CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

Vier woningen naast Arnhemseweg 35 Toelichting Bijlagen.pdf

Raadsvergadering 11 november 2021, gemeente LeusdenBij agendapunt: 9: RV Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Vier woningen naast Arnhemseweg 3512.494 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

afbeelding bij dit plan

Bestemmingsplan Vier Woningen Naast Arnhemseweg 35 Gemeente Leusden Bijlagen bij toelichting

Bestemmingsplan Vier Woningen Naast Arnhemseweg 35 Gemeente Leusden Bijlagen bij toelichting

Kerkewijk 156 3904 JJ Veenendaal T. 0318 – 50 56 37 I. www.kubiek.nu E. info@kubiek.nu

PLANGEGEVENS: IDN: Projectnummer: Titel:

Status Concept: Voorontwerp: Ontwerp: Vastgesteld:

Projectleider: Auteur:

NL.IMRO.0327.263-0301 Vier woningen naast Arnhemseweg 35 Datum

Inhoudsopgave

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1

Natuurtoets

Bijlage 2

Verkennend Bodemonderzoek

Bijlage 3

Bodemonderzoek

Bijlage 4

Akoestischonderzoek

Bijlage 5

Akoestischonderzoek milieuhinder

Bijlage 6

Resultaat watertoets

Bijlage 7

overeenkomst VvE De Leusderberg

Bijlage 8

kaart overeenkomst VvE De Leusderberg

Vier woningen naast Arnhemseweg 35

1

Natuurtoets “ Arnhemseweg perceelnr. 2515” Leusden Gemeente Leusden (UT)

• QuickScan-onderzoek

Rapport 01/337 AFO Advisering & Onderzoek Titel en subtitel Natuurtoets “ Arnhemseweg perceelnr. 2515” Leusden Gemeente Leusden (UT) • QuickScan Auteur(s) drs. A. H. Swaan Opdrachtgever: Woudenburcht Vastgoed BV

Opdrachtnemer AFO Advisering & Flora- en faunaOnderzoek Limmerweg 46 1935 AM Egmond-Binnen www.afo-onderzoek.nl e-mail: info@afo-onderzoek.nl Datum publicatie: 17 maart 2021

© AFO Advisering & Flora- en fauna Onderzoek, 2021 Niets uit deze rapportage mag zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van AFO en de opdrachtgever openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, websites etc..

Natuurtoets “ Arnhemseweg perceelnr. 2515” Leusden Gemeente Leusden (UT) • QuickScan-onderzoek

Rapportage: A. H. Swaan

• QuickScan-onderzoek • Aanvullend onderzoek AFO Advisering & Onderzoek Rapport 01/337

Heiloo, 17 maart 2021

Inhoudsopgave: SAMENVATTING

3

1

2

INLEIDING

LEESWIJZER

2

2

GLOBALE BESCHRIJVING ONDERZOEKSGEBIED

3

3

VOORGENOMEN ONTWIKKELING

4

3.1 3.2 4

BESTAANDE SITUATIE TOEKOMSTIGE SITUATIE

4 4

NATUURWET- EN REGELGEVING

7

4.1 TOETSINGSKADER VOORGENOMEN ONTWIKKELING 4.1.1 Inleiding 4.1.2 Gebiedsbescherming 4.1.3 Soortbescherming 4.1.4 Conclusie 5

6

BEOORDELING NATUURWAARDEN

11

5.1 INLEIDING 5.2 RESULTATEN VELDBEZOEK QUICKSCAN 5.2.1 Vegetatie/Flora 5.2.2 Fauna

11 11 11 12

EFFECTBEOORDELING 6.1 6.2

7

8 8 8 9 10

15

VLEERMUIZEN BROEDVOGELS

15 16

CONCLUSIE NATUURWET- EN REGELGEVING

16

7.1.1

16

Wet natuurbescherming

8

PREVENTIEVE MAATREGELEN & ADVIES

17

9

LITERATUUR/BRONNEN

18

Natuurtoets perceel 2515

2

Leusden

Samenvatting ➢

Inleiding Voor een planlocatie in Leusden, gemeente Leusden (Utrecht), werd een Natuurtoets uitgevoerd in het kader van de natuurwet- en regelgeving. Het betrof een QuickScan-onderzoek. De resultaten van dit onderzoek en de consequenties deze hebben voor de natuurwet- en regelgeving worden in deze rapportage beschreven. Het project betreft de realisatie van viertal bouwkavels, de bouw van vier woonhuizen en de herprofilering van randsloten. Woudenburcht Vastgoed BV heeft februari 2021 opdracht gegeven voor het uitvoeren van het onderzoek.

➢

QuickScan-onderzoek

•

Gebiedsbescherming - De planlocatie ligt niet in een gebied dat een speciale bescherming heeft binnen de Wet natuurbescherming of binnen het Natuurnetwerk Nederland. Effecten van de voorgenomen ontwikkeling die een negatieve effect zouden kunnen hebben op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten, met uitzondering van de effecten van de uitstoot van stikstof. Een beoordeling van de stikstofemissie zal separaat worden verricht en maakt geen deel uit van deze rapportage.

•

Soortbescherming - Beschermde flora, relevant in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling, werd niet aangetroffen op de planlocatie en wordt hier ook niet verwacht. - Beschermde fauna, relevant in het kader een ruimtelijke ontwikkeling, wordt wel verwacht op de planlocatie. De aanwezigheid van broedvogels op de planlocatie kan niet geheel worden uitgesloten, dit betreft met name de randzone van het perceel. Nesten van broedvogels waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd worden zijn niet aanwezig op de planlocatie. - Naar verwachting gebruiken vleermuizen de locatie als foerageergebied. Daarnaast kunnen vleermuizen de randzone van het perceel gebruiken als migratieroute. Vaste verblijfslocaties van deze soortgroep zijn niet aanwezig op de planlocatie. •

Effectbeoordeling

-

-

Broedvogels. Negatieve effecten op nestlocaties van broedvogels kunnen optreden bij het zonder meer uitvoeren van geplande ontwikkeling. Dit betreft het beschadigen of verstoren van nesten van vogels waarvan de nestlocaties niet jaarrond beschermd zijn. Vleermuizen. Negatieve van enige betekenis worden niet verwacht op deze soortgroep. Er treedt nauwelijks vermindering op van foerageergebied, en de kwaliteit van de planlocatie zal door de herprofilering van de sloten naar verwachting toenemen. De mogelijk aanwezige migratieroute langs de randzone van het perceel zal door de voorgenomen ontwikkeling niet negatief beïnvloed worden.

•

Conclusie Natuurwet- en regelgeving

-

Gebiedsbescherming. Er zijn geen beperkingen voor de ontwikkeling. Waarbij de kanttekening moet worden geplaatst, dat een beoordeling van de stikstofemissie in het kader van Natura 2000-gebieden geen onderdeel uitmaakt van deze conclusie. Deze zal separaat worden beoordeeld in opdracht van de initiatiefnemer tenzij door de gemeente is bepaald dat op deze locatie voor een relatief kleine ontwikkeling zeker voldaan wordt aan de hieraan gestelde eisen.

-

Soortbescherming. Het zondermeer uitvoeren van de voorgenomen ontwikkeling kan tijdens de vogelbroedtijd (globaal half maart-half juli) leiden tot verstoring en/of vernietigen van nestlocaties van vogels. Dit dient te allen tijde te worden voorkomen, het verkrijgen van een ontheffing is in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling niet mogelijk. Indien verwacht wordt dat

Natuurtoets perceel 2515

3

Leusden

-

werkzaamheden wel tijdens de vogelbroedtijd plaatsvinden dienen preventieve maatregelen te worden genomen en zo nodig een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. Een aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk Zorgplicht. Deze in de wet opgenomen verplichting stelt dat voor alle soorten geldt dat waar dit redelijkerwijs mogelijk is, beschadiging/verstoring dient te worden voorkomen. Dit geldt dus ook voor soorten die geen andere specifieke bescherming kennen binnen de Wet natuurbescherming.

•

Preventieve maatregelen In deze rapportage worden op hoofdlijnen enkele maatregelen beschreven die ten doel hebben beschadiging of verstoring van vogelnesten tijdens de broedtijd te voorkomen.

•

Aanvullend advies -

Richting de gemeente Leusden is het advies opgenomen om planologisch de (beperkte) verbinding tussen bestaande groenzone aan de oostzijde van het planperceel met de Heiligenbergerbeek en de aan de oostoever hiervan gelegen begeleidende graslanden, zo goed mogelijk te behouden of waar mogelijk te versterken. De ten noorden van het plangebied plaatsgevonden ontwikkeling tussen de Arnhemseweg en de (nieuwe) afslag van deze weg (Groene Zoom), heeft hier al een belangrijke bijdrage aan geleverd. Met name de nieuwe profilering van de sloten van het planperceel creëert in de toekomst leefgebied voor meer bijzondere soorten, soorten die reeds langs de Heiligenbergerbeek voorkomen.

-

Bij de bouw van woonhuizen is isolatie een belangrijk doel. Als gevolg hiervan verdwijnen in deze gebouwen veelal mogelijkheden voor vleermuizen voor dagrustplaatsen of voortplantingslocaties. Hoewel er in dit geval vanuit de wetgeving geen strikte eis is, luidt het advies toch te (laten) onderzoeken of enkele zogeheten inbouwkasten kunnen worden opgenomen in de geplande nieuwbouw. De kosten hiervoor zijn relatief laag. AFO kan adviseren over de meest geschikte locaties hiervoor en het juiste type verblijfplaatsen.

Natuurtoets perceel 2515

4

Leusden

1 Inleiding In opdracht van Woudenburcht Vastgoed BV werd door AFO een Natuurtoets verricht voor de bouw van enkele woonhuizen op een perceel in Leusden, gemeente Leusden. Het onderdeel van de Natuurtoets dat werd uitgevoerd betrof een zogeheten QuickScan-onderzoek. De resultaten van het QuickScan-onderzoek worden in deze rapportage beschreven, toetsing aan de natuurwet- en regelgeving vindt plaats en bepaald wordt of, en zo ja welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Natuurtoets natuurwet en regelgeving. Het primaire doel van een Natuurtoets is de invloed van een project of ontwikkeling op aanwezige beschermde natuurwaarden te beoordelen. De natuurwet- en regelgeving kent hierbij zowel bescherming van soorten als van gebieden. Als eerste stap wordt veelal een QuickScan-onderzoek verricht om een duidelijk beeld te verkrijgen van de aanwezige of mogelijk aanwezige beschermde flora en fauna en de aanwezigheid van beschermde leefgebied van soorten. Hierbij wordt de projectlocatie kort onderzocht en mogelijke effecten van het project op aanwezige of mogelijk aanwezige natuurwaarden worden beoordeeld. Op basis hiervan kan reeds worden vastgesteld in hoeverre een project of ruimtelijke inrichting in strijd is, of mogelijk kan zijn, met de natuurwet- of regelgeving.

Bij een QuickScan-onderzoek dient daarnaast duidelijk te worden of meer informatie noodzakelijk is om dit correct te kunnen beoordelen. Dit kan zijn aanvullend onderzoek in het kader van de Natuurtoets, daarbij uitgaande van het voorgenomen project of de ruimtelijke ingreep. Maar, de resultaten van de QuickScan kunnen ook aanleiding zijn het project of de ruimtelijke ontwikkeling bij te stellen. Waarbij gedacht kan worden aan de wijze uitvoering, het ontwerp, en/of andere activiteiten die hiermee samenhangen, zoals de planning van de uitvoering. Indien voldoende informatie verkregen is voor de beoordeling dient een Natuurtoets uiteindelijk ook te bepalen of vergunningverlening/ontheffing in het kader van de natuurwet- en regelgeving aan de orde is.

Leeswijzer In deze rapportage worden achtereenvolgend aan bod: A. B. C. D. E. F.

Een beschrijving van de planlocatie en van de voorgenomen ontwikkeling. De relevante wet- en regelgeving: vaststellen toetsingskader Een beoordeling aanwezige natuurwaarden Een effectbeoordeling voor beschermde natuurwaarden Conclusie Natuurwet- en regelgeving De eventueel noodzakelijke vervolgstappen & aanvullend advies

Natuurtoets perceel 2515

2

Leusden

2 Globale beschrijving onderzoeksgebied De planlocatie bevindt zich aan de zuidwestzijde van de plaats Leusden, gemeente Leusden (provincie Utrecht). Het betreft een als grasland gebruikt perceel aan de rand van het gebouwde deel van de plaats Leusden. Het rechthoekige perceel heeft in zijn geheel een grootte van circa 225 bij 85 meter. Direct ten westen van locatie loopt de Arnhemseweg (N226). Na eveneens een graslandzone stroomt, op circa 130 meter ten westen van de planlocatie, de Heiligenbergerbeek. Deze stroomt in het grensgebied tussen de Utrechtse Heuvelrug en de Gelderse Vallei. Ten zuiden van het perceel staan verspreid enkele woonhuizen met schuren. Direct ten westen ligt een klein waterrijk parkje waarachter het dichter bebouwde deel van Leusden aanvangt. Bebouwing is ook aan de noordzijde van het perceel aanwezig. Deels is dit ruim opgestelde laagbouw, maar vrijwel direct grenzend aan de noordoostzijde van het perceel staat een vier woonlagen tellend woongebouw. In figuur 1 is de ligging van de planlocatie op kaart aangeven.

Figuur 1.De Ligging van de planlocatie. In de meest gedetailleerde inzet is met een blauwe onderbroken lijn de planlocatie aangegeven. Bewerkte topografische kaarten © 2021 PDOK/Kadaster. (grid: kilometerhokken).

Natuurtoets perceel 2515

3

Leusden

3 Voorgenomen ontwikkeling 3.1 Bestaande situatie De planlocatie bestaat uit grasland en is geheel onbebouwd. Het wordt aan drie zijden begrensd een sloot. Alleen aan de zuidzijde loopt het land zonder kavelscheidingssloot door naar aanliggende percelen. Hier is over een groot deel op de grens een erfafscheiding in de vorm van een haag aanwezig.

3.2 Toekomstige situatie Het voornemen is op het perceel vier kavels te creëren, waarbij op iedere kavel een woonhuis (eengezinswoning) komt te staan. In figuur 1 is een plattegrond van de toekomstige situatie opgenomen. Zichtbaar is dat niet het gehele perceel bebouwd zal worden. Aan de west en noordzijde blijft een zone aanwezig met de bestemming agrarisch/natuur. Naar de westzijde zal een ontsluitingsweg worden aangelegd.

Figuur 2. Een plattegrond van het perceel met de voorgenomen ontwikkeling. Het woondeel van de kavels is donkergeel aangegeven, het voor tuin bestemde deel donkergeel, en het agrarisch deel lichtgroen. De Bron: Kubiek Ruimtelijke plannen.

Natuurtoets perceel 2515

4

Leusden

Foto 1. Zicht op het planperceel vanuit het zuidoosten. Rechtsboven is nog een klein deel van de hoogbouw te zien.

Foto 2. De westzijde van het perceel met de grenssloot en -in zuidelijk richting kijkend- zicht op Arnhemmerweg met begeleidend fietspad.

Natuurtoets perceel 2515

5

Leusden

Een belangrijk onderdeel in dit kader is de aanpassing van de sloot die langs de kavel loopt. Er wordt meer volume voor waterberging gecreëerd in de sloten. Dit zal plaatsvinden door het nu aanwezige steile talud van de sloot verder af te vlakken. Dit resulteert in een bredere watergang met, indien noodzakelijk, ruimte voor verdere stijging van de waterspiegel en daarmee berging van water. Aan de westzijde van het perceel zal een zeer flauw talud worden aangelegd dat, gerekend vanaf de waterspiegel, zich over meer dan drie meter uitstrekt. In figuur 4 zijn twee dwarsprofielen als voorbeeld opgenomen die de nieuwe situatie verbeelden. Noord

Figuur 3. In blauw aangegeven waar de het profiel van de bestaande sloot verruimd zal worden. De donker groene zone geeft het toekomstige beheer/werkpad aan. Bron: DRONG Omgeving & Techniek/ Concept verruiming waterweg.

Figuur 4. Dwarsprofielen van de sloten langs het perceel in de nieuwe situatie. Boven de sloot langs de noordzijde en onder de sloot langs de westzijde. Bron: DRONG Omgeving & Techniek/ Concept verruiming waterweg.

Natuurtoets perceel 2515

6

Leusden

4 Natuurwet- en regelgeving Nederlandse natuurwet- en regelgeving. Mede in navolging van Europese wetgeving en richtlijnen vereist de Nederlandse wetgeving dat bij voorgenomen plannen of projecten ingrijpende schade aan beschermde planten en dieren voorkomen wordt. Alleen onder bepaalde voorwaarden kan hier een uitzondering op gemaakt worden. Met ingang van januari 2017 heeft de natuurwetgeving in Nederland wederom een verandering ondergaan en werd zowel de natuurwetgeving die betrekking heeft op soorten als de natuurwetgeving die betrekking heeft op gebiedsbescherming samengevoegd in de (nieuwe) Wet natuurbescherming. De vóór deze datum bestaande natuurwetgeving waaronder de Flora-en faunaweten de Natuurbeschermingswet ’98, zijn hiermee komen te vervallen. Met deze verandering zijn tevens ook inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd, onder meer wat betreft de beschermingsstatus van soorten. Bij een project of planontwikkeling dient nog altijd als eerste duidelijk te worden of beschermde soorten of leefgebieden van soorten door het ten uitvoer brengen van de plannen, een voor de wetgeving relevante, schade kunnen ondervinden. Mocht worden vastgesteld dat schade zou kunnen optreden, dan hoeft dit zeker niet altijd het einde van het project te betekenen. Onder bepaalde voorwaarden kan in veel gevallen het project of planontwikkeling toch worden gerealiseerd.

Mogelijk vereist dit wel enige aanpassing in de voorgenomen activiteiten of ontwikkelingen. Het is zodoende zaak bij een project al in een vroeg stadium kennis te vergaren of er mogelijke belemmeringen zijn vanuit de natuurwetgeving. Daarbij kan uiteindelijk een aanvraag vergunning of ontheffing noodzakelijk worden. In vrijwel alle gevallen waar op de voorhand schade aan beschermde soorten niet kan worden uitgesloten is een aantal stappen noodzakelijk: 1. Inventarisatie van de aanwezige of te verwachten natuurwaarden 2. Waardering verkrijgen van de aanwezige natuurwaarden 3. Inschatting en beoordeling maken van ecologische effecten van voorgenomen activiteiten of ingrepen op beschermde natuurwaarden 4. Terugkoppeling met de ontwikkelaar/opdrachtgever over de verkregen resultaten, zodat bepaald kan worden welke weg verder gevolgd moet worden Naast bescherming van individuen van soorten en hun leefmilieu zijn in Nederland bovendien waardevolle natuurgebieden aangewezen die Europese bescherming kennen in de Habitat- en Vogelrichtlijn en eveneens vallen onder de Wet natuurbescherming. Ruimtelijke ingrepen in deze gebieden worden vrijwel niet toegestaan, maar ook ontwikkelingen of projecten in de nabijheid van deze gebieden dienen rekening te houden met deze wetgeving.

De natuurwetgeving is er namelijk ook op gericht deze gebieden te behoeden voor activiteiten en ingrepen in aangrenzend en nabijgelegen terrein die effect kunnen hebben in de beschermde gebieden (“externe werking”). Ook gebieden die behoren tot de zogenoemde Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) kennen een planologische gebiedsbescherming. De provincie kan ook gebieden buiten het Natuurnetwerk met speciale natuurwaarden een speciale (planologische) bescherming toekennen. Dit is onder meer het geval bij weidevogelgebieden voor zover deze niet in het Natuurnetwerk liggen. Overheidsorganisaties en instellingen worden eveneens geacht rekening te houden met zogenoemde Rode-Lijst soorten en doelsoorten. Het betreft flora en fauna die soms geen bescherming kennen in de Wet natuurbescherming, maar wel behoren tot soorten die als kwetsbaar of bedreigd worden beoordeeld.

Natuurtoets perceel 2515

7

Leusden

4.1 Toetsingskader voorgenomen ontwikkeling 4.1.1 Inleiding In deze paragraaf wordt vastgesteld aan welke natuurwet- en regelgeving, of onderdelen hiervan, de voorgenomen ontwikkeling nader getoetst zal moeten worden.

4.1.2 Gebiedsbescherming ➢ Natura 2000-gebieden De planlocatie ligt, zoals zichtbaar is in figuur 5, niet in een Natura 2000-gebied. Natura 2000gebieden liggen op grotere afstand. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ligt op circa 15 kilometer afstand. Dit betreft het gebied Arkemheen ten noorden van de planlocatie. Het Natura2000-gebied Veluwe, dat zich over een groot oppervlak ten westen op uitstrekt, ligt op circa 20 kilometer. Op vergelijkbare afstand ligt het gebied Rijnstangen ten zuiden van de planlocatie. Andere Natura 2000-gebieden bevinden zich op grotere afstand. Natura 2000-gebieden worden tegen negatieve invloeden van buitenaf beschermd door het begrip “externe werking”. Dit houdt in dat toetsing aan de Wet natuurbescherming dient plaats te vinden voor activiteiten waarvan niet direct op de voorhand kan worden gesteld dat ze geen negatieve invloed hebben op aanwezige natuurwaarden in het beschermde gebied, ook al ligt de planlocatie zelf buiten de grenzen van een Natura 2000-gebied. Een voorbeeld hiervan is de stikstofemissie/depositie die veroorzaakt kan worden door ontwikkelingen buiten het beschermde gebied, maar een negatief effect kan hebben binnen de grenzen van Natura 2000-gebieden die hiervoor gevoelig zijn. Deze potentiële verstoringsbronnen dienen beoordeeld te worden en mogelijke effecten te worden

Figuur 5. De ligging van de planlocatie (rode ster) ten opzicht van Natura-2000 gebieden (blauw & fel groen)

Natuurtoets perceel 2515

8

Leusden

beschreven. In dit geval kunnen in dit kader potentieel aanwezige verstoringsbronnen, anders dan de stikstofemissie, worden uitgesloten. Het betreft potentiële verstoringsbronnen als geluid, licht en menselijke aanwezigheid. De planlocatie ligt te ver van de bovengenoemde beschermde gebieden om enige effect te weeg te kunnen brengen. Een beoordeling van de stikstofemissie/depositie zal door de opdrachtgever separaat worden uitgevoerd en wordt verder in deze rapportage niet behandeld. ➢ Natuurnetwerk Nederland De planlocatie maakt, zoals zichtbaar is op de kaart van figuur 6, geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) en behoort evenmin tot de Groene Contour. Gebieden die hiertoe behoren liggen wel ten westen wel in de nabijheid van de planlocatie. Het Natuurnetwerk Nederland kent niet het begrip “externe werking” als instrument om negatieve beïnvloeding te voorkomen. Wel is er vanuit de provinciale regelgeving een planologische bescherming die negatieve beïnvloeding van “buitenaf” dient te voorkomen. Gelet op de reeds bestaande bebouwing ten zuiden en ten noorden van planlocatie en de aanwezigheid van de N226, en een aanwezige bufferzone, vormt deze door de overheid uit te voeren toetsing hier waarschijnlijk geen beperking voor de voorgenomen ontwikkeling.

De Groene Contour geeft gebieden aan waarvoor het streven is deze in de toekomst deel uit te laten maken van het Natuurnetwerk Nederland.

4.1.3 Soortbescherming Een klein deel van de in Nederland voorkomende flora en fauna kent, naast de algemeen van toepassing zijnde zorgplicht, een speciale bescherming in de Wet natuurbescherming. De locatie van het voorkomen van deze soorten is daarbij niet bepalend. De zorgplicht geldt voor alle soorten, en de strekking hiervan is dat schade, waar redelijkerwijs mogelijk, altijd zo goed mogelijk dient te worden voorkomen.

Figuur 6. De ligging van de planlocatie (rode vlak) ten opzichte van gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland(donker groen) en de zogeheten Groene Contour (lichtgroen) . Bron: Provincie Utrecht..

Natuurtoets perceel 2515

9

Leusden

4.1.4 Conclusie Voor de verdere toetsing van de voorgenomen ontwikkeling is de Wet natuurbescherming van toepassing in het kader van soortbescherming, en in het kader van gebiedsbescherming dient een zogeheten Voortoets te worden uitgevoerd, om te bepalen of, en in welke mate, er sprake kan zijn van negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. In dit geval houdt dit uitsluitend in dat een beoordeling van de stikstofemissie/depositie moet plaatsvinden. Deze laatste beoordeling vindt separaat plaats en maakt geen deel uit van deze QuickScan Natuurtoets.

Natuurtoets perceel 2515

10

Leusden

5 Beoordeling natuurwaarden 5.1 Inleiding Dinsdag 9 maart 2021 is een veldbezoek gebracht aan de planlocatie. Daarbij werd de planlocatie, en de directe omgeving, beoordeeld op aanwezige natuurwaarden. Daarnaast werd de locatie beoordeeld op de mogelijk te verwachten natuurwaarden, relevant in het kader soortbescherming. Dit gebeurde op basis van “expert judgement”, waarbij de basis gevormd werd door kennis over het voorkomen van beschermde soorten in deze regio, aangevuld met de verkregen informatie tijdens het veldonderzoek over het aanwezige biotoop. In een enkel geval werden hierbij waarnemingsatlassen of databases gebruikt.

5.2 Resultaten veldbezoek QuickScan 5.2.1 Vegetatie/Flora ➢ Aanwezige vegetatie/flora Het plangebied bestaat uit een perceel grasland. De aanwezige soorten wijzen op matig voedselrijk tot voedselrijk grasland waar wel nog enige diversiteit in (gras)soorten aanwezig is. Naast Engels raaigras werden o.a. Roodzwenkgras, Gestreepte witbol aangetroffen, en kruidensoorten als Gewone Paardenbloem, Kruipende boterbloem en Ridderzuring waren op meerdere plaatsen aanwezig. Over het middendeel loopt een smalle ondiepe greppel die zich duidelijk liet onderscheiden door de aanwezigheid van Pitrus in en langs de randen van de greppel. Aan de oostrand grenst het perceel aan een waterrijk parkje/plantsoen. Tussen het parkje loopt een sloot waar aan de perceelzijde een afrastering van prikdraad aanwezig is. Vrijwel overal langs deze slootrand is een verruigde zone aanwezig bestaand uit grassen en braam. Langs het zuidoostelijke deel staan ook zaailingen van berk en Eik afkomstig uit het park en Grauwe wilg is aanwezig. De verruigde zone, bestaand uit grassen en braam, is aan de noordoostzijde enkele meters breed. De sloot is circa anderhalf tot twee meter breed. Langs de oever en in het water staat Grote Lisdodde. Langs de oever werd ook Pitrus en Wijfjesvaren aangetroffen. De sloot langs de noordzijde geeft met een roestbruine bodem duidelijk aan dat er sprake is van kwel.

Ook in deze ondiepe sloot is Grote Lisdodde aanwezig. De sloot langs de westzijde is troebel en geeft ook met de aanwezigheid van veel Liesgras aan dat er sprake is van voedselrijke omstandigheden. De (oever)begroeiing in de sloot en langs het steile talud is verder schaars. Wel werd op één locatie aan de zuidwestzijde Gele dotterbloem aangetroffen. Een soort die wijst op gebufferde mineraalrijke omstandigheden veroorzaakt door kwel. Een circa 2,5 meter brede strook langs de sloot wijkt duidelijk af van het overige intensiever bewerkte grasland door de minder aaneengesloten uniforme “grasmat” en aanwezigheid van veel Pitrus. ➢ Te verwachten beschermde flora Op de planlocatie en in de directe nabijheid wordt op basis van het aangetroffen biotoop en de aanwezige soorten geen beschermde flora verwacht relevant in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling.

Natuurtoets perceel 2515

11

Leusden

Foto 3. Dotterbloem, aanwezig in de westelijke randsloot.

5.2.2 Fauna ➢ Zoogdieren Vleermuizen De planlocatie zal ongetwijfeld door vleermuizen worden gebruikt als foerageergebied. Soorten die het open grasland dan wel de randzones kunnen gebruiken om te foerageren zijn onder andere Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger en Ruige dwergvleermuis. De randzone langs het perceel kan door vleermuizen gebruikt worden als migratieroute; van foerageergebieden naar een dagverblijfplaats en visa versa. Potentiële (dag)verblijflocaties voor vleermuizen zijn niet aanwezig op het perceel, noch in de directe randzone. De enige uitzondering op dit laatste vormen de woonhuizen en bijbehorende schuren aan de zuidgrens van het perceel maar deze staan op grotere afstand. Overige zoogdiersoorten Op de locatie worden verder geen soorten verwacht relevant in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Algemene soorten zoals Egel, Haas, Bosspitsmuis, Rosse woelmuis en Veldmuis kunnen wel verwacht worden. Kleine marterachtigen (Wezel, Hermelijn en Bunzing) zouden met name de randzone aan de oostzijde kunnen gebruiken als foerageergebied en daarmee als (klein) onderdeel van hun totale leefgebied. ➢ Vogels Tijdens het korte veldbezoek werd twee vogelsoorten in de directe nabijheid van het planperceel waargenomen: Roodborst en Merel, beide zingend aanwezig in het parkje ten oosten van het perceel.

Op het grasland tussen de N226 en de de Heiligenbergerbeek, ten westen van het planperceel, werden meerdere foeragerende exemplaren van Grauwe gans waargenomen.

Natuurtoets perceel 2515

12

Leusden

Voor de aanwezigheid van weidevogels als broedvogel lijkt het perceel te klein te zijn, maar dit het voorkomen kan op basis van een eenmalige waarneming in deze periode van het jaar niet geheel worden uitgesloten. Verder vormen de randen langs het perceel een mogelijke locatie voor nesten van broedvogels, en dan met name die aan de oostzijde waar een ruigtezone inclusief de oevervegetatie in het water aan. Wilde eend, mogelijk Grauwe gans, Waterhoen en zangvogels als Winterkoning, Heggenmus en wellicht Tjiftjaf, zouden -in combinatie met het parkje als leefgebied- de randzone kunnen gebruiken als broedlocatie. ➢ Vissen De aanwezige randsloten zullen naar verwachting een lage diversiteit aan vissoorten hebben. Als we de omvang en de kwaliteit van het niet stromende water in ogenschouw nemen, dan is Tiendoornige stekelbaars zeer waarschijnlijk de enige aanwezige soort. ➢ Amfibieën & reptielen De aanwezigheid van de sloten met ruigte en oevervegetatie langs een deel ervan, is er zeker kans op aanwezigheid van amfibieën. Dit betreft dan algemene soorten als Gewone pad, Bruine kikker, Bastaardkikker en Gewone watersalamander. Ten oosten van de Heiligenbergerbeek zijn wel enkele waarnemingen bekend van Heilikker (waarneming.nl).

De soort werd echter tijdens een grootschalig inventarisatieproject (Van Dijk, 2017) waarbij onder meer een groot deel van het buitengebied rond Leusden werd geïnventariseerd, niet in aangetroffen in de omgeving van Leusden. De voedselrijke omstandigheden van de sloten vormen geen goede locatie voor voortplanting van deze soort. Poelkikker werd bij de eerder genoemde inventarisatie op een beperkt aantal locaties ten zuiden en te oosten van Leusden aangetroffen. Op zich zouden de kwelomstandigheden op de planlocatie een goede basis vormen voor deze soort, maar geschikt leefgebied is nauwelijks aanwezig (gering afmeting sloten, steil talud en voedselrijke omstandigheden). Ringslang. Deze soort werd ten westen en ten zuiden in het buitengebied van Leusden op verschillende locaties aangetroffen (Van Dijk, 2017). Geschikt biotoop voor deze soort zou op/nabij het planperceel met name de aanwezige slootranden moeten zijn aanwezig aan de oost- en noordzijde. Met name de ruige zone aan de noordoostzijde is op zich geschikt leefgebied, maar het oppervlak is gering. Als we daarbij de geïsoleerde ligging ten opzichte van ander geschikt biotoop in de omgeving tellen, dan is de conclusie dat áls de soort op de locatie aanwezig is, dit tijdelijke aanwezig betreft van migrerende exemplaren. ➢ Overige soorten.

Op het planperceel, en in de sloten langs het perceel, worden op basis van het aangetroffen biotoop verder geen beschermde soorten verwacht relevant bij een ruimtelijke ontwikkeling.

Natuurtoets perceel 2515

13

Leusden

Foto 4. De noordelijke randsloot met roestvorming als kwelindicatie.

Natuurtoets perceel 2515

14

Leusden

6 Effectbeoordeling De effectbeoordeling in deze paragraaf wordt uitsluitend verricht in het kader van de soortbescherming. Het enige potentiële effect dat in het kader van gebiedsbescherming een rol zou kunnen spelen is de stikstofemissie. Deze wordt separaat behandeld. Voor de soortbescherming zijn in dit geval van belang: vleermuizen en broedvogels.

6.1 Vleermuizen ➢ Vaste verblijfplaatsen Er is geen vaste verblijfplaats aanwezig van vleermuizen op het planperceel. Er is dan ook geen nadelig effect te verwachten. ➢ Vlieg- of migratieroute De randzone van het perceel kan een rol spelen onderdeel van een vaste vlieg- of migratieroute. Het is dan ook noodzakelijk om de situatie nader te beschouwen. De begeleidende bomenrij langs de N226 kan als migratieroute dienen, maar wordt niet door de planontwikkeling aangetast of beïnvloed. Aan de zuidzijde van het perceel zou de hoge haag in samenhang met de aanwezige bebouwing voor vleermuizen een functie kunnen hebben als verbinding tussen het dichter bebouwde deel van Leusden aan de oostzijde van de planlocatie, en de genoemde bomenrij langs de N226. De toekomstige ontwikkeling zal hier geen verandering in brengen, de locatie wordt niet aangetast. Langs de noordzijde staan alle elementen die in de zin van een migratieroute een rol van betekenis zouden kunnen spelen, buiten het perceel. Beïnvloeding vanaf het perceel vindt op deze locatie niet plaats. Langs de oostzijde is de boomzone langs het zuidelijke deel geschikt als functioneel element in een migratieroute. Deze stopt echter op circa een derde van het perceel en gaat dan over in een relatief lage, circa een meter hoge afscheiding van ruigte die langs de perceelafscheiding loopt.

Direct ten oosten van de hier besproken randzone ligt een klein parkje/plantsoen waar ook de bomen die grenzen aan het perceel deel van uitmaken. Het parkje is “open” dat wil zeggen de bomen staan verspreid in kleine opstanden, of staan er solitair. Er is zodoende een goede mogelijkheid dat áls er sprake is van een migratieroute, het parkje daarbij een belangrijke rol speelt en deze door het parkje voert. De situatie aan de oostgrens van het planperceel blijft bovendien vrijwel geheel ongewijzigd. De randzone zal grenzen aan de tuinen van de woonhuizen. En deze laatste staan op grotere afstand van de randzone. Indirect verstoring van de zone. door felle lichtuitstraling is daarmee niet aanwezig. Een eventueel aanwezige migratieroute langs de oostzijde zal zodoende geen nadelige gevolgen ondervinden van de toekomstige ontwikkeling. ➢ Foerageergebied Naar verwachting zal het perceel, en dan met name de randzone, door vleermuizen gebruikt worden als foerageergebied. De geplande nieuwbouw op deze locatie (vier woonhuizen) zal enig verlies van oppervlakte geven, maar geen negatieve effecten van enige betekenis veroorzaken voor vleermuizen. Mogelijk kan door de kwaliteit als foerageergebied voor een soort als de Gewone dwergvleermuis in de toekomstige situatie zelfs verbeteren door de aanwezigheid van beschutting en aanplant van bomen en struiken in de relatief grote tuinen.

Bovendien blijft er een geheel open zone aan de west- en noordzijde. De herinrichting van de sloten, waarbij een geleidelijk talud gecreëerd wordt, zal door de toename van geschikt habitat voor water- en oeverinsecten vrijwel zeker tot verbetering van kwaliteit als foerageergebied leiden.

Natuurtoets perceel 2515

15

Leusden

6.2 Broedvogels De kans op mogelijke aanwezigheid van broedvogels op het graslandperceel werd als klein beschouwd. Indien toch een weidevogelsoort broedt op het perceel in de periode dat werkzaamheden plaatsvinden of en met name als deze aanvangen in deze periode, kan er een sterk nadelig effect optreden. De randzone, en met name langs de oost- en noordzijde, kan door broedvogels als nestlocatie gebruikt worden. Indien werkzaamheden aan de sloot of inrichtingswerkzaamheden nabij de randzone worden uitgevoerd, kan eveneens een nadelig effect optreden. Soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn worden niet verwacht op of in de directe nabijheid van het perceel.

7 Conclusie natuurwet- en regelgeving 7.1.1 ➢

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming

Er zijn van de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige effecten te verwachten op gebieden die een speciale beschermingsstatus hebben. Een voorbehoud moet gemaakt worden ten aanzien van de stikstofemissie. Deze is in het kader van de wetgeving van Natura 2000-gebieden relevant, maar zal separaat worden beoordeeld in opdracht van de initiatiefnemer, tenzij door de gemeente reeds is bepaald dat op deze locatie voor een in dit kader relatief kleine ontwikkeling zeker voldaan wordt aan de hiervoor gesteld eisen. ➢ Soortbescherming Uitsluitend de mogelijke aanwezigheid van broedvogels op, maar vooral aan of nabij de randzone, kan zonder dat hiervoor preventieve maatregelen worden genomen, leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Het verstoren van nesten van broedvogels dient te allen tijde te worden voorkomen. In het kader van een ruimtelijke ontwikkeling is het niet mogelijk hiervoor een ontheffing te verkrijgen. In paragraaf 8 zullen deze preventieve maatregelen op hoofdlijnen worden beschreven. Indien gewenst kan als nadere specificatie een zogeheten ecologisch werkprotocol worden opgesteld. In de Wet natuurbescherming is de de zorgplicht opgenomen.

Dit betekent dat door een ieder, waar dit redelijkerwijs mogelijk is, voorkomen dient te worden dat soorten beschadigd raken of gedood worden, ook al hebben deze soorten verder geen speciale beschermde status binnen de Wet natuurbescherming.

Natuurtoets perceel 2515

16

Leusden

8 Preventieve maatregelen & advies ➢ Wet natuurbescherming -

-

Indien werkzaamheden plaatsvinden in de broedperiode van vogelsoorten (globaal half maarthalf juli) kunnen werkzaamheden leiden tot negatieve effecten voor nesten van broedvogels en zelfs tot fysieke beschadiging. Dit dient te allen tijde te worden voorkomen. De meest voor de hand liggende preventieve maatregel is de werkzaamheden zoals het bouwrijp maken of het herprofileren van sloten buiten de vogelbroedtijd uit te voeren. Indien voorzien wordt dat werkzaamheden in de vogelbroedtijd plaatsvinden, wordt geadviseerd in een vroeg stadium met een ecologische adviesbureau contact op te nemen om mogelijkheden te onderzoek of/en welke werkzaamheden doorgang kunnen vinden. Preventief zou de randzonde buiten de vogelbroedtijd kunnen worden gemaaid. Dit verkleint de kans sterk dat vogels in deze randzone gaan broeden en dan aanleiding geven tot stagnatie.

➢ Overig advies - De nieuwe herprofilering van de sloten van het planperceel heeft, mede door de aanwezigheid van kwel, een zeer goede potentie om de natuurwaarden op het planperceel sterk te verhogen. Het zal daarmee ook de waarde van de naar het zuiden doorlopende groenzone versterken, waarvan het parkje aan de oostzijde een onderdeel is. Richting de gemeente Leusden is het advies waar mogelijk planologisch aandacht te besteden aan de verbinding van deze groenzone met de oeverzones en begeleidende graslanden van de Heiligenbergerbeek. Ten noorden van de planlocatie heeft de recente natuurontwikkeling ten noorden en ten zuiden van de nieuwe afslag van de Arnhemseweg hier al een belangrijke bijdrage aan geleverd. Er lijken, ondanks de ligging van de Arnhemseweg tussen de beek en de groenzone ten oosten van de planlocatie, (nu) nog ontwikkelingen mogelijk die de connectie tussen de beek en deze groenzone kunnen versterken. -

Nieuwe en vaak goed geïsoleerde woonhuizen bieden nog maar zeer weinig mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Een aantal soorten is sterk afhankelijk van verblijfplaatsen in woonhuizen en dreigen daarmee steeds zeldzamer te worden. In nieuwe woonhuizen kunnen voor zeer lage kosten geschikte verblijfplaatsen worden gecreëerd die geen enkele overlast veroorzaken en geheel buiten zicht blijven (opgenomen in de spouw). Geadviseerd wordt in nieuwbouw dergelijke verblijfplaatsen op te nemen om daarmee bij te dragen aan het behoud van vleermuissoorten.

Natuurtoets perceel 2515

17

Leusden

9

Literatuur/Bronnen -

Dijk, S.D. van, 2017. Resultaten flora- en faunakartering 2017. Omgeving Leusden, Achterveld, Woudenberg en Renswoude. Ecologisch Adviesbureau Viridis, Culemborg, PRNR2017-137. In opdracht van provincie Utrecht.

Website/databronnen - Provincie Utrecht - Waarneming.nl

Natuurtoets perceel 2515

18

Leusden

Woudenburcht Vastgoed BV Verkennend bodemonderzoek op de locatie aan de Arnhemseweg (ong.) te Leusden [Leusden, sectie D, nummer 2515 ged.] Projectnummer: 200793/sh/dh Datum: 2 oktober 2020

Opdrachtgever Woudenburcht Vastgoed BV Postbus 73 3930 EB WOUDENBERG Hunneman Milieu-Advies Raalte BV Postbus 253 8100 AG RAALTE Tel: 0572-360998 E-mail: info@hunneman-milieu.nl

BRL-SIKB 2000

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING............................................................................................................................. 1

2

VOORONDERZOEK ............................................................................................................ 2

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 3

VELD- EN LABORATORIUM ONDERZOEK .................................................................. 6

3.1 3.2 3.3 4

ONDERZOEKSAANLEIDING ................................................................................... 2 ACHTERGRONDINFORMATIE................................................................................. 3 HISTORISCHE INFORMATIE ................................................................................... 3 BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ................................................................. 3 HYPOTHESE EN ONDERZOEKSSTRATEGIE ............................................................. 4 BETROUWBAARHEID ONDERZOEK ........................................................................ 5 VELDONDERZOEK ................................................................................................. 6 LABORATORIUM ONDERZOEK .............................................................................. 6 TOETSINGSCRITERIA EN ANALYSERESULTATEN .................................................. 7

INTERPRETATIE ONDERZOEKSRESULTATEN ......................................................... 9

4.1 4.2

VASTE BODEM EN GRONDWATER ......................................................................... 9 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ........................................................................ 9

BIJLAGEN: 1 2 3 4

Kadastraal overzicht Boorbeschrijvingen Toetsingstabellen en analyserapporten vaste bodem en grondwater Historische informatie

TEKENING: 1-1 Situatie met boringen en peilbuis

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

1

INLEIDING

In opdracht van Woudenburcht Vastgoed BV is in augustus en september 2020, door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV, een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Arnhemseweg (ong.) te Leusden [Leusden, sectie D, nummer 2515]. Voor een kadastraal overzicht van de locatie en de omgeving verwijzen wij naar bijlage 1. Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen nieuwbouw op de locatie. Het onderzoek heeft tot doel een actueel en betrouwbaar inzicht te geven in de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Het veldwerk, de grond- en/of grondwaterbemonstering en het laboratoriumonderzoek is uitgevoerd conform de geldende beoordelingsrichtlijn “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” BRL-SIKB 2000. Voor deze richtlijn is Hunneman Milieu-Advies Raalte BV in het bezit van een procescertificaat, welke is afgegeven door KIWA. Het procescertificaat van Hunneman Milieu-Advies Raalte BV (certificaatnummer K26828) en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek”. Hunneman MilieuAdvies Raalte BV is geen eigenaar van de te onderzoeken percelen en is onafhankelijk van de opdrachtgever en/of terreineigenaar. Het rapport is als volgt ingedeeld: • Vooronderzoek • Veld- en laboratorium onderzoek • Interpretatie onderzoeksresultaten

Verkennend bodemonderzoek, Arnhemseweg (ong). te Leusden

(hoofdstuk 2); (hoofdstuk 3); (hoofdstuk 4).

1

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

2

VOORONDERZOEK

In de NEN-5725 zijn 7 aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Voor elke afzonderlijke aanleiding tot vooronderzoek dienen verschillende onderzoeksvragen te worden beantwoord. De verplicht te onderzoeken aspecten zijn per aanleiding omschreven in tabel 1. Tabel 1:

verschillende onderzoeksaspecten ONDERZOEKSASPECTEN

1. locatiegegevens 2.bodemopbouw en geohydrologie 3. verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit 4. gebruik/beïnvloeding van de locatie, verdachte situatie, activiteiten, ongewoon voorval 5. terreinverkenning

eigendomssituatie hoogteligging bodemopbouw antropogene lagen in de bodem geohydrologie geval van ernstige bodemverontreiniging kwaliteit o.b.v. BKK o.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken voormalig huidig toekomst asbestverdacht voorafgaand aan de uitvoering

Aanleidingen tot vooronderzoek A

B

O

O

C

D

E

F

G

O O O

A. bodemonderzoek, par. 6.2.1; E. opstellen/ actualiseren bodemkwaliteitskaart (Bbk), par. 6.2.5; F. gebruik bodemkwaliteitskaart (Bbk), par. 6.2.6; B. nul‐ en eindsituatieonderzoek, par. 6.2.2; G. inschatten van arbeidshygiënische risico’s, par. 6.2.7. C. bodemkwaliteitsklasse (Bbk), par. 6.2.3; D. partijkeuring, par. 6.2.4; Verplicht onderzoeksaspect. Indien niet van toepassing, wordt dit vermeld en gemotiveerd O Optioneel

2.1

Onderzoeksaanleiding

Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de paragraaf 6.2.1 “opstellen hypothese bodemkwaliteit ten behoeve van een bodemonderzoek” uit de NEN-5725. Voor het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • informatie verstrekt door de opdrachtgever; • terreininspectie voorafgaand aan de veldwerkzaamheden; • informatie Omgevingsdienst de Vallei; • informatie gemeente Leusden; • www.bodemloket.nl; • www.topotijdreis; • Bagviewer; • Kadaster; • grondwaterkaart van Nederland. De onderzoeksvragen voor het opstellen van de onderzoekshypothese en de gekozen onderzoeksstrategie zijn, voor zover relevant, in de onderstaande paragrafen nader toegelicht. De relevante gegevens zijn opgenomen in bijlage 4.

Verkennend bodemonderzoek, Arnhemseweg (ong). te Leusden

2

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

2.2

Achtergrondinformatie

De locatie is gesitueerd aan de Arnhemseweg te Leusden en staat kadastraal bekend als: gemeente Leusden, sectie D, nummer 2515. De locatie is momenteel en voor zover bekend altijd in gebruik geweest als weiland c.q. bouwland, en heeft een oppervlakte van circa 4.990 m2. Voor de inrichting van het terrein verwijzen wij naar tekening 1-1. 2.3

Historische informatie

In december 2011 is door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV, een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Arnhemseweg (ong.) te Leusden [januari 2012 met kenmerk 20111011/mh/lvh]. De belangrijkste conclusies zijn; • zintuiglijk zijn in de vaste bodem geen noemenswaardige bijmengingen aan bodemvreemde materialen waargenomen. Zintuiglijk is geen asbestverdacht materiaal op of in de bodem aangetroffen; • in de vaste bodem zijn, van de geanalyseerde parameters, geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden; • in het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan barium en nikkel aangetoond. De verhoogd aangetoonde gehalten overschrijden de streefwaarden, maar vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. Uit informatie van de gemeente Leusden blijkt dat, voor zover bekend, op de onderzoekslocatie geen activiteiten en/of calamiteiten hebben plaatsgevonden die de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater nadelig kunnen hebben beïnvloed. De relevante historische informatie is opgenomen in bijlage 4. 2.4

Bodemopbouw en geohydrologie

Regionale bodemopbouw De regionale gegevens zijn ontleend aan de Grondwaterkaart van Nederland, DGV-TNO, kaartbladen Utrecht, 31 oost, 32 west, 38 oost, 39 west, ten noorden van de Lek en Nederrijn (1978). De regionale bodemopbouw is samengevat in tabel 2. Tabel 2:

geohydrologische bodemopbouw

pakket

diepte [m-mv] samenstelling

deklaag Formatie van Twente 1e scheidende laag Formatie van Harderwijk en Enschede

0-4 4-8 8 - 16 vanaf 16 m

middel fijn tot uiterst fijn zand uiterst grof tot middel grof zand klei-, leem-, en slibhoudend zand uiterst grof tot matig fijn zand/schelpen

Grondwaterstroming In het eerste watervoerend pakket stroomt het grondwater ter plaatse in oostelijke richting.

Verkennend bodemonderzoek, Arnhemseweg (ong). te Leusden

3

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

2.5

Hypothese en onderzoeksstrategie

Op basis van de geïnventariseerde gegevens is de locatie onverdacht voor bodemverontreiniging. Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek op niet verdachte locaties (strategie “ONV” uit de NEN 5740). De grond(water)monsters zijn aanvullend geanalyseerd op de parameters arseen en chroom. Het uitgevoerde veld- en laboratoriumonderzoek is samengevat in tabel 3. Tabel 3:

veld- en laboratoriumonderzoek

sublocatie/onderdeel

veldonderzoek boringen tot waarvan tot 0,5 m-mv > 2 m-mv

onverdacht < 5.000 m2 @: gecombineerd met onverdacht

15

4

laboratoriumonderzoek met peilbuis

vaste bodem

1

3 x NEN-grond*

grondwater

1 x NEN-water*

*: inclusief arseen en chroom

De samenstelling van de in tabel 3 genoemde “NEN-pakketten” is samengevat in tabel 4. Tabel 4:

samenstelling NEN Pakketten

Parameters zware metalen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink PCB’s PAK polycyclische aromatische koolwaterstoffen minerale olie vluchtige aromaten (incl. naftaleen en styreen) VCK (vluchtige chloorkoolwaterstoffen) bromoform

Verkennend bodemonderzoek, Arnhemseweg (ong). te Leusden

NEN-grond

NEN-grondwater

X

X

X X X -

X X X X

4

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

2.6

Betrouwbaarheid onderzoek

Onderhavig onderzoek beschrijft de actuele bodemkwaliteit en heeft alleen betrekking op de bodem van de terreindelen, welke zijn beschreven in het vooronderzoek van deze rapportage. De in het vooronderzoek geraadpleegde bronnen kunnen mogelijk onvolledig zijn. Het kan voorkomen dat niet alle bronnen zijn geraadpleegd, doordat ze niet voorhanden waren. Hierdoor kan informatie ontbreken. Dit onderzoek is op een zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de huidige richtlijnen en methoden op het gebied van bodemonderzoek. Het onderzoek is gebaseerd op het nemen van een, conform de geldende richtlijnen, representatief geacht aantal monsters. Bij het interpreteren van de onderzoeksresultaten moet rekening worden gehouden met het feit dat analyses mogelijk zijn uitgevoerd op basis van mengmonsters, waardoor lokaal hogere concentraties van de onderzochte stoffen niet zijn uit te sluiten. Tevens kan geen uitspraak worden gedaan omtrent de bodemkwaliteit van niet onderzochte (verdachte) deellocaties en blijft het mogelijk dat lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. Een bodemonderzoek betreft een momentopname. De resultaten van het onderzoek kunnen minder representatief worden naarmate de tijd verstrijkt. Eventuele toekomstige activiteiten, calamiteiten, sloopwerkzaamheden, bouwrijp maken en/of aanvoer van grond van elders, kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden.

Tijdens werkzaamheden in de bodem dient men alert te blijven op waarneembare bijzonderheden, die kunnen duiden op eventuele verontreinigingen. Het onderzoek moet worden beoordeeld als één geheel, en betreft een inschatting van de bodemkwaliteit, op een bepaald moment. Het onderzoek is gebaseerd op informatie van derden en het verrichten van een beperkt aantal boringen en analyses, conform de geldende richtlijnen. Hierdoor is het mogelijk dat niet alle informatie is verkregen, dan wel dat niet alle afwijkingen in de bodem zijn geconstateerd. Voor eventueel hieruit voortvloeiende schade en/of gevolgen aanvaardt Hunneman Milieu-Advies Raalte BV op geen enkele wijze aansprakelijkheid.

Verkennend bodemonderzoek, Arnhemseweg (ong). te Leusden

5

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

3

VELD- EN LABORATORIUM ONDERZOEK

3.1

Veldonderzoek

Het veldonderzoek is uitgevoerd op 31 augustuis en 14 september 2020 door de gecertificeerde medewerkers dhr. H. te Pas en dhr. J. Molenkamp van Hunneman MilieuAdvies Raalte BV. Voor het verkennend bodemonderzoek zijn 15 handboringen uitgevoerd (1 t/m 15), waarvan 1 boring is afgewerkt als peilbuis. De maximale boordiepte bedraagt 2,6 m-mv. Voor de situatie van de boringen en peilbuis verwijzen wij naar tekening 1-1. Bodemopbouw In het veld zijn de fysische bodemeigenschappen per monsterpunt en bodemlaag beschreven. De beschrijvingen van de bodemprofielen zijn opgenomen in bijlage 2, en samengevat in tabel 5. Tabel 5:

samenvatting van het lokaal aangetroffen bodemprofiel

traject (m-mv) 0,0 – 0,5 0,5 – 2,6

hoofdnaam

toevoeging

zand, matig fijn

matig humeus, zwak tot matig siltig

zand, matig fijn

matig siltig, zwak grindig

grondwaterstand: circa 1,1 m-mv

Zintuiglijke waarnemingen Tijdens het veldonderzoek is de opgeboorde grond beoordeeld op zintuiglijk waarneembare verontreinigingsindicaties. Hierbij is gebruik gemaakt van de olie/watertest (O/W-test) en is gelet op afwijkende kleur of geur van de bodem. Zintuiglijk zijn in de vaste bodem geen noemenswaardige bijmengingen aan bodemvreemde materialen waargenomen. Zintuiglijk is geen asbestverdacht materiaal op of in de bodem aangetroffen. Eventuele bijzonderheden zijn weergegeven in de boorbeschrijvingen (bijlage 2). Monstername Voor het chemisch onderzoek zijn uit de boringen, van iedere 0,5 m (0,2 m bij monstername met steekbus) of onderscheiden bodemlaag, monsters genomen. Op de deellocaties, waar de vluchtige verbindingen de kritische parameters zijn, is de monstername, voor zover technisch mogelijk, verricht met een steekbus. Het grondwater uit de geplaatste peilbuis is na een standtijd van minimaal een week bemonsterd. De zuurgraad (pH), de elektrische geleidbaarheid (EC) en de troebelheid (NTU) van het grondwater zijn in het veld gemeten. De meetresultaten zijn weergegeven in tabel 7. 3.2

Laboratorium onderzoek

Op basis van de gehanteerde onderzoeksstrategie en waarnemingen uit het veld zijn (meng)monsters samengesteld voor analyse. De samenstelling van de (meng)monsters is weergegeven in tabel 6. De analyses zijn uitgevoerd door een door de RvA geaccrediteerd laboratorium, welke door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is erkend om, in het kader van de Wet Bodembescherming (Wbb) en het Besluit bodemkwaliteit (Bbk), analyses uit te voeren conform AS-3000 en AP-04. De analyserapporten van het laboratorium zijn opgenomen in bijlage 3. De resultaten van de analyses zijn weergegeven in tabel 6 en 7.

Verkennend bodemonderzoek, Arnhemseweg (ong). te Leusden

6

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

3.3

Toetsingscriteria en analyseresultaten

Als bijlage 4 is het toetsingskader voor de vaste bodem en het grondwater opgenomen. Het toetsingskader is afkomstig uit de “Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013” (Staatscourant 27 juni 2013, nr. 16675). De toetsing van de analyseresultaten vindt plaats conform de, door het Rijk beschikbaar gestelde Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa). De vaste bodem wordt getoetst aan de achtergrond- en interventiewaarden. Het grondwater wordt getoetst aan de streef- en interventiewaarden. De meetwaarden voor de vaste bodem zijn afhankelijk gesteld van de gemeten organische stof- en/of lutumgehalten van de bodem, die meestal afwijken van de gehalten van de Standaardbodem. De volgende toetsingswaarden worden onderscheiden: AW/S(•)1:De achtergrond- en/of streefwaarden geven het niveau aan waar beneden sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. De waarden hebben betrekking op de in de natuur voorkomende achtergrondgehalten of detectiegrenzen bij stoffen die niet in natuurlijke milieus voorkomen. T (••)1:

De tussenwaarde betreft het gemiddelde van de interventiewaarde + achtergrondwaarde of streefwaarde waarboven, in beginsel, een nader onderzoek noodzakelijk is.

I (•••)1 :

De interventiewaarden geven het concentratieniveau voor verontreinigende stoffen aan, waarboven sprake is van ernstige bodemverontreiniging. In bijzondere situaties kan ook bij gehaltes beneden de interventiewaarden sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. De interventiewaarden zijn gebaseerd op de risico’s voor de volksgezondheid en het ecosysteem.

1

De symbolen tussen haakjes corresponderen met de “overschrijdingssymbolen” van tabel 6 en 7.

Van een geval van ernstige bodemverontreiniging is sprake indien de verontreiniging is ontstaan voor 1987, waarbij de gemiddelde concentratie van een verontreinigende stof in minimaal 25 m3 grond of 100 m3 grondwater hoger is dan de interventiewaarde. Bodemverontreiniging die is ontstaan na 1 januari 1987 (nieuwe verontreiniging) valt onder de zgn. zorgplicht en dient zo spoedig mogelijk te worden gesaneerd.

Verkennend bodemonderzoek, Arnhemseweg (ong). te Leusden

7

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

Tabel 6: % H* = 10 % L*= 25 monster boring traject (m-mv) arseen barium cadmium chroom kobalt koper kwik lood molybdeen nikkel zink PAK (10)-tot. PCB’s min.olie

analyseresultaten vaste bodem en toetsing gestandaardiseerde resultaten en overschrijdingen toetsingswaarden [BoToVa-toetsing is opgenomen in de bijlage] MM-01 MM-02 MM-03 1 t/m 8 9 t/m 15 2+5+9+15 0,0-0,5 0,0~0,5 0,5-2,0 < < < @ @ @ < < < < < < < < < < < < 0,17• < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < <

Toelichting bij tabel: < : geen overschrijding van de achtergrondwaarde • : overschrijding van de achtergrondwaarde •• : overschrijding van de tussenwaarde ••• : overschrijding van de interventiewaarde

Tabel 7:

AWwaarde 20 @ 0,6 55 15 40 0,15 50 2 35 140 1,5 0,02 190

½ I(AW+I) waarde 48 76 @ @ 6,8 13 117,5 180 102,5 190 115 190 18,08 36 290 530 96 190 67,5 100 430 720 20,8 40 0,51 1 2595 5000

-: niet geanalyseerd @: geen toetsoordeel mogelijk * : lutum- en humusgehalten standaard bodem H : organisch stof L : lutum s : monstername met steekbus

analyseresultaten grondwater

analyseresultaten (µg/l) peilbuis 9 filter (m-mv) 1,6-2,6 pH 7,3 EC (µs/cm) 520 troebelheid (NTU) 9,9 grondwater [m-mv] 1,1 zware metalen arseen 15• barium 140• cadmium < chroom 2,1• kobalt < koper < kwik < lood < molybdeen < nikkel 42• zink 100• vluchtige aromaten benzeen < tolueen < ethylbenzeen < xylenen (som) < styreen < naftaleen < gechloreerde koolwaterstoffen 1,1-dichloorethaan < 1,2-dichloorethaan < 1,1-dichlooretheen < cis 1,2-dichlooretheen < trans 1,2-dichlooretheen < dichloormethaan < dichloorpropanen < tetrachlooretheen (per) < tetrachloormethaan (tetra) < 1,1,1-trichloorethaan < 1,1,2-trichloorethaan < trichlooretheen (tri) < trichloormethaan (chloroform) < vinylchloride < < minerale olie < bromoform Toelichting bij tabel:

standaard bodem (mg/kg d.s.)

• : overschrijding van de streefwaarde •• : overschrijding van de tussenwaarde ••• : overschrijding interventiewaarde

toetsingswaarden (µg/l)

Swaarde

½ (S+I)

Iwaarde

10 50 0,4 1 20 15 0,05 15 5 15 65

35 337,5 3,2 15,5 60 45 0,17 45 152,5 45 432,5

60 625 6 30 100 75 0,30 75 300 75 800

0,2 7 4 0,2 6 0,01

15,1 503,5 77 35,1 153 35

30 1000 150 70 300 70

7 7 0,01 0,01 0,01 0,01 0,8 0,01 0,01 0,01 0,01 24 6 0,01 50 #

453,5 203,5 5 10 10 500 40,4 20 5 150 65 262 203 2,5 325 315

900 400 10 20 20 1000 80 40 10 300 130 500 400 5 600 630

< : geen overschrijdingen detectiegrens en/of streefwaarde # : geen toetsingswaarden voor gegeven -: niet geanalyseerd

Verkennend bodemonderzoek, Arnhemseweg (ong). te Leusden

8

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

4

INTERPRETATIE ONDERZOEKSRESULTATEN

In opdracht van Woudenburcht Vastgoed BV is in augustus en september 2020, door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV, een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Arnhemseweg (ong.) te Leusden [Leusden, sectie D, nummer 2515]. Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen nieuwbouw op de locatie. Het onderzoek heeft tot doel een actueel en betrouwbaar inzicht te geven in de milieuhygiënische bodemkwaliteit. 4.1

Vaste bodem en grondwater

Zintuiglijk zijn in de vaste bodem geen noemenswaardige bijmengingen aan bodemvreemde materialen waargenomen. Zintuiglijk is geen asbestverdacht materiaal op of in de bodem aangetroffen. Analytisch zijn in de mengmonsters van de bovengrond (MM-01 en MM-02), met uitzondering van een licht verhoogd gehalte aan kwik in MM-01, geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden. Het aangetoonde gehalte aan kwik overschrijdt de achtergrondwaarde, maar blijft beneden de tussenwaarde. Analytisch zijn in het mengmonster van de ondergrond (MM-03), van de geanalyseerde parameters, geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden. In het grondwater (peilbuis 9) zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. De verhoogd aangetoonde gehalten overschrijden de streefwaarden, maar blijven beneden de tussenwaarden. 4.2

Conclusies en aanbevelingen

In de bovengrond en in het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. De aangetoonde gehalten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd en bestaan, milieuhygiënisch gezien, geen bezwaren voor de voorgenomen nieuwbouw op de locatie.

Verkennend bodemonderzoek, Arnhemseweg (ong). te Leusden

9

BIJLAGE 1 Kadastraal overzicht

Kadastrale kaart

Uw referentie: 200793

Deze kaart is noordgericht

12345 25

Schaal 1: 2000

Perceelnummer Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens

Kadastrale gemeente Sectie Perceel

Leusden D 2515

Bebouwing Voor een eensluidend uittreksel, geleverd op 24 augustus 2020 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers

Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.

BETREFT

Leusden D 2515 UW REFERENTIE

200793 GELEVERD OP

PRODUCTIEORDERNUMMER

01-10-2020 - 21:37

S11075995920

VOLLEDIG GESIGNALEERD T/M

VOLLEDIG BIJGEWERKT T/M

01-10-2020 - 14:59

01-10-2020 - 14:59

BLAD

1 van 1

Eigendomsinformatie ALGEMEEN Kadastrale aanduiding Leusden D 2515 Kadastrale objectidentificatie : 027010251570000

Kadastrale grootte 18.682 m² Grens en grootte Vastgesteld Coördinaten 156108 - 459035 Ontstaan uit Leusden D 2399

AANTEKENINGEN Publiekrechtelijke beperking Er zijn geen beperkingen bekend in de Basisregistratie Kadaster. Basisregistratie Kadaster Overige aantekening Kwalitatieve verplichting Afkomstig uit stuk Hyp4 61045/8 Aanvullend stuk Hyp4 73010/189

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/2965/documents/30572