Bijlage 6 Waternotitie onwikkeling Gorssel-Noordoost
Tekst van het document
BIJLAGE 6 WATERNOTITIE ONTWIKKELING GORSSEL-NOORDOOST
65 | 72
WATERNOTITIE Woningbouwlocatie Gorssel Noordoost 23 april 2025
1/18
DATUM KENMERK
23 april 2024 Waternotitie
PROJECT AUTEUR
Woningbouwlocatie Gorssel Noordoost ing. R. van den berg
OPDRACHTGEVER Gemeente Lochem PROJECTNUMMER 20250508 STATUS
2/18
Concept
INLEIDING
De gemeente Lochem heeft behoefte aan meer woningen. Hiervoor stelde de gemeenteraad op 22 mei 2023 onder andere de kernvisie Wonen Gorssel vast. Deze visie geeft inzicht in de beoogde woningbouwaantallen, verdeling en toekomstige woningbouwlocaties in Gorssel. Daarnaast stelde het college het uitvoeringsprogramma woningbouw vast (5 november 2024). In dit uitvoeringsprogramma prioriteert de gemeente Lochem de woningbouwlocaties in de gemeente. In de kernvisie Wonen Gorssel wees de gemeente ten Noordoosten een gebied van ongeveer 10 hectare aan als ontwikkellocaties voor woningbouw. Een klein deel van het gebied (2 percelen, samen 1,1 hectare) is in eigendom van de gemeente. Om volledig de regie op de ontwikkeling in eigen hand te houden vestigde de gemeente op 20 september 2021 een voorkeursrecht op de overige percelen. Het voorkeursrecht geldt voor 3 jaar en is inmiddels verlengd door de vaststelling van de Omgevingsvisie Lochem 2040. Het voorkeursrecht vervalt drie jaar na deze vaststellingsdatum (september 2027) 1. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Ze kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. In het kader van de beoogde ontwikkeling van Gorssel Noordoost heeft Rho Adviseurs van de gemeente Lochem opdracht gekregen voor het maken van een stedenbouwkundige visie.
Om de waterhuishoudkundige consequenties van het plan of omgevingsactiviteit in beeld te brengen en de waterbelangen te waarborgen c.q. te wegen is als onderdeel van de stedenbouwkundige visie navolgende ‘waternotitie’ opgesteld. In onderhavige notitie zijn de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen voor de stedenbouwkundige visie gegeven. Hiermee is een kader opgesteld op basis waarvan de specifieke eisen van de waterbeheerders op een goede wijze in het ontwerp verwerkt kunnen worden. Aan de hand van de beschreven randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen en de stedenbouwkundige visie, kan op eenduidige wijze, later het waterhuishoudingsplan of rioleringsplan worden opgesteld.
LEESWIJZER
Deze rapportage: ● beschrijft in hoofdstuk 1 de plaats en omvang van het project; ● gaat in hoofdstuk 2 in op het relevante waterbeleid en regelgeving; ● geeft in hoofdstuk 3 een omschrijving van de huidige ruimtelijke kenmerken (omgevingsaspecten); ● geeft in hoofdstuk 4 een beschrijving van de verhardingssituatie en watercompensatieopgave; ● gaat in hoofdstuk 5 in op de toekomstige waterhuishouding (compensatie, kwaliteit, afvalwater).
1 Bron: Startnotitie, woningbouwlocatie Gorssel Noordoost, gemeente Lochem
3/18
INHOUD Inleiding Bijlagen 1.
2.
3.
4.
5.
4/18
3 Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
Plaats en kenmerken van het project
6
1.1
Plaats van het project
6
1.2
Kenmerken van het project 1.2.1 Huidige situatie 1.2.2 Beoogde ontwikkeling
6 6 6
Waterbeleid en regelgeving
7
2.1
Rijksoverheid
7
2.2
Waterschap Rijn en IJssel
7
2.3
Gemeente Lochem
8
Hydrologischeaspecten
10
3.1
Hoogteligging
10
3.2
Bodemopbouw
10
3.3
Hydrogeologie
12
3.4
Grondwater
12
3.5
Oppervlaktewater
12
3.6
Veiligheid (waterkering)
13
3.7
Klimaateffect
13
3.8
Ontwatering
14
3.9
Riolering
14
Verhard oppervlak en bergingsopgave
15
4.1
Verhard oppervlak
15
4.2
Waterbergingsopgave
15
Waterhuishouding
16
5.1
Randvoorwaarden en uitgangspunten
16
5.2
Hemelwater
16
5.3
Kwaliteit
17
5.4
Waterschapsverordening
17
5.5
Afvalwater
18
6.
Aanbevelingen
LIJST VAN TABELLEN
Tabel 3.1 Hydrogeologie Tabel 3.3 Gewenste ontwateringsdiepte per gebruiksfunctie Tabel 4.1 Gegevens verhard oppervlak
5/18
18
12 14 15
1. PLAATS EN KENMERKEN VAN HET PROJECT 1.1
Plaats van het project
De locatie Gorssel Noordoost ligt oostelijk van de Kozakkenweg en noordelijk van de Elfuursweg te Gorssel. Het gaat om een relatief groot gebied van ongeveer 10 hectare. is kadastraal bekend gemeente Gorssel, sectie E, nummers 1682, 3122, 3779, 5450 (ged.), 6109, 8107, 8994 en 8995. De coördinaten van een centraal punt zijn X = 211.180, Y = 469.255. In figuur 1.1 is de begrenzing van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1 Plangebied rood omkaderd (bron: Startnotitie woningbouwlocatie Gorssel Noordoost)
1.2
Kenmerken van het project
1.2.1 Huidige situatie Het plangebied heeft een agrarische functie, bestaat uit grasland en is voor zover volledig onbebouwd en onverhard 1.2.2 Beoogde ontwikkeling Doel van het project is het realiseren van woningbouw voor de behoefte van de huidige inwoners van de gemeente Lochem. Er is vooralsnog geen stedenbouwkundig ontwerp beschikbaar. Bij de verdere planuitwerking voor Gorssel Noordoost worden de volgende uitgangspunten uit de kernvisie aangehouden: ● Tenminste 33% sociale huurwoningen; ● Minimaal 14% betaalbaar laag; ● Maximaal 24% betaalbaar hoog; ● Maximaal 29% duur.
6/18
2. WATERBELEID EN REGELGEVING 2.1
Rijksoverheid
Nationaal Water Programma 2022 - 2027 De minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken hebben in 2022 het Nationaal Water programma (NWP) 2022 – 2027 vastgesteld. Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid en het beheer van de Rijkswateren en Rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Klimaatverandering, milieuverontreiniging en ruimtedruk vormen de komende jaren grote uitdagingen. Ook moet infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand worden gehouden en waar nodig vervangen of gerenoveerd. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, woningbouw en de landbouw is noodzakelijk. Het NWP beschrijft hoe we hiermee omgaan en hoe we zorgen dat water een leidend principe is in de ruimtelijke inrichting van Nederland. Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptie De relevante beleidsontwikkelingen op het gebied van water worden bij het Rijk opgenomen in het Deltaprogramma. Hierin is voor verschillende thema’s beschreven wat het beleid is en hoe het Rijk dat in overleg met overige partners wil gaan bereiken.
Het Deltaprogramma bestaat uit verschillende onderwerpen op het gebied van water. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptie het meest relevant, omdat hierin de consequenties van de klimaatontwikkelingen voor Nederland zijn opgenomen, evenals de maatregelen die we moeten nemen om ‘klimaat adaptief’ te worden. Een deel van deze maatregelen zal ruimtelijke impact hebben. Met klimaat adaptief wordt bedoeld: het klimaat veerkrachtig en robuust inrichten van Nederland, gegeven de klimaatontwikkelingen die op ons afkomen. Op basis van de internationale en nationale klimaatmodellen is de verwachting dat het weer in Nederland extremer gaat worden. Dat betekent: meer hevige regenbuien (veel neerslag in korte tijd) en langere periodes met droogte en hitte. Dit heeft consequenties voor de leefbaarheid in steden en dorpen en voor bijna alle (economische) sectoren in Nederland. Met het nemen van klimaat robuuste maatregelen wordt ingespeeld op deze veranderingen waarmee we steden en dorpen leefbaar houden en (economische) schade door wateroverlast, droogte en hitte beperken.
2.2
Waterschap Rijn en IJssel
Waterschap Rijn en IJssel is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Waterbeheerplan 2022-2027 (WBP) Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2022-2027 (WBP). Het waterbeheerprogramma is een belangrijk instrument, waarmee het waterschap aangeeft welke beleidsdoelen het nastreeft, welke inspanningen het pleegt om dat beleid te realiseren en welke financiële middelen daarmee gemoeid zijn. Voor dit waterbeheerprogramma zijn de werkzaamheden van het waterschap samengevat in vier thema’s: 1. Klimaatrobuust gebied; 2. Veilig gebied; 3. Circulaire Economie en Energietransitie
7/18
4. Gezonde leefomgeving. Ondanks dat er veel verandert in en rond het water, blijven de kerntaken van het waterschap in ieder geval: ● Het peilbeheer van grond- en oppervlaktewater; ● Het onderhouden en beheren van de waterkeringen en watergangen; ● Het transporteren en zuiveren van afvalwater; ● Het verbeteren van de waterkwaliteit; ● De vergunningverlening, toezicht en handhaving. Waterschapsverordening Om haar taak uit te kunnen voeren kent het waterschap naast haar beleid de waterschapsverordening als regelgeving. Het is een verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. De regels gelden voor handelingen, werkzaamheden en veranderingen die worden uitgevoerd of aangebracht in, op of in de nabijheid van waterkeringen, watergangen en kunstwerken. De waterschapsverordening bevat de ligging en maatvoering van waterstaatkundige werken en waterpartijen, alsmede de onderhoud- en beschermingszones. Dit is omsloten via de bij de verordening behorende legger als kaart. Sommige activiteiten komen vaak voor en hebben een kleine invloed. Voor deze activiteiten zijn algemene regels gemaakt. Ook de algemene regels staan in de Waterschapsverordening. Hierin staat waar je je aan moet houden. Je hoeft dan geen omgevingsvergunning aan te vragen, je maakt dan alleen een melding. In de beleidsregels wordt uitleg gegeven waarom de aanvraag van een vergunning nodig is.
Ook wordt uitgelegd wanneer een vergunning verkregen kan worden. Volgende de waterschapsverordening is het verboden zonder vergunning neerslag die valt op verhard oppervlak van tenminste 500 m2 direct of indirect te laten afstromen naar een oppervlaktewaterlichaam. Daarnaast is het verboden zonder vergunning water te lozen in een oppervlaktewaterlichaam als de hoeveelheid water meer dan 250 m3 per uur bedraagt of wanneer de hoeveelheid water meer dan 25% bedraagt van de ontwerpcapaciteit van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam. Dit geldt niet wanneer de hoeveelheid water die wordt geloosd minder bedraagt dan 10 m3 per uur. Voor de toename in verhard oppervlak wordt vanuit het waterschap het waterschap een bergingseis van 80 mm aangehouden. Specifiek voor wadi’s geldt dat vanuit het waterschap de wadi’s tot aan het maaiveld gevuld mogen zijn bij een T100 bui (80 mm). Bij een T10 bui kunnen extra eisen van de gemeente gelden met betrekking tot de maximale waterdiepte in de bergingsvoorzieningen.
2.3
Gemeente Lochem
Het (hemel)waterbeleid van de gemeente Lochem is onder andere vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan Lochem (GRP 2021-2025). Dimensionering riolering Nieuwe riolering moet hydraulisch worden getoetst en moet voldoen aan Bui 08 (T=2) met een minimale waking van 0,20 m. Een bui met een herhalingstijd van 10 jaar (T=10) moet zonder afwenteling verwerkt kunnen worden. Om deze reden moet een stelsel getoetst worden op eventuele knelpunten met de controlebui Bui 10. In het kader van klimaatverandering wordt de werking van het systeem (ondergronds en bovengronds/oppervlakkig) bij klimaatbuien berekend. Hierbij geldt de eis dat er bij bui T=500 geen hemelwater woningen, winkels en/of bedrijven in mag stromen. Indien de Watertoets van toepassing is, dient overleg met waterschap Rijn en IJssel plaats te vinden (watertoetsproces). Dimensionering waterberging Bij projectmatige nieuwbouw moet de ontwikkelaar/ eigenaar het hemelwater binnen de grenzen van het plangebied verwerken, dit kan middels infiltratie- of retentievoorzieningen. Om te voldoen aan het voorkeursbeleid van de waterbeheerders, wordt hemelwater van verharding en bebouwing bij voorkeur bovengronds afgevoerd naar een infiltratievoorziening. Indien dit niet mogelijk is dient het afstromend hemelwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen.
8/18
Pas in de laatste instantie – wanneer noch vasthouden en infiltreren, noch bergen afdoende is – kan overwogen worden het water zo traag mogelijk af te voeren naar de omgeving. Op basis van het gemeentelijk Rioleringsplan 2021 - 2025 zamelen de nieuwe woningen het afvalwater gescheiden in van hemelwater. De waterhuishouding van nieuw toe te voegen verharding dient daarbij binnen het plangebied ingevuld te worden (waterneutraal ontwikkelen). Om wateroverlast te voorkomen, wordt het uitgangspunt gehanteerd, dat een bui, die ca. eens per 100 jaar voorkomt (bui T=100), in het plangebied wordt geborgen en vertraagd wordt afgevoerd naar het grond- en/of oppervlaktewater. Deze capaciteit is vanwege klimaatontwikkeling vergroot met 10% (bui T100+10% = 80mm bergen), e.e.a. volgens de uitgangspunten voor waterneutraal bouwen van het waterschap. Er dient bij voorkeur een bovengrondse noodoverlaat/ afvoer aanwezig te zijn voor de afvoer van overtollig water bij extreme neerslag.
9/18
3. HYDROLOGISCHE ASPECTEN In dit hoofdstuk wordt de regionale geohydrologische situatie van het plangebied beschreven. Hierbij wordt ingegaan op aspecten als bodemopbouw, grondwater, waterbeheer (peilbeheer en aan- en afvoer van water), waterveiligheid en riolering.
3.1
Hoogteligging
Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland 2 (AHN), wordt het maaiveld gekenmerkt door een hoogteverloop in hoofzakelijk noordwestelijke richting. Het zuidelijke deel van het plangebied ligt gemiddeld op een hoogte van 7,50 m +NAP tot 7,70 m +NAP. In het noordwesten ligt het maaiveld gemiddeld op een hoogte van ten hoogte van de 7,00 tot 6,80 m +NAP In het noorden wordt het maaiveld gekenmerkt door een hoogte van gemiddeld 7,30 m +NAP. In figuur 3.1 is een uitsnede van het AHN weergegeven.
Figuur 3.1 Uitsnede Actueel Hoogtebestand van Nederland (Bron: AHN_4)
3.2
Bodemopbouw
De originele bodem bestaat, volgens de bodemkaart van Nederland, uit een veldpodzolgrond (Hn21), die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Op basis van boorprofielen uit de BRO 3 blijkt dat de bodem nabij het plangebied te zijn opgebouwd uit zand. Er zijn voor zover bekend tot een diepte van ca. 4 m +NAP geen storende lagen aanwezig.
2
www.ahn.nl
3 www.broloket.nl
10/18
Figuur 3.2 Boorprofielen omgeving plangebied (Bron: Broloket)
Figuur 3.3 Boringen omgeving plangebied (Bron: Broloket)
11/18
3.3
Hydrogeologie
Om inzicht te krijgen in de gelaagdheid van goed doorlatende en slecht doorlatende lagen (hydrogeologische eenheden) van de (diepe) bodem is gebruik gemaakt van het REGIS II v2.2 en GeoTOP v1.6 model van uit het BROloket. Beide modellen geven op een schematische wijze inzicht in de hydrogeologische opbouw en doorlatendheid van de ondergrond op een regionale schaal. In tabel 3.1 is de hydrogeologische opbouw van de ondergrond op schematische wijze weergegeven. Tabel 3.1 Hydrogeologie Diepte (m -mv)
Formatie
Typering
Bodem
0-4
Boxtel
DKL
zand
4-10
Kreftenheye
WVL
zand
10-12
Kreftenheye laagpakket van Zutphen
SDL
Klei
12-41
Kreftenheye
WVL
zand
41-62
Kreftenheye laagpakket van Twello
SDL
klei
DKL = deklaag
3.4
WVL = watervoerende laag
SDL = slecht doorlatende laag
Grondwater
Veranderingen in de grondwaterstand (stijghoogte) worden voornamelijk veroorzaakt door neerslag en verdamping, maar ook door ingrepen in de waterhuishouding. De stijghoogte kan daardoor van dag tot dag verschillen. Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand). Binnen de beschikbare literatuur zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen bruikbare grondwaterdata beschikbaar. Voor de bepaling van de locatie specifieke grondwaterkarakteristieken is gebruik gemaakt van historische grondwaterdata van grondwatermeetpunten uit de omgeving. De historische meetreeksen van de gebruikte grondwatermeetpunten zijn geïnterpoleerd naar het plangebied. Het grondwater van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de geraadpleegde bronnen in westelijke richting. Op basis van de gegevens van de beschikbare grondwaterpeilputten alsmede de grondwaterstromingsrichting is voor het plangebied ingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is gelegen op 6,5 m +NAP. Hiermee zou de GHG zich op 0,5 tot 1,0 m -mv bevinden. Op basis van gegevens uit de KlimnaatEffactAtlas (KEA) wordt voor het noorden, oosten en zuidoosten uitgegaan van een GHG tussen de 0,8 en de 1,0 meter beneden maaiveld.
Voor het zuidwestelijke deel van het plangebied is een GHG van 1,0 tot 1,5 meter beneden maaiveld aangegeven. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied of grondwaterwingebied. Het plangebied ligt wel in een intrekgebied. Intrekgebieden zijn de gebieden waar het grondwater maximaal binnen 1000 jaar de pompputten van het waterbedrijf bereikt. De provincie heeft voor deze gebieden geen bijzonder beleid opgesteld. De provincie en haar partners streven ernaar het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening te beschermen.
3.5
Oppervlaktewater
Voor het waterschap is de legger, samen met de waterschapsverordening, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem.
12/18
Op basis van de leggerkaart van waterschap Rijn en IJssel is in de directe omgeving van het plangebied geen oppervlaktewater gelegen.
3.6
Veiligheid (waterkering)
Het plangebied ligt niet in een kern- of beschermingszone van een waterkering.
3.7
Klimaateffect
Korte, hevige buien zullen naar verwachting steeds vaker voorkomen. Dit klimaateffect kan een grote impact hebben. In dat kader zijn door waterschap Rijn en IJssel gestandaardiseerde stresstesten voor wateroverlast gemaakt, waaronder de klimaatatlassen Oost nederland 4. Met behulp van de kaarten uit de klimaatatlas Oost Nederland kan inzicht worden verkregen in de kwetsbaarheid van de omgeving ten gevolge van extreme regenval. De kaarten maken inzichtelijk waar wateroverlastlocaties kunnen ontstaan na extreme bui van 70 mm in 1 uur. De kans dat deze relatief zeldzame bui valt neemt toe door klimaatverandering en is statistisch gezien een in de 100 jaar. Het is mogelijk dat de gepresenteerde wateroverlast niet altijd in de praktijk (in die mate) herkend wordt. Aan de resultaten kunnen geen rechten worden ontleend, maar geven wel een goede indicatie van de te verwachten overlastlocaties bij hevige neerslag. De kaart in figuur 3.4 laat voor het plangebied het resultaat van de klimaatatlas zien voor een extreme bui van 70 millimeter in 1 uur. Het resultaat laat zien dat met name de lager gelegen delen van het plangebied (paragraaf 3.1) gevoelig zijn voor wateroverlast c.q. water op maaiveld. Hier dient bij het ontwerp rekening mee gehouden te worden.
De rondom het plangebied gelegen wegen zouden in een dergelijke situatie vooralsnog alleen toegankelijk zijn voor calamiteitenverkeer.
Figuur 3.4 Klimaatatlas, bui 70 mm in 1 uur (bron: Klimaatatlas Oost Nederland)
4 Klimaatverandering in Oost-Nederland
13/18
3.8
Ontwatering
Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij het ontwerp rekening gehouden te worden met minimale ontwateringsdiepten. Uitgangspunt hierbij is dat bij de inrichting van (nieuw) stedelijk gebied in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen, en dat er ten gevolge van de inrichting van het betreffende gebied geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan (verdroging of vernatting). Met andere woorden, hydrologisch neutraal ontwerpen.
Figuur 3.5 Ontwatering en drooglegging
De ontwateringsdiepte is het verschil in hoogte tussen het maaiveld en de maximaal optredende grondwaterstand. De gewenste normen voor de ontwateringsdiepte per gebruiksfunctie zijn opgenomen in tabel 3.3. Tabel 3.2 Gewenste ontwateringsdiepte per gebruiksfunctie Gebruiksfunctie
Gewenste ontwateringsdiepte (m)*
Woningen/gebouwen met kruipruimte
0,9 m t.o.v. vloerpeil
Woningen/gebouwen zonder kruipruimte
0,3 m t.o.v. vloerpeil
Tuinen en openbare groenvoorzieningen
0,5 m t.o.v. maaiveld
Primaire wegen
1,0 m t.o.v. kruin weg
Secundaire wegen en woonstraten
0,7 m t.o.v. kruin weg
* Op basis van de GRP Lochem (2021 – 2025) waarbij als uitgangspunten gelden: vloerpeil ligt mimimaal 20 cm boven kruin van weg en maaiveld is gelijk aan de kruin van de weg
Het huidige maaiveld is gemiddeld gelegen op een hoogte van 7,0 m +NAP tot 7,70 n +NAP. De GHG is ingeschat op 6,5 m +NAP. De ontwatering zal ten aanzien van huidige maaiveldniveau en de toekomstige gebruiksfuncties niet overal voldoende zijn. Om aan de gewenste ontwateringsdiepte te kunnen voldoen zal het maaiveld lokaal opgehoogd moeten worden. Om instroming van hemelwater vanuit de omgeving te voorkomen wordt geadviseerd om de toekomstige bouwpeilen minimaal 20 tot 30 cm cm hoger aan te leggen dan het naastgelegen wegpeil of maaiveld niveau.
3.9
Riolering
Aan de noordzijde van het plangebied, in de Dommerholtsweg, ligt een persleiding van het waterschap. De grenzen van het plangebied zijn net buiten de ligging van deze leiding gelegen. In de wegen binnen de kern van Gorssel ligt een vrijverval gemengd riool. In de wegen direct rondom het plangebied ligt geen vrijverval riool. Uitbreiding van de hoeveelheid woningen kan betekenen dat het huidige gemaal van het Waterschap (Zutphenseweg 51A) onvoldoende capaciteit heeft. Ook kan de uitbreiding gevolgen hebben voor de rioolwaterzuiveringsinstallatie.
14/18
4. VERHARD OPPERVLAK EN BERGINGSOPGAVE 4.1
Verhard oppervlak
Conform de gemeentelijke Nota grondbeleid is als onderdeel van deze startnotitie een globale financiële haalbaarheidsstudie uitgevoerd. Aangezien er nog geen stedenbouwkundig ontwerp bekend is, is vooralsnog gerekend op basis van kengetallen. In de berekening is veiligheidshalve uitgegaan van de realisatie van 210 woningen volgens de verdeling zoals beschreven in paragraaf 1.2.2 Het indicatieve toekomstig ruimtegebruik van de locatie is in onderstaande tabel weergegeven en komt voort uit het beoogde woningbouwprogramma. Voor de bepaling van het verhard oppervlak binnen de uitgeefbaargebied is op basis de aangegeven classificatie laag en hoog segment een inschatting gemaakt van het toekomstig verhard oppervlak op de toekomstige woonkavels (woningen, erfverhardingen en bijgebouwen). Voor de sociale huurwoningen en het lage segment is uitgegaan van een verhardingspercentage van 90% van het uitgeefbaargebied. Voor het hoge segment is uitgegaan van een verhardingspercentage van 75% en voor de dure segment een verhardingspercentage van 60%. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. Op basis van de aangehouden uitgangspunten en aannames bedraagt het verhard oppervlak in de toekomstige situatie ca. 71.694 m2 (ca. 72,5% van totaal planoppervlak). Tabel 4.1 Gegevens verhard oppervlak Ruimtegebruik nieuw
Oppervlak (m2)
Uitgeefbaargebied
53.425
Verhardingspercentage
Verhard oppervlak (m²)
33% sociale huurwoningen
17.630,25
90
15.867
14% betaalbaar laag
7.479,5
90
6.732
24% betaalbaar hoog
12.822
75
9.617
29% duur
15.493,25
60
9.296
Verharding
24.764
100
24.764
Openbare parkeerplaatsen
5.418
100
5.418
Openbaar groen
15.171
0
0
Totaal
98.778
4.2
71.694
Waterbergingsopgave
De toename van verhard oppervlak zorgt voor versnelde afvoer van hemelwater. De toename van verharding dient gecompenseerd te worden in de vorm van waterberging. Om hieraan te voldoen, hanteert het waterschap en de gemeente Lochem een compensatienorm van 80 mm ten opzichte van het verharde oppervlak. Op basis van de toekomstig verhard oppervlak bedraagt de waterbergingsopgave voor het plangebied in totaal 5.735 m3 (71.694 m2 x 80 mm).
15/18
5. WATERHUISHOUDING 5.1
Randvoorwaarden en uitgangspunten
Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater dienen de volgende uitgangspunten te worden gehanteerd: ● Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren); ● Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren); ● Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd; ● Verhard oppervlak op basis van aannames van hoeveelheden 71.694 m2. ● Bui bui T100+10% in het plangebied wordt bergen en vertraagd afvoeren naar het grond- en/of oppervlaktewater (= 80 mm bergen), ● Wateropgave 5.735 m3; ● Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG; ● GHG 6,5 m +NAP; ● Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden); ● Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen.
5.2
Hemelwater
Algemeen Water moet bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze worden verwerkt. In de toekomstige situatie moet het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden ingezameld en binnen het plangebied worden geborgen. Het uitgangspunt hierbij is om hemelwater zoveel als mogelijk te infiltreren. Bovengronds Geadviseerd wordt om hemelwater zoveel als mogelijk bovengronds op te vangen en lokaal te verwerken. Een bovengrondse voorziening is controleerbaar en beheersbaar en kan tevens een zuiverende werking hebben. Een bovengrondse hemelwaterbergingsvoorziening zoals een wadi of buffer zal dan met name moeten liggen binnen de bestaande lager gelegen delen in het plangebied. Op basis van de uitsnede van het Actueel Hoogebestand van Nederland en de resultaten uit de Klimaatatlas Oost Nederland beiden de meest noordelijke en noordwestelijk gelegen percelen hiervoor de beste mogelijkheden. Geadviseerd wordt om bij de uitwerking van een wadi vooralsnog een maximale diepte van 0,5 meter aan te houden en een minimaal talud van 1:3 of flauwer. De gemeente Lochem kan ten aanzien van beheer, onderhoud en veiligheid echter andere en specifiekere eisen stellen aan het ontwerp van een wadi of bovengrondse buffer.
Dit zal eventueel in overleg met de gemeente Lochem nader besproken moeten worden. Bij het ontwerp dient rekening gehouden te worden dat de bovengrondse hemelwatervoorziening of buffer op afstand van zowel woningen als naastgelegen particuliere percelen is gelegen. Groendak In aanvulling kunnen dakoppervlakten aangelegd worden als een vegetatie- of te wel groendak. In het algemeen kan er onderscheid gemaakt worden tussen twee soorten groendaken: extensieve en intensieve groendaken. Extensief Een extensieve groendak zijn lichtgewicht begroeide daken met een kortstondige vertraagde afvoer. Deze daken worden ook wel sedum-, gras- of kruidendaken genoemd. Het sponswerkende effect van lichtgewicht begroeide daken is het grootst bij kleine tot gemiddelde regenbuien. Bij heftige en langdurige regenbuien wordt de eerste piek van de bui afgezwakt, maar de substraat- en drainagelaag zijn snel verzadigd. Met een extensieve groendak kan in een toestand waarbij de maximale waterbergingscapaciteit is bereikt ongeveer 15 tot < 20 mm regenwater tijdelijk vastgehouden worden.
16/18
Intensief Een intensieve groendak of te wel groenblauw retentie dak heeft in tegenstelling tot een extensief dak een drainagelaag voorzien van extra bergingscapaciteit. Met intensieve groendak of te wel groenblauw retentie dak kan in een toestand waarbij de maximale waterbergingscapaciteit is bereikt 45 tot ≥ 60 mm regenwater tijdelijk vastgehouden worden. Ondergronds Afhankelijk van het type voorziening en de belastbaarheid hebben ondergrondse systemen een bepaalde gronddekking nodig. De GHG en de benodigde gronddekking zijn bepalend of een ondergrondse bergingsvoorziening zonder verlies van berging kan worden aangelegd. Vanwege de hoge GHG is het toepassen van een infiltratieriool en/of infiltratiekratten zeer waarschijnlijk niet mogelijk. Om hemelwater binnen het plangebied te kunnen verwerken kan eventueel water worden geborgen in of onder de bestratingen bijvoorbeeld in de fundering. Voor de bestratingselementen en funderingslaag kunnen verschillende materialen worden toegepast zoals lava, (drain)zand, waterdoorlatende bestrating en/of bergende bestratingselementen. Het vullen van het systeem kan op conventionele wijze middels kolken en verbuizing, waterdoorlatende verhardingsconstructies (steen of voeg), permeoblokken en/of lijn,- molgoten. Ook kan wellicht gekozen worden voor systemen zoals Bufferblocks en/of Rockflow.
Waterberging op kavelniveau In aanvulling om de waterberging alleen in de openbare ruimte te bergen is het mogelijk om het realiseren van waterberging op privaat terrein te verplichten. De waterbergingsopgave verschilt per kavel en is afhankelijk van de kavelgrootte en het toekomstig verhard oppervlak. De verplichting tot waterberging op eigen terrein kan dan voor de volledig eis van 80 mm of gereduceerd worden tot een lagere eis bijvoorbeeld van 40 mm of 60 mm. Er zijn verschillende maatregelen om het hemelwater op eigen terrein te bergen. Er wordt in ieder geval altijd geadviseerd om niet te veel verharding aan te brengen en bijvoorbeeld te werken met halfverhardingen. Het toepassen van halfverhardingen zorgt ervoor dat het regenwater gemakkelijk in de bodem kan wegzakken. Op deze manier kan het grondwater worden aangevuld. Voorbeelden hiervan zijn de toepassing van waterpasserende verharding of halfverharding (grind, schelpen, steenslag).
5.3
Kwaliteit
Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk.
5.4
Waterschapsverordening
Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de waterschapsverordening een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden. Ten aanzien van het beoogde planvoornemen zullen zeer waarschijnlijk voor de onderstaande onderdelen een watervergunning worden aangevraagd of geldt tenminste een meldingsplicht: ● Toename verhard oppervlak; ● Het graven van water; ● Tijdelijke grondwateronttrekkingen; ● Tijdelijke lozingen van bemalingswater. Geadviseerd wordt om ten aanzien van de beoogde ontwikkeling in overleg te treden met het waterschap. Dit kan door het doorlopen van het proces van de digitale watertoets en deze in te vullen via www.hetwateradvies.nl.
17/18
5.5
Afvalwater
Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld, verwerkt en aangeleverd. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater wijzigen. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van de onderstaande uitgangspunten: ● Gemiddelde woningbezetting: 2,7 inwoners; ● Gemiddeld waterverbruik: 150 l/inw./dag; ● Piekbelasting: 15 l/inw./uur. Vooralsnog is veiligheidshalve uitgegaan van de realisatie van 210 woningen. Dit komt overeen met een gemiddeld waterverbruik van 85 m³/dag en een piekbelasting van 8,5 m3/uur. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. Het huidige gemaal van het Waterschap (Zutphenseweg 51A) kan over onvoldoende capaciteit beschikken om deze toename te kunnen verwerken. Ook kan de uitbreiding gevolgen hebben voor de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Hiervoor zal nog een waterhuishoudkundige plan voor zowel hemelwater als afvalwater opgesteld worden.
6. AANBEVELINGEN In het kader van het beoogde planvoornemen en voornemen tot de ontwikkeling van woningbouw wordt geadviseerd om een geohydrologisch grondonderzoek te laten uitvoeren zodat meer inzicht wordt verkregen in de lokale bodemopbouw (inzicht stoorlagen), de waterdoorlatendheid van voorkomende bodemlagen (k-waarde) en de actuele grondwaterstand. In aanvulling daarop wordt geadviseerd om een grondwatermeetnet op te zetten en over langere tijd de grondwaterstand te monitoren. Met het meten en monitoren van de grondwaterstand wordt inzicht verkregen in de lokale grondwaterfluctuatie. Op basis van de meerjarige meetgegevens kan dan de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) worden vastgesteld. Met het vaststellen van de GHG wordt een beter inzicht verkregen in de lokale ontwateringsdiepten op basis waarvan vervolgens de weg- en bouwpeilen kunnen worden bepaald en worden vastgesteld en een betere grondbalans kan worden opgesteld.
18/18