CConstaterende datLochem
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota van zienswijzen def sep 2025

Raadsvergadering 10 november 2025, gemeente LochemBij agendapunt: Behandeling Regionaal Programma Energievoorziening 2025 en Nota van Zienswijzen39.914 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Nota van Zienswijzen Regionaal Programma Energievoorziening (RPE) – september 2025

1.

Inleiding & proces

De regio Stedendriehoek heeft samen met de regiogemeenten, waterschappen, provincie Gelderland, netbeheerders en maatschappelijke partners gewerkt aan het Regionale Programma Energievoorziening (RPE). Dit programma is het vervolg op de Regionale Energiestrategie (RES) van de regio uit 2021. De ontwerpversie van het RPE lag van 26 mei tot en met 6 juli 2025 ter inzage. In deze periode kon iedereen reageren. In totaal hebben wij 17 zienswijzen ontvangen. Deze zijn ingediend door bewoners, verenigingen en gemeenteraden uit de gemeenten Apeldoorn, Epe en Zutphen. Alle zienswijzen zijn digitaal ingediend. We hebben alle zienswijzen als ontvankelijk beoordeeld en in behandeling genomen. Dat betekent dat we ze hebben gelezen, overwogen en beantwoord.

2.

Leeswijzer & opbouw van de nota van zienswijzen

Een nota van zienswijzen is een document waarin we de ontvangen zienswijzen hebben samengevat en voorzien van een reactie. Per zienswijze geven we ook aan of deze tot een wijziging in het RPE heeft geleid. Dit doen we zodat het voor de indieners duidelijk is wat we met hun reactie hebben gedaan. In de zienswijzen viel ons een aantal dingen op. Sommige indieners vonden het niet duidelijk wat het RPE precies is, voor wie het bedoeld is en wat het in de praktijk betekent. Ook waren er vragen en opmerkingen over de inhoud en het proces van de RES 1.0 en over de participatie en communicatie. Daarnaast maakten veel indieners zich zorgen over windenergie. Hun zorgen gingen vooral over gezondheid, natuur en landschap, en de rol van de overheid bij de afwegingen. Omdat veel reacties over dezelfde onderwerpen gaan, beantwoorden we deze in twee aparte hoofdstukken in deze nota. Hoofdstuk 3 behandelt wat het RPE wél en niet is, hoe de RES 1.0 is geëvalueerd en hoe de participatie over het RPE eruitzag. Hoofdstuk 4 gaat over windenergie. In de tabellen met beantwoording van zienswijzen vanaf hoofdstuk 5, verwijzen we bij de beantwoording naar deze eerdere hoofdstukken. Vanaf hoofdstuk 5 zijn de ingediende zienswijzen en de bijbehorende reacties samengevat in tabellen. De zienswijzen zijn per gemeente gecategoriseerd.

Zienswijzen van individuele bewoners zijn daarbij geanonimiseerd, zodat geen persoonsgegevens openbaar worden gemaakt. Reacties die namens verenigingen, organisaties of de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten zijn ingediend, zijn niet geanonimiseerd, omdat deze uit naam van een collectief of publieke verantwoordelijkheid zijn ingediend. De meeste indieners hebben hun zienswijzen genummerd. We hebben deze nummering waar mogelijk overgenomen in de tabellen, zodat voor indieners herkenbaar is hoe hun inbreng is meegenomen. Ten behoeve van de leesbaarheid en om tot een eenduidige en heldere beantwoording te komen, hebben wij herhalingen verwijderd of zienswijzen samengevoegd. In die gevallen was het niet mogelijk om de nummering uit de oorspronkelijke zienswijze over te nemen.

3. Wat is het RPE (niet)? Het RPE is een regionaal programma. Het is gemaakt door zeven gemeenten, de provincie Gelderland en de waterschappen Vallei en Veluwe en Rijn en IJssel. Het RPE bevat afspraken en spelregels voor de toekomstige energievoorziening in de regio. Denk hierbij aan de inzet van verschillende energiebronnen, energieopslag en flexibiliteit. We werken op regionale schaal, omdat veel onderdelen van de energietransitie niet binnen de grenzen van één gemeente passen. Voorbeelden zijn de aanleg van netten, ruimtegebruik en de zekerheid van levering. Deze onderwerpen hangen vaak met elkaar samen en vragen om een gezamenlijke aanpak. Het RPE gaat nog niet over concrete keuzes voor de lokale energievoorziening. Dat gebeurt later, met het RPE als kader. Gemeenten krijgen daarin ruimte om zelf keuzes te maken die passen bij hun omgeving: ruimtelijk, maatschappelijk en politiek-bestuurlijk. In het RPE staan dus geen besluiten over specifieke projecten of locaties, zoals windturbines of zonnevelden. Zulke keuzes worden pas gemaakt in vervolgtrajecten, zoals omgevingsvisies, omgevingsplannen of projectplannen. Gemeenten en de provincie besluiten daarover, niet de regio. Daarbij spelen maatschappelijk en politiek draagvlak een belangrijke rol. Een voorbeeld is het onderzoek naar mogelijkheden voor windturbines.

In sommige gemeenten wordt dit nu al opgepakt, terwijl in andere gemeenten op dit moment geen draagvlak is. Het RPE is dus geen verplichting om projecten uit te voeren op specifieke plekken. Het is vooral een uitnodiging om samen te werken, kennis te delen en afspraken te maken. 3.1. Wie schrijft het RPE? Het RPE is opgesteld door de energieregio Stedendriehoek. Dit is een samenwerking van de provincie Gelderland, de waterschappen Vallei en Veluwe en Rijn en IJssel, en de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe, Heerde, Lochem, Voorst en Zutphen. Netbeheerder Liander adviseerde hierbij. De overheden in de regio werken samen om op tijd en in samenhang te sturen op het energiesysteem van de toekomst. Het RPE is gemaakt op basis van regionale opgaven, gezamenlijke analyses en inbreng van maatschappelijke organisaties en marktpartijen. De ontwerpversie van het RPE is opgesteld door de regio en ter inzage gelegd door de colleges van GS, B&W en de dagelijkse besturen van de waterschappen. De zienswijzen die in deze nota staan, zijn reacties op die ontwerpversie. 3.2. Wie stelt het RPE vast? Hoewel het RPE in regionaal verband is opgesteld, neemt de regio zelf geen besluit. Het RPE wordt pas definitief na goedkeuring door de democratisch gekozen besturen van de betrokken overheden: •

de gemeenteraden van de zeven gemeenten;

•

Gedeputeerde Staten van Gelderland;

•

het algemeen bestuur van de waterschappen Vallei en Veluwe en Rijn en IJssel.

De besluitvorming staat gepland voor het najaar van 2025. 3.3. Evaluatie van de RES 1.0 en monitoring van de voortgang

Verschillende indieners vroegen naar de evaluatie van de RES 1.0. Op meerdere momenten is daarbij stilgestaan. Bij de besluitvorming over de RES 1.0 is de participatie, inclusief de inspraakronde, geëvalueerd. Daaruit bleek dat inwoners en raadsleden behoefte hadden aan meer en andere vormen van participatie, vooral bij concrete projecten. Het proces van de RES of het RPE werd vaak ervaren als te abstract. Ook gaven sommige raadsleden aan dat het niet altijd duidelijk was op welk moment hun inbreng nodig was. In het proces rond het RPE is daar meer aandacht aan besteed, onder andere met een ronde langs de gemeenteraden. De RES is daarnaast inhoudelijk geëvalueerd met de deelnemende partijen en maatschappelijke organisaties van de Adviestafel. In de RES 1.0 staat een hoofdstuk met aanbevelingen voor de toekomst. Deze zijn waar mogelijk opgevolgd. In het RPE is bovendien in bijlage 2 een paragraaf opgenomen: constateringen na 4 jaar werken met de RES 1.0. Daarin staan de lessen die we uit de RES 1.0 hebben meegenomen naar het RPE. De voortgang van de RES 1.0 wordt ook cijfermatig gevolgd. Dat gebeurt via de tweejaarlijkse voortgangsrapportage van het Nationaal Programma RES (NPRES). De laatste rapportage verscheen op 1 juli 2025. Daarin staan de meest actuele gegevens over de duurzame opwek per regio en per gemeente.

De rapportage is openbaar beschikbaar en wordt gemaakt op basis van gegevens van RVO, CBS en NPRES. 3.4. Participatie en communicatie Veel zienswijzen bevatten opmerkingen of vragen over participatie en communicatie. Vaak gaan die niet over het RPE zelf, maar over eerdere ervaringen, bijvoorbeeld met de RES 1.0 of met lokale energieprojecten. Deze opmerkingen zijn daarom niet opgenomen in de tabellen vanaf hoofdstuk 5. We geven de signalen wel door aan de werkgroep participatie & communicatie, zodat ze meegenomen worden in de uitvoering van het RPE. Voor het RPE is afgesproken dat gemeenten een sleutelrol hebben in participatie en communicatie, omdat zij het dichtst bij de inwoners staan. Elke gemeente heeft zelf de participatie en communicatie over het RPE met inwoners en ondernemers georganiseerd. De ontwerpversie van het RPE lag in ieder geval ter inzage bij de zeven gemeenten en de provincie Gelderland. Zo konden alle inwoners en ondernemers in de regio een zienswijze indienen. Sommige gemeenten kozen er daarnaast voor om fysieke informatie- of inloopbijeenkomsten te organiseren. Daarmee konden zij inwoners en ondernemers actief informeren en met hen in gesprek gaan. De nota van zienswijzen vormt het slotstuk van de formele participatieprocedure rond het RPE.

Hierin laten we zien wat er met alle ingediende zienswijzen is gedaan en hoe de inbreng van inwoners, organisaties en andere belanghebbenden is meegenomen in de verdere uitwerking van het RPE.

4.

Windenergie in het Regionaal Programma Energievoorziening 4.1. Besluitvorming over windenergie: wie doet wat?

Rijk, provincies en gemeenten De verantwoordelijkheden rondom de ontwikkeling van windprojecten zijn verdeeld tussen het Rijk, de provincies en de gemeenten. Deze verdeling is vastgelegd in wet- en regelgeving, waaronder de nieuwe Energiewet die ingaat per 1 januari 2026, de Omgevingswet en relevante beleidskaders op provinciaal en gemeentelijk niveau.

Het Rijk bepaalt de hoofdlijnen van het energiebeleid en stelt landelijke doelen voor duurzame energie. Ook maakt het Rijk landelijke regels voor bijvoorbeeld geluid, slagschaduw, gezondheid en veiligheid waar windprojecten aan moeten voldoen. Die regels staan in wetten als de Omgevingswet en besluiten die daarbij horen, zoals het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor wind op zee is het Rijk volledig verantwoordelijk. De provincie kijkt vooral naar de ruimtelijke inpassing van windturbines. Daarbij toetst de provincie met name of een project in het landschap past en geen onaanvaardbare effecten heeft op natuurgebieden. Ook is de provincie in sommige gevallen verantwoordelijk voor het ruimtelijke besluit dat aan de basis ligt van een windproject. De gemeente werkt vaak aan de voorbereiding van windprojecten. Zij maken beleid en omgveingsplannen en leggen daarin voorwaarden vast, bijvoorbeeld over participatie of lokaal eigendom. In sommige gevallen is de gemeente daarnaast verantwoordelijk voor het ruimtelijke besluit dat aan de basis ligt van een windproject. Het bevoegd gezag (de overheidsinstantie die wettelijk gezien verantwoordelijk is voor het nemen van besluiten) voor de besluitvorming over een windproject hangt af van de omvang en aard van het project.

Op dit moment betekent het dat gemeenten het bevoegd gezag dragen bij projecten tot 5 MW, de provincie bij projecten tussen de 5 en 100 MW en het Rijk bij projecten van 100 MW of meer. Vanaf 1 januari 2026 treedt de nieuwe Energiewet in werking. Vanaf dat moment verschuift het bevoegd gezag van windprojecten tussen de 5 en 15 MW van de provincie naar de gemeente. Dit geldt alleen voor nieuwe projecten. De provincie Gelderland heeft in de provinciale lijn voortgang RES en de windladder uiteengezet hoe en wanneer zij de rol van bevoegd gezag bij windprojecten heeft onder de huidige regeling. Daarbij geldt dat de provincie de voorkeur heeft om, in overleg met gemeente en regio, het bevoegd gezag aan de gemeente over te dragen. Als de gemeente het bevoegd gezag niet wil aanvaarden, kan de provincie onder voorwaarden kiezen om zelf het bevoegd gezag te dragen. Dat kan voor een project is gestart of tijdens de loopduur van een project. Het realiseren van een windproject verloopt via een ruimtelijk besluit (zoals een wijziging van het omgevingsplan of een projectbesluit), gevolgd door een omgevingsvergunning. Hieraan gaat een participatieproces vooraf. In het traject worden milieueffecten onderzocht en wordt getoetst aan wet- en regelgeving, waaronder de Wet natuurbescherming, milieunormen en de eisen aan participatie en afweging uit de Omgevingswet.

Het RPE en de rol van de regio De energieregio Stedendriehoek heeft geen formele bevoegdheid, neemt geen besluiten over windprojecten en neemt ook geen van de hierboven genoemde rollen in projecten rondom windenergie over. Dat betekent bijvoorbeeld dat de energieregio geen afstandsnormen bepaalt of vergunningen afgeeft. De gemeenten in de energieregio Stedendriehoek hebben afgesproken samen te werken aan een duurzame decentrale energievoorziening. Vanuit de energieregio worden afspraken gemaakt over het totaalbeeld van opwek, infrastructuur en energievraag, en wordt gezocht naar samenhang en onderlinge consistentie in lokale keuzes. De regio faciliteert kennisdeling, monitoring en beleidsafstemming en biedt ondersteuning bij het gezamenlijk ontwikkelen van richtinggevende kaders, zoals het RPE. Zo draagt de regio bij aan een integrale en gedragen aanpak van de energietransitie, met ruimte voor lokale beleidsvrijheid en maatwerk. 4.2. Gezondheid en milieunormen Gezondheid is een belangrijk thema in de energietransitie. Eén van de doelen achter de energietransitie is om fossiele brandstoffen, die verantwoordelijk zijn voor schadelijke uitstoot, te vervangen door schone energiebronnen. We hebben in Nederland wettelijke kaders om ervoor te zorgen dat deze duurzame

energiebronnen niet leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de gezonde leefomgeving. De reden dat we dit soort kaders niet in het RPE hebben opgenomen, is omdat deze kaders in landelijke wetgeving zijn of worden bepaald. De bescherming van de gezondheid van omwonenden van windprojecten is bijvoorbeeld geregeld in de Omgevingswet en de besluiten over de leefomgeving die daarbij horen, zoals het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving en het handboek risicozonering windturbines. Deze regels zijn bedoeld windprojecten aan te toetsen. Ook alle windprojecten die in de regio ontstaan, worden aan deze regels getoetst. Het RPE bevat zelf geen besluiten over locaties of projecten en wordt daarom zelf niet aan deze regelgeving getoetst. Onderzoeken naar de effecten van windmolens op de gezondheid Er wordt veel onderzoek gedaan om de effecten van de energietransitie op de gezondheid op tijd te signaleren. Uit meerdere onderzoeken blijkt dat de overgang naar duurzame energie een positief effect heeft op onze gezondheid omdat de luchtkwaliteit verbetert1. Naar het effect van windmolens op de gezondheid wordt ook veel onderzoek gedaan. Het RIVM en de GGD publiceren op het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid2 elk kwartaal een overzicht van alle onderzoeken die verschenen zijn. Daarnaast doen zij zelf ook onderzoek.

Dat is belangrijk, omdat zij specifiek naar de Nederlandse situatie kijken waardoor we minder afhankelijk zijn van buitenlandse onderzoeken. Het ervaren van hinder en de invloed op slaap zijn twee van de meest onderzochte effecten van windturbinegeluid. Uit het door het RIVM geplaatste overzicht van de onderzoeken die verschenen zijn, weten we daar het volgende over: ●

● ●

●

●

●

Er is een relatie tussen het geluidniveau van windturbines en hinder. Hoe harder het geluid (in dB) van windturbines, hoe meer mensen hinder ervaren. Dit geldt voor alle geluidsbronnen, niet alleen voor windturbines. Er is geen eenduidig bewijs gevonden voor een relatie met slaapverstoring: met andere woorden, de ene studie vindt wel een effect en de andere niet. Er is onvoldoende bewijs gevonden dat windturbines leiden tot andere gezondheidseffecten zoals hart- en vaatziekten, stofwisselingsstoornissen, mentale gezondheid en cognitieve effecten. Dit kan betekenen dat er geen relatie is, er nog onvoldoende onderzoek gedaan is, het onderzoek van lage kwaliteit is, of dat er tegenstrijdige resultaten zijn. In 2024 zijn er twee onderzoeken uitgevoerd naar de emissies van vrijkomende deeltjes BPA / Bisfenol A. Bisfenol A is een chemische stof die in veel (plastic) producten voorkomt. Uit deze onderzoeken blijkt dat de hoeveelheid BPA die vrijkomt van windmolens verwaarloosbaar is. Bij andere producten zoals bouwmaterialen, speelgoed en plastic flessen komt meer BPA vrij. Ook andere factoren kunnen hinder verklaren. Uit onderzoek blijkt dat de gevoeligheid voor geluid of de houding ten opzichte van windturbines meespeelt in of mensen hinder ervaren.

Zo kunnen omwonenden minder hinder ervaren van de windturbines als ze betrokken worden bij de ontwikkeling, er (financieel) voordeel bij hebben of controle kunnen hebben (zoals een knop om de turbine stil te zetten). In 2023 is er in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een onderzoek uitgevoerd naar laagfrequent geluid van windturbines. Laagfrequent geluid bij windmolens is het brommende of dreunende geluid in de lage tonen (onder de 100 Hz) dat ontstaat door het draaien

1

Zie ook deze studie van het RIVM: Klimaatakkoord: effecten van van nieuwe energiebronnen op gezondheid en veiligheid in Nederland via https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2021-0054.pdf 2 https://www.rivm.nl/windenergie/expertisepunt-windenergie-gezondheid

van de rotorbladen en zich over grotere afstanden kan verspreiden. Uit dat onderzoek is gebleken dat er geen aanvullende normen nodig zijn om omwonenden te beschermen tegen laagfrequent geluid. De algemene geluidsnormen zijn voldoende om bewoners te beschermen tegen overlast van laagfrequent geluid. Gezondheidseffecten waar bij windprojecten op wordt getoetst De overheid die het besluit neemt over een windproject, moet het project toetsen op een aantal gezondheiden milieugerelateerde aspecten. Deze kunnen verschillen afhankelijk van de aard en omvang van het project. De volgende aspecten maken standaard onderdeel uit van deze toets:

●

Geluidsbelasting (Lden en Lnight): het gemiddelde geluidsniveau over de dag, avond en nacht (Lden). Om de geluidbelasting in de avond en de nacht te toetsen, worden er extra decibellen opgeteld bij de werkelijke situatie. Dat is omdat geluidshinder in de avond en nacht erger wordt ervaren. Lnight is het gemiddelde geluidsniveau in de nacht, zonder de extra decibellen die bij Lden worden opgeteld en wordt gebruikt om de verstoring van slaap te toetsen. Lnight is geen wettelijke grenswaarde in Nederland voor windturbines (bijvoorbeeld wel voor luchtvaart) maar wordt in de praktijk wel vaak in MER’s beschreven.

●

Slagschaduw: het effect van draaiende wieken die slagschaduw veroorzaken op gevels van gebouwen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn wettelijke grenzen gesteld aan het aantal uren per jaar en per dag. Dat is nu maximaal 5 uur en 40 minuten per jaar en maximaal 17 minuten per dag.

●

Lichthinder: bijvoorbeeld obstakelverlichting op turbines, die nodig is vanaf een ashoogte van 150 meter. Er bestaan technieken om verlichting alleen in te schakelen als er luchtverkeer wordt gedetecteerd en waarbij niet alle windturbines in een windpark uitgerust worden met obstakelverlichting.

●

Veiligheid: waaronder risico's op vallend ijs, brand, rotorbreuk of afbrekende onderdelen. Hiervoor gelden risico- en afstandsnormen.

Afhankelijk van de situatie of locatie kunnen daarnaast maatwerk- of aanvullende onderzoeken worden uitgevoerd, zoals:

●

Trillingen: hoewel windturbines doorgaans geen significante trillingen via de bodem veroorzaken, kan hier in specifieke gevallen nader onderzoek naar worden gedaan.

●

Cumulatie van milieueffecten: wanneer meerdere windturbines of andere geluidsbronnen (zoals snelwegen of industrie) in de omgeving aanwezig zijn, kan gekeken worden naar de gecombineerde belasting.

●

Gezondheidseffectbeoordeling: in bepaalde gevallen vindt een bredere beoordeling plaats van effecten op het welzijn en de gezondheid van bewoners, bijvoorbeeld op basis van advies van de GGD of signalen uit de omgeving. De RIVM stelt hiervoor methoden beschikbaar via het Loket Gezonde Leefomgeving.

De toetsing op de bovenstaande aspecten vindt doorgaans plaats in een milieueffectrapport (MER) of via bijbehorende onderzoeken. Een MER kan verschillende vormen hebben (planMER of project-MER), afhankelijk van het type besluit dat wordt voorbereid. Type MER

Wanneer verplicht?

Wat wordt onderzocht?

Besluitvorming

PlanMER

Bij plannen/ programma’s die kaders stellen voor windenergie

Globaal onderzoek naar milieueffecten van locaties en beleidskeuzes

Op basis van de planMER worden geen besluiten genomen over

(bijv. omgevingsplan, provinciale visie)

projecten.

ProjectMER

Bij concrete projecten met vergunningplicht, o.a.: • ≥ 15 MW • ≥ 10 turbines3

Onderzoek naar milieueffecten van het specifieke project

Op basis van de projectMER kunnen wel besluiten genomen worden over het project.

Beide

Als er eerst beleid wordt gemaakt, maar daarna een concreet project ontstaat

Eerst een globaal onderzoek naar de kaders uit het beleid (planMER), daarna een specifiek onderzoek in de uitvoering (projectMER)

Op basis van de planMER worden de globale kaders vastgesteld, op basis van de project-MER kunnen besluiten worden genomen over het project.

Landelijke milieunormen In 2021 oordeelde de Raad van State dat de toen geldende landelijke milieunormen voor windturbines (zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling) niet meer gebruikt mochten worden. Het Rijk had deze normen niet onderbouwd met een planMER. Sindsdien werkt het Rijk aan nieuwe landelijke milieuregels voor windturbines. Die nieuwe normen worden opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), behorende bij de Omgevingswet, en onderbouwd met een planMER. De nieuwe normen zouden in eerste instantie per 1 juli 2025 in werking treden, maar het Rijk heeft die datum inmiddels losgelaten. De exacte inwerkingtredingsdatum is onbekend. In de huidige situatie mogen decentrale overheden zelf normen hanteren bij besluiten over windprojecten. Dit geldt alleen als zij bevoegd gezag zijn en een ruimtelijk besluit nemen (zoals een omgevingsplan of projectbesluit). De normen moeten goed onderbouwd zijn, bijvoorbeeld met een eigen milieueffectrapport (MER), en aansluiten bij het Europese voorzorgsbeginsel. Dit beginsel houdt in dat overheden maatregelen nemen om mens en milieu te beschermen, ook als nog niet alles wetenschappelijk vaststaat over mogelijke risico’s. Daarom moet worden aangetoond dat de normen zorgen voor een aanvaardbaar beschermingsniveau. In de provincie Gelderland wordt aan decentrale normen gewerkt.

De Provinciale Staten van Gelderland hebben ingestemd met decentrale normen. Het college van Gedeputeerde Staten moet dit nu verwerken in de provinciale regels (de Omgevingsverordening) en onderzoeken of de afstand voldoende bescherming biedt tegen overlast, in lijn met het voorzorgbeginsel. Het ontbreken van landelijke milieunormen betekent dus niet dat er geen bescherming is of geen regels gelden. Alle windprojecten moeten nog steeds voldoen aan de bestaande wettelijke eisen op het gebied van gezondheid, milieu en leefomgeving. Het is nu aan de decentrale overheden om op een goed onderbouwde manier vast te leggen hoe aan deze eisen op projectniveau wordt voldaan. Betekenis voor het RPE Het RPE bevat geen besluiten over concrete projecten of locaties. Het RPE is een strategisch beleidskader met regionale afspraken, ambities en uitgangspunten. Met het RPE stellen de samenwerkende partners ook geen 3

Ook voor kleinere projecten waarvoor geen projectMER verplicht is, geldt dat zij moeten voldoen aan de geldende wet- en regelgeving, zoals de Omgevingswet, het Activiteitenbesluit milieubeheer, sectorale regelgeving (o.a. natuur, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid) en de benodigde vergunningen moeten hebben.

lokale normen vast. Eventuele windprojecten die in de regio ontstaan, moeten worden getoetst aan de wettelijke eisen op het gebied van gezondheid en milieu, zoals in dit hoofdstuk toegelicht. Wanneer binnen de regio windprojecten worden ontwikkeld die getoetst moeten worden voordat de nieuwe landelijke normen van kracht zijn, is het bevoegd gezag verantwoordelijk om zelf goed onderbouwde normen te gebruiken. Dat kan de gemeente of provincie doen via een MER of een beleidsregel. 4.3. Natuur, ecologie en ruimtelijke kwaliteit Een zorgvuldige omgang met natuur en landschap is een belangrijk uitgangspunt in het RPE. In de energieregio Stedendriehoek hebben we afgesproken dat we zorgvuldig omgaan met ons landschappelijk kapitaal. Belangrijke randvoorwaarden hierbij zijn: passend in het landschap, met speciale aandacht voor natuur- en cultuurhistorische waarden, behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit en inzetten op dubbel grondgebruik. Dat geldt ook voor het leveren van een bijdrage aan doelstellingen op het vlak van biodiversiteit, waterhuishouding en bodem. In onze regio is met name de Veluwe als broedgebied van de Wespendief een bijzonder natuurgebied.

Daarom is de Veluwe + 1km op voorhand uitgesloten voor windenergie en op 1 tot 8 kilomter afstand van de Veluwe is windenergie alleen toegestaan onder bepaalde voorwaarden (Aanvulling beleidslijn windenergie op en rondom de Veluwe). Voor elk windproject in de regio geldt dat het project wordt getoetst op de mogelijke effecten op natuur en ecologie. Wettelijke kaders voor natuur en ecologie waaraan windprojecten getoetst worden Windprojecten moeten voldoen aan de bepalingen in de Omgevingswet. Dit betekent dat bij elk ruimtelijk besluit of vergunningstraject wordt getoetst of de beoogde activiteit negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten, natuurgebieden of ecologische samenhang. In het bijzonder wordt getoetst op:

●

Soortenbescherming: geldt voor beschermde planten- en diersoorten (zoals vleermuizen, weidevogels, roofvogels);

●

Gebiedsbescherming: bijvoorbeeld voor Natura 2000-gebieden of het Natuurnetwerk Nederland (NNN);

●

Ecologische samenhang: zoals trekpatronen, leefgebieden of voedselvoorziening.

Als significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten, is een passende beoordeling verplicht. Daarbij moet worden onderbouwd of en hoe negatieve effecten worden voorkomen, beperkt of gecompenseerd. Voor andere gebieden en soorten is vaak een ecologische beoordeling of een flora- en faunaonderzoek verplicht, afhankelijk van de ligging, aard en omvang van het project. De Omgevingswet en het Omgevingsbesluit geven aanvullende randvoorwaarden voor hoe deze toetsing moet plaatsvinden. Ook moet het bevoegd gezag bij zijn besluit rekening houden met adviezen van ecologen of, in sommige gevallen, de provinciale omgevingsdienst. Milieueffectrapportages en ecologische kwaliteit Zoals eerder al benoemd, is bij grotere windprojecten (vanaf 3 windturbines of 15 MW opgesteld vermogen) een milieueffectrapportage (MER) verplicht. In deze MER worden de effecten op het milieu systematisch onderzocht en afgewogen.

Onderdeel van de MER is altijd een hoofdstuk over natuur en ecologie. De volgende thema’s worden standaard in beeld gebracht:

● ● ● ● ● ●

Effecten op vogels: aanvaringsrisico’s, barrièrewerking, verstoring broedgedrag. Effecten op vleermuizen: vooral bij nachtelijke migratie of jachtgedrag. Effecten op bodem, water en luchtkwaliteit: bij aanleg en onderhoud. Effecten op fauna op de grond (zoals dassen, hazelwormen). Effecten op vegetatie: bijvoorbeeld door aanleg van toegangswegen, kabels of fundering. Beheer en onderhoud: inclusief effecten van werkzaamheden in de exploitatiefase.

Bij concrete projecten (project-MER) wordt daarnaast ook gekeken naar maatregelen om de schade te beperken, zoals cameradetectie en stilstandvoorzieningen bij bepaalde windcondities (voor roofvogels en vleermuizen), aanpassingen in locatie of opstelling en compensatie van verstoorde leefgebieden. Betekenis voor het RPE Het RPE neemt geen besluiten over locaties of vergunningen voor windprojecten, maar stelt richtinggevende uitgangspunten en afspraken voor de regio. Daarbij geldt dat:

●

Ruimte voor windenergie alleen verkend wordt op plekken waar geen harde belemmeringen zijn vanuit ecologie;

●

Gemeenten en provincie bij verdere uitwerking zorgvuldig toetsen op natuurwaarden en ruimtelijke kwaliteit;

●

De provincie via haar planMER en omgevingsverordening sturend en toetsend optreedt bij effecten op ecologie;

●

In elke vervolgstap natuur integraal wordt afgewogen, volgens de Omgevingswet.

4.4. Windenergie in het energiesysteem van de toekomst Een robuust en toekomstbestendig energiesysteem vereist een samenhangende benadering van opwek, verbruik, opslag, infrastructuur en flexibiliteit. Windenergie vervult hierin een belangrijke rol, niet alleen als bron van duurzame elektriciteit, maar ook vanwege de specifieke systeemeigenschappen, die hieronder worden toegelicht. Waarom decentrale opwek nodig is In het toekomstige energiesysteem wordt veel meer gebruikgemaakt van elektriciteit, in plaats van de fossiele brandstoffen die we nu nog veel gebruiken. Daarmee verandert ook de manier waarop we energie opwekken, transporteren en gebruiken. Decentrale opwek is daarbij niet alleen een beleidsmatige keuze, maar een logisch en noodzakelijk gevolg van de energietransitie. Elektriciteit laat zich lastiger opslaan dan bijvoorbeeld gas en is minder efficiënt over grote afstanden te transporteren dan gas of andere moleculen. Dit maakt het belangrijk om opwek zo dicht mogelijk bij gebruik te organiseren. Verspreide, lokaal afgestemde opwek draagt dan bij aan minder energieverliezen en een betere benutting van het net. Daarnaast ontstaat steeds meer variatie in vraag en aanbod van energie door de toename van elektrische apparaten, warmtepompen, laadpalen voor elektrische voertuigen en zonnepanelen.

Dat vraagt om een flexibel en fijnmazig energiesysteem waarin energie op wijk-, dorps- of gemeentelijk niveau geproduceerd, opgeslagen en benut kan worden.

Tot slot draagt een decentraal systeem bij aan andere doelen van de energietransitie, zoals lokaal eigenaarschap, betrokkenheid en de mogelijkheid om oplossingen af te stemmen op specifieke gebieden. In het RPE is dit alles meegenomen als uitgangspunt: we werken toe naar een systeem waarin opwek, opslag en verbruik op regionaal en lokaal niveau in balans zijn en waar ruimte is voor maatwerk en systeemverantwoordelijkheid dicht bij de gebruiker. Waarom windenergie belangrijk is voor een decentrale energievoorziening Het RPE benadrukt het belang van een evenwichtige mix van duurzame energiebronnen. Windenergie onderscheidt zich doordat het, in tegenstelling tot zonne-energie, ook in de wintermaanden en 's nachts energie produceert. Hierdoor biedt wind een belangrijke aanvulling op de zon, vermindert wind de afhankelijkheid van grootschalige opslag en voorkomt de inzet van windenergie nog grotere investeringen in elektriciteitsinfrastructuur. Kenmerkende voordelen van windenergie in het systeem zijn:

● ●

Productie in de winter en nacht: wind levert juist dan, wanneer zon-PV weinig opbrengt.

●

Hogere energieopwek per m2: windparken produceren meer elektriciteit per vierkante meter dan zon op land.

● ●

Minder netverzwaring per opgewekte MWh nodig omdat wind beter aansluit bij de gemiddelde vraag. Energie die is opgewekt door grote windturbines op land is relatief goedkoop en kost in 2025 rond de 5–11 cent per kWh, afhankelijk van de locatie en eigenschappen van de turbine. Deze lage kosten zijn vooral het resultaat van technologische vooruitgang en schaalvoordelen in de afgelopen jaren.

Hogere capaciteitsfactor: Windenergie levert gemiddeld 25–40% van zijn maximale vermogen (alsof de turbine een kwart tot bijna de helft van de tijd op volle kracht draait), tegenover 10–15% bij zonneenergie

In het RPE is uitgewerkt dat een energiesysteem zonder wind leidt tot hogere maatschappelijke kosten, grotere ruimtevraag voor zonneparken en een zwaardere belasting van het elektriciteitsnet. Ook neemt de kwetsbaarheid van het energiesysteem toe doordat zon alleen overdag produceert en sterk weersafhankelijk is. Windenergie draagt zo in belangrijke mate bij aan een betaalbare, betrouwbare en klimaatneutrale energievoorziening in 2050. Het RPE gaat daarom uit van een hoeveelheid windenergie in de energiemix. Deze hoeveelheid is onder andere bepaald op basis van de inbreng van de deelnemende overheden. Waarom andere alternatieven (buiten windenergie en zonne-energie) in het RPE windenergie niet kunnen vervangen In verschillende reacties wordt gesuggereerd dat technieken zoals kernenergie, waterstof of windenergie op zee een alternatief zouden kunnen zijn voor windenergie op land. Deze technieken hebben mogelijk potentie voor de langere termijn, maar zijn in de periode tot 2035 nog onvoldoende beschikbaar, beproefd (lees: betrouwbaar) en/ of betaalbaar om de rol van windenergie volledig over te nemen.

●

Kleinschalige kernenergie maakt geen onderdeel uit van de regionale energiemix tot 2035. Hiervoor ontbreekt op dit moment bij gemeenten politiek-bestuurlijk draagvlak en de realisatietermijn van een kleinschalige kerncentrale bedraagt meer dan 10 jaar.

●

Waterstof en andere duurzame moleculen worden belangrijk voor de langere termijn. Landelijke studies gaan ervan uit dat waterstof in de toekomst voor een aandeel van 14% - 29% van de energievoorziening zal voorzien. In de regio Stedendriehoek zal het aandeel van waterstof waarschijnlijk kleiner zijn dan het landelijke aandeel. Waterstof moet worden geproduceerd met

elektriciteit en dit is een inefficiënt proces met veel energieverliezen. Dat leidt tot de verwachting dat waterstof vooral toepasbaar zal worden in de chemische en zware industrie (waar hoge temperaturen noodzakelijk zijn), en als back-up voor elektriciteitscentrales. Deze toepassingen zijn beperkt in de Stedendriehoek.

●

Windparken op zee dragen ook bij aan onze regionale energievoorziening, maar zijn geen volledig alternatief voor decentrale windparken. De landelijke lijn is dat windparken op zee bijdragen aan de nationale energietransitie voor met name de grotere industriële clusters (onder meer via een centraal waterstofnetwerk). Technisch en financieel is het zogenaamde "diep aanlanden" van stroom van de windparken op de Noordzee zeer uitdagend. De elektriciteitskabels van zee worden de komende 1020 jaar niet verder landinwaarts gebracht dan Moerdijk. Het is niet uit te sluiten dat diepere aanlanding ooit wél plaatsvindt, maar dit is te onzeker om nu als uitgangspunt te nemen. De regionale afhankelijkheid van wind op zee (en import van stroom uit andere landen) kent ook nadelen: het vraagt om zwaardere en technisch zeer complexe netinfrastructuur, maakt onze regio afhankelijk van landelijke en internationale keuzes en draagt minder bij aan lokale betrokkenheid en lokaal eigenaarschap.

●

Biomassa en biogas zijn als energiebronnen in de regio beschikbaar en kunnen waardevol zijn als flexibele aanvulling in perioden met weinig zon en wind. Maar deze energiebronnen zijn in beperkte schaal aanwezig en zijn daarnaast op zichzelf niet heel schoon, ze gaan gepaard met lokale uitstoot. Daarnaast geldt voor biogas dat het complex is om een haalbaar en financieerbaar project te realiseren. Mede vanwege deze aspecten zijn biomassa en biogas geen structurele vervanging van windenergie in de regio.

Voor meer kenmerken van verschillende energietechnologieën verwijzen wij graag naar bijlage 1 van het RPE. Vragen en constateringen over de energiemix in de zienswijzen beschouwen we hiermee als beantwoord.

5. Zienswijzen vanuit bewoners van en organisaties uit de gemeente Apeldoorn Indiener A, zienswijze ontvangen op 28-05-2025 (zienswijze 2) #

Zienswijze

Reactie

Conclusie

1

De indiener stelt: Het plan bevat goede ideeën en regionale samenwerking is essentieel voor een succesvolle energietransitie.

We waarderen de positieve feedback van de indiener en onderschrijven dat juist samenwerking binnen de regio cruciaal is voor het behalen van onze energie- en klimaatdoelen.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

2

De indiener stelt dat de Veluwe een van de meest windluwe gebieden van Nederland is, waardoor grootschalige windenergie hier weinig aantrekkelijk is, zowel qua natuur als commercieel.

Het RPE volgt de Aanvulling Beleidslijn Windenergie op en rondom de Veluwe van de provincie Gelderland. Daarin staat dat er op de Veluwe en 1 kilometer daaromheen geen windturbines mogen komen. De financiële uitwerking van energieprojecten valt buiten de reikwijdte van het RPE. De ervaring leert dat ook in deze omgeving, windprojecten financieel kansrijk kunnen zijn.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

3

De indiener stelt dat netcongestie in het ontwerp RPE met name als een tijdsprobleem wordt gezien. Indiener pleit voor het belonen van stabiliserende activiteiten als oplossing voor netcongestie.

Het RPE richt zich op de regionale energie-infrastructuur en ruimtelijke inpassing. De markt- en prijsmechanismen rondom netcongestie vallen onder landelijke regelingen en netwerkbeheerders. Tegelijkertijd zijn er andere methoden om in te zetten op het belonen van stabiliserende activiteiten. En er zijn andere manieren om in de toekomst minder afhankelijk te zijn van het (centrale) elektriciteitsnetwerk. In het RPE benadrukken we het belang hiervan. In de regio werken we samen aan thema’s als netbewuste nieuwbouw, energy hubs of energieopslagsystemen.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

4

De indiener juicht lokaal eigendom in de energietransitie toe, maar stelt dat dit in de praktijk vaak vervalt in een puur financiële constructie (bijvoorbeeld via leningen). Indiener pleit voor modellen die eerder zijn gebruikt, waarbij deelnemers investeren en hun “winst” uit kunnen laten keren in de vorm van kWh of een deel van de opbrengst. De indiener bepleit dat het voordeel hiervan is dat deelnemers meer “eigendom” voelen en zich met een investering ook kunnen beschermen tegen prijsschommelingen.

Het RPE benadrukt het streven naar minimaal 50% lokaal eigendom, een streven dat de samenwerkende partners in de RES 1.0 hebben vastgesteld. De invulling van lokaal eigendom is maatwerk, waar we als samenwerkende partners en in het bijzonder de gemeenten en de energiecoöperaties vertegenwoordigd in Energie Samen Stedendriehoek, aandacht voor hebben. In de praktijk zien we gelukkig ook dat de door de indiener gewenste vormen van winst- of waarde-deling voorzichtig terrein winnen. Bijvoorbeeld bij projecten rond energiegemeenschappen in Zutphen en Lochem en zonneparken en zonnedaken die door de A (energiecooperatie in Apeldoorn) zijn ontwikkeld.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE, maar nemen we wél expliciet mee in de beoordeling van lokale projecten die we als energie-regio in de toekomst ondersteunen.

5

De indiener stelt dat hoewel biogas kan bijdragen aan de energievoorziening bij tekorten, de risico’s van mestvergisting niet moeten worden onderschat. Gezien de stikstofproblematiek en onzekerheid over de opbrengsten moet dit met terughoudendheid worden benaderd.

In de handreiking bij het energieperspectief, bijlage bij het RPE, hebben we de in het RPE benoemde energiebronnen verder toegelicht. Biogas kan waardevol zijn als zon en wind weinig leveren of als er veel piekvermogen is, of als er een continue vraag is vanuit de industrie. Er is een groot verschil tussen centrale en decentrale mestvergisting. Bijkomend voordeel van mestvergisting is dat er emissie vanuit de stallen wordt voorkomen. Het is nog onzeker hoe vraag en aanbod zich gaan ontwikkelen.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

6

De indiener ervaart de asverdeling in de grafiek op pagina 29 als ‘curieus’. De indiener vraagt naar de reden voor deze keuze.

De indiener refereert in de zienswijze naar de grafiek die een indruk geeft van de veranderingen van de regionale energiedragers tussen 2019 en 2050. De verdeling op de y-as van deze grafiek is niet lineair.

In de definitieve versie van het RPE passen we de asverdeling van de grafiek aan.

Indiener B, de gemeenteraad van Apeldoorn, zienswijze ontvangen op 28-05-2025 (zienswijze14.1, 14.2, 14.3) #

Zienswijze

Reactie

Conclusie

1

De gemeenteraad stelt voor het volgende uitgangspunt aan de uitgangspunten en afspraken toe te voegen: Circulariteit verdient structurele aandacht in het energiesysteem. We zetten daarom daar waar mogelijk in op hergebruik, demonteerbaarheid en circulair ontwerp van zonneparken en windmolens en kiezen waar mogelijk voor duurzaam geproduceerde batterijen.

Dit uitgangspunt is ten onrechte uit de tekst gevallen bij de vertaling van de RES 1.0 naar het ontwerp RPE. Dit uitgangspunt voegen we daarom opnieuw toe aan het RPE.

In de definitieve versie van het RPE voegen we dit uitgangspunt opnieuw toe.

2

De gemeenteraad vraagt om te benoemen dat de gemeente een actieve rol heeft bij het faciliteren en stimuleren van energieopslag in het Actieplan Energietransitie 2026.

Energieopslag is een belangrijk onderdeel van de energievoorziening van de toekomst. Als regio ondersteunen we de regiogemeenten met het opstellen van beleidskaders voor het stimuleren en faciliteren van energieopslag.

De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

3

De gemeenteraad pleit voor het versterken van de regionale aanpak, met een moreel appel richting gemeenten om deze te ondersteunen. De gemeenteraad stelt dat het ontwerp RPE nu nog te veel een optelsom is van de individuele gemeentelijke plannen. De gemeenteraad stelt voor de regionale aanpak expliciet te verankeren in de uitgangspunten en daar waar relevant in de rest van de RPE-tekst.

Het RPE is een regionaal programma en vraagt om een gezamenlijke aanpak. In verschillende uitgangspunten en op meerdere plekken in de tekst is daarom de noodzaak en het belang van een regionale aanpak benoemd. Daarbij erkennen wij dat de ruimtelijke mogelijkheden, het maatschappelijk draagvlak en het bestuurlijk-politieke afwegingskader per gemeente kunnen verschillen. Tegelijkertijd sturen we regionaal en gezamenlijk op de inrichting van onze toekomstige energievoorziening,

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

met een energiemix die nodig is om deze betaalbaar, betrouwbaar en klimaatneutraal te maken. Op dit moment ervaren we niet dat verschillen tussen gemeenten leiden tot risico’s voor het behalen van onze gezamenlijke doelstellingen. Mochten dat soort risico’s zich in de toekomst wel voordoen, dan zullen we die tijdig en gezamenlijk bespreken en maken we afspraken over hoe we hiermee omgaan.

Indiener C, zienswijze ontvangen op 07-07-2025 (zienswijze 16) #

Zienswijze

Reactie

Conclusie

Alge mee n A1 (2.3 12.7 12.8 13.2 13.4 13.7 13.8

De indiener reageert in meerdere zienswijzen inhoudelijk op de provinciale planMER. Het gaat daarbij onder andere over: • De planMER voldoet niet aan de wettelijke eisen omdat er geen besluit aan ten grondslag ligt. • In de planMER zijn milieueffecten volgens de commissie MER onvoldoende (gericht) uitgewerkt. • De planMER heeft onvoldoende inhoudelijke diepgang en de regionale aanvulling is beperkt tot windenergie. • De effecten van windturbines op het landschap zijn onvoldoende specifiek in het planMER en de negatieve impact is kunstmatig afgezwakt. • In de planMER ontbreekt een passende beoordeling. • De planMER houdt geen rekening houdt met de gelijktijdige effecten van andere ruimtelijke initiatieven • In de planMER ontbreken essentiële elementen zoals tracés, transformatorstations, opslaglocaties en versterkingsmaatregelen. • De planMER onderzoekt geen alternatieven. • Bij de planMER ontbreekt een onafhankelijke tegenrapportage.

De reacties van de indiener hebben betrekking op de inhoud van de provinciale planMER, die als bijlage bij de ontwerpversie van het RPE als beleidsmatige onderbouwing is toegevoegd. De provincie heeft de planMER in de periode van 20 januari tot 3 maart 2025 opengesteld voor inspraak. Zienswijzen die binnen deze termijn zijn ingediend bij de provincie, worden door de provincie behandeld en van een reactie voorzien. Zienswijzen die inhoudelijk betrekking hebben op de provinciale planMER worden daarom niet inhoudelijk behandeld in deze nota bij het RPE.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

)

•

• •

De zoekgebieden in de planMER zijn geplaatst in gebieden met een lage sociaal-economische draagkracht. De kaarten uit de planMER zijn gebaseerd op verouderde informatie. De planMER heeft geen formele status.

A2 (2.9, 12.1 12.2 12.5 12.6 12.9 13.5 13.6

De indiener plaatst in meerdere zienswijzen vragen of kanttekeningen die betrekking hebben op afwegingen die gemaakt worden op projectniveau of op andere wijzen buiten geen betrekking hebben op het RPE. Het gaat daarbij onder andere over: De indiener mist toetsing aan gezondheidsnormen van het RIVM. Er is onvoldoende rekening gehouden met cultuurhistorische waarden. Objectieve waardeanalyse ontbreekt Harde normen en toetsbare criteria ontbreken. Ruimtelijke beoordeling van energieprojecten op klimaatverandering ontbreekt. Bewoners worden geconfronteerd met projecten of zoekgebieden. Zoekgebieden in agrarische gebieden leiden tot beperkingen voor agrarische bedrijven. Essentiele infrastructuurelementen ontbreken, zoals kabels en transformatorstations. Risico’s op gezondheid ontbreken, zoals microplastics en waardeverlies.

Het RPE bevat geen besluiten over projecten, zoekgebieden of locaties. Elk energieproject dat in de energieregio ontstaat, wordt door het bevoegd gezag getoetst aan alle wettelijke kaders en normen. De door indiener geplaatste vragen of kanttekeningen vallen daarmee buiten de reikwijdte van het RPE.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

A3 2.7, 2.8, 13.4 14.1 14.4 14.5 14.8 15.3 16

Uit meerdere zienswijzen blijkt dat de indiener geen vertrouwen heeft in dat het RPE op basis van objectieve en gedegen, actuele informatie is opgesteld. De indiener benoemt bijvoorbeeld dat het RPE volgens de indiener op basis van gebrekkige informatie of verouderde bronnen en volgens een ontransparant proces is opgesteld of dat onafhankelijke tegenrapportages ontbreken. De indiener

In het RPE is getracht op heldere wijze de keuzes, ambities en uitdagingen rondom de energietransitie te beschrijven. In de communicatie over het RPE wordt zorgvuldig omgegaan met taalgebruik en wordt verwezen naar feitelijke bronnen, inzichten en keuzemogelijkheden. Het RPE is daarnaast op basis van het NP RES en het Klimaatakkoord opgesteld en gebaseerd op onafhankelijke en wetenschappelijke bronnen. Ook recent nationaal beleid zoals het Nationaal Plan Energievoorziening en Programma

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

ervaart daarnaast dat taalgebruik en doelstellingen in het RPE misleidend zijn.

Energiehoofdstructuur. De belangrijkste informatiebronnen staan in bijlage 3 bij het RPE toegelicht.

2.1

De indiener stelt dat de besluitvorming rondom de RPE is juridisch onhoudbaar, omdat formele besluiten van gemeenten en provincie niet transparant zijn opgenomen. Ook ontbreekt een overzicht van relevante beleidskaders. Een motie uit Voorst die windturbines uitsluit, is niet verwerkt.

Voor meer informatie over de relatie tussen het RPE en gemeentelijk en provinciaal beleid verwijzen wij naar hoofdstuk 3 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

2.2

De indiener stelt dat het RPE voldoet niet aan de voorwaarden voor een vrijwillig interbestuurlijk programma (VIP), zoals opgenomen in de Omgevingswet. Er ontbreken concrete doelen, bestuurlijke verankering en een juridische vaststelling, evenals voldoende participatie.

Het RPE is een vrijwillig programma in de zin van de Omgevingswet. De Omgevingswet stelt formeel geen voorwaarden aan de inhoud of vorm van een vrijwillig programma. In hoofdstuk 3 van deze nota lichten we de positie van het RPE in relatie tot gemeentelijk en provinciaal beleid toe en vertellen we meer over de participatie over het RPE.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

2.4

De indiener stelt dat geen heldere route van besluitvorming is vastgelegd. De indiener stelt daarnaast dat in strijd met het Verdrag van Aarhus geen toegankelijke inspraakprocedures zijn gevolgd.

De ontwerpversie van het RPE heeft van 26 mei tot en met 6 juli 2025 ter inzage gelegen. In deze periode heeft iedereen de mogelijkheid gekregen om op dit ontwerp te reageren. Gemeenteraden zijn bij het proces betrokken geweest en zijn gevraagd om met zienswijzen op het ontwerp te reageren. In hoofdstuk 3 van deze nota lichten we de relatie van het RPE tot gemeentelijk en provinciaal beleid toe. Bij de vaststelling van het RPE kan er door belanghebbenden worden ingesproken bij de gemeenteraden.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

2.5

De indiener stelt dat geen sprake is geweest van transparante, betekenisvolle participatie van burgers.

Voor meer informatie over participatie over het RPE verwijzen we naar hoofdstuk 3 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

2.6

De indiener stelt dat een volwaardige maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) ontbreekt in het RPE. Volgens de indiener zijn belangrijke kostenposten, zoals omzetverliezen, ruimtelijke impact van infrastructuur en risico’s op uitval niet doorgerekend. Ook zou motie 23M99 ten onrechte niet zijn verwerkt in de beleidskaders. Daarmee ontbreekt volgens indiener de technische en economische onderbouwing bij het RPE.

Het RPE is opgesteld als een programmatische verkenning van mogelijke richtingen voor een robuuste, betaalbare en duurzame energievoorziening in de regio. Daarbij is in algemene zin aandacht besteed aan maatschappelijke kosten en baten van verschillende energiebronnen. Het RPE bevat geen gedetailleerde economische onderbouwing, omdat dat niet past bij de het strategische niveau van het programma.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

Bij het opstellen en vaststellen van het RPE gaan wij uit van de vastgestelde beleidskaders. Ten tijde van het opstellen van het RPE is de motie 23M99 van de provinciale staten van Gelderland geen vaststaand beleidskader. Voor meer informatie over het RPE in relatie tot gemeentelijk en provinciaal beleid verwijzen we naar hoofdstuk 3 van deze nota. 2.8

De indiener stelt dat een visie op een hybride energiesysteem, met daarin aandacht voor opslag, vraagsturing en systeemflexibiliteit ontbreekt.

In het RPE gaat het over de hele energievoorziening, inclusief het grootschalig opwekken van elektriciteit met behulp van wind en zon, en de vraag, aanbod, transport, opslag en flexibel gebruik van energie.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

2.1 0

De indiener stelt dat de combinatie van vermeende onwettige afstandsnormen, genegeerde gemeentelijke besluiten, gebrekkige participatie en een onvolledige MER leidt tot een juridisch ongeldige besluitvorming. Het zou bovendien ontbreken aan een democratisch mandaat, en bestuurders zouden civielrechtelijk aansprakelijk gesteld kunnen worden.

Voor meer informatie over het RPE in relatie tot gemeentelijk en provinciaal beleid en over hoe de besluitvorming over het RPE plaatsvindt, verwijzen we naar hoofdstuk 3 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

2.1 1

De indiener stelt dat het participatieproces leidt tot maatschappelijke polarisatie, spanningen en conflicten tussen bewoners. Daarbij zouden inwoners onder druk gezet worden om mee te doen aan projecten die hun gezondheid en leefomgeving aantasten. Dit wordt als sociaal onacceptabel en bestuurlijk onethisch beschouwd.

In hoofdstuk 3 van deze nota lichten we toe hoe de participatie over het RPE is vormgegeven. We herkennen het beeld van de indiener over polarisatie die mogelijk zou ontstaan naar aanleiding van het participatietraject over het RPE niet. Participatie op projectniveau valt buiten de reikwijdte van het RPE, omdat het RPE geen besluiten bevat over specifieke projecten of over participatie bij specifieke projecten.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

12. 3

De indiener stelt dat (financiele) participatie in energieprojecten gepresenteerd wordt als collectief voordeel, terwijl transparantie over financiële risico’s en zeggenschap ontbreekt. Er is geen toezichtmechanisme. Volgens indiener kunnen burgers onbewust risico lopen op waardeverlies of verlies van inleg en worden burgers onder druk gezet om te participeren. De indiener stelt dat dit maatschappelijk en bestuurlijk onverantwoord is.

Het RPE benoemt het streven naar lokaal eigendom. Lokale samenwerking, coöperatief eigendom en slimme combinaties van opwek, opslag en gebruik kunnen bijdragen aan lagere kosten op de lange termijn en zijn voorbeelden van hoe financiële participatie houvast biedt aan het betaalbaar maken van de regionale energievoorziening. In de energieregio hebben we afgesproken dat gemeenten een lokale beleidsuitwerking geven aan (financiële) participatie bij energieprojecten, daar gaat de energieregio niet over. Brancheorganisaties als Energie Samen en de NVDE hebben daarnaast zelf richtlijnen opgesteld over duidelijke communicatie en transparantie over eventuele risico’s.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

12. 4& 13. 1

De indiener stelt dat het “algemeen belang” van de energietransitie onvoldoende onderbouwd is en niet is getoetst aan grondrechten zoals gezondheid, eigendom en landschap. De indiener benoemt dat de maatregelen uit het RPE ingrijpend zijn voor inwoners en onvoldoende is aangetoond dat deze in redelijke verhouding staan tot het doel.

Het RPE is opgesteld om de doelen uit het Klimaatakkoord en het daarbijhorende NP RES te behalen. In dit landelijke beleid en landelijke programma wordt de energietransitie aangemerkt als opgave van nationaal belang.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

13. 3

De indiener stelt dat in de gepresenteerde plannen een duidelijk systeem van monitoring en bijsturing ontbreekt, terwijl dit essentieel is binnen de Omgevingswet. Ook ontbreken volgens de indiener normen of indicatoren voor wanneer projecten moeten worden aangepast, afgebroken of heroverwogen.

Voor meer informatie over de monitoring van het RPE verwijzen we naar hoofdstuk 3 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

14. 2

De indiener stelt dat het RPE en de RES 2.0 haaks staan op de NOVI. In plaats van bundeling van functies en integrale gebiedsontwikkeling, kiest de regio volgens de indiener voor versnippering en geïsoleerde keuzes voor energieprojecten. Er ontbreekt samenhang met andere ruimtelijke thema’s.

Het RPE bevat geen besluiten over locaties of projecten. De samenhang met andere ruimtelijke opgaven volgt onder andere in de uitwerking op projectniveau en in gemeentelijke en provinciale omgevingsvisies. Op regionaal niveau vindt de uitweking van de samenhang met andere ruimtelijke opgaven plaats in het Ontwikkelperspectief (zie hoofdstuk 4.2 van het RPE).

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

14. 3

De indiener stelt dat het RPE geen duidelijke scheiding aanbrengt tussen het nationale klimaatdoel, de regionale invulling en de lokale uitvoering. Doelstellingen zijn vaag, verschuiven door het document heen en zijn niet gekoppeld aan meetbare verplichtingen. Dit leidt volgens de indiener tot juridische en beleidsmatige onduidelijkheid.

De doelstelling uit het RPE is een inspanningsverplichting om 1,07 TWh te realiseren voor 2035.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

14. 6

De indiener stelt dat het onduidelijk is hoe het RPE zich verhoudt tot gemeentelijke omgevingsplannen, provinciale verordeningen en nationale programma’s. Dit gebrek aan hiërarchie kan leiden tot strijdige besluiten en juridische onduidelijkheid.

Voor meer informatie over het RPE in relatie tot gemeentelijk en provinciaal beleid verwijzen we naar hoofdstuk 3 van deze nota.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

15. 1, 15.

De indiener stelt dat het RPE opereert alsof er een onbeperkt elektriciteitsnet beschikbaar is. Volgens de capaciteitskaarten van Liander en TenneT zijn veel gebieden – waaronder de

De zorgen over netcapaciteit worden gedeeld. Netcongestie is een complexe, landelijke opgave die veel impact heeft op de uitvoering van de energietransitie. In het RPE erkennen we dat het energiesysteem,

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

2& 15. 6

Veluwe, Rivierenland en Arnhem-Nijmegen – volledig “rood” verklaard, waardoor nieuwe grootschalige aansluitingen voor zon- en windenergie niet mogelijk zijn. De indiener stelt daarnaast dat in het RPE analyses ontbreken in relatie tot het elektriciteitsnet, waaronder de mogelijkheid om projecten te kunnen aansluiten en de maatschappelijke kosten voor netverzwaring.

inclusief het elektriciteitsnet, op dit moment beperkingen kent. In hoofdstuk 2 van het RPE lichten we toe waarom het toch belangrijk is om stappen te blijven zetten richting de toekomstige energievoorziening en welke stappen dat zijn. In de uitwerking van het RPE werken we nauw samen met regionale netbeheerder Liander, die ook bij het opstellen van het RPE een adviesfunctie heeft gehad.

15. 4

De indiener stelt dat het plan geen koppeling maakt met de congestieladder van Netbeheer Nederland. Ook ontbreekt overleg met netbeheerders zoals Liander en TenneT over prioriteiten, investeringsplannen of de relatie met andere grote ruimtelijke opgaven zoals woningbouw, industrie of datacenters.

Bij het opstellen van het RPE heeft netbeheerder Liander een adviesfunctie en sluit vanuit die rol aan in de ambtelijke coördinatiegroep. Tennet sluiit daarnaast vanaf september 2025 ook aan in de coördinatiegroep.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

17

De indiener signaleert een risico op partijdigheid door de dubbelrol van de provincie in dit project als initiatiefnemer en vergunningverlener. Dit leidt tot een schijn van belangenverstrengeling, wat de onafhankelijkheid van besluiten ondermijnt.

Het RPE is geen project en de provincie is in het kader ven het RPE geen initiatiefnemer of vergunningverlener. Het RPE bevat geen besluiten over locaties of projecten, maar uitgangspunten en afspraken. Die uitgangspunten en afspraken helpen overheden waaronder de provincie Gelderland om, in de toetsing en afweging van projecten, keuzes te maken die bijdragen aan een betrouwbare, betaalbare en klimaatneutrale energievoorziening in de toekomst.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

18 & 20

De indiener mist in het RPE de bovenregionale afstemming met betrekking tot de regionale energiebalans en benoemt dat sommige regio’s in Gelderland op dit moment een energie-overschot hebben. De indiener mist deze bovenregionale afstemming ook als het gaat om energieprojecten in grensgebieden.

We overleggen regelmatig met buurgemeenten en aangrenzende energieregio’s, zoals de regio’s Noord-Veluwe, West-Overijssel en Twente. Ook stemmen we waar mogelijk af over strategische thema’s zoals netcongestie, ruimtelijke zoekgebieden voor duurzame opwek, en de aansluiting van infrastructuur op de regionale en landelijke energiesystemen. Netbeheerder Liander houdt daarnaast ook het overzicht over de energiebalans in het hele voedingsgebied.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

19

De indiener stelt dat een helder mechanisme voor toezicht, handhaving en het bijsturen van de RES-doelen wanneer deze falen of leiden tot onvoorziene maatschappelijke schade ontbreekt. Dit is volgens de indiener in strijd met de zorgplicht van de overheid en het principe van adaptief bestuur, dat juist

De monitoring van het RPE vindt tweejaarlijks plaats op basis van de RESsystematiek met een voortgangsrapportage. We zijn het met indiener eens dat een complexe opgave zoals de energietransitie vraagt om flexibiliteit. De verbrede reikwijdte van het RPE ten opzichte van de RES 1.0 is een voorbeeld van bijsturing en aanpassingsvermogen bij veranderende omstandigheden.

Deze zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het RPE.

vraagt om flexibiliteit en aanpassingsvermogen bij veranderende omstandigheden. 21

De indiener stelt dat de stikstofeffecten van projecten binnen het RPE onvoldoende zijn onderzocht. Het ontbreken van toetsing binnen de 500-meterzone rondom Natura 2000gebieden in Gelderland is in strijd met de Wet milieubeheer, Habitatrichtlijn en recente jurisprudentie van de Raad van State.

Het RPE bevat geen besluiten over projecten of specifieke locaties. Projecten die in de energieregio ontstaan, doorlopen elk een aparte procedure. In die procedure wordt een stikstoftoets meegenomen. Voor meer informatie over de afweging van milieu-effecten bij windprojecten verwijzen wij naar hoofdstuk 4 van deze nota.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16016112/1