CConstaterende datLochem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 QuickScan omgevingsaspecten

Raadsvergadering 3 maart 2026, gemeente LochemBij agendapunt: Ruimtelijke visie Gorssel Noord-oost2.972 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BIJLAGE 3 QUICKSCAN OMGEVINGSASPECTEN

62 | 72

Quickscan omgevingsaspecten Gorssel Noordoost 30-4-25

1/10

DATUM

30 04 2025

PROJECT PROJECTLEIDER

QuickScan Gorssel Noordoost Stefan la Grand

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER 20250508

2/10

INHOUD 1.

2.

3.

3/10

Inleiding

4

1.1

4

Aanleiding

Relevante omgevingsaspecten voor uitwerkng stedenbouwkundig ontwerp

5

2.1 2.2 2.3 2.4

5 6 7 8

Ecologie gebiedsbescherming Waterhuishouding Bedrijven en milieuzonering Omgevingsveiligheid

Overige omgevingsaspecten

8

3.1 3.2 3.3

8 9 10

Bodem Luchtkwaliteit Archeologie en cultuurhistorie

1. INLEIDING 1.1

Aanleiding

Voor de locatie Gorssel Noordoost, oostelijk van de Kozakkenweg en noordelijk van de Elfuursweg, is woningbouw beoogt. Het gaat om een relatief groot gebied van ongeveer 10 hectare. Qua woningbouwprogramma, typen en prijsklassen wordt er gestuurd op nieuwbouw voor diverse doelgroepen. Afhankelijk van ruimtelijke keuzes die gedurende het planproces worden gemaakt is er naar verwachting in het gebied ruimte voor 220 tot 250 woningen. Volgens de kernvisie hoeft de locatie op dit moment slechts voor een deel te worden aangewend voor woningbouw (zie figuur 1). Voor de locatie Noordoost is tot 2030 ca. 50 beoogt, dit valt onder fase 1. Deze woningen zullen plaats krijgen op de gronden aangeven met fase 1. Na 2030 kan dit gebied worden uitgebreid (fase 2). Op het achter terrein van het perceel Elfuursweg 27 wordt tenminste één vrijstaande woning mogelijk gemaakt.

Figuur 1: Ontwikkeling locatie Gossel- Noordoost

Voor dit deel van het plangebied wordt na besluitvorming een stedenbouwkundig ontwerp uitgewerkt. Voor het overige deel van het plangebied werken we op een later moment een stedenbouwkundig ontwerp uit. Dit om goed aan te sluiten bij de woningbouwbehoefte van dat moment.

4/10

2. RELEVANTE OMGEVINGSASPECTEN VOOR UITWERKNG STEDENBOUWKUNDIG ONTWERP Onderstaande omgevingsaspecten kunnen gevolgen hebben voor de verdere uitwerking van het plangebied. Voor deze aspecten wordt nagegaan welke belemmeringen, aandachtsgebieden, contouren e.d. van toepassing zijn vanuit de omgeving. Secundair vormt onderstaande uitwerking de basis voor de motivering binnen de planologische procedure.

2.1

Ecologie gebiedsbescherming

Beoordelingskader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bal en het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels, niet zijnde instructieregels, komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het Natuur Netwerk Nederland. Toetsing Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken. Dit gebied bevindt zich op circa 900 meter afstand. Aan de noordzijde grenst de Planlocatie voor een deel aan een Natuurnetwerk Nederland gebied. Aan de oostzijde ligt op ca 500 meter aftand een Natuurnetwerk Nederland-gebied. Deze zijn onderdeel van het Gelders natuurnetwerk. Gelet op de afstand kunnen directe negatieve effecten worden uitgesloten. Aan de Noordzijde grenst het plangebied aan een ecologische verbindingszone.

Ter plaatse van de aanduiding 'ecologische verbindingszone' is het beleid gericht op de instandhouding en ontwikkeling van de ecologische hoofdstructuurverbindingszone. Binnen het plangebied valt de stemming ‘overige zone-landschapstype kleinschalige kampenlandschap’. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - landschapstypekleinschalig kampenlandschap', het kleinschalig kampenlandschap met kleinschalig landschap, microreliëf in de vorm van eenmansessen en steilranden, perceelrandbeplanting, houtwallen en houthakbosjes, grillige wegenstructuur met beplanting en open essen en enken. Planvoornemen De planlocatie ligt buiten beschermde ecologische gebieden. Binnen het plangebied geldt een gebiedsaanduiding welke de kenmerken van een kleinschalige kampenlandschap definieert en geldt de volgende regeling bij afwijking of wijziging van het vigerend plan; ‘’In de desbetreffende bestemmingen is aangegeven of er bij het verlenen van afwijkingen of aanlegvergunningen en bij wijziging van het bestemmingsplan aan het beleid onder 40.2.1 moet worden getoetst en op welke wijze dit moet geschieden.’’

Stikstof Voor de beoogde ontwikkeling dient een stikstofberekening te worden uitgevoerd voor de realisatiefase en gebruiksfase. De afstand tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied bedraagt circa 900 meter. De gebruiksfase wordt gebaseerd op de verkeersbewegingen die een ontwikkeling genereert en de emissie door gebouwen. Tijdens de realisatiefase (werkzaamheden sloop-nieuwbouw) zal naar verwachting wel een aantal randvoorwaarden in acht moeten worden genomen om te komen tot een sluitende motivering (onoverkomelijke knelpunten verwachten we echter

5/10

niet). Daarbij gaat het met name om de ouderdom van het in te zetten materieel en de daarmee samenhangende emissies (al dan niet in combinatie met de toepassing van AdBlue). We adviseren om in een vroeg stadium een eerste verkennende berekening uit te voeren op basis van de beoogde planning voor de werkzaamheden en een realistische inschatting van het in te zetten materieel. Conclusie Voor de verdere uitwerking van de schetsvariant zijn er vanuit gebiedsbescherming geen grote belemmeringen. Wel dient rekening te worden gehouden met de geldende landschappelijke gebiedsaanduiding. Ten aanzien van het aspect stikstof is nader onderzoek noodzakelijk om de mogelijkheden in kaart te brengen. Wij adviseren om tijdig met dit aspect aan de slag te gaan en te starten met het opstellen van een stikstofanalyse. In deze analyse wordt inzichtelijk gemaakt welke mogelijkheden er zijn op basis van de te verwachten stikstofuitstoot.

2.2

Waterhuishouding

Beoordelingskader Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas . De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van de BOPA of het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Daarnaast kan de weging van het waterbelang ook nodig zijn bij andere instrumenten. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn: - watercompensatie in verband met toenemende verharding - waterkwaliteit, bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning - bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken - waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater, (industriële) lozingen en of lozing oppervlaktewater Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ook kan een gemeente zelf aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld vanuit het oogpunt van klimaatadaptatie.

Analyse Om de waterhuishoudkundige consequenties van het plan of de omgevingsactiviteit in beeld te brengen en de waterbelangen te waarborgen dan wel te kunnen afwegen, is als onderdeel van de stedenbouwkundige visie de onderstaande ‘waternotitie’ opgesteld (zie bijlage 1). Hieronder volgt de samenvatting van deze waternotitie: Randvoorwaarden en uitgangspunten: Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater dienen de volgende uitgangspunten te worden gehanteerd: ● Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren); ● Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren); ● Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd; ● Verhard oppervlak op basis van aannames van hoeveelheden 71.694 m2. ● Bui bui T100+10% in het plangebied wordt bergen en vertraagd afvoeren naar het grond- en/of oppervlaktewater (= 80 mm bergen), ● Wateropgave 5.735 m3; ● Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG; ● GHG 6,5 m +NAP; ● Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden); ● Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen.

6/10

Aanbevelingen: In het kader van het beoogde planvoornemen en de voorgenomen ontwikkeling van woningbouw wordt geadviseerd om een geohydrologisch grondonderzoek uit te laten voeren. Dit onderzoek biedt inzicht in de lokale bodemopbouw (zoals eventuele stoorlagen), de waterdoorlatendheid van de aanwezige bodemlagen (k-waarde) en de actuele grondwaterstand. Aanvullend wordt geadviseerd om een grondwatermeetnet op te zetten en de grondwaterstand over een langere periode te monitoren. Door deze metingen wordt inzicht verkregen in de lokale fluctuatie van het grondwater. Op basis van de meerjarige meetgegevens kan de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) worden vastgesteld. Het vaststellen van de GHG draagt bij aan een beter inzicht in de lokale ontwateringsdiepten, op basis waarvan de weg- en bouwpeilen kunnen worden bepaald en vastgesteld. Dit maakt het tevens mogelijk om een nauwkeuriger grondbalans op te stellen. Conclusie Aan de hand van de beschreven randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen en de stedenbouwkundige visie, kan op eenduidige wijze, later het waterhuishoudingsplan of rioleringsplan worden opgesteld.

2.3

Bedrijven en milieuzonering

De beoogde ontwikkeling maakt milieugevoelige gebouwen mogelijk. De ontwikkeling voorziet niet in activiteiten waaraan milieuhinder kan worden ondervonden. Ten aanzien van geluid, geur en stof wordt de omgeving onderzocht naar milieuhinderlijk bedrijfsactiviteiten. Binnen de Planlocatie zijn geen bedrijven aanwezig. Agrarische bedrijfsactiviteiten Op grond van bestemmingsplan Lochem Buitengebied, welke onderdeel maakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Lochem blijkt dat aangrenzende gronden ten oosten en zuiden bestemd te zijn als Agrarisch, de noordelijke gronden zijn bestemd als Agrarisch met waarden. Bij deze agrarische gronden zijn geen aanvullende functieaanduidingen van kracht; hiermee wordt o.a. intensieve agrarische bedrijvigheid uitgesloten. In de huidige situatie worden de aangrenzende agrarische percelen gebruikt voor teelt van o.a. bieten, maiskolven, grasland. Binnen het omliggende agrarische gebied zijn twee agrarische bedrijven gevestigd. Uit gegevens van het KRD (Kernregistratie Dierlijke Veehouderijen) blijkt dat bij het agrarisch bedrijf ten oosten van het plangebied geen vee wordt gehouden. Dit bedrijf bevindt zich op een afstand van circa 300 meter. Gezien het ontbreken van dierlijke veehouderijactiviteiten kan worden aangenomen dat er geen milieuhinder te verwachten is. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

Ten noorden van het plangebied, op een afstand van circa 650 meter, is een agrarisch bedrijf gevestigd aan de Deventerweg 34. Uit de KRD-gegevens blijkt dat op deze locatie melk- en kalfkoeien worden gehouden. Gelet op de ruime afstand tot het plangebied vormt ook dit bedrijf geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling, en is aanvullend onderzoek niet vereist. Kern Gorssel Ten westen ligt de kern van het dorp Gorssel. Op grond van het bestemmingsplan dorp Gorssel 2011, blijkt dat er geen bedrijfsactiviteiten nabij de planlocatie worden toegestaan. De beoogde ontwikkeling maakt geen milieuhinderlijke activiteiten mogelijk. Voorgaand geeft geen aanleiding tot nader onderzoek of belemmering voor de ontwikkeling. Conclusie Bedrijven vanuit de omgeving vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Zodoende kan er worden uitgegaan van een goed woon- leefklimaat ter plaatse van de woningen en worden er geen bedrijven belemmerd in haar bedrijfsruimte.

7/10

2.4

Omgevingsveiligheid

Beoordelingskader Omgevingsveiligheid omvat de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor Externe veiligheidsrisico’s zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunningvoor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Verder dient op grond van artikel 5.2 van het Bkl voor de risico’s van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio’s, rekening te worden gehouden met het belang van: a. het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; b. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en c. de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet. Analyse Het planvoornemen voorziet in het toelaten van woningen, deze zijn woningen worden getypeerd als kwetsbare gebouwen. De externe veiligheidsrisco’s van de omgeving ten aanzien van deze woningen dienen inzichtelijk te worden gemaakt.

Op basis van de gegevens uit de kaarten van het Register externe veiligheid (REV) zijn de risicobronnen en aandachtsgebieden in de omgeving bepaald. De uitsnede van deze kaart is op onderstaande figuur weergegeven.

Figuur 2:Aandachtsgebieden en PR contour (RWS,2024)

De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied of plaatsgebonden risico contour. Conclusie De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied of plaatsgebonden risico contour. Bij de uitwerking van de schetsvariant hoeft vormt omgevingsveiligheid geen aandachtspunt.

3. OVERIGE OMGEVINGSASPECTEN 3.1

Bodem

Beoordelingskader Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers: 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie);

8/10

2. 3.

het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen).

Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Analyse Vanuit financieel-economische overwegingen kan het wenselijk zijn om dit bodemonderzoek in een vroegtijdig stadium uit te voeren. Gezien de huidige situatie bestaat de mogelijkheid dat de bodemkwaliteit ter plaatse niet voldoet aan de vereisten voor de functie wonen. In dat geval kunnen sanerende of beschermende maatregelen noodzakelijk zijn om de ontwikkeling mogelijk te maken. In het kader van de financiële uitvoerbaarheid van het plan dient in het kader van de planologische procedure een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd worden indien deze niet beschikbaar is.

3.2

Luchtkwaliteit

Beoordelingskader Als een plan betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan de omgevingsvergunning alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In artikel 5.54 Bkl zijn standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Het gaat onder andere om het toelaten van gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1°. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2°. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen. Analyse De planlocatie bevindt zich niet in artikel 5.51 (van het Bkl) vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. Nader onderzoek is niet noodzakelijk en met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregels van het Bkl.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) onderzocht wat de (indicatieve) luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie is.

9/10

Maatgevend is het toetspunt aan de Deventerweg. Uit de kaart blijkt dat in 2024 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de omgevingswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2023; 15,4 µg/m³ voor NO2, 14,5 µg/m³ voor PM10 en 7,8 µg/m³ voor PM2,5. De luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie is aanvaardbaar en daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie Dit aspect zal kwalitatief worden gemotiveerd in de nog te bepalen planologische procedure en vormt geen aandachtspunt voor de schetsvariant.

3.3

Archeologie en cultuurhistorie

Beoordelingskader De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Analyse Op grond van bestemmingsplan Lochem Buitengebied, welke onderdeel maakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Lochem blijkt het plangebied zich bevind op gronden aangewezen met de waarde Archeologie 6 en 7. Voor gronden met de bestemming ‘waarde-archeologie 6’ is conform de regels nader archeologisch onderzoek vereist bij werkzaamheden die dieper reiken dan 0,3 meter onder maaiveld, én een oppervlakte beslaan van meer dan 1000m².

Voor gronden met de bestemming ‘waarde-archeologie 7’ is conform de regels nader archeologisch onderzoek vereist bij werkzaamheden die dieper reiken dan 0,3 meter onder maaiveld, én een oppervlakte beslaan van meer dan 2500m². Met de beoogde ontwikkeling worden deze grenswaarde hoogstwaarschijnlijk overschreden en zal er voor de planologische procedure een archeologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd.

10/10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16381899/1