CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan Achterveld Mastenbroek 2.pdf

Raadsvergadering 10 maart 2022, gemeente LeusdenBij agendapunt: 5: RV Vaststelling van het bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan Mastenbroek 213.692 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden.

Toetsing Voorliggend plan voorziet in z’n totaliteit in maximaal 125 woningen. Het plan draagt daarom ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

29

4.6

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het project te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Ter plaatse van het plangebied is voorzien in een archeologisch bureau- en booron6 derzoek . Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat overal in het plangebied de top van de C-horizont (en de oorspronkelijke bodem) in de humeuze bovengrond opgenomen is. Het oorspronkelijke bodemprofiel is niet intact. Het potentiële archeologische profiel is derhalve niet meer aanwezig. Er wordt op basis van het onderzoek geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de beoogde ontwikkeling. Het is echter nooit uit te sluiten dat bij de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht. Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet.

Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.7

Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten vondsten en/of sporen ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing In en rondom het plangebied bevinden zich geen monumentale en/of cultuurhistorische waarden. In het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met een stedenbouwkundige opzet, die voor een goede overgang tussen het landelijk gebied en de kern Achterveld. Ook blijven een aantal belangrijke structuren in het plangebied gehandhaafd, zoals de oostelijke groenstructuur en de kenmerkende oost-westelijke ontsluitingsstructuur. Daarmee wordt gesteld dat de ontwikkeling niet zorgt voor eventuele aantasting van aanwezige cultuurhistorische waarden.

6

Bureau voor Archeologie (2021). Archeologisch bureau- en booronderzoek. Jan van Arkelweg 42, Achterveld. Projectnummer: 2020071001. 1 oktober 2021. 30

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.8

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing 7 SAB heeft met een quick scan natuur onderzocht of beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijke negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Veluwe ligt in de buurt van het plangebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Veluwe is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. 8 Nader onderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening is zodoende uitgevoerd.

Hieruit volgt dat zowel voor de gebruiksfase geen sprake is van een overschrijding van de gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwik-

7

SAB (2020). Quick scan natuur, Achterveld, Mastenbroek 2. Projectnummer: 200198. 28 april 2020.

8

SAB (2021). Onderzoek stikstofdepositie. Achterveld, Mastenbroek 2. Projectnummer: 200198. 20 oktober 2021. 31

keling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Mogelijk zijn essentiële vliegroutes van vleermuizen, nestplaatsen van huismussen, leefgebied van de hazelworm en leefgebied van de steenmarter aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze essentiële elementen is nader 9 soortgericht onderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er geen essentiële elementen van de huismus, steenmarter en hazelworm aanwezig zijn. Voor de gewone dwergvleermuis is een essentiële vliegroute door en langs de bomenrij langs de oostrand van het plangebied aanwezig. Bij het volledig kappen of onderbreken van deze bomenrij of door het plaatsen van kunstmatige verlichting die op de vliegroute schijnt kan de vliegroute verdwijnen, hetgeen een overtreding van de Wet natuurbescherming betreft.

Omdat in voorliggende situatie sprake is van het volledig behouden van de bomenrij en er geen kunstmatige verlichting wordt geplaats, is geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming en is een ontheffing niet nodig. Overige essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen van andere beschermde soorten zijn in het plangebied niet aanwezig. Nader onderzoek hiernaar is dan ook niet noodzakelijk. Beschermde houtopstanden De bomen en struiken langs de Meester van Bergenweg en aan de oostzijde van het plangebied maken onderdeel uit van een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. Daarom is hier sprake van beschermde houtopstanden. De houtopstand aan de oostzijde van het plangebied wordt volledig behouden en ingepast in de ontwikkeling. Ook wordt het groen langs de Meester van Bergenweg in principe ingepast in de ontwikkeling. Mocht toch blijken dat het verwijderen van groen noodzakelijk is, dan zal hiervoor binnen het plangebied compensatie worden gevonden. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.9

Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en 9

SAB (2020). Nader onderzoek Wet natuurbescherming. Achterveld, Mastenbroek 2. projectnummer: 200198. 17 december 2020. 32

het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (of-6 wel 10 ). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risi-6 co van 10 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Toetsing Raadpleging van de provinciale risicokaart wijst uit dat rondom Achterveld geen risicobronnen aanwezig zijn. Gezien de afwezigheid van risicobronnen in een cirkel van circa één kilometer rondom het plangebied is een andere beschouwing niet noodzakelijk.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan.

4.10

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het

33

buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing In onderhavige situatie is sprake van de realisatie van nieuwe, gevoelige functies in de zin van het aspect bedrijven en milieuzonering. De directe omgeving van het plangebied kent grotendeels een woonbestemming dan wel een agrarische bestemming zonder bebouwingsmogelijkheden waardoor het gebied op basis van de VNGpublicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering (2009)’ wordt getypeerd als een ‘rustige woonwijk’. Externe werking De externe werking betreft de vraag of de nieuwe functie in onderhavig plan leidt tot hinder voor de bestaande of toekomstige hindergevoelige functies. In het plangebied worden geen nieuwe hinderveroorzakende functies mogelijk gemaakt. Er hoeft daarom niet onderzocht te worden of de functie in het plangebied hinder veroorzaakt voor omliggende functies. Interne werking Naast de externe werking moet ook de interne werking worden beoordeeld.

Met andere woorden: laat de omgeving de nieuwe functie toe? In de navolgende tabel zijn de meest nabijgelegen functies weergegeven, inclusief de bijbehorende omschrijving uit de VNG-publicatie en daaruit volgende grootste richtafstanden. Bedrijfssoort

Adres

Omschrijving VNG

Cafetaria

Jan van Arkelweg 36

Begraafplaats

Jan van Arkelweg 30

Brandweerkazerne

Meester van Bergenweg 3

Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. Begrafenisondernemingen - begraafplaatsen Brandweerkazernes

Grootste richtafstand (m) 10 (geur, geluid & gevaar)

Gemeten afstand (m) 20

10 (geluid)

45

50 (geluid)

15

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat niet kan worden voldaan aan de richtafstand voor geluid door toedoen van de brandweerkazerne aan de Meester van Bergenweg 3. Daarom is nader onderzoek verricht in de vorm van een akoestisch onderzoek indu10 strielawaai .

10

SAB (2021). Akoestisch onderzoek omgevingsgeluid. Brandweer Achterveld BP Mastenbroek 2. Projectnummer: 200198.01. 20 augustus 2021. 34

Uit het onderzoek volgt dat:  Voor één woning geldt dat op de tweede verdieping de grenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreven voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT). Het gaat om één van de woningen in het bouwveld direct ten oosten van de brandweerkazerne.  De grenswaarden voor de maximale geluidniveaus in zowel de dag-, avond- en nachtperiode worden overschreden ter plaatse van verschillende woningen in het bouwveld direct ten oosten en zuiden van de brandweerkazerne. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door het optrekken van een vertrekkende brandweerwagen en in mindere mate door het sluiten van portieren van voertuigen.  De grenswaarde voor de maximale geluidniveaus in de avondperiode op één van de zijgevels van één woning ten noorden van de brandweerkazerne. Dit wordt veroorzaakt door het schoonspuiten van de brandweerwagens na een uitruk.  Bronmaatregelen niet getroffen kunnen worden.  Het plaatsen van een scherm van 3 meter hoog er voor kan zorgen dat de overschrijdingen van de maximale geluidniveaus op de begane grond en in de tuin ter plaatse van de woningen in het bouwveld direct ten oosten van de brandweerkazerne niet langer meer voorkomen.

 Het stellen van aanvullende eisen wat betreft de karakteristieke geluidswering voor de eerste en tweede verdieping van de woningen in het bouwveld direct ten oosten van de brandweerkazerne kan zorgen voor de acceptabele binnenwaarde.  Het stellen van aanvullende eisen wat betreft de karakteristieke geluidswering voor de voor- en zijgevels van de woningen in het bouwveld direct ten zuiden van de brandweerkazerne kan zorgen voor de acceptabele binnenwaarde. Met het plaatsen van het scherm en de aanvullende eisen wat betreft de karakteristieke geluidwering van enkele woningen kan het geluid van vertrekkende hulpvoertuigen als acceptabel beschouwd kunnen worden, omdat een goed woon- en leefklimaat in de tuin en in de woning kan worden behaald. Conclusie Het plaatsen van het scherm is middels een gebiedsaanduiding en een voorwaardelijke verplichting in de regels en op de verbeelding juridisch-planologisch gewaarborgd. De exacte positie en vormgeving van de geluidwerende voorziening is nog nader in te vullen. Wel is duidelijk dat de voorziening minimaal 3 meter hoog moet zijn en aangelegd moet worden voordat de woningen in het aangrenzende bouwvlak in gebruik gekomen kunnen worden. Met inachtneming hiervan vormt het aspect bedrijven en milieuzonering een belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.11

Geur Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastingsen afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (ge-

35

projecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Toetsing Met voorliggend plan is sprake van de realisatie van nieuwe geurgevoelige objecten in 11 de nabijheid van het landelijk gebied. Daarom is in een geuronderzoek bepaald of er op het gebied van geurhinder van veehouderijen knelpunten voordoen en of voldaan kan worden aan de geldende wet- en regelgeving. Uit het onderzoek volgt dat de realisatie van de woningen binnen het plangebied geen inbreuk maakt op de vergunde en/of planologische geurrechten van de nabijgelegen veehouderij aan de Jan van Arkelweg 53. De geurbelasting op het plangebied is lager dan de geurnorm van 3,0 3 ouE/m en daarnaast zit de veehouderij op slot door de nabijgelegen woningen. Overige veehouderijen worden eveneens niet belemmerd aangezien deze of verder van het plangebied liggen of een ruimschoots lagere geuremissie hebben. Een nadere motivering is zodoende niet nodig. Conclusie Het aspect geur zorgt niet voor een belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.12

Verkeer en parkeren Verkeer In het kader van de ontwikkeling van ‘Groot Agteveld’ aan de zuidkant van Achterveld heeft destijds een beoordeling plaatsgevonden in hoeverre de aanwezige verkeersstructuur van Achterveld geschikt is om de toekomstige verkeersbewegingen af te kunnen woningen. In deze beoordeling is reeds de ontwikkeling van Mastenbroek 2 meegenomen. Daarbij is destijds het uitgangspunt gehanteerd dat 100 woningen gerealiseerd zouden gaan worden binnen Mastenbroek 2. Uit het onderzoek volgde dat het extra verkeer van beide ontwikkeling niet zal leiden tot substantiële toenames in de verkeersdruk. De verwachting is niet dat de nu voorziene woningen binnen Mastenbroek 2 zullen zorgen voor een andere conclusie. Parkeren Uitgangspunt is dat het benodigde parkeren in het plangebied zelf wordt opgelost. Daarom is als onderdeel van het stedenbouwkundig plan een parkeerbalans opgesteld, zie navolgend gepresenteerd. Een privé-plaats op eigen terrein (ook wanneer daarvan sprake is in een gebouwde parkeervoorziening) telt maximaal mee als 0,8 parkeerplaats per plek. Voor elke privéparkeerplaats (die als 0,8 meetelt) dient ook 0,2 parkeerplaats in openbaar gebied gecompenseerd te worden.

11

SAB (2021). Onderzoek agrarisch geur. Achterveld, Masterbroek II. Projectnummer: 200198.01. 24 juni 2021. 36

In deze normen is een bezoekersvraag van 0,3 parkeerplaats per woning verdisconteerd. Voor deze doelgroep moet parkeerruimte in het openbaar gebied gerealiseerd worden. Er is ruimte voor maatwerk onder de voorwaarde dat parkeeraanbod en parkeervraag voor de locatie als geheel met elkaar in evenwicht is. Parkeren wordt zoveel mogelijk opgelost op eigen terrein. Het parkeren wordt zo opgelost dat dit niet dominant is in de openbare ruimte. In deelgebieden met hogere woondichtheden wordt gedacht aan aparte parkeerkoffers in het groen tussen de woningen. In de regels van dit bestemmingsplan worden de parkeernormen juridischplanologisch vastgelegd. Dit betekent dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen getoetst zal worden of het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Daarmee wordt gesteld dat het aspect ‘parkeren’ voldoende in dit plan is gewaarborgd.

37

5

Juridische planbeschrijving

5.1

Algemeen

5.1.1

Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemming splan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1 de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en 2 de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (bouwvergunning) en regels voor het verrichten van ‘werken’ (aanlegvergunning). Een bestemmingsplan regelt derhalve: 1. het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: 2. het bebouwen van de gronden; 3. het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.

Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van het ruimtelijke beleid.

5.1.2

Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in het bijhorende regel worden gegeven.

5.1.3

Hoofdstukopbouw van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. In onderhavig plan betreft het acht bestemmingen. Elk artikel kent de volgende opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmings-

38

omschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsen wijzigingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels en overige regels. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2 Dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.1

Bijzonderheden in dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan kent de bestemmingen ‘Bedrijf’, ‘Groen’, ‘Verkeer’ ‘Water’ en ‘Wonen'. Daarnaast heeft het bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie middelhoge archeologische verwachting’. In de bestemmingsregeling van dit bestemmingsplan is zo veel mogelijk aan gesloten bij de regelingen uit het bestemmingsplan ‘Groot Agteveld - Woongebied'. Bedrijf De bestaande brandweerkazerne heeft net zoals in het geldende bestemmingsplan ’Achterveld 2014’ de bestemming ‘Bedrijf’ toegekend gekregen met de aanduidingen ‘brandweerkazerne’ en ‘bedrijf tot en met categorie 2’. Gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gerealiseerd en voldoen aan de aangegeven maximum goot- en bouwhoogte. Ook is een maximum bebouwingspercentage op de verbeelding opgenomen. Groen Het in het plangebied voorkomende (openbaar) groen is als zodanig bestemd. Binnen deze bestemming zijn onder andere groen- ontsluitings-, parkeer-, water- en speelvoorzieningen toegestaan. Wat betreft bouwwerken zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan met een maximum bouwhoogte van 3 meter.

39

Verkeer De ontsluitingsstructuur van het plan is voorzien van de bestemming ‘Verkeer’. Hier zijn voornamelijk wegen, straten, wandel- en fietspaden toegestaan, maar ook parkeer-, groen-, speel- en watervoorzieningen. Voor het oprichten van bouwwerken zijn bouwregels opgenomen. Ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ zijn bijgebouwen ten behoeve van het wonen toegestaan. Water De nieuwe watergang aan de noordrand van het plangebied heeft de bestemming ‘Water’ toegekend gekregen. Hier zijn watergangen en andere waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Verder zijn hier uitsluitend bouwwerken, zoals duikers, bruggen en kademuren toegestaan met een maximum bouwhoogte van 3 meter. Wonen De woonvlakken in het plangebied behoren tot de bestemming 'Wonen'. In totaal mogen er maximaal 200 woningen in het plangebied worden gerealiseerd. De woningen mogen dus verdeeld worden over de opgenomen bouwvlakken. Uitgangspunt is dat overal grondgebonden woningen zijn toegestaan. Enkel ter plaatse van de aanduiding ‘gestapeld’ geldt dat gestapelde woningen zijn toegestaan. Met de aanduiding ‘aaneengebouwd uitgesloten’ worden ter plaatse geen aaneengebouwde woningen toegestaan. Er zijn maximaal 8 woningen in een rij toegestaan. De maximum goot- en bouwhoogte zijn op de verbeelding weergegeven.

Voor de gronden met de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - goothoogte' geldt dat maximaal 50% van de totale gootlengte van een hoofdgebouw 6 m mag bedragen. Daar waar op de verbeelding sprake is van een ‘gevellijn’ moet de voorgevel van de woning in die gevellijn, dan wel tot maximaal 3 meter daarachter worden gebouwd. De woningen met de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - gevellijn' dienen met hun voorgevel in de aangewezen gevellijn te worden gebouwd. Verder zijn nog bouwregels opgenomen voor de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens en het oprichten van bijbehorende en andere bouwwerken. Tot slot is aan een bouwvlak de aanduiding ‘wetgevingszone - voorwaardelijke verplichting’ toegekend. Met deze aanduiding wordt geregeld dat de woningen binnen deze aanduiding niet eerder in gebruik genomen mogen worden dan wanneer binnen de aanduiding ‘milieuzone - geluid' een geluidwerende voorziening is opgenomen. Deze voorziening moet minimaal 3 meter hoog zijn. Verder moet de geluidwerende voorziening zodanig worden gepositioneerd en vormgegeven dat de woningen op de begane grond te maken hebben met een goed woon- en leefklimaat. Dit betekent dat de maximale geluidsbelasting als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van de Meester van Bergenweg 1 in de dagperiode maximaal 70 dB(A) mag zijn, in de avondperiode 65 dB(A) en in de nachtperiode 60 dB(A).

Waarde - Archeologie middelhoge archeologische verwachting Vanuit het geldende bestemmingsplan bestaat een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Deze dubbelbestemming is overgenomen en voorziet in een omgevingsvergunningstelsel waarmee eventueel aanwezige archeologische resten worden beschermd.

40

5.2.2

Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over de begrippen, de wijze van meten, anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, overige regels en overgangsrecht en slotregel. In de overige regels is een bepaling opgenomen inzake het parkeren (inclusief een afwijkingsmogelijkheid). De overige min of meer standaardregels in dit bestemmingsplan worden hier verder niet toegelicht.

41

6

Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:  het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;  het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;  het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek De gronden binnen het plangebied zijn in eigendom van de gemeente en de Alliantie Ontwikkeling. Beide partijen hebben een samenwerkingsovereenkomst getekend ten behoeve van de ontwikkeling en realisatie van Mastenbroek 2. In deze overeenkomst is onder meer opgenomen dat de gemeente en de Alliantie Ontwikkeling een gezamenlijke grondexploitatie voeren.

De grondexploitatie ‘Mastenbroek II’ is op 1 juli 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierbinnen zijn de te maken kosten en dekking volledig georganiseerd. Aangezien het een rendabele ontwikkeling betreft is, worden de te maken kosten volledig gedekt uit de grondverkopen. Dit betekent dat met de voorziene gronduitgifte het verhaal van kosten anderszins voldoende is verzekerd, het plan economisch uitvoerbaar wordt geacht, en het niet noodzakelijk is om een exploitatieplan vast te stellen bij onderhavig bestemmingsplan.

42

7 7.1.1

Procedure Overleg en inspraak Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een uitgebreide omgevingsvergunningprocedure, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschappen en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bouwplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. In deze paragraaf of in een bijlage bij deze toelichting zullen de resultaten van het overleg worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.

7.1.2

Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan zal voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij deze toelichting zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/3155/documents/31858