1. Hagenbeek 2023-06-15 Memo hydrologie inrichting Hagenbeek Landbouw
Tekst van het document
Waterschap
EE
Rijn en IJssel
MEMO Aan:
1»
Werkgroep Inrichting Hagenbeek
Organisatie
(geanonimiseerd) : Waterschap Rijn en IJssel
Datum
1»
15-06-2023
Onderwerp
:
Effecten
Projectnummer
:
80822
Van
In deze
memo
worden
waterhuishouding inrichting Hagenbeek
de lokale effecten
van
de
maatregelen bij natuurgebied Hagenbeek
beschreven. In de
waterschap een GGOR-studie uitgevoerd (GGOR-studies Baakse Landgoederenzone). In deze studie is met een grondwatermodel naar het en gekeken gewenste grond oppervlaktewaterregime (GGOR) per functie. Zo is er ook aan aandacht besteed natuurgebied Hagenbeek. Uit de studie blijkt dat de kwaliteit en duurzaamheid van het terrein verbeterd kan worden door watergangen rondom Hagenbeek te verondiepen cq. hoger te stuwen. Hierdoor zal de grondwaterinvloed (kwel) toenemen waardoor verzuring wordt voorkomen. Om dit te bewerkstelligen zijn er in een Samenwerkingsovereenkomst (SOK) door de provincie Gelderland met het waterschap afspraken gemaakt over de verdere uitwerking van de doorgerekende maatregelen. In de afgelopen jaren is in totaal 12 hectare extra beschikbaar gekomen voor nieuwe natuurontwikkeling. Dit maakt ook onderdeel uit van de te nemen maatregelen. Beek
periode —
2006-2013
Veengoot
In deze
memo
gedaan
aan
1.
en
worden
de hand
heeft het
Baakse Beek
de van
—
maatregelen en hydrologische volgende opzet:
Omschrijving huidige situatie a.
Situatieschets
b.
Hoogteligging _Afwateringsrichting d. Huidige grondwatersituatie e. Buisdrainage Omschrijving situatie na uitvoering inrichtingsmaatregelen a. Omschrijving lokale inrichtingsmaatregelen b. Toekomstige oppervlaktesituatie c. Toekomstige grondwatersituatie d. Effectenkaart (natschade) e. Hemelwaterafvoer en drainage Interpretatie/advies a. Interpretatie effecten b. Aandachtspunten woningen c.
2.
3.
1.
effecten
de
OMSCHRIJVING
HUIDIGE
SITUATIE
ervan
beschreven.
Dit wordt
A. SITUATIESCHETS In Figuur 1 is de ligging van het Hagenbeek projectgebied te zien. In deze figuur zijn ook de andere projectgebieden in de omgeving te zien waar hydrologische herstelmaatregelen worden uitgevoerd, zoals Stelkampveld, Wildenborch en Heksenlaak. In figuur 2 is ingezoomd op het gebied Hagenbeek
zelf. Figuur 1: Ligging projectgebied Hagenbeek ten opzichte van andere projecten in de omgeving.
Figuur 2: Luchtfoto (voorjaar 2022) gebied Hagenbeek met perceelsgrenzen.
2
B. HOOGTELIGING Figuur 3 laat de hoogteligging in en rondom het natuurgebied Hagenbeek zien. De hoogte van het gebied loopt grofweg van 16,5 m+NAP, de hoge kop aan de noordzijde (witte kleuren in figuur 3), tot 12,5 m+NAP in het natuurgebied zelf, de lichtgroen/lichtblauwe kleuren in het midden van het natuurgebied. Er is een sterk verhang van het noorden, oosten en zuiden richting het natuurgebied. Vervolgens is de omgeving vrij vlak vanaf het natuurgebied richting het westen.
Figuur 3: Hoogteligging in en rondom natuurgebied Hagenbeek.
3
C. AFWATERINGSRICHTING In Figuur 4 is de afwateringsrichting rondom natuurgebied Hagenbeek te zien. Grofweg is de algehele afwateringsrichting van zuidoost naar noordwest. Langs het natuurgebied loopt de leggerwatergang de Barchemse Veengoot. Ten zuidoosten van het gebied ligt stuw Vrochterdijk. Deze stuw heeft een hoog en laag peil van 13,05 / 13,2 m+NAP. De eerstvolgende stuw is stuw Enkweg met een peil van 11,9 / 12,1 m+NAP. De bebouwing aan de zuidzijde van de Lochemse Berg (noordoostelijke hoek in figuur 4) watert af op de Barchemse Veengoot bovenstrooms van stuw Enkweg. De leggerwatergang ten westen van het naturgebied watert benedenstrooms van stuw Enkweg af op de Barchemse Veengoot.
Stuw Enkweg peil: 11,9
/12,1
Ve
Ba en
rc
he
goo
m
t
se
Stuw
Vrochterdijk Peil: 13,05/13,2 Figuur 4: Afwateringsrichting van de percelen.
4
D. HUIDIGE GRONDWATERSITUATIE Onderstaande figuren 5 en 6 laten de huidige grondwatersituatie zien. De grondwaterstanden worden weergeven in m-maaiveld. De GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand) is het niveau dat zo’n 6 weken per jaar wordt bereikt of overschreden. De GLG (Gemiddeld Laagste Grondwaterstand) wordt ook zo’n 6 weken per jaar bereikt of onderschreden. Beide zijn gebaseerd op een periode van ten minste 8 jaar, en berekend met het grondwatermodel Amigo (het grondwatermodel van Waterschap Rijn en IJssel, provincie Gelderland en Vitens). In het natuurgebied zelf komen veel natte gebieden voor. Op meerdere plekken komt de GHG tot aan maaiveld of valt de GHG in de categorie tussen de 0 en 25 cm onder maaiveld. Richting het noorden en oosten wordt de grondwaterstand snel dieper.
Figuur 5: Actuele Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) volgens het grondwatermodel AMIGO als gebruikt voor de effectenstudie. In kleur is de GHG in cm min maaiveld te zien.
5
De GLG laat een gelijk beeld zien. Het natuurgebied zelf is natter. De GLG, de gemiddeld laagste grondwaterstand, ligt hier tussen de 60 en 90 cm onder maaiveld. In de verdere omgeving ligt de GLG voornamelijk dieper dan 1,5m onder maaiveld. Het grondwatermodel bevat een kleine onzekerheid. De GLG wordt op de locaties van de peilbuizen goed berekend. Alleen in de extreem droge zomers, bijvoorbeeld 2018, wordt het diepe uitzakken niet helemaal goed gesimuleerd. De GHG wordt iets onderschat door het model op de locatie van de peilbuizen, in de orde grootte van 10 tot 20 cm. Bij het kijken naar de locaties voor bebouwingsonderzoek wordt rekening gehouden met deze onzekerheid. De berekende waarden kunnen mogelijk afwijken van de werkelijkheid. Om deze reden worden er peilbuizen geplaatst, om het gebied te monitoren. De gemeten grondwaterstanden worden door Waterschap Rijn en IJssel gemonitord en vergeleken met de modeluitkomsten. De gemeten grondwaterstanden zijn online te volgen via http://waterdata. wrij. nl/ .
Figuur 6: Actuele Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) volgens het grondwatermodel AMIGO als gebruikt voor de effectenstudie. In kleur is de GLG in cm min maaiveld te zien.
6
E. BUISDRAINAGE Onderstaande figuur 7 geeft een inschatting van de percelen waar drainage verwacht wordt. De gegevens zijn gebaseerd op de gemelde drainages (dit is een vrij incomplete database, omdat niet alle drainages zijn gemeld en niet alle data in het verleden duidelijk is gearchiveerd) gecombineerd met kennisregels waarmee is ingeschat waar drainage aanwezig is. Bij de afdelingen vergunningen van waterschap Rijn en IJssel en in de gesprekken met de perceeleigenaren wordt de drainage geverifieerd. Voor de drainage en hemelwaterafvoeren wordt nagegaan of deze nog kunnen afwateren na de inrichtingsmaatregelen.
Figuur 7: inschatting percelen die gedraineerd zijn.
7
2. OMSCHRIJVING
SITUATIE NA UITVOERING MAATREGELEN
A. OMSCHRIJVING
LOKALE MAATREGELEN
Om de kwaliteit en duurzaamheid van het natuurgebied Hagenbeek te verbeteren, zullen de watergangen rondom Hagenbeek verondiept cq. hoger gestuwd worden. Hierdoor zal de grondwaterinvloed (kwel) toenemen waardoor verzuring wordt voorkomen. Onderstaande figuur 8 laat de inrichtingsmaatregelen in het leggersysteem zien. In het natuurgebied zelf worden ook nog enkele kleine sloten aangepast. Alle maatregelen samen staan op de DO maatregelenkaart. In de Barchemse Veengoot liggen meerdere stuwen. Stuw Vrochterdijk is hydrologisch gezien de bovenstroomse grens van het projectgebied, het stuwpeil hier blijft gelijk. Het traject van stuw Vrochterdijk tot stuw Enkweg krijgt een hoger peil. De Barchemse Veengoot ten oosten van het natuurgebied wordt vergraven naar een slenk met accoladeprofiel. Aan het einde van de slenk komt een nieuwe stuw/drempel. Het peil gaat hier ca 70cm omhoog. De Barchemse Veengoot ten noorden van natuurgebied Hagenbeek verandert qua profiel niet, wel gaat het peil omhoog. De stuw Enkweg krijgt een nieuw peil van 12,6 m+NAP, 50cm hoger dan het huidige hoge peil. De leggerwatergang Afwatering Langs Broekhuis, ten westen van het gebied Hagenbeek, wordt verondiept.
Ba
Stuw Enkweg Huidig: 11,9 rc
he
m
Afw. Langs Broekhuis:
Huidig peil: ca 11,6/11,8 tot 12,1 (bodemhoogte hele traject loop van 11,42-12,1) Plan: peil naar 12,3 (60cm-mv) Met bodem verondieping L
A
fw
a
ng
s
B
ro
e
u kh
/12,1 Plan: naar 12,6 se
Ve
en
goo
t
is B
a r c eh m Plaatsen nieuwe drempel/stuw s e 12,0 /12,1 (bodemhoogte ca Huidig:
.
V 12,0) e Plan: e naar 12,7. n
og o
t
Stuw Vrochterdijk
H=Plan: 13,05/13,2
Figuur 8: Maatregelen leggerwatergangen Hagenbeek. 8
B. TOEKOMSTIGE
OPPERVLAKTEWATERSITUATIE
Het gehele leggersysteem is opnieuw doorgerekend met de maatregelen, om het functioneren van het nieuwe systeem bij hoge afvoeren te beschouwen. De beoogde peilstijgingen zijn terug te zien en volgen het directe resultaat van de maatregelen, de nieuwe of opgezette stuwen. Bij lage afvoeren is het effect het grootst. Bij hoge afvoeren neemt het effect van de maatregelen af en worden de
waterstanden meer en meer bepaald door knijpende andere kunstwerken, zoals duikers. Bij normafvoer (T10) is er geen sprake van knelpunten, er vindt geen inundatie plaats van landbouwpercelen vanuit de leggerwatergang. De afwatering van het legger watersysteem blijft naar behoren functioneren. Figuur 9 en 10 laten de huidige en toekomstige drooglegging zien. Drooglegging is het verschil tussen het peil in de watergang en de hoogte van het omliggende maaiveld. Voor grasland is de drooglegging idealiter 60cm of meer. In de huidige situatie is de drooglegging ten opzichte van het peil in de legger bijna overal dieper dan 90cm, en grotendeels zelfs dieper dan 120 cm.
Figuur 9: Berekende drooglegging in de huidige situatie.
9
In de inrichtingssituatie gaat het peil omhoog en wordt de drooglegging minder. Rondom de Barchemse Veengoot en de leggerwatergangen ten westen van het plangebied komt de drooglegging op veel percelen in de categorie 60 – 90 cm. Een kleine rand langs de Barchemse Veengoot en een kleine rand langs de leggerwatergang ten westen krijgt een drooglegging tussen de 40 en 60cm.
Figuur 10: Berekende drooglegging in de situatie na inrichting. C. TOEKOMSTIGE
GRONDWATERSITUATIE
Om de effecten van de maatregelen op het watersysteem te bepalen is een modelstudie uitgevoerd. Met een grondwatermodel is berekend wat het effect van de maatregelen is op het grondwater. In de figuren 11, 12, 13 en 14 zijn de effecten van de inrichtingsmaatregelen op de grondwaterstanden weergeven. Figuur 11 en 12 laten de grondwaterstijging zien. In Figuur 11 is de stijging van de GHG te zien. De GHG stijgt met name ten noorden van de Barchemse Veengoot. Direct rondom de beek stijgt de GHG met 10 tot 15cm. De stijging loopt tot 5cm richting Barchem. De eerste percelen ten noorden van de Barchemse Veengoot hebben na de grondwaterstijging een GHG tussen de 40 en 60 cm onder maaiveld (zie figuur 11). Verder richting het noorden liggen de grondwaterstanden diep, en blijven deze dieper dan 1,2m in de winter.
10
Figuur 11: Stijging van de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG).
11
Figuur 18 laat het effect van de maatregelen op de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand zien. Met name rondom de nieuw in te richten slenk ten oosten van het gebied Hagenbeek zien we een effect op de laagste grondwaterstand. De effecten op de laagste grondwaterstand (een stijging van 5 tot 10cm) reikt ver het natuurgebied in.
Figuur 12: Stijging van de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG).
12
Figuur 13 en 14 geven de toekomstige Gemiddeld Hoogste en Gemiddeld Laagste Grondwaterstand, de GHG en GLG.
Figuur 13: Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) volgens het grondwatermodel AMIGO na inrichtingsmaatregelen. In kleur is de GHG in cm min maaiveld te zien.
13
Figuur 14: Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) volgens het grondwatermodel AMIGO na inrichtingsmaatregelen. In kleur is de GHG in cm min maaiveld te zien. D. EFFECTENKAART
(NATSCHADE)
Om de effecten van de veranderingen van de grondwaterstand in beeld te brengen is een analyse gedaan met de waterwijzer landbouw. Onderstaande figuren laten de effecten van de
grondwaterveranderingen zien. Zowel het verschil in natschade als het verschil in droogteschade is in beeld gebracht. Figuur 15 laat de totale berekende toename in natschade zien. Er zijn geen locaties waar er een afname in natschade is. Voor alle percelen is de gewasschade in beeld gebracht ten opzichte van het referentiegewas gras. Ook voor de percelen met natuurfunctie is de potentiële gewasschade in beeld gebracht ten opzichte van het referentiegewas gras.
14
Figuur 15: Verwachte natschade, exclusief de percelen in eigendom van Staatsbosbeheer en provincie Gelderland. Naast de natschade is ook het verschil in droogteschade in beeld gebracht. De droogteschade is te zien in figuur 16. De maatregelen zorgen niet voor een toename in droogteschade. De afname in droogteschade is maximaal 1 tot 1,5%. Dit is een klein effect. De droogteschade wordt bepaald aan de hand van de GLG, de gemiddeld laagste grondwaterstand die optreedt in augustus. Deze methodiek neemt het langer beschikbaar zijn van water in het late voorjaar/begin zomer niet mee. De verhoging van de grondwaterstand in de winter en in het voorjaar zorgt er wel voor dat er nog langer water beschikbaar is in het groeiseizoen. In figuur 17 is de stijghoogte van de grondwaterstand in beeld gebracht voor het jaar 2016, wat een gemiddeld hydrologisch jaar was. Deze tijdslijn is voor een peilbuislocatie die langs de toekomstige slenk ligt. Zoals te zien stijgen de grondwaterstanden hier in het hele jaar. In het voorjaar zal de grondwaterstand met de beoogde maatregelen ca 10cm hoger zijn dan in de huidige situatie. Er zal dus langer in het voorjaar water beschikbaar zijn voor de plant. Tot wanneer er water beschikbaar is, is afhankelijk van de worteldiepte en het weer, voor de weersituatie in 2016 is het verschil in waterbeschikbaarheid ca 1 tot 2 weken.
15
Figuur 16: Verschil in droogteschade.
Figuur 17: Stijghoogte in huidige situatie (referentie) en toekomstige situatie (scenario) voor het jaar 2016. De verwachte natschade is bepaald door een modelberekening. De berekende waarden kunnen mogelijk afwijken van de werkelijkheid. Om deze reden zijn er peilbuizen geplaatst, om het gebied te monitoren. De gemeten grondwaterstanden worden door WRIJ gemonitord en vergeleken met de modeluitkomsten. De gemeten grondwaterstanden zijn online te volgen via http://waterdata. wrij. nl/ .
16
E. HEMELWATERAFVOER
EN DRAINAGE
Alle in het veld aangetroffen drainages en hemelwaterafvoer is ingemeten. In onderstaande figuur 24 zijn alle ingemeten uitstroomhoogtes te zien. Op 1 locaties komt de drainage onder het nieuwe peil uit, dit is bij de toekomstige slenk. Het voorstel voor deze locatie is, om de uitstroom van het gedraineerde perceel te verleggen naar de sloot langs de Flierdijk. Langs de Flierdijk loopt zowel aan de west- als oostkant een sloot. De sloot aan de oostkant van de Flierdijk wordt de nieuwe afvoersloot. Alle drainagemiddelen ten westen worden middels duikers verbonden met de sloot ten oosten van de Flierdijk. De oostelijke sloot langs de Flierdijk wordt geschoond en de duikers worden nagelopen, zodat deze goed kan afwateren richting de Barchemse Veengoot.
Figuur 18: Ingemeten uitstroomhoogtes van de in het projectgebied aanwezig hemelwaterafvoeren en drainages.
17
3. INTERPRETATIE/ADVIES A. INTERPRETATIE EFFECTEN In bovenstaande memo zijn de inrichtingsmaatregelen en effecten van het project Hagenbeek uitgewerkt. De peilen van het oppervlaktewater stijgen, zowel in normale omstandigheden als bij extremen. Dit zal niet leiden tot norm overschrijdende inundatie op de omliggende landbouwpercelen.
Ook de grondwaterstanden zullen stijgen als gevolg van de peilwijzigingen. Dit leidt niet tot een significante verandering in droogteschade in de zomer, wel zal er in het groeiseizoen langer water beschikbaar zijn voor de planten. Qua natschade wordt er op enkele locatie natschade berekend. Er wordt natschade berekend direct langs de Barchemse Veengoot en de Afw. langs Broekhuis en op 2 percelen ten zuiden van Barchem. Om deze schade te voorkomen zijn mitigerende maatregelen nodig, bijvoorbeeld ophoging van de betreffende delen.
B. AANDACHTSPUNT
WONINGEN
Als het grondwater stijgt, kan dit leiden tot schade aan gebouwen. Hiervoor moet het grondwater zodanig stijgen dat er bijvoorbeeld vocht in de kruipruimte komt wat in de woning kan optrekken. Veel kruipruimtes hebben een diepte van ca 60 à 70 cm onder maaiveld. Als de GHG zodanig stijgt dat deze boven de 70cm-maaiveld komt, kan er water in de kruipruimte komen te staan en vochtoverlast optreden. Om de woningen in beeld te krijgen zijn bouwkundige opnames gemaakt alle de woningen in het gebied. De locaties voor bebouwingsonderzoek zijn op basis van de volgende criteria geselecteerd: de toekomstige grondwaterstand komt tot 90cm-maaiveld of hoger (20cm veiligheidsmarge ten aanzien van modelonderzekerheid) en de grondwaterstijging is ten minste 5cm is (een significante grondwaterstijging). Deze lijst met locaties is aan de hand van de gesprekken uit het veld en de gebiedskennis van het waterschap nog aangevuld met extra locaties.
18