RV Bijlage 13 Ruimtelijke onderbouwing OV Hietland 4 Barchem 2171930
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing pluimveestallen Hietland 4 Barchem 1. Aanleiding en doel Op de locatie Hietland 4 in het buitengebied bij Barchem staat een agrarisch bedrijf. Initiatiefnemer exploiteert hier een pluimveehouderij met vleeskuikens. De aanvraag omgevingsvergunning betreft het oprichten van twee nieuwe pluimveestallen. Ter verbetering van het dierenwelzijn worden twee verouderde stallen gesloopt en vervangen door twee grotere stallen. Aan twee bestaande pluimveestallen wordt een overdekte uitloop toegevoegd. Het plan voor de bouw van de nieuwe pluimveestallen past niet binnen de bouwregels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Lochem 2010’. Om de bouw van de pluimveestallen op deze locatie mogelijk te maken, is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem van plan om een omgevingsvergunning te verlenen. De aanvraag omgevingsvergunning is ingediend voor 1 januari 2024. Medewerking is mogelijk door af te wijken van de bouwregels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Lochem 2010’ op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Een voorwaarde bij het verlenen van de omgevingsvergunning is dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De motivering voor de afwijking staat beschreven in de ruimtelijke onderbouwing die nu voorligt.
De ruimtelijke onderbouwing toont aan waarom deze ontwikkeling, die in strijd is met het bestemmingsplan, toch kan worden toegestaan.
2. Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt in het zuidoosten van gemeente Lochem, nabij de grens met de gemeente Berkelland, in het buitengebied van Barchem. Het perceel ligt ten noorden van de provinciale weg N315 tussen Borculo en Ruurlo. De kadastrale aanduiding van de percelen is gemeente Lochem, sectie L, nummers 200 en 201. De totale oppervlakte van de percelen is 23.920 m².
Figuur 1: Locatie in zuidoosten van de gemeente Lochem
-1/17
Figuur 2: Luchtfoto locatie Hietland 4 Barchem
3. Vigerende bestemmingsplannen Het plangebied maakt deel uit van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Lochem 2010’. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad vastgesteld op 7 december 2010. Op 14 mei 2015 is het bestemmingsplan geconsolideerd als bestemmingsplan ‘Buitengebied Lochem, geconsolideerde versie’ (hierna: bestemmingsplan). De gronden hebben de bestemming ‘Agrarisch’. Binnen het agrarisch bouwvlak geldt de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. De locatie heeft als gebiedsaanduidingen: o overige zone – beschermingszone natte landnatuur; o overige zone – landschapstype kleinschalig kampenlandschap; o reconstructiewetzone – verwevingsgebied; o reconstructiewetzone – extensiveringsgebied. Het plangebied maakt deel uit van het ‘Paraplubestemmingsplan Archeologie’. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad vastgesteld op 20 januari 2014, en geconsolideerd in 2015. Binnen dit bestemmingsplan hebben de gronden binnen het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 5’ en deels ‘Waarde – Archeologie 7’. Op de plek van de bouw van de stallen geldt een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’. Daar waar de uitloop gepland is geldt deels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’, deels ‘Waarde – Archeologie 7’. 3.1 Bestemmingsomschrijving Agrarisch De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn, onder andere, bestemd voor: a.
de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf; b. met de daarbij behorende agrarische bedrijfsgronden en een agrarisch bouwvlak; c. het bestaande aantal bedrijfswoningen, al dan niet in combinatie met inwoning/mantelzorg volgens een algemene afwijking in artikel 44; d. de instandhouding en ontwikkeling van de in 43.2 genoemde landschapstypen en hun kernkwaliteiten; …
-2/17
l.
alsmede voor een ‘intensieve veehouderij’ ter plaatse van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’.
3.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: 3.2.1 Algemeen: a. de gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan, met dien verstande dat: 1. buiten het bouwvlak wel terreinafscheidingen zijn toegestaan en de bestaande veldschuren buiten het bouwvlak in hun huidige omvang mogen worden gehandhaafd; b. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, met dien verstande dat: 1. ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' zonder afwijking geen uitbreiding van de vloeroppervlakte van veestallen van een intensieve veehouderij is toegestaan; 2. ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' intensieve veehouderij is toegestaan tot een bebouwde oppervlakte van maximaal 1 hectare, dan wel de bestaande grotere oppervlakte; c. binnen het bouwvlak zijn uitsluitend bouwwerken ten behoeve van één agrarisch bedrijf toegestaan.
Figuur 3: Verbeelding van het bestemmingplan
-3/17
4. Beoogde situatie Aan de bestaande pluimveestallen komt een overdekte uitloop (D1 en D2 in figuur 4). Op deze manier kan worden voldaan aan het Beter Leven 1-ster keurmerk van de Dierenbescherming. Daarnaast worden de bestaande, oudere pluimveestallen gesloopt, en zullen nieuwe en moderne pluimveestallen worden gerealiseerd met een inpandige overdekte uitloop (B en C in figuur 4). Het aantal vleeskuikens neemt af met 1.500 dieren, vergeleken met de vergunning uit 2018. Het oppervlak wordt vergroot ten behoeve van het dierenwelzijn, waardoor aan de eisen van het Beter Leven 1-ster keurmerk van de Dierenbescherming voldaan kan worden. De stallen worden opgericht in overeenstemming met de eisen van de laatste versie van een Maatlat Duurzame Veehouderij stal. De bebouwde oppervlakte van het terrein voor de uitvoering van de bouwwerkzaamheden is 6.051 m². Na de uitvoering van de bouwwerkzaamheden is dit 10.777 m². De beoogde situatie verandert ten opzichte van de huidige situatie. Een nadere toelichting daarop is te vinden in hoofdstuk 5 van deze ruimtelijke onderbouwing.
Figuur 4: Beoogde nieuwe situatie met stallen B, C en D
Figuur 5: aanduiding te slopen stallen
5. Ruimtelijke afweging De aanvraag is ingediend op 27 december 2024, net vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, en wordt daarom getoetst aan de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor). Aan de bestaande stallen D worden twee overdekte uitloopstallen (Wintergarten) gebouwd. Deze kunnen op grond van artikel 3, lid 1 van Bijlage II bij het Bor zonder omgevingsvergunning geplaatst worden. Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo is niet vereist, als deze activiteit betrekking heeft op: 1. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
-4/17
a. niet hoger dan 5 meter; b. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; c. de ligging van een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag, en; d. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte. 5.1 Afwijking ten opzichte van het vigerend bestemmingsplan De aanvraag voor de bouw van de nieuwe pluimveestallen met een inpandige, overdekte uitloop is niet in overeenstemming met de bouwregels uit het bestemmingsplan. Binnen het agrarisch bouwvlak geldt de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. De locatie heeft als gebiedsaanduidingen: o overige zone – beschermingszone natte landnatuur; o overige zone – landschapstype kleinschalig kampenlandschap; o reconstructiewetzone – verwevingsgebied; o reconstructiewetzone – extensiveringsgebied. De gebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd. De aanduiding ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’ is bij deze aanvraag de reden om af te wijken van het bestemmingsplan. De bouw van de pluimveestallen heeft geen gevolgen voor de natte landnatuur of het kleinschalig kampenlandschap.
De motivering daarvoor komt terug in de paragrafen 6.3 Gemeente en 7.3 Water van deze ruimtelijke onderbouwing. Ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' intensieve veehouderij is toegestaan tot een bebouwde oppervlakte van maximaal 1 hectare. Deze aanduiding geldt echter maar voor een klein gedeelte van het agrarisch bouwvlak en heeft daardoor geen gevolgen voor de bouw van de pluimveestallen. Ter plaatse van de aanduiding ‘reconstructiewetzone-extensiveringsgebied’ is zonder afwijking geen uitbreiding van de vloeroppervlakte van veestallen van een intensieve veehouderij toegestaan. De aanduiding ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’ geldt voor het gehele agrarische bouwvlak. Artikel 3.3 van het bestemmingsplan geeft een uitzondering op de bouwregels. Het is mogelijk om af te wijken van de bouwregels met een omgevingsvergunning voor de voor de uitbreiding van de veestallen van een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone – extensiveringsgebied'. Mits de uitbreiding aantoonbaar noodzakelijk is om te voldoen aan de wettelijke eisen van dierenwelzijn en/of veterinaire gezondheid. Een Beter Leven 1-ster keurmerk van de Dierenbescherming is geen wettelijke eis voor dierenwelzijn. De binnenplanse afwijking van artikel 3.3, lid a van het bestemmingsplan is in dit geval niet van toepassing op de aanvraag.
De uitbreiding is niet aantoonbaar noodzakelijk om te voldoen aan de wettelijke eisen van dierenwelzijn en/of veterinaire gezondheid. Uit de aanvraag blijkt alleen dat de aanvrager wil produceren volgens het Beter Leven 1-ster keurmerk van de Dierenbescherming. Het is niet mogelijk om af te wijken van het bestemmingsplan met de procedure van de kleine buitenplanse van artikel 4 van Bijlage II bij het Bor (‘kruimel’ afwijking) en de reguliere procedure op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a onder 2° van de Wabo. De reden hiervoor is dat de bouwhoogte meer dan vijf meter bedraagt en het bebouwde oppervlak meer dan 150 m². De aanvraag moet daarom beschouwd worden als een verzoek om af te wijken van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3° van de Wabo. Dit is de buitenplanse afwijking waarvoor de uitgebreide procedure geldt. Met een daarbij behorende ruimtelijke onderbouwing. De nieuwe pluimveestallen worden gebouwd volgens de eisen van de laatste versie van de Maatlat Duurzame Veehouderijstal (MDV). Een MDV-stal is een veestal met een lagere milieubelasting, met
-5/17
maatregelen voor diergezondheid en dierenwelzijn en draagt daardoor bij aan verduurzaming van de veehouderij. Een MDV-stal voldoet aan strenge duurzaamheidseisen op de thema’s ammoniakemissie, bedrijf & omgeving, brandveiligheid, diergezondheid, dierenwelzijn, fijnstof en klimaat. We onderschrijven de bouw van meer duurzame stallen met een kleiner aantal dieren en een lagere milieubelasting. Wij willen afwijken van de bouwregels uit het bestemmingsplan onder de voorwaarden die horen bij de te verlenen omgevingsvergunning. De belanghebbenden, in dit geval de direct omwonenden en/of grondeigenaren, worden geconfronteerd met een situatie die anders is dan nu het geval is. Door de nieuwbouw verandert het ruimtelijk beeld ter plaatse. Het is daarom belangrijk om de buurt te betrekken bij plannen voor bouw en verbouw (participatie). Het Plussenbeleid van gemeente Lochem maakt dat initiatiefnemer ook een verplichting heeft om dit te doen. Uit de participatie-avond is gebleken dat de buurt kritische vragen heeft gesteld over de plannen en goed geïnformeerd is over de beoogde veranderingen op het bedrijf. Als voldaan wordt aan die voorwaarden bestaan voor ons geen ruimtelijke bezwaren om een omgevingsvergunning te verlenen met de buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3° van de Wabo.
6. Beleidskader In de ruimtelijke onderbouwing wordt de ruimtelijke ontwikkeling getoetst aan het beleid van diverse overheden. Indien nodig worden de aspecten verder gemotiveerd met een onderzoek. De meest relevante beleidsaspecten voor het plangebied komen aan de orde. Het gaat om het ruimtelijk beleid van het Rijk, Provincie Gelderland, de regio en gemeente. Het beleid van het Rijk en de regio komt niet aan de orde bij deze ontwikkeling. Het beleid van de Provincie Gelderland is wel aan de orde omdat de provincie Plussenbeleid voorschrijft. 6.1 Rijk Nationale Omgevingsvisie De kaders van het rijksbeleid op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en is vanaf 12 februari 2021 bindend voor het Rijk als geldende visie onder Wet ruimtelijke ordening. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI zijn de genoemde opgaven samengevat in vier prioriteiten: o ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; o een duurzaam en economisch groeipotentieel; o sterke en gezonde steden en regio's; o toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om dit te bereiken worden 21 nationale belangen benoemt in de NOVI waarop de nationale overheid zich richt.
Deze 21 nationale belangen hebben ook een relatie met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In de NOVI worden geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het plangebied. Wel is in algemene termen het realiseren van een goede omgevingskwaliteit van belang. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Barro bevat algemene regels die bindend zijn voor lagere overheden, zoals provincies en gemeenten, ter bescherming en verwezenlijking van nationale belangen. De belangrijkste onderwerpen die in dit besluit worden behandeld, zijn onder andere: o Rijksvaarwegen; o Defensie; o Hoofdwegen en hoofdspoorwegen; o Elektriciteitsvoorziening;
-6/17
o o o o
Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische hoofdstructuur); Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte).
Relatie met het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van de bovengenoemde gebieden, wat betekent dat het voorliggende bestemmingsplan niet in strijd is met een nationaal ruimtelijk belang uit het Barro. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In het Bro staan regels met eisen aan de inhoud van een ruimtelijke onderbouwing. Een toelichting dient een verantwoording van de in het plan gemaakte keuzen te bevatten, net als een waterparagraaf, de uitkomsten van het vooroverleg, resultaten van eventueel verrichte onderzoeken, inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan, etc. Deze toelichting voldoet daaraan. De ruimtelijke onderbouwing moet tevens een verantwoording bevatten over de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6, lid 2 Bro). Dit afwegingskader verplicht overheden om zorgvuldig ruimtegebruik te waarborgen bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De Ladder is een belangrijk instrument voor een goede ruimtelijke ordening. Relatie met het plangebied De omgevingsvergunning maakt de herbouw van twee veestallen mogelijk. Deze ontwikkeling is niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro, wat betekent dat verdere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk is.
Milieuwetgeving Verschillende milieuwetgevingen zijn van toepassing, waaronder de Wet luchtkwaliteit, de Wet natuurbescherming, de Wet geluidhinder, enzovoort. In de ruimtelijke onderbouwing worden deze aspecten verder behandeld. 6.2 Provincie Gelderland De provincie richt zich op onderwerpen die van provinciaal belang zijn, zoals verstedelijking, landbouw/veehouderij, natuur en landschap, grond- en drinkwater, milieu, verkeer en energie. Omgevingsvisie en omgevingsverordening Gelderland De omgevingsvisie van provincie Gelderland heeft als doel om provinciale belangen op het gebied van de ruimtelijke ordening te laten doorwerken naar gemeentelijk niveau. De omgevingsvisie van de provincie Gelderland verplicht gemeenten om een beleidskader op te stellen voor niet-grondgebonden veehouderijen. Hiervoor heeft de provincie de handreiking Plussenbeleid opgesteld waarop dit beleidskader is gebaseerd. Bij uitbreiding van bestaande bedrijven gelden regels voor het verduurzamen van de niet-grondgebonden veehouderij. De vast te stellen ruimtelijke voorwaarden voor ruimtelijke kwaliteit, milieu en dierwelzijn zijn aanvullend op de bestaande wettelijke en juridische kaders. Ze vormen in dat opzicht een plus, vandaar de naam Plussenbeleid. Dit beleidskader past de gemeente toe als er sprake is van een uitbreiding groter dan 500 m².
Een omgevingsplan kan eens per vijf jaar een uitbreiding van ten hoogste 500 m² van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf toelaten, waarop de vastgestelde beleidsregels niet van toepassing zijn. Een bestemmingsplan laat een uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of een nietgrondgebonden veehouderijtak alleen toe als de uitbreiding voldoet aan Plussenbeleid dat door de gemeenteraad is vastgesteld. Daarmee geeft de provincie niet-grondgebonden veehouders de ruimte
-7/17
om hun bedrijf onder bepaalde voorwaarden te ontwikkelen. De gemeenteraad van gemeente Lochem heeft Plussenbeleid vastgesteld op 11 december 2023. De aanvraag is getoetst aan Omgevingsverordening Gelderland (in werking vanaf 1 mei 2024). De omgevingsverordening is de juridische vertaling van de provinciale omgevingsvisie. De beoogde bouwlocatie ligt buiten de Groene Ontwikkelingszone, het Gelders Natuurnetwerk en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De locatie ligt wel binnen een gebied dat is aangewezen als ‘Nationaal landschap’. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen op grond van de verordening de kernkwaliteiten van het landschap niet aantasten. Relatie met het plangebied In voorliggend geval zijn provinciale belangen in het geding. Bij de herbouw van de veestallen gaat het om een omvang van meer dan 500 m². De bouwlocatie ligt binnen een nationaal landschap. Verder maken de gronden onderdeel uit van een ammoniakbuffergebied. Nieuw- of hervestiging van een nietgrondgebonden veehouderijtak zijn in zo’n gebied niet toegestaan. Uitbreiding van een nietgrondgebonden veehouderijtak is alleen toegestaan als die uitbreiding niet leidt tot een toename van de emissie van ammoniak. Hoofdstuk 7 gaat hier verder op in. Het voorliggende plan maakt herbouw van twee veestallen op een locatie binnen het agrarisch bouwvlak mogelijk.
Ter compensatie wordt een groenstrook met streekeigen beplanting achter de bestaande en nieuw te bouwen veestallen aangelegd. Dit wordt vastgelegd in een inrichtingsplan en de aanleg wordt geborgd door de voorwaarden bij de te verlenen omgevingsvergunning. De kernkwaliteiten worden door het plan niet aangetast. 6.3 Gemeente Welstandsbeleid In de gemeente Lochem gelden voor een deel van het grondgebied welstandseisen bij bouwactiviteiten. In die gebieden moeten bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van welstand en is een welstandsadvies van de stadsbouwmeester over een bouwplan nodig. Voor het buitengebied van gemeente Lochem gelden geen welstandseisen, met uitzondering van • historische bebouwingslinten; • historische landgoederen en buitenplaatsen; • Rijks- en gemeentelijke monumenten. Het plangebied valt niet onder één van deze categorieën. Bestemmingsplan Buitengebied Lochem 2010 Het bestemmingsplan ‘Buitengebied Lochem 2010’ vormt een belangrijk toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van Lochem. Het bestemmingsplan is onder meer gebaseerd op de visie Buitengebied Lochem en het Landschap Ontwikkelingsplan. Landschap Een belangrijk uitgangspunt van het bestemmingsplan is de kwaliteit van het landschap.
De landschappelijke kwaliteit in het buitengebied Lochem verschilt plaatselijk sterk als gevolg van ontwikkelingsgeschiedenis, verschillend grondgebruik en een verschillende ondergrond wat betreft geologie, bodem en waterhuishouding. Op basis van deze verschillen zijn in het bestemmingsplan zeven landschapstypen onderscheiden. Dit zijn: o Rivierenlandschap; o Beekdallandschap; o Bos- en landgoederenlandschap; -8/17
o o o o
Essenlandschap; Stuwwal Lochem; Open broekgebieden; Kleinschalig kampenlandschap.
In het bestemmingsplan zijn de kernkwaliteiten per landschapstype benoemd. Deze zijn het uitgangspunt voor de ontwikkelingsrichting die de gemeente per landschapstype voor ogen heeft. Binnen de landschappelijke kwaliteiten kunnen verschillende functies zich verder ontwikkelen. Gestreefd wordt naar een versterking van de kernkwaliteiten, terwijl tegelijkertijd ontwikkelingen daarin mogelijk zijn. Sterker nog, ontwikkelingen kunnen plaatsvinden en zorg dragen voor versterking van de aanwezige kwaliteit. Dit geldt voor zowel ontwikkelingen op gebied van landbouw, als wonen en werken en toerisme en recreatie. Relatie met het plangebied De beoogde bouwlocatie ligt in het ‘kleinschalig kampenlandschap’. Voor dit landschapstype gelden de volgende regels: o o o o o
Kleinschalig landschap; Microreliëf, zoals eenmansessen en steilranden; Perceelrandbeplanting, houtwallen en houthakbosjes; Grillige wegenstructuur met beplanting; Open essen en enken.
Het plan voor de locatie aan de Hietland richt zich op de herbouw van twee veestallen binnen het agrarisch bouwvlak. Bij het bouwplan is rekening gehouden met de aanplant van een groenstrook achter de bestaande en nieuw te bouwen veestallen. De groenstrook draagt bij aan de landschappelijke kwaliteit door de aanplant met streekeigen, inheemse soorten. In het beplantingsplan staan de maatvoering van de groenstrook (lengte en breedte), de soortkeuze, aantalsverhoudingen tussen de soorten, plantafstand en -verband. Om de landschappelijke inpassing juridisch te borgen maakt het inrichtingsplan onderdeel uit van de voorwaarden bij de omgevingsvergunning.
7. Milieuaspecten-randvoorwaarden In dit hoofdstuk is een aantal milieu- en omgevingsaspecten toegelicht die bij een ruimtelijk plan in beschouwing moeten worden genomen. Voor elk onderdeel is ingegaan op de relatie met het plangebied. 7.1 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het verlenen van een omgevingsvergunning als het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of als het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. De nieuwe veestallen zijn geen geluidgevoelige objecten. De bouw van de stallen zal geen extra geluidsoverlast voor de omgeving veroorzaken. Om deze reden is er geen akoestisch onderzoek vereist. Om de effecten van de verkeersbewegingen inzichtelijk te maken, is een akoestisch rapport ingediend. Dit rapport maakt onderdeel uit van de milieuvergunning, welke gecontroleerd wordt door de Omgevingsdienst Achterhoek. 7.2
-9/17
Bodem
Bij gemeente Lochem zijn geen bodemonderzoeken bekend. Provincie Gelderland heeft de locatie wel aangemerkt als onderdeel van het Historisch Bodem Bestand (HBB) door een voormalige ondergrondse dieseltank. Een tankcertificaat is niet voor handen maar volgens het HBB is de HBOtank (2000 liter) reeds verwijderd. De Asbestdakenkaart van de provincie Gelderland geeft aan dat een aantal daken als verdacht wordt aangemerkt voor asbest. Het betreft de paarse daken (zie figuur 6). De twee grote schuren, die in paars zijn aangeduid, worden gesloopt voor de nieuwbouw van de veestallen. Op (lucht)foto's is te zien dat de schuren geen dakgoten hebben, wat betekent dat de drupzones verdacht zijn voor de aanwezigheid van asbestdeeltjes. Deze zones moeten op asbest worden onderzocht. De werkwijze van dit onderzoek wordt uitgevoerd conform de richtlijnen voor asbestonderzoek, zoals vastgesteld door de Omgevingsdienst Achterhoek. Dit onderzoek maakt deel uit van de bijlage bij de te verlenen omgevingsvergunning. Er is een verkennend asbest- en PCB-onderzoek uitgevoerd in de drupzones, volgens de Nederlandse normen NEN 5725, NEN 5740 en NEN 5707. De hypothese dat er mogelijk een bodemverontreiniging met PCB's aanwezig is, wordt verworpen op basis van de onderzoeksresultaten, aangezien er geen verhoogde gehaltes PCB zijn aangetroffen. De onderzoeksstrategie wordt als voldoende beschouwd.
Op basis van de analyseresultaten van zowel de grove als de fijne fractie is vastgesteld dat in alle onderzochte drupzones de interventiewaarde voor asbest wordt overschreden. Dit betekent dat er sanering noodzakelijk is.
Figuur 6: Asbest-verdachte daken in het paars
7.3 Water In het moderne waterbeheer, gericht op de 21e eeuw, wordt gestreefd naar duurzame en veerkrachtige watersystemen die minimale risico's op zowel wateroverlast als watertekorten bieden. Een belangrijk instrument om dit te bereiken is de watertoets, die sinds 1 november 2003 is verankerd in ruimtelijke plannen. Bij de toelichting op ruimtelijke plannen hoort een waterparagraaf. Hierin wordt verslag gedaan van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Dit is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige -10/17
doelstellingen duidelijk en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Voor deze ruimtelijke ontwikkeling worden de effecten van de ontwikkeling per waterthema afgewogen. De relevante waterthema’s zijn door middel van de watertoets tabel geselecteerd. Ze moeten vervolgens, als dat van toepassing is, nader toegelicht worden. Thema
Toetsvraag
Relevant
1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of regionale waterkering? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade? 1. Is er toename van het afvalwater (DWA)? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak? 2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?
Nee
HOOFDTHEMA’S Veiligheid Riolering en afvalwaterketen
Wateroverlast (oppervlaktewater)
Grondwateroverlast
Oppervlaktewaterkwaliteit
Grondwaterkwaliteit Volksgezondheid
Verdroging Natte natuur
Inrichting en beheer
-11/17
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of IJssel? 3. Is in het plangebied sprake van kwel? 4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren? 1. Wordt vanuit het plangebied water op oppervlaktewater geloosd? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een Strategisch actiegebied? 1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde of verbeterde gescheiden stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur? 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur? 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
Nee Nee Nee Nee Ja Ja Nee. De Slinge ligt op 900 meter en de natte delen van Stelkampsveld op 700 meter. Nee Nee Nee Nee Nee Nee, locatie ligt op 900 meter van de Slinge. Nee Nee Nee Nee
Ja Nee, locatie ligt op 700 meter van natte EVZ Ja Ja
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?
Nee
AANDACHTSTHEMA’S Recreatie Cultuurhistorie
1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?
Nee Nee
Tabel 1: Watertoets
Relatie met het plangebied De percelen liggen niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied. De ontwikkeling ligt buiten het beschermingsgebied en leidt niet tot een verhoogd risico op grondwaterverontreiniging. De nieuwe bebouwing heeft om deze reden geen invloed op het milieuaspect water. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beschermingszone natte landnatuur' is het beleid gericht op de instandhouding van natte natuur, en is in de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden' aangegeven of er bij het verlenen van afwijkingen (waarvan hier sprake is) aan dit beleid moet worden getoetst en op welke wijze. Dit staat in bijlage 1 van het Bestemmingsplan Buitengebied (tabel 'Omgevingsvergunningenstelsel Agrarisch'). Het aanvragen van advies bij het waterschap is de enige vereiste die in het omgevingsvergunningstelsel is opgenomen bij de aanduiding 'overige zone'. In het omgevingsvergunningstelsel voor de bestemming ‘Agrarisch’ is het bouwen van gebouwen niet opgenomen als te toetsen werkzaamheid. Wel het aanleggen en verharden van oppervlakteverhardingen. Voor die werkzaamheid is het binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone landschapstype bos- en landgoederenlandschap' niet nodig om advies aan te vragen bij het waterschap. Het Waterschap Rijn en IJssel heeft geconcludeerd dat het water van de verharding niet versneld wordt afgevoerd richting het watersysteem.
Verder is er ook geen indirecte lozing op het oppervlaktewaterlichaam. Het water wordt geloosd op de bodem of in het riool. Hiervoor geldt geen vergunningplicht conform artikel 2.4 van de Waterschapsverordening. 7.4 Luchtkwaliteit Toetsingskader Het wettelijk kader voor de luchtkwaliteit is beschreven in de volgende documenten: o Wet luchtkwaliteit (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, Wet milieubeheer (Wm)) o Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) o Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) o Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (RBL2007) o Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007 o Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) o Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het NSL. Het NSL is een samenwerkingsprogramma van de rijksoverheid, provincies en gemeenten in de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit worden overschreden (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. De RBL2007 bevat grenswaarden voor de luchtkwaliteit die door het bevoegd gezag als toetsingscriterium in de vergunningverlening moeten worden gehanteerd.
Deze grenswaarden geven een niveau aan van de kwaliteit van de buitenlucht dat niet mag worden overschreden. Het RBL is niet
-12/17
van toepassing binnen de inrichting. Dit betekent dat toetsing van de normen geschiedt buiten het terrein van de inrichting. De grenswaarden hebben betrekking op de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10), lood, koolmonoxide en benzeen. Tevens is in deze bijlage een richt-waarde voor ozon gedefinieerd en zijn richtwaarden gegeven voor het totale gehalte in de PM10 fractie voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen. Op 1 januari 2019 is een wijziging van de RBL in werking getreden. Dit betekent dat een cumulatieve berekening voor fijnstof moet worden gemaakt als aan twee voorwaarden wordt voldaan: o de inrichting heeft een fijnstofemissie van meer dan 800 kg PM10 per jaar en; o binnen 500 meter van het dichtstbijzijnde emissiepunt van de inrichting ligt een andere veehouderij die ook een fijnstofemissie heeft van meer dan 800 kg PM10 per jaar. De grens van 800 kg PM10 per jaar wordt verlaagd naar 500 kg PM10 per jaar als de achtergrondconcentratie hoger is dan 27 mg per m³ is. In beginsel dient ter beperking van de emissies BBT te zijn toegepast.
Worden desondanks toch overschrijdingen van de grenswaarden verwacht en er is sprake van een in betekenende mate bijdrage van de inrichting, dan moet worden gezocht naar aanvullende eisen of alternatieven, waardoor de bijdrage van de inrichting per saldo niet groter wordt dan voor het te nemen besluit voor de vergunningverlening. Op grond van artikel 5.16 en 5.19 Wm kunnen wij een vergunning verlenen als: o de concentratie in de buitenlucht van de in bijlage 2 van de Wm genoemde luchtverontreinigende stoffen per saldo niet toeneemt (artikel 5.16, eerste lid, onder b, van de Wm) of niet in betekenende mate toeneemt (artikel 5.16, eerste lid, onder c)2 ten gevolge van de aangevraagde activiteiten; o de concentratie in de buitenlucht van de in bijlage 2 van de Wm genoemde luchtverontreinigende stoffen (inclusief eventuele lokale bronnen in de omgeving van de inrichting) vermeerderd met de immissie ten gevolge van de activiteiten binnen de inrichting (inclusief voertuigbewegingen van en naar de inrichting) lager is dan de grenswaarden, zoals vermeld in Bijlage 2 van de Wm (art. 5.16, lid 1a). Toetsing De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor agrarische inrichtingen hebben betrekking op zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10). De stof NO2 komt voornamelijk vrij bij verbrandingsprocessen.
Gelet op de activiteiten binnen de inrichting kan worden gesteld dat geen of nauwelijks NO2 wordt uitgestoten. De andere genoemde stoffen (zwaveldioxide, lood, koolmonoxide, benzeen en ozon) zijn niet relevant bij een agrarisch bedrijf. Aan de grenswaarden die voor deze stoffen zijn vastgesteld, is niet getoetst. Gezien de aard van de inrichting (veehouderij) zullen deze niet worden overschreden. Voor zwevende deeltjes zijn de volgende grenswaarden opgenomen: o 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 μg/Nm3 voor PM10, waarbij geldt dat deze maximaal o 35 keer per jaar mag worden overschreden; o jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/Nm3 voor PM10; o jaargemiddelde grenswaarde van 25 μg/Nm3 voor PM2,5. De achtergrondconcentratie van fijnstof (PM10) is in de Achterhoek lager dan 27 μg per m³. Hierdoor wordt de grens voor het al of niet uitvoeren van een cumulatieve berekening voor fijnstof niet verlaagd naar 500 kg fijnstof, maar blijft 800 kg. De fijnstofemissie is in de gevraagde situatie hoger dan 800 kg per jaar. Er ligt echter binnen 500 meter van het dichtstbijzijnde emissiepunt van deze inrichting geen andere veehouderij met een emissie van 800 kg fijnstof per jaar. Het uitvoeren van een cumulatieve berekening kan daardoor achterwege blijven. Voor het berekenen van de concentratie van PM2,5 zijn nog niet in alle gevallen emissiefactoren bekend.
Tot die tijd zal voor de beoordeling van PM2,5 worden uitgegaan van een publicatie van het Planbureau voor de leefomgeving. Op basis van een onderzoek van het RIVM1 is geconcludeerd dat wanneer aan de norm voor PM10 wordt voldaan, dit ook geldt voor de norm voor PM2,5.
1
Attainability of PM2,5 air quality standards, situation for the Netherlands in a European context, Planbureau voor de Leefomgeving, Bilthoven 2009
-13/17
Uit toetsing van onderhavige aanvraag blijkt dat ten aanzien van de vergunde emissie van fijnstof een verbetering optreedt. Bij de aanvraag zijn de resultaten gevoegd van verspreidingsberekeningen conform het Nieuw Nationaal Model voor zwevende deeltjes. De berekeningen zijn gemaakt met het rekenmodel ISL3a, versie 2021-1. In het rapport is de bijdrage aan de immissieconcentratie inzichtelijk gemaakt. Zie onderstaande tabel. stof PM10 PM10
parameter Jaargemiddelde concentratie Aantal overschrijdingen per jaar van het 24-uur gemiddelde van de waarde 50 μg/m³
grenswaarde 40 μg/m³ 35 dagen
rekenresultaat 17,47 μg/m³ 6,7 dagen
Tabel 2: Toetsing aan grenswaarden op de maatgevende punten
Conclusie Op basis van verspreidingsberekeningen concludeert Omgevingsdienst Achterhoek dat wordt voldaan aan de grenswaarden in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer voor zwevende deeltjes. 7.5 Stikstofdepositie In de ruimtelijke onderbouwing moet inzichtelijk gemaakt worden wat sloop van de oude stallen en nieuwbouw doet met de stikstofdepositie. Daarom is het noodzakelijk dat er een stikstofberekening (AERIUS Calculator berekening) wordt uitgevoerd. De noodzaak hiervoor is besproken met Omgevingsdienst Achterhoek en provincie Gelderland. Tijdens fase 1 (milieuvergunning) is een berekening aangeleverd van de gebruiksfase. Uit de berekening van de stikstofdepositie blijkt dat de stikstofuitstoot tijdens de bouwactiviteiten, in vergelijking met het verminderde aantal kuikens/kippen in deze fase, gelijk is aan de uitstoot wanneer er kippen/kuikens aanwezig zouden zijn. 7.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen.
Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Bij een ontwikkeling in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. De locatie Hietland 4 Barchem ligt binnen de zone van een aantal ondergrondse buisleidingen.
Stallen waarin dieren worden gehouden worden niet gezien als kwetsbare objecten. Als het aantal werknemers flink toeneemt kan mogelijk sprake zijn van een beperkt kwetsbaar object. Relatie met het plangebied
-14/17
Bij de beoogde bouw van de pluimveestallen op de locatie Hietland 4 Barchem neemt het aantal dieren niet toe. Het aantal werknemers dat op de locatie werkzaam is neemt ook niet toe ten opzichte van de huidige situatie. Het onderdeel externe veiligheid is hiermee voldoende omschreven en aanvullend onderzoek over externe veiligheid is niet noodzakelijk.
7.7 Ecologie Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet in beeld gebracht worden wat de gevolgen zijn voor gebieden en dier- en plantensoorten. Voor gebieds- en soortenbescherming geldt de Wet natuurbescherming. Bij sloop van bestaande gebouwen en nieuwbouw zijn mogelijk negatieve gevolgen te verwachten voor eventueel voorkomende beschermde planten en dieren. De bestaande gebouwen zijn mogelijk op de een of andere manier geschikt voor bijvoorbeeld vleermuizen of huismussen. Om die reden is onderzoek naar de gevolgen voor flora en fauna en de aanwezigheid van ‘gebouwbewonende’ beschermde diersoorten in/op de huidige stallen gewenst. Er is een Quickscan uitgevoerd naar de flora en fauna van het te ontwikkelen gebied. De conclusie is dat de werkzaamheden geen verstoring van beschermde soorten zullen veroorzaken en dat er geen effecten op de Natura 2000-gebieden te verwachten zijn. Relatie met het plangebied Door de aard van de ruimtelijke ontwikkeling en de ruime afstand tot het Gelderse Natuur Netwerk en Natura 2000 gebieden heeft de ontwikkeling geen significante negatieve effecten heeft op de gebieden. 7.8 Archeologie Op de beoogde bouwlocatie van de pluimveestallen geldt de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 5’. Binnen deze bestemming is het verboden om te bouwen of te laten bouwen.
Dit verbod is niet van toepassing op: o gronden waarvan uit documenten blijkt dat de archeologische waarden al eerder verstoord zijn op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld, hetgeen wordt getoetst door een archeologisch deskundige, of; o bebouwing die nodig is voor het archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 5 meter, of; o bebouwing waarvan de diepte niet meer bedraagt dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of; o bebouwing waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 250 m² en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of; o de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: o de bestaande fundering wordt gebruikt; o de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid. Relatie met het plangebied De nieuwbouw heeft een oppervlakte van minder dan 250 m². De funderingspoeren en de spoelwateropslag zijn de enige elementen die in de grond worden ingebouwd. De totale bebouwing beslaat 165,4 m² (inclusief een buffer van 5% voor het uitgraven van de poeren) en bevindt zich 30 cm onder het maaiveld. Daarom is er geen archeologisch bureauonderzoek met verkennend booronderzoek nodig, voordat de bouwactiviteiten kunnen beginnen.
7.9 Milieuzonering Bij de ontwikkeling van milieugevoelige functies, zoals woningen moeten afstanden tot milieubelastende activiteiten in acht te worden genomen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ gehanteerd. De uitgave geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Milieucategorie vermelden. Relatie met het plangebied
-15/17
In de omgeving van de geplande ontwikkeling ligt een gevoelig object, een woning, op circa 52 meter. Door deze afstand is het milieuaspect geur van belang, hiervoor geldt een richtafstand van 200 meter. Omgevingsdienst Achterhoek heeft het onderdeel geur beoordeeld. Aan de hand van de uitkomsten van onderzoek kan van de richtafstanden worden afgeweken. De afstand tussen woningen en de stallen is kleiner in de nieuwe situatie maar de verandering betekent een verbetering voor de omgeving.
7.10 Geur Omgevingsdienst Achterhoek heeft de aanvraag getoetst aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). Hieruit blijkt dat wordt voldaan aan de normen voor geurbelasting. Verder wordt aan de in artikel 3, lid 2 en artikel 5 van de Wgv genoemde minimum afstanden voldaan. De nieuwe situatie betekent een afname van de geurbelasting vergeleken met de vergunde situatie. Binnen het bedrijf worden de stallen voorzien van overdekte uitlopen (Wintergarten). Het rekenmodel 'V-Stacks vergunning' is niet geschikt om de geurbelasting voor deze uitlopen op geurgevoelige objecten te berekenen. Voor de beoordeling van geur van de uitlopen is daarom aansluiting gezocht bij de minimaal aan te houden vaste afstanden die gelden voor de buitenzijde van dierverblijven tot de gevel van een geurgevoelig object (artikel 5, lid 1 Wgv). Relatie met het plangebied De minimale afstand van de buitenzijde van het dierenverblijf (overdekte uitlopen) van het bedrijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object (Hietland 2 in Barchem) wordt in de nieuwe situatie ongeveer 54 meter. Dit geurgevoelige object ligt buiten de bebouwde kom. Deze afstand voldoet aan de minimale afstanden uit de Wgv (25 meter).
8. Uitvoerbaarheid 8.1 Economische uitvoerbaarheid De ontwikkeling is een particulier initiatief dat door de initiatiefnemer wordt gefinancierd. De kosten die zijn gemoeid met de ruimtelijke procedure worden op grond van de legesverordening bij de initiatiefnemer in rekening gebracht. Het risico op planschade wordt klein geacht gezien de uitkomst van de participatie en de milieutechnische verbetering in de nieuwe situatie ten opzicht van de huidige, vergunde situatie. Gezien het voorgaande zien wij geen aanleiding om een planschadeovereenkomst aan te gaan. 8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Op grond van het Bro is vooroverleg vereist met het Waterschap Rijn en IJssel en met de diensten van Provincie Gelderland en het Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Geoordeeld wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Gelderland In voorliggend geval zijn provinciale belangen in het geding.
Het gaat daarbij om uitbreiding van de bestaande niet-grondgebonden veehouderij. En de ligging binnen de zone – ‘beschermingszone natte landnatuur' en het nationaal landschap. Met de provincie is overleg gevoerd in het voortraject. De gemeenteraad moet, op grond van de Omgevingsverordening van de provincie, Plussenbeleid vaststellen. Bestemmingsplannen moeten 1 januari 2027 in overeenstemming zijn met de
-16/17
Omgevingsvisie. Echter, bij een aanvraag voor die datum moet wel getoetst kunnen worden aan het Plussenbeleid van de gemeente. In 2017 stelden Provinciale Staten het Plussenbeleid vast. Daarmee geeft de provincie niet grondgebonden veehouders de ruimte om hun bedrijf, onder bepaalde voorwaarden te ontwikkelen. Wij hebben de voorwaarden uitgewerkt in beleidsregels met de handreiking plussenbeleid die de provincie daarvoor beschikbaar heeft. Het gemeentelijke beleid zorgt ervoor dat de maatregelen passen bij de lokale en regionale gebiedskenmerken. De gemeenten geven in hun beleidsregels onder andere aan hoe de veehouder in gesprek gaat met de omgeving over zijn plannen. En welke extra investeringen hij moet of kan doen voor dierenwelzijn, milieu en/of ruimtelijke kwaliteit. De veehouder moet minimaal € 15 tot € 20 per m2 bebouwing (8% van de investeringssom) besteden aan die kwaliteitsverbetering. Zo helpt provincie Gelderland kwaliteit binnen de land- en tuinbouw verder te ontwikkelen. Met het voorliggende plan wordt geïnvesteerd in de landschappelijke kwaliteit, bebouwing, het milieu en het dierwelzijn. Daarnaast heeft er participatie met de buurt plaatsgevonden en is het plan besproken. Daarmee kan worden geconcludeerd dat aan alle onderdelen van het Plussenbeleid voldaan. Waterschap Rijn en IJssel Er zijn geen waterschapsbelangen in het geding.
Verwezen wordt naar tabel 1, de watertoets, in paragraaf 7.3. en het advies van het waterschap naar aanleiding van de digitale watertoets. 8.3 Inspraakmogelijkheid Zoals wettelijke is voorgeschreven bij de uitgebreide procedure ligt een ontwerp-omgevingsvergunning zes weken ter inzage. De ontwerp-omgevingsvergunning met bijbehorende stukken heeft van … tot en met …. ter inzage gelegen. Gedurende die periode kon een ieder een zienswijze indienen op voorgenomen ontwikkeling bij het college van burgemeester en wethouders van Gemeente Lochem. Van die mogelijkheid is wel/geen gebruik gemaakt.
-17/17