Ontwerpregeling Gemeenschappelijke Regeling Jeugdregio+ Midden IJssel Oost Veluwe
Tekst van het document
Ontwerp voor de Gemeenschappelijke regeling Jeugdregio+ Midden IJssel / Oost Veluwe (versie 0.16.1) De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe, Hattem, Heerde, Lochem, Voorst en Zutphen, ieder voor zover voor de eigen gemeente bevoegd; overwegende dat: •
•
• •
de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg één van de acties is waarmee opvolging wordt gegeven aan de in de Hervormingsagenda Jeugd geformuleerde opgaven: het verbeteren van de beschikbaarheid van jeugdzorg voor de meest kwetsbare kinderen door het versterken van de regionale samenwerking tussen gemeenten en het beter organiseren van de regionale en landelijke contractering van specialistische jeugdzorg; de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg verlangt dat de colleges van burgemeester en wethouders in hun regio een gemeenschappelijk regeling treffen teneinde te bevorderen dat er een toereikend aanbod is van in de Jeugdwet nader aangeduide vormen van jeugdhulp en gecertificeerde instellingen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering; daarnaast behoefte bestaat om desgewenst op andere thema’s met elkaar te kunnen samenwerken; de raden van de respectieve gemeenten in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze over het ontwerp van de regeling naar voren te brengen;
gelet op: • •
de toestemming als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen verleend door de raden van de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe, Hattem, Heerde, Lochem, Voorst en Zutphen voor het treffen van de regeling de Wet gemeenschappelijke regelingen en de Jeugdwet;
B E S L U I T E N: de volgende regeling vast te stellen:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: a. college: college van burgemeester en wethouders; b. deelnemer: college dat deelneemt aan deze regeling; c. raden: raden van de gemeenten waarvan de colleges deelnemen aan deze regeling; d. regeling: Gemeenschappelijke regeling Jeugdregio+ Midden IJssel / Oost Veluwe; e. Wgr: Wet gemeenschappelijke regelingen.
Hoofdstuk 2. De bedrijfsvoeringsorganisatie Artikel 2. Bedrijfsvoeringsorganisatie 1. 2. 3.
Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie genaamd: Jeugdregio+ Midden IJssel / Oost Veluwe. De bedrijfsvoeringsorganisatie is gevestigd te Apeldoorn. Het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie bestaat uit de voorzitter en de leden.
Hoofdstuk 3. Belangen, taken en bevoegdheden Artikel 3. Belangen De bedrijfsvoeringsorganisatie is ingesteld ter gemeenschappelijke behartiging van belangen van de deelnemers op het gebied van ondersteuning, hulp en zorg voor jeugdigen, hun ouders/wettelijk vertegenwoordigers, en ingezetenen van de gemeenten waarvan de colleges deelnemen aan deze regeling. Artikel 4. Taken 1.
2.
3.
De bedrijfsvoeringsorganisatie voert onder de naam Jeugdregio+ Midden IJssel / Oost Veluwe de werkzaamheden uit waarmee de deelnemers de Jeugdregio bij of krachtens de Jeugdwet dienen te belasten. Naast de in het eerste lid bedoelde taken kan de bedrijfsvoeringsorganisatie ook aanvullende dienstverlening voor één of meer deelnemers verzorgen voor zover deze dienstverlening valt binnen de in artikel 3 omschreven belangen. Het bestuur beslist hierover op basis van een verzoek van de betreffende deelnemer of deelnemers en bepaalt tegen welke voorwaarden de dienstverlening mogelijk is. De bedrijfsvoeringsorganisatie voert in beginsel uitsluitend taken uit voor de deelnemers. Uitvoering van taken voor derden is slechts toegestaan voor zover deze taken vallen binnen de in artikel 3 omschreven belangen en na besluitvorming door het bestuur, met dien verstande dat de voor de uitvoering van deze werkzaamheden vereiste kosten niet meer mogen bedragen dan 10% van de totale begroting.
Artikel 5. Voorwaarden taakuitvoering 1.
2.
3.
4.
Voor de uitvoering van de in artikel 4, eerste en twee lid, bedoelde taken wordt een dienstverleningsovereenkomst gesloten tussen de rechtspersoon van de deelnemer of deelnemers die het aangaat en de bedrijfsvoeringsorganisatie. Een dienstverleningsovereenkomst met betrekking tot de in artikel 4, tweede lid, bedoelde taken kan door de betreffende deelnemer of deelnemers worden beëindigd per 1 januari van enig kalenderjaar met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste een vol boekjaar. Het bestuur kan besluiten tot een afwijkende opzegtermijn. De aan de uitvoering van de in artikel 4, tweede lid, bedoelde taken verbonden kosten, ook die van de beëindiging van de dienstverleningsovereenkomst daarvoor, worden afzonderlijk geadministreerd en volledig toegerekend aan de betreffende deelnemer of deelnemers. Bij het bepalen van de kosten verbonden aan de in de vorige zin bedoelde beëindiging van de dienstverleningsovereenkomst zijn de in artikel 27, vijfde en zesde lid, geformuleerde uitgangspunten van overeenkomstige toepassing. Voor de uitvoering van in artikel 4, derde lid, bedoelde taken is het bepaalde in de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6. Bevoegdheden 1. 2. 3.
4.
De deelnemers dragen geen publiekrechtelijke bevoegdheden over aan de bedrijfsvoeringsorganisatie. De deelnemers verlenen ieder afzonderlijk mandaat, volmacht en machtiging aan de bedrijfsvoeringsorganisatie die nodig zijn voor de uitvoering van de taken. Het bestuur is bevoegd tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, als bedoeld in artikel 31a van de Wgr. De bedrijfsvoeringsorganisatie is niet bevoegd tot: a. het vestigen van opstal-, pand- en hypotheekrechten; b. het afgeven van garanties of andere waarborgen; c. het in erfpacht of eigendom aannemen of uitgeven van roerende of onroerende zaken.
2 V0.16.1
Hoofdstuk 4. Het bestuur Artikel 7. Samenstelling 1. 2.
3. 4. 5. 6. 7.
Elke deelnemer wijst uit zijn midden een lid van het bestuur aan. Het lidmaatschap van het bestuur eindigt op de dag waarop de zittingsperiode van de raden afloopt. De aftredende leden blijven hun functie waarnemen tot het tijdstip waarop de raden van de deelnemende gemeenten de nieuwe wethouders hebben benoemd en de deelnemers de nieuwe leden vervolgens hebben aangewezen. De deelnemers beslissen binnen twee maanden na de benoeming als bedoeld in het tweede lid over de aanwijzing van de nieuwe leden. Een lid van het bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Van dit ontslag stelt hij de voorzitter, alsmede de deelnemer die hem heeft aangewezen, terstond schriftelijk in kennis. De deelnemer die een lid heeft aangewezen dat niet langer diens vertrouwen bezit, kan dat lid schorsen of ontslaan. De schorsing of het ontslag gaat onmiddellijk in. De voorziening in een tussentijdse vacature geschiedt binnen twee maanden. Voor elk bestuurslid wijst een deelnemer uit zijn midden een plaatsvervanger aan. Het tweede tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8. Reglement van orde Het bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast. Artikel 9. Vergaderingen 1. 2. 3.
Het bestuur vergadert jaarlijks ten minste tweemaal en voorts zo dikwijls als de voorzitter het nodig oordeelt of een lid van het bestuur hier schriftelijk onder opgaaf van redenen om vraagt. De vergaderingen van het bestuur zijn openbaar, tenzij het bestuur anders besluit. In de besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd, noch een besluit worden genomen over: a. het vaststellen of wijzigen van uitgangspunten en kaders voor de begroting; b. het vaststellen en wijzigen van de begroting; c. het vaststellen van de jaarrekening; d. een voorgenomen besluit tot aanpassing van deze regeling.
Artikel 10. Participatie 1.
2.
Ingezetenen van de gemeenten waarvan de colleges deelnemen aan deze regeling en andere belanghebbenden bij de taakuitvoering door de bedrijfsvoeringsorganisatie worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken voor zover dat bij of krachtens wet is vereist of voor zover door het bestuur is bepaald. De participatie vindt plaats op de in de betreffende gemeente gebruikelijke wijze. Bij de participatie kan een andere procedure dan die van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd worden.
Artikel 11. Zienswijze 1.
2.
3.
Het bestuur kan besluiten om, naast de wettelijk verplichte besluiten en de besluiten waarvan in de regeling is bepaald dat ze ter zienswijze aan de raden worden voorgelegd, ook andere besluiten aan de raden ter zienswijze voor te leggen. Het bestuur legt in ieder geval de volgende voorgenomen bestuursbesluiten voor het geven van een zienswijze voor aan de raden: a. de vaststelling van de “strategische notitie” of een daarmee vergelijkbaar document waarin een meerjarige strategie wordt beschreven; b. de vaststelling van de berekeningswijze van de bijdrage van de deelnemers, bedoeld in artikel 18; c. de vaststelling van de onderwerpen van de evaluatie, bedoeld in artikel 31. Als het bestuur een bestuursbesluit als bedoeld in dit artikel aan de raden voorlegt, geeft het bestuur daarbij aan binnen welke termijn de raden hun zienswijze naar voren kunnen brengen. Deze termijn bedraagt ten minste acht weken en vangt aan op het moment dat het voorgenomen bestuursbesluit aan de raden wordt verzonden.
3 V0.16.1
4.
Voorafgaand aan het nemen van het besluit waarover een zienswijze is gegeven stelt het bestuur de raden schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze en de conclusies daaromtrent.
Artikel 12. Besluitvorming bestuur 1. 2. 3.
4.
5. 6.
7.
Het bestuur streeft in zijn besluitvorming naar unanimiteit. Als unanimiteit niet kan worden bereikt wordt het besluit genomen bij stemming. Bij een stemming bedraagt het aantal stemmen per lid van het bestuur: a. voor gemeenten met meer dan 40.000 inwoners: één stem per 10.000 inwoners, waarbij naar boven wordt afgerond als het gaat om meer dan 5.000 inwoners tussen twee meetpunten. Het maximale aantal stemmen per gemeente bedraagt 12 stemmen. b. voor gemeenten tot en met 40.000 inwoners: drie stemmen per gemeente. Voor de toepassing van het vorige lid geldt het aantal inwoners volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar waarin wordt gestemd. Bij een stemming besluit het bestuur met een gewone meerderheid van stemmen waarbij ten minste de helft van de bestuursleden voor het voorstel stemt. In afwijking van het vorige lid geldt voor de vaststelling van de begroting overeenkomstig artikel 19, de vaststelling van een advies met betrekking tot toetreding van een college als bedoeld in artikel 25, tweede lid, het doen van een voorstel of de vaststelling van een advies met betrekking tot de wijziging van de regeling als bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid, of een besluit over het beëindigingsplan genoemd in artikel 27 de volgende meerderheid: a.
tenminste twee derde van de stemmen, bedoeld in het derde lid; én b. tenminste de helft van de bestuursleden dat voor het voorstel stemt. Krijgt een voorstel bij een herstemming niet de benodigde meerderheid, dan is het voorstel verworpen.
Artikel 13. Bevoegdheden bestuur Aan het bestuur behoren alle taken en bevoegdheden die in deze regeling of bij of krachtens wettelijk voorschrift niet aan de voorzitter zijn opgedragen, waaronder ten minste wordt verstaan: a. de vaststelling van de strategische kaders van de bedrijfsvoeringsorganisatie; b. het vaststellen en wijzigen van de begroting; c. het vaststellen van de jaarrekening; d. de vaststelling van een regeling omtrent de ambtelijke organisatie van de bedrijfsvoeringsorganisatie; e. de aanstelling, het ontslag en de vervanging van de directeur; f. het besluiten tot het aangaan van overeenkomsten. Artikel 14. Informatie- en verantwoordingsplicht 1. 2. 3. 4.
Het bestuur geeft de raden alle inlichtingen die zij voor de uitoefening van hun taak nodig hebben. Het bestuur verstrekt deze inlichtingen schriftelijk of, na afstemming met de griffier van de betreffende gemeente, mondeling. Een lid van het bestuur geeft de deelnemer die hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door een of meer leden van die deelnemer worden verlangd. Een lid van het bestuur is aan de deelnemer die hem heeft aangewezen en aan de raad van de betreffende gemeente verantwoording verschuldigd voor het door hem in het bestuur gevoerde beleid.
Hoofdstuk 5. De voorzitter Artikel 15. De voorzitter 1. 2. 3. 4.
Het bestuur kiest uit zijn midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het bestuur. De stukken die van het bestuur uitgaan worden door de voorzitter ondertekend en door de ambtelijk secretaris medeondertekend. De voorzitter vertegenwoordigt de bedrijfsvoeringsorganisatie in en buiten rechte. Hij kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon. 4
V0.16.1
5.
6.
Als de voorzitter behoort tot de deelnemer die partij is bij een geding waarbij de bedrijfsvoeringsorganisatie is betrokken, oefent de plaatsvervangend voorzitter met betrekking tot dat geding de in het vierde lid genoemde bevoegdheid uit. Als ook de plaatsvervangend voorzitter behoort tot een deelnemer die partij is bij het in het vijfde lid bedoelde geding, wordt aan een ander lid van het bestuur opgedragen om de bedrijfsvoeringsorganisatie met betrekking tot dat geding te vertegenwoordigen.
Hoofdstuk 6. Organisatie Artikel 16. De directeur 1. 2. 3. 4. 5.
De directeur is het hoofd van de ambtelijke organisatie en fungeert als ambtelijk secretaris voor het bestuur. De directeur staat het bestuur en de voorzitter bij de uitoefening van hun taak met raad en daad terzijde. De dagelijkse leiding van de bedrijfsvoeringsorganisatie berust bij de directeur. De directeur woont de vergaderingen van het bestuur bij en heeft in de vergadering een adviserende stem. De directeur is voor zijn handelen verantwoording verschuldigd aan het bestuur.
Artikel 17. Personeel Op het personeel in dienst van de bedrijfsvoeringsorganisatie is de collectieve arbeidsovereenkomst SGO van toepassing.
Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen Artikel 18. Bijdrage 1. 2.
3. 4. 5.
De berekeningswijze van de bijdrage van de deelnemers wordt door het bestuur vastgesteld. De kosten voor de uitvoering van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde taken vindt plaats naar rato van het aantal inwoners volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar waarin de begroting is vastgesteld. De verschuldigde bijdrage per deelnemer wordt jaarlijks in de begroting opgenomen. De deelnemers betalen de in het vorige lid bedoelde bijdrage in voorschotten per kwartaal. De deelnemers dragen er zorg voor dat de bedrijfsvoeringsorganisatie te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al haar verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.
Artikel 19. Begroting 1. 2. 3. 4.
De begroting heeft betrekking op een boekjaar dat gelijk is aan een kalenderjaar. Het bestuur stelt jaarlijks vóór 1 april voorafgaande aan het jaar waarvoor de begroting geldt, de kaders voor de begroting vast. Het bestuur stelt jaarlijks vóór 15 september voorafgaande aan het jaar waarvoor deze geldt de begroting vast. Het bepaalde in artikel 35, eerste tot en met vierde lid, van de Wgr is niet van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting waarbij in de bijdrage van geen van de deelnemers een wijziging wordt gebracht.
Artikel 20. Jaarrekening 1. 2. 3.
De directeur voegt bij de jaarrekening een controleverklaring en een verslag van bevindingen van de accountant. Het bestuur onderzoekt de jaarrekening over het afgelopen jaar en stelt haar vast vóór 1 juli volgende op het kalenderjaar waarop de jaarrekening betrekking heeft. Van de vaststelling van de jaarrekening doet het bestuur mededeling aan de raden van de deelnemende gemeenten.
5 V0.16.1
Artikel 21. Definitieve bijdrage 1. 2.
In de jaarrekening wordt de door elk van de deelnemers over het betreffende kalenderjaar werkelijk verschuldigde bijdrage opgenomen. Verrekening van het verschil tussen het op grond van artikel 18, derde lid, bepaalde bedrag en de werkelijk verschuldigde bijdrage vindt plaats terstond na de in artikel 20, derde lid, bedoelde mededeling.
Artikel 22. Reservevorming 1. 2. 3. 4. 5.
Het bestuur stelt een algemene reserve en bestemmingsreserves in om bedrijfsmatige risico’s op te vangen. De omvang van de reserves is gemaximeerd op 5% van de jaarlijkse exploitatielasten. Het bestuur beslist of een nadelig saldo geheel of gedeeltelijk ten laste van bestaande reserves zal worden gebracht. Het bestuur beslist, met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid, of een batig saldo geheel of gedeeltelijk ten gunste van bestaande reserves zal worden gebracht. Het batig saldo van enig jaar, zoals vastgesteld in de jaarrekening, dat niet ten gunste van de bestaande reserves wordt gebracht, vloeit terug naar de rechtspersonen van de deelnemers in de verhouding waarin zij bijdragen aan de begroting.
Artikel 23. Administratie en controle 1.
2.
3.
Het bestuur stelt regels vast met betrekking tot de organisatie van de administratie en het beheer van vermogenswaarden. Deze regels waarborgen dat aan de eisen van rechtmatigheid, doelmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien onder meer in de aanwijzing van een registeraccountant als bedoeld in van het Burgerlijk Wetboek belast met het onderzoek van de jaarrekening alsmede het ter zake uitbrengen van een verslag, dat behalve de verklaring bij de rekening, bevindingen bevat over de vraag of de administratie en het beheer voldoen aan de eisen van rechtmatigheid en doelmatigheid. Het bestuur stelt regels vast over de controle op de administratie en op het beheer van de vermogenswaarden. De regels waarborgen onder meer dat de rechtmatigheid en doelmatigheid van de administratie en het beheer worden getoetst.
Hoofdstuk 8. Archief Artikel 24. Archief 1. Ten aanzien van de zorg voor en het beheer van de archiefbescheiden van de bedrijfsvoeringsorganisatie, alsmede ten aanzien van het toezicht op het beheer zijn de voorschriften van de gemeente Apeldoorn van overeenkomstige toepassing. 2. De aan de uitvoering van het eerste lid verbonden kosten komen ten laste van de bedrijfsvoeringsorganisatie. 3. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 en 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden is Apeldoorn de archiefbewaarplaats. 4. Het bestuur is belast met de uitvoering van de zorg en het beheer als bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 9. Toetreding, wijziging, uittreding en opheffing Artikel 25. Toetreding 1. 2. 3. 4. 5.
Toetreding is mogelijk voor zover de indeling in regio’s bij of krachtens de Jeugdwet dat toelaat. Een college dat wenst toe te treden tot de regeling dient het verzoek daartoe, met de van diens raad verkregen toestemming, in bij het bestuur. Het bestuur zendt het verzoek met zijn advies aan de deelnemers. Toetreden kan plaatsvinden wanneer in de vergadering van het bestuur blijkt dat ten minste twee derde van de deelnemers daartoe heeft besloten. Een toetredende partij draagt bij toetreding bij aan de algemene reserve. De omvang van deze bijdrage wordt bepaald door de bestaande reserve op het moment van toetreding te delen door het aantal inwoners van de zittende deelnemers op 1 januari van het jaar van die toetreding. 6
V0.16.1
6.
7.
Uitkomst hiervan is een reservebijdrage per inwoner. De toetredende partij betaalt per inwoner van de eigen gemeente deze reservebijdrage per inwoner. Wanneer de bijdrage van de toetredende partij, bedoeld in het vierde lid, ertoe leidt dat de reserve groter wordt dan het maximum zoals aangegeven in artikel 22, tweede lid, dan wordt dit bij de eerstvolgende jaarrekening verrekend conform artikel 22, vijfde lid. De toetreding gaat in op dezelfde dag als die waarop de voor de toetreding noodzakelijke wijziging van de regeling in werking is getreden.
Artikel 26. Wijziging 1. 2. 3.
Op voorstel van het bestuur of van een deelnemer kan de regeling worden gewijzigd. Een voorstel dat niet is ingediend door het bestuur wordt voor advies aan het bestuur gezonden. Het bestuur zendt het voorstel met zijn advies aan de deelnemers. Een besluit tot wijziging is tot stand gekomen wanneer in de vergadering van het bestuur blijkt dat ten minste twee derde van de deelnemers daartoe heeft besloten.
Artikel 27. Uittreding Uittreding is mogelijk voor zover de indeling in regio’s bij of krachtens de Jeugdwet dat toelaat. Uittreden is niet eerder mogelijk dan nadat alle tussen de rechtspersoon van de deelnemer en de bedrijfsvoeringsorganisatie gesloten dienstverleningsovereenkomsten met betrekking tot de uitvoering van taken als bedoeld in artikel 4, tweede lid, zijn beëindigd. 3. De deelnemer die van plan is uit te treden maakt zijn voornemen tot uittreding schriftelijk kenbaar aan het bestuur en de overige deelnemers. 4. Na de ontvangst van de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wijst het bestuur in overleg met de deelnemer die van plan is uit te treden een onafhankelijke registeraccountant aan, aan wie opdracht wordt verleend een beëindigingsplan op te stellen. De kosten daarvan komen voor rekening van de deelnemer die van plan is uit te treden. 5. Het beëindigingsplan bevat in ieder geval een regeling voor de financiële, juridische, personele en organisatorische gevolgen voor de bedrijfsvoeringsorganisatie, waarbij als uitgangspunt geldt dat de uittredende deelnemer de kosten draagt die het rechtstreekse gevolg zijn van de uittreding en dat de overige deelnemers geen financieel nadeel van de uittreding ondervinden. 6. In het beëindigingsplan worden in elk geval de volgende kostensoorten onderscheiden: a.
frictiekosten (eenmalige personele en materiële kosten als gevolg van het uittreden); b. desintegratiekosten (kosten voor afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s); c. direct en op termijn vervallen kosten (kosten die vervallen bij de uittreding en daaraan verbonden overname van taken); d. schaalnadelen (kosten die niet wijzigen als gevolg van het uittreden); e. aandeel in de reserves en voorzieningen. 7. Het beëindigingsplan is bindend. 8. De deelnemer die van plan is uit te treden neemt op basis van het beëindigingsplan een definitief besluit. 9. De gevolgen van de uittreding worden op basis van het beëindigingsplan vastgesteld door de deelnemers. Een besluit hiertoe is tot stand gekomen wanneer in de vergadering van het bestuur blijkt dat ten minste twee derde van de deelnemers daartoe heeft besloten. 10. De uittreding gaat in op dezelfde dag als die waarop de voor de uittreding noodzakelijke wijziging van de regeling in werking is getreden. 1. 2.
Artikel 28. Opheffing 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Opheffing van de regeling is mogelijk voor zover de indeling in regio’s bij of krachtens de Jeugdwet dat toelaat. De regeling wordt opgeheven wanneer in de vergadering van het bestuur blijkt dat ten minste twee derde van de deelnemers daartoe heeft besloten. In geval van opheffing geeft het bestuur een onafhankelijk registeraccountant de opdracht om een liquidatieplan op te stellen. Het liquidatieplan voorziet in ieder geval in een regeling van de personele gevolgen en de vereffening van het vermogen. Het bestuur stelt na overleg met de deelnemers het liquidatieplan vast. Het bestuur is belast met de uitvoering van het liquidatieplan. Zo nodig blijft het bestuur na het tijdstip van opheffing in functie totdat de liquidatie is voltooid. 7
V0.16.1
Hoofdstuk 10. Geschillen Artikel 29. Geschillen Aan artikel 28 van de Wgr wordt pas toepassing gegeven nadat partijen zich tot het uiterste hebben ingespannen het geschil in onderling overleg op te lossen.
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen Artikel 30. Duur van de regeling Deze regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Artikel 31. Evaluatie 1. 2.
In het jaar voorafgaande aan de landelijke gemeenteraadsverkiezingen evalueert het bestuur de regeling op nader door het bestuur vast te stellen onderwerpen. Het bestuur zendt het evaluatierapport na bespreking naar de raden van de deelnemende gemeenten.
Artikel 32. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op de achtste dag na de dag waarop deze is bekendgemaakt. Artikel 33.
Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling Jeugdregio+ Midden IJssel / Oost Veluwe.
8 V0.16.1
Aldus besloten door: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn in de vergadering van ….
De burgemeester,
De secretaris,
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brummen in der vergadering van …
De burgemeester,
De secretaris,
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe in de vergadering van ….
De burgemeester,
De secretaris,
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem in der vergadering van …
De burgemeester,
De secretaris,
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerde in de vergadering van ….
De burgemeester,
De secretaris,
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem in der vergadering van …
De burgemeester, De secretaris, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst in de vergadering van ….
De burgemeester,
De secretaris,
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen in der vergadering van …
De burgemeester,
De secretaris,
9 V0.16.1
Toelichting bij de Gemeenschappelijke regeling Jeugdregio+ Midden IJssel / Oost Veluwe Algemeen Wettelijk verplichte taken in gemeenschappelijke regeling Het treffen van deze regeling hangt samen met het wetsvoorstel Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (hierna: wetsvoorstel). In dit wetsvoorstel (Kamerstukken II 2023/24, 36546, nr. 2) staat dat de colleges van burgemeester en wethouders in hun regio een gemeenschappelijk regeling treffen teneinde te bevorderen dat er een toereikend aanbod is van nader aangeduide vormen van jeugdhulp en gecertificeerde instellingen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Verder staat in het wetsvoorstel dat de regio-indeling bij algemene maatregel van bestuur plaatsvindt. Vooralsnog maken de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe, Hattem, Heerde, Lochem, Voorst en Zutphen deel uit van de jeugdregio Midden IJssel / Oost Veluwe. Aanvullende taken Daarnaast bestaat bij de deelnemers desgewenst behoefte om op andere thema’s met elkaar te kunnen samenwerken. De regeling voorziet daarin. Samenhang met de Wet gemeenschappelijke regelingen Deze regeling is gebaseerd op de Wet gemeenschappelijke regelingen (verder: Wgr). Op grond van deze wet moeten bepaalde onderwerpen in de regeling worden uitgewerkt, dan wel gelden bepaalde regels direct. Direct werkende bepalingen uit de Wgr zijn niet overgenomen in deze regeling.
Dat voorkomt dat bij een wijziging van de Wgr er een verschil kan ontstaan tussen de wet en deze regeling. Wel is in deze toelichting de samenhang tussen de regeling en de Wgr geschetst.
Artikelsgewijs Aanhef Artikel 1 van de Wgr schrijft voor dat de colleges van burgemeester en wethouders een ontwerp van de regeling aan de raden toezenden. De raden hebben vervolgens de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. Voordat de colleges definitief besluiten tot het treffen van de regeling is toestemming van de raden nodig. De aanhef vermeldt dat deze stappen zijn doorlopen. Hoofdstuk .1 Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit artikel worden de in de regeling gebruikte begrippen gedefinieerd. Deze spreken voor zich. Hoofdstuk 2. De bedrijfsvoeringsorganisatie Artikel 2. Bedrijfsvoeringsorganisatie In het wetsvoorstel wordt een nieuw artikel 2.18 van de Jeugdwet voorgesteld. In dit artikel staat dat bij de gemeenschappelijke regeling een regionale entiteit genaamd Jeugdregio wordt ingesteld of aangewezen, zijnde een openbaar lichaam, een bedrijfsvoeringsorganisatie of centrumregeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen. Met toepassing van artikel 8, derde lid, van de Wgr is een bedrijfsvoeringsorganisatie ingesteld. De bedrijfsvoeringsorganisatie is een rechtspersoon (zie artikel 8, derde lid, van de Wgr). De vestigingsplaats van de bedrijfsvoeringsorganisatie is Apeldoorn (zie ook artikel 10, derde lid, van de Wgr). Dat staat er niet aan in de weg dat taken op een andere plaats of plaatsen uitgevoerd kunnen worden.
Het gebruik van het woord ‘Jeugdregio’ in de naam sluit aan bij het in het wetsvoorstel voorgestelde nieuwe artikel 2.18, tweede lid, van de Jeugdwet.
10 V0.16.1
Hoofdstuk 3. Belangen, taken en bevoegdheden Artikel 3. Belangen Artikel 10 van de Wgr bepaalt dat de regeling het belang of de belangen vermeldt ter behartiging waarvan zij is getroffen. Dit artikel geeft hier uitvoering aan. Artikel 4. Taken In het wetsvoorstel wordt een nieuw artikel 2.19 van de Jeugdwet voorgesteld. In dit artikel staat dat de colleges van de gemeenten in een regio de Jeugdregio ten minste belasten met de volgende werkzaamheden: a. het ten behoeve van alle jeugdigen in die regio contracteren of subsidiëren van: 1°. bij algemene maatregel van bestuur te bepalen vormen van jeugdhulp waarvoor samenwerking tussen gemeenten vereist is, en 2°. gecertificeerde instellingen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering; b. bij ministeriële regeling te bepalen administratieve processen behorende bij de contractering of subsidiëring door de Jeugdregio krachtens onderdeel a, waaronder in ieder geval: 1°. monitoring en relatiemanagement, en 2°. het maken van afspraken met jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen over door hen aan te leveren gegevens noodzakelijk voor de verantwoording over de geleverde prestaties of voor de evaluatie van de gesloten contracten of verstrekte subsidies, alsmede de wijze van aanlevering; c.
het afstemmen met andere Jeugdregio’s of colleges van regio’s (…) teneinde te bevorderen dat er een toereikend aanbod is van: 1°. bij algemene maatregel van bestuur te bepalen vormen van jeugdhulp die krachtens onderdeel a, onder 1°, door de Jeugdregio worden gecontracteerd of gesubsidieerd waarbij voor het kunnen bevorderen van een toereikend aanbod om aan de taken, bedoeld in de artikelen 2.3 en 2.4, tweede lid, onderdeel b, te kunnen voldoen sprake is van onderlinge afhankelijkheid tussen regio’s, en 2°. gecertificeerde instellingen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering; d. de organisatie van de regionale expertteams. Met het eerste lid van artikel 4 worden de wettelijke taken bij de bedrijfsvoeringsorganisatie belegd. Er is een algemene formulering gebruikt, zodat bij een eventuele wijziging van de wettelijk verplichte taken, de regeling niet hoeft te worden gewijzigd. Het tweede lid van artikel 4 biedt de deelnemers ruimte om ook andere (niet wettelijk verplichte) taken bij de bedrijfsvoeringsorganisatie onder te brengen, mits deze vallen binnen de in artikel 3 omschreven belangen. Het bestuur beslist hierover. De kosten van deze taken worden volledig, inclusief overhead, toegerekend aan de betreffende deelnemers en afzonderlijk geadministreerd (zie artikel 5, derde lid).
Het derde lid van artikel 4 biedt ruimte om taken voor derden te verrichten. Bijvoorbeeld ten behoeve van de G7, het samenwerkingsverband van de zeven Gelderse jeugdregio’s. Mede ook indachtig de aanbestedingsregels (zie artikel 2.24b, eerste lid, onderdeel b, van de Aanbestedingswet 2012) is de omvang van de dienstverlening aan derden beperkt tot 10% van de totale begroting Artikel 5. Voorwaarden taakuitvoering Dit artikel regelt dat voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 4, een dienstverleningsovereenkomst wordt gesloten. In zo’n overeenkomst kunnen onder meer afspraken worden gemaakt over de inhoud, aard, omvang, kwaliteit, duur en beëindiging van de dienstverlening en het daarmee te bereiken resultaat en/of doel. Verder regelt dit artikel dat de aan de uitvoering van de aanvullende dienstverlening verbonden kosten, ook die van de beëindiging daarvan, afzonderlijk worden geadministreerd en volledig worden toegerekend aan de betreffende deelnemer of deelnemers. Bij het bepalen van de kosten verbonden aan de beëindiging van de dienstverleningsovereenkomst voor een aanvullende dienst zijn de in artikel 27, vijfde en zesde, geformuleerde uitgangspunten van overeenkomstige toepassing. Samengevat: de betreffende 11 V0.16.1
deelnemer of deelnemers dragen de kosten die het rechtstreekse gevolg zijn van de beëindiging van de dienstverleningsovereenkomst voor de aanvullende dienst en de overige deelnemers mogen hiervan geen financieel nadeel ondervinden. Om ervoor te zorgen dat de bedrijfsvoeringsorganisatie voldoende tijd heeft om zich voor te bereiden op de gevolgen van de beëindiging van een aanvullende dienst is geregeld dat dit alleen kan per 1 januari van enig jaar met een opzegtermijn van tenminste een vol boekjaar. Het bestuur kan besluiten tot een afwijkende opzegtermijn. Artikel 6. Bevoegdheden Artikel 10, tweede lid, van de Wgr bepaalt dat de regeling aangeeft welke bevoegdheden de besturen van de deelnemende gemeenten aan het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie bij het aangaan van de regeling overdagen. In dit artikel is geregeld dat er bij het aangaan van de regeling geen bestuursrechtelijke bevoegdheden worden overgedragen. Wel kunnen de deelnemers beslissen tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de bedrijfsvoeringsorganisatie. Voor het efficiënt functioneren van de bedrijfsvoeringsorganisatie is het wenselijk dat de deelnemers de bevoegdheidsverlening wel zoveel mogelijk met elkaar afstemmen.
Artikel 31a van de Wgr regelt dat het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie slechts besluit tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien de regeling in deze mogelijkheid voorziet en dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Het derde lid van dit artikel voorziet in deze mogelijkheid. Het deelnemen aan privaatrechtelijke rechtspersonen kan wenselijk zijn als personeel in dienst treedt, bijvoorbeeld voor lidmaatschap aan een werknemersvereniging. Het tweede lid van artikel 31a van de Wgr bepaalt dat het bestuur een dergelijk besluit niet kan nemen dat nadat de raden van de deelnemende gemeenten een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie te brengen. Artikel 31 van de Wgr bepaalt dat bij de regeling beperkingen kunnen worden aangebracht in de bevoegdheden die de bedrijfsvoeringsorganisatie van rechtswege bezit om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen. Het vierde lid van dit artikel geeft hier invulling aan. Hoofdstuk 4. Het bestuur Artikel 7.
Samenstelling Ingevolge artikel 10, derde lid, van de Wgr dient de regeling een bepaling te bevatten over de inrichting en samenstelling van het bestuur. Dit artikel voorziet daarin. Verder volgt uit artikel 14a van de Wgr dat het bestuur bestaat uit leden die per deelnemende gemeente door het college uit zijn midden worden aangewezen. Ingevolge artikel 13, vierde lid, van de Wgr kan het aantal leden per deelnemer verschillen. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Uitgangspunt van dit artikel is dat elke deelnemer uit zijn midden één bestuurslid en één plaatsvervangend bestuurslid levert. In artikel 20 van de Wgr staat welke functies en handelingen onverenigbaar zijn met die van bestuurslid. Artikel 8. Reglement van orde Hoe bijvoorbeeld het uitnodigen voor een vergadering gaat wordt door het bestuur uitgewerkt in een reglement van orde. Dit geeft het bestuur ruimte om zelf invulling te geven hoe zij te werk wil gaan. Belangrijke punten, zoals de stemverhouding, zijn wel in de regeling zelf uitgewerkt. Artikel 9. Vergaderingen Dit artikel regelt dat het bestuur jaarlijkse tenminste tweemaal vergadert (zie ook artikel 22, tweede lid, van de Wgr). De vergaderingen van het bestuur zijn openbaar, tenzij het bestuur anders besluit. In het derde lid staat een aantal onderwerpen waarover niet in een besloten vergadering beraadslaagd en besloten kan worden. Artikel 10.
Participatie Ingevolge artikel 10, zevende lid, van de Wgr moet de regeling een bepaling bevatten over de wijze waarop ingezetenen van de gemeenten waarvan de colleges deelnemen aan deze regeling en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van de regeling betrokken worden. Dit artikel voorziet hierin. 12 V0.16.1
Artikel 11. Zienswijze Artikel 10, vijfde lid, van de Wgr bepaalt dat de regeling een bepaling bevat omtrent de besluiten van het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie waarover de raden een zienswijze naar voren kunnen brengen voorafgaand aan het nemen van het besluit. Dit is dan naast de zienswijzen die de raden al rechtstreeks op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen naar voren kunnen brengen met betrekking tot het treffen, wijzigen, toe- en uittreden uit de regeling (artikel 1 van de Wgr) en de ontwerp-begroting (artikel 35 van de Wgr). In dit artikel is geregeld dat in ieder geval voorgenomen besluiten van het bestuur tot vaststelling van een ‘strategische notitie’, de vaststelling van de berekeningswijze van de bijdrage van de deelnemers en de vaststelling van de onderwerpen van de evaluatie van de regeling voor een zienswijze aan de raden wordt voorgelegd. Daarnaast kan het bestuur ook andere voorgenomen besluiten voor een zienswijze aan de raden voorleggen, als het bestuur dit noodzakelijk of wenselijk acht. Voorafgaand aan het nemen van een besluit waarover een zienswijze is gevraagd stelt het bestuur de raden schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze en de conclusies daaromtrent. Artikel 12. Besluitvorming bestuur Uitgangspunt is dat binnen het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie wordt besloten bij unanimiteit.
Als unanimiteit niet kan worden bereikt, wordt het besluit genomen bij stemming. Voor de stemverhouding gelden de volgende twee uitgangspunten: • gelijkwaardigheid: achter een geldig besluit moet ten minste een meerderheid van gemeenten staan en in sommige gevallen naar redelijkheid een gekwalificeerde meerderheid; • evenredigheid: uitgangspunt is dat een besluit ook ten minste een meerderheid van de inwoners van de regio MIJ/OV moet vertegenwoordigen en recht moet doen aan het verschil in bijdragen aan de regio-organisatie. Om stemmen te verdelen over het aantal inwoners is uitgaan van de volgende principes: • gemeenten ónder de 40.000 inwoners krijgen 3 stemmen om voldoende invloed voor de kleinere gemeenten te waarborgen; • boven de 40.000 geldt het principe van 1 stem per 10.000 inwoners (afgerond naar boven bij meer dan 5.000 tussen twee meetpunten); • er geldt een maximum van 12 stemmen om geen onevenredige machtspositie te creëren voor de grotere gemeente(n). Dat maakt de volgende stemverhoudingen die recht doen aan de evenredigheid van inwoners woonachtig in de regio: Gemeente
Inwoneraantal 2024
Apeldoorn Brummen Epe Hattem Heerde Lochem Voorst Zutphen
168.211 21.286 33.168 12.624 19.226 34.289 25.377 48.752 Totaal
Aantal stemmen met maximum (art. 12) 12 3 3 3 3 3 3 5 35
Om eveneens uit te gaan van gelijkwaardigheid is het uitgangspunt voor het nemen van besluiten (door het bestuur) als volgt: alle besluiten die toezien op de dagelijkse aansturing van de regioorganisatie vereisen een gewone meerderheid van stemmen en van gemeenten. Een besluit is derhalve genomen met 18 stemmen uit vier gemeenten. Met de stemverhoudingen als opgesteld in bovenstaande tabel heeft dit de volgende consequenties: • alle gemeenten met een inwoneraantal ónder of net boven de 30.000 kunnen gezamenlijk een besluit nemen; • de grootste gemeente, Apeldoorn, kan met steun van drie kleinere gemeenten een besluit nemen; 13 V0.16.1
•
echter, de twee grootste gemeenten gezamenlijk, Apeldoorn en Zutphen, kunnen niet gezamenlijk een besluit nemen zonder steun bij gemeenten met een inwoneraantal ónder of net boven de 30.000.
Diengevolgen is er géén van de deelnemende gemeenten die alleen een blokkeer- dan wel besluitmacht heeft (respectievelijk de macht om besluiten tegen te houden en te nemen). Daarmee wordt recht gedaan aan het principe van gelijkwaardigheid. In het aan het begin van de artikelsgewijze toelichting bij dit artikel staat bij het principe van ‘gelijkwaardigheid’ ook dat in sommige gevallen naar redelijkheid wordt gewerkt met een zogeheten gekwalificeerde meerderheid. In de regeling is een verdeelsleutel betreffende de kosten van de regioorganisatie opgenomen op basis van het inwoneraantal van de deelnemende gemeenten. In de praktijk heeft dit als gevolg dat de gemeente Apeldoorn bijna de helft van de financiën inbrengt en daarmee een wezenlijk aandeel draagt in de financiële verantwoordelijkheid van de regio. Met dien verstande is voor de volgende besluiten een gekwalificeerde meerderheid van 2/3 van de stemmen (en meerderheid van gemeenten, conform gelijkwaardigheid) in de regeling opgenomen: • het vaststellen van de begroting van de regio-organisatie; • het toetreden tot, wijzigen van de en uittreden uit de gemeenschappelijke regeling. In de praktijk impliceert dit dat Apeldoorn voor deze besluiten altijd onderdeel moet zijn van een meerderheidscoalitie om de begroting vast te stellen en de regeling te wijzigen.
Artikel 13. Bevoegdheden bestuur In dit artikel staan de bevoegdheden van het bestuur. Artikel 14. Informatie- en verantwoordingsplicht Ter uitvoering van de artikelen 16 tot en met 19 van de Wgr regelt dit artikel de informatie- en verantwoordingsplicht richting de deelnemers en de raden. Verder kunnen de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het provinciebestuur het bestuur vragen om ‘bericht en raad’. Op grond van artikel 19b, tweede lid, van de Wgr doet het bestuur aan de deelnemers mededeling van het verzoek en de inhoud daarvan. Hoofdstuk 5. De voorzitter Artikel 15. De voorzitter Het bestuur kiest uit zijn midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter. In dit artikel staan de taken en bevoegdheden van de voorzitter. Tevens voorziet dit artikel in een regeling bij mogelijke belangenconflicten. Hoofdstuk 6. Organisatie Artikel 16. De directeur Dit artikel regelt de taken en bevoegdheden van de directeur. Artikel 17. Personeel Dit artikel vermeldt de cao die geldt voor het personeel in dienst van de bedrijfsvoeringsorganisatie. Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen Artikel 18. Bijdrage De berekeningswijze van de bijdrage van de deelnemers wordt door het bestuur vastgesteld. Voordat het bestuur de berekeningswijze vaststelt worden de raden in de gelegenheid gesteld hierover hun zienswijze te geven (zie artikel 11, tweede lid).
De verdeling van de kosten voor de wettelijk verplichte taken vindt plaats naar rato van het inwoneraantal. De kosten voor de aanvullende dienstverlening worden volledig toegerekend aan de betreffende deelnemer of deelnemers (zie artikel 5, derde lid). Hetzelfde geldt voor de dienstverlening aan derden (zie artikel 5, vierde lid). De verschuldigde bijdrage
14 V0.16.1
per deelnemer wordt in de begroting opgenomen. De deelnemers betalen de verschuldigde bijdrage in voorschotten per kwartaal. Artikel 19. Begroting De begroting heeft betrekking op een boekjaar dat gelijk is aan een kalenderjaar. In de tabel hieronder staat een overzicht van de termijnen die gelden rondom de vaststelling van de begroting. Wanneer Vóór 1 april Vóór 30 april
12 weken voor vaststellen begroting (let op tijd die nodig is voor het verwerken van zienswijzen)
Vóór 15 september Binnen 2 weken na vaststelling, maar uiterlijk 15 september
Wat Bestuur stelt de kaders voor begroting vast Bestuur stuurt de algemene financiële en beleidsmatige kaders voor het komende jaar en de voorlopige jaarrekening over het afgelopen jaar aan de raden Bestuur stuurt ontwerp-begroting naar raden. Raden kunnen bij bestuur zienswijze over de ontwerp-begroting naar voren brengen De ontwerp-begroting wordt door de zorg van de besturen van de deelnemende gemeenten voor eenieder ter inzage gelegd Voor vaststellen begroting stelt bestuur de raden schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze over de ontwerp-begroting Bestuur stelt begroting voor komend jaar vast Bestuur stuurt vastgestelde begroting naar gedeputeerde staten Bestuur stuurt vastgestelde begroting naar raden van deelnemende gemeenten, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen
Grondslag Art. 19, lid 2 Art. 34b Wgr
Art. 35, lid 1 Wgr Art. 35, lid 3 Wgr Art. 35, lid 2 Wgr
Art. 35, lid 4 Wgr
Art. 19, lid 3 Art. 34, lid 2 Wgr Art. 35, lid 5 Wgr
Als in de loop van het jaar blijkt dat de begroting niet toereikend is, kan een wijziging van de begroting nodig zijn. Het bepaalde in artikel 35, eerste tot en met vierde lid, van de Wgr (zienswijzeprocedure raden) is niet van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting waarbij in de bijdrage van geen van de deelnemers een wijziging wordt gebracht. Op grond van artikel 12 wordt het besluit tot vaststelling van de begroting overeenkomstig artikel 19 genomen met een gekwalificeerde meerderheid. Artikel 20. Jaarrekening In de tabel hieronder staat een overzicht van de termijnen die gelden rondom de vaststelling van de jaarrekening. Wanneer Vóór 30 april
Vóór 1 juli
Binnen 2 weken na vaststelling, maar uiterlijk 15 juli
Wat Bestuur stuurt de algemene financiële en beleidsmatige kaders voor het komende jaar en de voorlopige jaarrekening over het afgelopen jaar aan de raden Bestuur stelt jaarrekening over afgelopen jaar vast Bestuur doet mededeling van de vaststelling van de jaarrekening aan de raden Bestuur stuurt vastgestelde jaarrekening naar gedeputeerde staten
Grondslag Art. 34b Wgr
Art. 20, lid 2 Art. 20, lid 3
Art. 34, lid 4 Wgr
15 V0.16.1
Artikel 21. Definitieve bijdrage In de jaarrekening wordt de door elk van de deelnemers over het betreffende kalenderjaar werkelijk verschuldigde bijdrage opgenomen. De berekening van de bijdrage volgt uit artikel 18 en artikel 5, derde lid: de verdeling van de kosten voor de wettelijk verplichte taken vindt plaats naar rato van het inwoneraantal en de kosten voor de aanvullende dienstverlening worden volledig toegerekend aan de betreffende deelnemer of deelnemers. Het tweede lid bepaalt dat verrekening van het verschil tussen het voorschot en de definitieve bijdrage plaatsvindt terstond na de mededeling van de vaststelling van de jaarrekening aan de raden. Artikel 22. Reservevorming Het bestuur stelt een algemene reserve en bestemmingsreserves in om bedrijfsmatige risico’s op te vangen. De omvang van de reserves is gemaximeerd op 5% van de jaarlijkse exploitatielasten. Een batig saldo van enig jaar dat niet ten gunste van de reserves wordt gebracht, vloeit terug naar de rechtspersonen van de deelnemers in de verhouding waarin zij bijdragen aan de begroting. Artikel 23. Administratie en controle Het bestuur stelt regels op over de organisatie van en controle op de administratie en het beheer van de vermogenswaarden. Hoofdstuk 8. Archief Artikel 24.
Archief Ten aanzien van de zorg voor en het beheer van de archiefbescheiden van de bedrijfsvoeringsorganisatie, alsmede ten aanzien van het toezicht op het beheer zijn de voorschriften van de gemeente Apeldoorn van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk 9. Toetreding, wijziging, uittreding en opheffing De Wgr kent een vaste procedure voor het betrekken van de raden bij het treffen van, wijzigen van, toetreden tot en uittreden uit een regeling. Deze zienswijze- en toestemmingsprocedure is als volgt: Wanneer Binnen 8 weken na ontvangst ontwerp
Binnen 13 weken na verzending door college
Ten hoogste 13 weken
Wat College zendt ontwerp toe aan de raad Raad kan zienswijze kenbaar maken aan college over het ontwerp Eventueel doorvoeren wijziging in ontwerp Het college neemt een voorlopig besluit en vraagt vervolgens de raad om toestemming De raad heeft 13 weken de tijd om te beslissen over de toestemming. Deze termijn kan 1x met ten hoogste 13 weken worden verdaagd. Verlengde toestemmingstermijn, indien tijdig verdaagd.
Grondslag Art. 1, lid 2 Wgr Art 1, lid 3 Wgr
Art. 1, lid 4 Wgr Afd. 10.2.1 Awb Par. 4.1.3.3 Awb Art. 1, lid 4 Wgr Afd. 10.2.1 Awb Par. 4.1.3.3 Awb
College neemt definitief besluit De Wgr onderscheidt expliciet in de zienswijzenprocedure en een daaropvolgende toestemmingsprocedure. Deze kunnen niet gelijktijdig doorlopen worden om zo tijd te winnen. De toestemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang (zie artikel 1, vierde lid, van de Wgr). Als de raad niet tijdig beslist op het verzoek om toestemming is de gevraagde toestemming van rechtswege gegeven (zie artikel 10:31 en 4:20b van de Awb). Artikel 25. Toetreding Uit artikel 9 van de Wgr volgt dat de regeling een bepaling over toetreding tot de regeling moet bevatten. Dit artikel voorziet daarin. Toetreding is mogelijk voor zover de indeling in regio’s bij of krachtens de Jeugdwet dat toelaat (zie ook de in het wetsvoorstel voorgestelde nieuwe artikelen 2.17 en 2.18 van de Jeugdwet). Op de toetreding is de hiervoor geschetste zienswijze- en 16 V0.16.1
toestemmingsprocedure uit de Wgr van toepassing. Een toetredende partij draagt bij toetreding bij aan de algemene reserve. De toetreding gaat in op dezelfde dag als die waarop de voor de toetreding noodzakelijke wijziging van de regeling in werking is getreden. Artikel 26. Wijziging Uit artikel 9 van de Wgr volgt dat de regeling een bepaling over wijziging van de regeling moet bevatten. Dit artikel voorziet daarin. Zowel het bestuur als een deelnemer kan een voorstel doen voor wijziging van de regeling. Op de wijziging van de regeling is de hiervoor geschetste zienswijze- en toestemmingsprocedure uit de Wgr van toepassing. Artikel 27. Uittreding Uit artikel 9 van de Wgr volgt dat de regeling een bepaling over uittreding moet bevatten. Dit artikel voorziet daarin. Uittreding is mogelijk voor zover de indeling in regio’s bij of krachtens de Jeugdwet dat toelaat (zie ook de in het wetsvoorstel voorgestelde nieuwe artikelen 2.17 en 2.18 van de Jeugdwet). Bovendien moeten eerst alle dienstverleningsovereenkomsten met betrekking tot de aanvullende dienstverlening zijn beëindigd. Na ontvangst van een verzoek tot uittreden stelt een onafhankelijke registeraccountant een bindend beëindigingsplan op.
Uitgangspunt daarbij is dat de uittredende deelnemer de kosten draagt die het rechtstreekse gevolg zijn van de uittreding en dat de overige deelnemers geen financieel nadeel van de uittreding ondervinden. Op basis van het beëindigingsplan neemt de deelnemer die van plan is uit te treden een definitief besluit. De uittreding gaat in op dezelfde dag als die waarop de voor de uittreding noodzakelijke wijziging van de regeling in werking is getreden. Op de uittreding is de hiervoor geschetste zienswijze- en toestemmingsprocedure uit de Wgr van toepassing. Artikel 28. Opheffing Uit artikel 9 van de Wgr volgt dat de regeling een bepaling moet bevatten omtrent de vereffening van het vermogen als de bedrijfsvoeringsorganisatie wordt ontbonden. Dit artikel voorziet daarin. Opheffing van de regeling is mogelijk voor zover de indeling in regio’s bij of krachtens de Jeugdwet dat toelaat. Op de opheffing is de hiervoor geschetste zienswijze- en toestemmingsprocedure uit de Wgr van toepassing. De opheffing wordt door het bestuur afgewikkeld op basis van een door een onafhankelijke registeraccountant opgesteld liquidatieplan. Zo nodig blijft het bestuur na het tijdstip van opheffing in functie totdat de liquidatie is voltooid (zie ook artikel 9, derde lid, van de Wgr). Hoofdstuk 10. Geschillen De regeling bevat geen specifieke bepaling over de behandeling van klachten.
Voor de behandeling van klachten geldt het volgende. In geval van gedelegeerde of eigen bevoegdheden vindt klachtbehandeling plaats door de bedrijfsvoeringsorganisatie conform hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht. Waarbij de externe klachtbehandeling – nu er in de regeling niets anders is bepaald – plaatsvindt door de Nationale ombudsman (zie titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht in combinatie met artikel 1a van de Wet Nationale ombudsman en artikel 10, vierde lid, van de Wgr). In artikel 6 van de regeling staat evenwel dat de deelnemers geen publiekrechtelijke bevoegdheden overdragen (= delegatie) aan de bedrijfsvoeringsorganisatie, maar dat de deelnemers ieder afzonderlijk mandaat, volmacht en machtiging verlenen aan de bedrijfsvoeringsorganisatie die nodig zijn voor de uitvoering van de taken. Gemandateerde taken voert de bedrijfsvoeringsorganisatie niet eigenstandig uit, maar namens de betreffende deelnemer. Klachten in verband met de uitvoering van gemandateerde taken kan de bedrijfsvoeringsorganisatie alleen afhandelen als het afdoen van klachten uitdrukkelijk is opgenomen in het mandaat. Is dat niet het geval, dan is de deelnemer zelf verplicht tot afhandelen van de klacht. Het betreft zowel de interne, als de externe klachtbehandeling (Nationale ombudsman of lokale ombudsman/-commissie, zoals bij de gemeente Zutphen). Artikel 29.
Geschillen Op grond van artikel 28 van de Wgr kunnen geschillen over de uitvoering van de regeling worden voorgelegd aan gedeputeerde staten van de Provincie. Dit artikel regelt dat partijen zich tot het uiterste inspannen het geschil in onderling overleg op te lossen alvorens gebruik te maken van de regeling uit de Wgr. 17 V0.16.1
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen Artikel 30. Duur van de regeling De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Artikel 31. Evaluatie In artikel 11a van de Wgr staat dat een regeling bepalingen inhoudt omtrent de evaluatie van de regeling. Dit artikel voorziet daarin. Voordat het bestuur de onderwerpen van de evaluatie vaststelt stelt zij de raden in de gelegenheid een zienswijze te geven (zie artikel 11, tweede lid, onderdeel c). De evaluatie vindt plaats in het jaar voorafgaand aan de landelijke gemeenteraadsverkiezingen. Artikel 32. Inwerkingtreding Dit artikel regelt dat de regeling in werking treedt op de achtste dag na de dag waarop deze is bekendgemaakt (zie ook artikel 3:40 Awb). Uit artikel 26 van de Wgr volgt dat de bekendmaking plaatsvindt door het bestuur van de gemeente van de plaats van vestiging van de bedrijfsvoeringsorganisatie. De bedrijfsvoeringsorganisatie zorgt voor de juiste vermelding in het Register van Gemeenschappelijke regelingen op overheid.nl. Artikel 33. Citeertitel Dit artikel regelt hoe deze regeling wordt aangehaald.
18 V0.16.1