RGL Bijlage 2 Inrichtings- en beheerplan
Tekst van het document
Inrichtings- en beheerplan
Levenkamp 5 te Laren
Inrichtings- en beheerplan
Colofon: Opdrachtgever:
Bonekamp Advies
Tekst en foto’s:
J.H.S. Rijsdijk MSc.
Rapportkenmerk:
R22024-04
Status rapport:
Definitief
Datum:
01-05-2025
Contact:
Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies Ugchelseweg 86 7339 CL Ugchelen 06-15383223 info@natuurkompas.nl www.natuurkompas.nl
© Natuurkompas. Alle rechten voorbehouden. Behoudens uitzonderingen door de wet gesteld, mag zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbenden niets uit dit document worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, digitale reproductie of anderszins noch mag het zonder toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Natuurkompas is niet verantwoordelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Natuurkompas. De opdrachtgever vrijwaart Natuurkompas voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
Inhoudsopgave
1
Inleiding .......................................................................................................................................... 2 1.1
2
Aanleiding .............................................................................................................................. 2
Inrichting ......................................................................................................................................... 3 2.1
Erf ............................................................................................................................................ 3
2.1.1 Inrichting ............................................................................................................................... 3 2.1.2 L01.02 Houtwal en singel .................................................................................................. 4 2.2
Compensatieperceel ............................................................................................................ 4
2.2.1 Inrichting ............................................................................................................................... 4 2.2.2 L01.02 Houtwal en singel .................................................................................................. 5 2.2.3 L01.01 Poel en klein historisch water .............................................................................. 6 2.2.4 N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland ............................................................................ 6 2.3 3
Overzicht oppervlaktes ........................................................................................................ 7
Beheersmaatregelen .................................................................................................................... 8 3.1
L01.01 Poel en klein historisch water ................................................................................ 8
3.2
L01.02 Houtwal en singel .................................................................................................... 8
3.3
N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland .............................................................................. 8
Bijlage 1 Herinrichting erf ...................................................................................................................... Bijlage 2 Herinrichting compensatieperceel .......................................................................................
1 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
De initiatiefnemer is voornemens om het bestaande bedrijf Atop Recycling aan de Levenkamp 5 te Laren uit te breiden. Hiervoor dient tevens een wijziging van het bestemmingsplan plaats te vinden. Gezien de ligging van het plangebied binnen de Groene Ontwikkelingszone (hierna: GO) van de provincie Gelderland en het feit dat het een grootschalige uitbreiding betreft, verlangt de gemeente Lochem dat de kernkwaliteiten van het GO versterkt worden. De versterking van deze kernkwaliteiten dient te worden vastgelegd in een inrichtings- en beheerplan. Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Natuurkompas is door Bonekamp Advies gevraagd dit inrichtings- en beheerplan op te stellen. In dit inrichtings- en beheerplan wordt beschreven hoe de te realiseren versterking duurzaam in stand gehouden en beheerd wordt. De voorschriften van het bestemmingsplan vormen het kader voor de feitelijke instandhouding van de versterking die wordt gerealiseerd. Afspraken over het beheer worden vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente. Het inrichtings- en beheerplan vormt een onderdeel van deze overeenkomst en wordt hier dan ook als bijlage aan toegevoegd. Bij de uitwerking van dit beheerplan is voor zover mogelijk aangesloten bij de systematiek van het Subsidie Natuur en Landschap (SNL).
Deze regeling kent een systeem met beheervoorschriften waar de aanvrager zich aan moet houden en waarop gecontroleerd wordt. Deze systematiek vormt daar een goede basis voor het beheer van de gerealiseerde natuur.
2 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
2
Inrichting
De versterking bestaat een landschappelijke inpassing van het erf, waarbij met name het achtererf wordt afgeschermd. Daarnaast wordt het perceel aan de westzijde van het erf wordt omgevormd naar een natuurlijker perceel, vanaf hier het compensatieperceel genoemd. Beide percelen worden hieronder apart beschreven. Daarbij wordt tevens ingegaan op de landschapsen natuurtypen waar de natuurwaarden onder vallen.
2.1
Erf
2.1.1 Inrichting In bijlage 1 is het inrichtingsvoorstel voor het erf en het compensatieperceel weergegeven. De afbeeldingen zijn afkomstig uit het Ruimtelijk kwaliteitsplan Levenkamp 5 (De Erfontwikkelaar, 2022). Het erf wordt landschappelijk ingepast. Hierbij wordt aan de straatzijde twee solitaire bomen aangeplant. Het achtererf wordt aan de zuidoostzijde voorzien van een op een grondwal aangeplante brede haag (minimaal 8 meter breed) van ca. 120 meter lengte, bestaande uit inheemse soorten. De zuidwestzijde wordt voorzien van een bosje waarbij een deel eveneens op een grondwal komt te staan. De aanplant bestaat ook hier uit inheemse soorten. Een schets van de toekomstige inrichting is weergegeven in afbeelding 2.1. Deze afbeelding is tevens opgenomen in bijlage 1.
Afbeelding 2.1: Impressie van de inrichting van het erf. Bron: De Erfontwikkelaar, 2025.
De aan te planten houtwallen vallen onder het landschapstype L01.02 Houtwal en houtsingel. In totaal wordt er ca. 575 m2 houtwal aangeplant.
3 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
2.1.2 L01.02 Houtwal en singel Beschrijving Houtwallen en houtsingels komen in heel Nederland voor en er zijn vele lokale varianten, zoals: graften, grubben, dykswâlen, schurvelingen of houtkaden. Houtwallen komen vooral voor in cultuurlandschappen in het Zandgebied, Heuvelland en het Duingebied. Lijnvormige landschapselementen met wallichaam in het laagveengebied worden houtkade genoemd. Ook de begroeiing op graften en holle wegen in Zuid-Limburg valt onder dit type. Deze lijnvormige landschapselementen kennen een sterke samenhang met het omringende landschap. Houtwallen en houtsingels zijn bepalend voor het kleinschalige kampenlandschap op de zandgronden. Deze lijnvormige elementen vormen een belangrijk biotoop voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna in het cultuurlandschap. Ze zijn tevens van belang ter oriëntatie voor vleermuizen en als verbindingszone voor fauna. Afbakening • Een houtwal of houtsingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement, al dan niet groeiend op een aarden wal, met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en/of struiken. De begroeiing wordt als hakhout beheerd. • De houtwal of houtsingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed. Aanplant Aanplanten met 10 stuks per strekkende meter, in groepen van 5.
2.2
Compensatieperceel
2.2.1 Inrichting Het compensatieperceel aan de westzijde van het erf sluit aan op het Gelders Natuurnetwerk (hierna: GNN). Het bestaat nu overwegend uit bos en bomen, maar kent een harde overgang naar het agrarische perceel. Tevens is een kleine poel aanwezig. Het gebied wordt als volgt ingericht: 1. Aan de zuidzijde van het perceel wordt een bestaand groenelement voorzien van struweel. Hiermee ontstaat een zoombeplanting die via een mantel overgaat naar het grasland. Er is een struweelzone van 8 meter breed en een mantelzone van 6 meter breed voorzien. In totaal betreft het hier circa 1.667 m2. Het betreft aanplant van inheemse soorten. Deze aanplant valt onder het landschapstype L01.02 Houtwal en houtsingel. 2. De bestaande houtsingel langs de oostelijke grens van het perceel wordt versterkt door over een breedte van minimaal 8 meter inheemse soorten aan te planten. In totaal wordt er 575 m2 aan houtwal aangeplant. Deze aanplant valt onder het landschapstype L01.02 Houtwal en houtsingel. 3. De poel wordt aan de oostzijde uitgebreid tot een doorsnede van minimaal 30 meter en een oppervlakte van in totaal 774 m2. Daarbij wordt aan de noordzijde het talud verflauwd. De bodem van de poel komt op 2 meter onder de gemiddelde grondwaterstand te liggen. De poel valt onder het landschapstype L01.01 Poel en klein historisch water. 4.
Aan de zuidzijde van de poel worden boomstronken geplaatst. 5. Er wordt een nestkast voor een steenuil geplaatst aan een van de aanwezige zomereiken. 6. Het bestaande grasland wordt omgevormd naar extensief schraal grasland, met een oppervlakte van 1,48 ha. Het perceel wordt niet bemest en in de eerste jaren twee keer per jaar gemaaid. Het maaisel wordt afgevoerd. Na drie jaar wordt telkens 20% van het perceel niet gemaaid om meer diversiteit en schuilgelegenheid te houden. Het graslandperceel valt na doorzaaien onder het natuurtype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Een impressie van de toekomstige inrichting is weergegeven in afbeelding 2.2.
4 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
Afbeelding 2.2: Impressie van de inrichting van het naastgelegen perceel. Bron: De Erfontwikkelaar, 2025.
2.2.2 L01.02 Houtwal en singel Beschrijving Houtwallen en houtsingels komen in heel Nederland voor en er zijn vele lokale varianten, zoals: graften, grubben, dykswâlen, schurvelingen of houtkaden. Houtwallen komen vooral voor in cultuurlandschappen in het Zandgebied, Heuvelland en het Duingebied. Lijnvormige landschapselementen met wallichaam in het laagveengebied worden houtkade genoemd. Ook de begroeiing op graften en holle wegen in Zuid-Limburg valt onder dit type. Deze lijnvormige landschapselementen kennen een sterke samenhang met het omringende landschap. Houtwallen en houtsingels zijn bepalend voor het kleinschalige kampenlandschap op de zandgronden. Deze lijnvormige elementen vormen een belangrijk biotoop voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna in het cultuurlandschap. Ze zijn tevens van belang ter oriëntatie voor vleermuizen en als verbindingszone voor fauna. Afbakening • Een houtwal of houtsingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement, al dan niet groeiend op een aarden wal, met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en/of struiken. De begroeiing wordt als hakhout beheerd. • De houtwal of houtsingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed. Aanplant Aanplanten met 10 stuks per strekkende meter, in groepen van 5.
5 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
2.2.3 L01.01 Poel en klein historisch water Beschrijving Poelen zijn natuurlijke of gegraven laagtes, gemaakt om over water voor vee te kunnen beschikken. Andere al dan niet gegraven kleine wateren met een historische betekenis zijn bijvoorbeeld voorraadbassins voor bluswater, visvijvers, schapenwasplaatsen, pingoruïnes en veenputten. Vaak vervulden poelen meerdere functies. De mens heeft altijd water nodig gehad en daarvoor zijn zowel bestaande natuurlijke wateren als zelf gegraven laagtes gebruikt. Ook uit de middeleeuwen zijn putten en kuilen bekend. Tot op de dag van vandaag worden poelen gegraven en gebruikt. Poelen en kleine wateren in het landschap kunnen dus al eeuwen oud zijn, alhoewel sommige van zeer recente datum zijn, denk aan nieuw gegraven amfibieënpoelen. Het beheertype Poel en klein historisch water is te vinden in heel Nederland. Er zijn diverse vormen bekend. In het waterrijke West-Nederland dienden de sloten veelal als veedrinkplek en waren poelen dan ook minder noodzakelijk. In dit gebied vinden we de veenputten die door het kleinschalig afgraven van veen zijn ontstaan. Als drinkplaats voor vee zijn poelen daar te vinden waar ander drinkwater niet voorhanden was. Vooral in Oost- en Zuid-Nederland zijn poelen veel voorkomende landschapselementen. In de kustgebieden zijn poelen aangelegd om in zoet water te voorzien in een zilte omgeving.
Deze poelen werden dan in een kunstmatige verhoging gegraven. Dit zijn de zogenaamde holle stelles. Deze zijn vooral in Zeeland te vinden en liggen vaak buitendijks. Wateren die als bluswater dienden zijn veel nabij boerderijen en nederzettingen te vinden. Visvijvers komen vooral veel in Brabant en Zuid-Limburg voor. Het is belangrijk de historische contouren/vormen te behouden, zeker bij de visvijvers. Openheid rondom (een deel van) de poel kan de zichtbaarheid en beleefbaarheid vergroten en is van belang om een goed voortplantingsbiotoop voor amfibieën te behouden. In het verleden was zeker bij veedrinkpoelen het element bereikbaar voor vee en dus in ieder geval deels onbegroeid. Vaak stonden er wel enkele bomen bij een poel voor schaduw voor de dieren en tegen verdamping. Soms kennen poelen gemetselde randen, zoals uit Zuid-Limburg bekend is. Poelen zijn van groot belang als voortplantingsbiotoop voor amfibieën en libellen in het cultuurlandschap. Afbakening • Zowel een poel als een klein historisch water is doorgaans een geïsoleerd stilstaand water dat gevoed wordt door grond- en/of regenwater. Een poel mag in verbinding staan met sloten of greppels wanneer sprake is van een natuurlijke eenheid die vrij afwatert. Veenputten mogen in verbinding staan met het slotenstelsel in het gebied. • Het element heeft een oppervlakte van minimaal 0,5 en maximaal 50 are.
2.2.4 N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland Beschrijving Kruiden- en faunarijk grasland omvat graslanden die kruidenrijk zijn, maar niet tot de schraalgraslanden, vochtig hooiland, zilt grasland en overstromingsgrasland of glanshaverhooilanden behoren. De vegetatie kan behoren tot allerlei verbonden van graslandvegetaties; ondermeer kamgrasvegetaties of de meer algemene witbolgraslanden. Diverse soorten ruigte en struweel kunnen in dit grasland voorkomen. Het grasland wordt meestal extensief beweid of gehooid en niet of slechts licht bemest. Het beheertype Kruiden- en faunarijk grasland kan voorkomen op diverse bodems van vochtig tot droog en heeft doorgaans een (matig) voedselrijk karakter. Kruiden- en faunarijk grasland komt in vrijwel alle landschapstypen voor. Toch is het areaal in de laatste veertig jaar enorm afgenomen door de gangbare landbouwpraktijk: sterke bemesting gecombineerd met periodiek doodspuiten van de grasmat en opnieuw inzaaien met hoogproductieve grasvariëteiten. De meeste overgebleven kruidenrijke graslanden liggen in overhoekjes van het agrarische gebied of komen voor in natuurgebieden. Daar kan
6 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
kruidenrijk grasland een tijdelijke fase zijn als de benodigde abiotische omstandigheden voor schraallanden niet of nog niet gerealiseerd kunnen worden. Kruiden- en faunarijk grasland wordt bij een goede kwaliteit gekenmerkt door variatie in structuur (ruige en plaatselijk struweel, hogere en lage vegetatie) en een kruidenrijke graslandbegroeiing die rijk is aan kleine fauna. Gradiënten binnen (grond)waterpeil en voedselrijkdom zorgen voor diverse vegetatietypen. Kenmerkende of bijzondere soorten van schralere beheertypen ontbreken grotendeels binnen Kruidenen faunarijk grasland, maar graslanden zijn vaak wel rijk aan minder zeldzame soorten. Het type is o.a. van belang voor vlinder en andere insecten, vogels en kleine zoogdieren. De graslanden worden doorgaans niet bemest. Om verzuring tegen te gaan kan, bij uitzondering, ruige stalmest of bekalking toegepast worden. Afbakening • Het betreft grasland, de grasachtigen (monocotylen) zijn dominant, maar kruiden (dicotylen) en mossen hebben een oppervlakteaandeel van ten minste 20%. • De graslanden zijn niet tot andere beheertypen te rekenen (zie afbakening andere graslanden). • Vrijwel jaarlijks in de winter en voorjaar langdurig overstroomde weilanden worden niet tot dit beheertype maar tot Zilt- en overstromingsgrasland gerekend.
2.3
Overzicht oppervlaktes
In onderstaande tabel is weergegeven welke natuur- en landschapstypen worden gerealiseerd met bijbehorende oppervlakten. De kaart met de indeling van de te realiseren natuur- en landschapstypen is weergegeven in bijlage 1. Tabel 5.1: Overzicht met de mogelijk aanwezige beschermde soorten en de negatieve effecten die zij ondervinden.
Oppervlakte in m2
Natuur- of landschapstype L01.01 Poel en klein historisch water
774
L01.02 Houtwal en singel
2.242
N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland
14.800
7 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
3
Beheersmaatregelen
3.1
L01.01 Poel en klein historisch water
Voor een goed beheer van de poel dienen de volgende maatregelen (jaarlijks) opgevolgd te worden. • Minimaal de helft van de natte oppervlakte van de poel bestaat in de lente uit open water. Voor behoud van voldoende open water wordt het element periodiek opgeschoond. Incidenteel mag het element in de zomerperiode droogvallen; • Vertrapping van de oevers bij het gebruik van het element als veedrinkpoel wordt voorkomen. Bij het gebruik als veedrinkpoel is minimaal de helft van de oeverlengte uitgerasterd; • Maximaal 25% van de oeverlengte is begroeid met inheemse bomen en/of struiken; • Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in het element gebruikt worden; • Er mogen geen vissen of andere dieren (zoals eenden en ganzen) worden uitgezet of gekweekt; • Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element; • Maai- en schoningswerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 september en 15 oktober.
3.2
L01.02 Houtwal en singel
Voor een goed beheer van de houtwal dienen de volgende maatregelen opgevolgd te worden. • Tenminste 75% van het element wordt als hakhout beheerd en periodiek afgezet. • Snoeihout mag op stapels en rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet schaadt. • Het wallichaam wordt in stand gehouden als het element daarvan is voorzien. • Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. • Het afzetten van het element wordt verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Overhangende taken kunnen gedurende het hele jaar worden teruggesnoeid.
3.3
N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland
Voor een goed beheer van het kruiden- en faunarijk grasland dienen de volgende maatregelen opgevolgd te worden. • Het kruiden- en faunarijk grasland wordt één maal per jaar gemaaid in de periode september – oktober. • Het maaien gebeurt gefaseerd, waarbij per maaibeurt 10% van de oppervlakte blijft staan. • Elke maaibeurt blijft een ander deel van het perceel staan. Delen van het grasland die grenzen aan ruigten en struweel verdienen hierbij de voorkeur • Het maaisel blijft na de maaibeurt minimaal drie dagen liggen zodat het aanwezige zaad op de grond kan vallen. • Het maaisel wordt na minimaal drie dagen afgevoerd van het terrein.
8 Natuurkompas Ecologisch onderzoek & advies
Bijlage 1 Herinrichting erf
Bijlage 2 Herinrichting compensatieperceel