerde en gebiedsgerichte uitwerking binnen de cyclus van warmteprogramma's. In het warmteprogramma schrijven we op waar wij de komende 10 jaar kansen zien voor het ombouwen naar een aardgasvrije gebouwde omgeving en wat voor die gebieden de voorgenomen aanpak is. Tegelijkertijd maken we daarmee ook duidelijk in welke gebieden we als gemeente in deze periode, voorlopig, géén kansen zien voor een gebiedsgerichte aanpak. Zo bieden we duidelijkheid en handelingsperspectief. Niet alleen voor onze inwoners, maar ook voor eigenaren van utiliteitsbouw. Na 5 jaar, met de volgende actualisatie van het warmteprogramma, kunnen we aangeven in welke andere gebieden we kansen zien om hieraan verder te werken voor de daaropvolgende 10 jaar. Zo bouwen we stapsgewijs door naar 2050.
6
Concept Bgiw
3
5. Betaalbaarheid Uitgangspunt: In Lochem willen we de overstap naar aardgasvrij betaalbaar houden voor onze inwoners, voor nu en in de toekomst. Betaalbaarheid is een relatief begrip. Wat betaalbaar is, en voor wie, is afhankelijk van veel factoren. Sommige alternatieve warmteoplossingen zijn nu mogelijk nog niet betaalbaar, maar door technologische ontwikkeling en innovatie bij het volgende warmteprogramma wel. Richting 2050 is het nodig om nu al stappen te zetten in de verduurzaming. In Lochem vinden we het belangrijk dat de overstap naar een aardgasvrij warmtealternatief betaalbaar is voor onze inwoners en dat de energierekening betaalbaar blijft. Het gaat hierbij niet alleen om de investeringen voor de randvoorwaarden waaraan het gebouw moet voldoen (isolatiegraad) of de aanschaf en aansluiting van een duurzame warmteoplossing. Ook de kosten voor de volledige levensduur van de warmteoplossing, inclusief de energielasten, zijn van belang. Binnen de gemeente Lochem zetten we al drie jaar actief in op het bestrijden van energiearmoede. Daarom vinden we het belangrijk om in het warmteprogramma rekening te houden met kwetsbare doelgroepen als het gaat om energiearmoede. Nu, op termijn en bij de keuzes die we gaan maken met betrekking tot de fasering voor een gebiedsgerichte aanpak. We proberen te voorkomen dat inwoners achterblijven.
6. Alternatieve warmtebronnen Uitgangspunt: Op voorhand sluiten we geen alternatieve warmtebronnen uit. Er zijn veel mogelijke alternatieve warmtebronnen die kunnen fungeren als de vervanging voor aardgas. Binnen gemeente Lochem willen we vooraf geen alternatieve warmtebronnen uitsluiten binnen de analyses die ten grondslag liggen aan het warmteprogramma. Belangrijker is dat alternatieve warmtebronnen bijvoorbeeld realistisch zijn. Een warmtebron die op dit moment niet voldoet, kan op termijn wel passend zijn. Door nu een goede basis te leggen en breed te oriënteren, kan dit in de toekomst leiden tot innovatieve oplossingen en verbindingen. Zo is waterstof bijvoorbeeld geschikt om door bestaande gasleidingen door een woning getransporteerd te worden, zoals aangetoond in de pilot in Berkeloord, maar is (groene) waterstof zelf op dit moment nog niet in voldoende mate beschikbaar. Daarnaast kan een breed scala aan bronnen op termijn mogelijk bijdragen aan een systeem waarbij meerdere bronnen elkaar afwisselen of aanvullen, zelfs bovenlokaal. Ook zijn we pragmatisch als het gaat om het toepassen van (hybride) tussenoplossingen voor de vervanging van aardgas richting een aardgasvrij 2050. Door de netcongestie is in sommige situaties of gebieden volledige elektrificatie op dit moment niet haalbaar. Een hybride tussenoplossing kan dan een tijdelijke maatregel 4
zijn die het aardgasverbruik in ieder geval vermindert en het elektriciteitsnetwerk niet (direct) onder druk zet.
7. Werk met werk maken Uitgangspunt: Waar mogelijk combineren we onze aanpak in het warmteprogramma met andere (toekomstige) opgaven om op die manier kosten en overlast te beperken. Het combineren van verschillende opgaven in het warmteprogramma vanuit een integrale aanpak kan in theorie leiden tot een beperking van kosten en overlast. Daarnaast kan het draagvlak vergrotend werken. Binnen de aanpak in het warmteprogramma houden we daarom rekening met de mogelijkheid om werk met werk te combineren. Wanneer bijvoorbeeld ergens de straat open moet vanwege al geplande werkzaamheden, proberen we te kijken of er met het warmteprogramma hierop aangesloten kan worden. Daarnaast houden we rekening met de planning van Liander vanuit het Lokaal Programmeren. Optimale afstemming tussen werkzaamheden zal niet altijd mogelijk zijn: als gemeente proberen we hier wel naar te zoeken. Naast werk met werk houden we ook rekening met andere opgaven als nieuwbouw, woningverbetering, isolatie buurtaanpak, biodiversiteit, klimaatadaptie en sociale cohesie (samen een warmtenet schept een band) voor de aanpak binnen het warmteprogramma in lijn met de integrale aanpak uit de Omgevingsvisie.
8. Over grenzen kijken Uitgangspunt: Voor de warmtetransitie kijken we over onze gemeentegrenzen heen. Iedere gemeente in Nederland is nu bezig met het opstellen van haar eerste warmteprogramma. We zijn omringd door 7 andere gemeenten. Niet al deze gemeenten maken net als Lochem deel uit van de regio Stedendriehoek, waarin zaken op het gebied van energie en warmte vaak onderling besproken worden en kennis actief wordt gedeeld. Daarom zoeken we ook de verbinding met buurgemeenten in de regio’s Achterhoek en Twente om plannen voor de ‘grensgebieden’ op elkaar te kunnen afstemmen, en om kennis uit te wisselen. Ook kunnen hieruit mogelijk nieuwe samenwerkingen ontstaan. Daarnaast blijven we ontwikkelingen op gebied van warmte elders, ook internationaal, in de gaten houden en kijken of deze mogelijk ook bij ons toepasbaar zijn.
Vervolg Op basis van de uitgangspunten in dit startdocument starten we met het opstellen van een plan van aanpak voor het warmteprogramma, dat ter kennisgeving met de raad wordt gedeeld. Het concept plan van aanpak (bijlage 3) is bijgevoegd bij dit startdocument om alvast een beeld te schetsen van wat we gaan doen. Daarnaast bevat deze bijlage meer informatie over het planproces. Gelijktijdig starten we met het 5
uitvoeren van een warmtebronnen analyse om op basis daarvan een gemeentelijke bronnenstrategie op te stellen. Ook starten we met het, formeel, betrekken van relevante stakeholders. Op basis van de vastgestelde uitgangspunten, techno-economische data, kennis en ervaring van stakeholders en de beschikbare alternatieve warmtebronnen proberen we te komen tot een logische fasering voor een gebiedsgerichte aanpak in de uitvoering die passend en uitvoerbaar is voor de komende 10 jaar. Ook blijven we inzichten uit gesprekken met inwoners, bewonersinitiatieven, ondernemers, andere overheden en maatschappelijke organisaties actief gebruiken bij het bijstellen en concretiseren van het warmteprogramma, zoals voor de aanwijsbevoegdheid. We nemen daarbij kansen om gemeentelijk vastgoed te verduurzamen mee in de afweging voor de gebiedsgerichte aanpak wanneer dit passend is voor het object en ook financieel haalbaar is.
6