CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

NRD planMER windenergie Provincie Utrecht_ontwerp.pdf

Raadsvergadering 23 maart 2023, gemeente LeusdenBij agendapunt: 5: RV Zienswijze ontwerp NRD planMER Windenergie14.791 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bosch & van Rijn

Auteurs

Opdrachtgever

Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht 030 – 677 6466

Wouter Verweij Berber Koopmans Martijn Maan

Provincie Utrecht

Notitie Reikwijdte en Detailniveau PlanMER windenergie provincie Utrecht

Notitie Reikwijdte en Detailniveau PlanMER windenergie provincie Utrecht Ontwerp

Datum

8 februari 2023

Versie

Ontwerp versie 1.0

Auteurs

Wouter Verweij Berber Koopmans Martijn Maan

Bosch & Van Rijn Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht Tel: Mail: Web:

030-677 6466 info@boschenvanrijn.nl www.boschenvanrijn.nl

© Bosch & Van Rijn 2023 Behoudens hetgeen met de opdrachtgever is overeengekomen, mag in dit rapport vervatte informatie niet aan derden worden bekendgemaakt. Bosch & Van Rijn BV is niet aansprakelijk voor schade door het gebruik van deze informatie

Notitie Reikwijdte en Detailniveau PlanMER t.b.v. Windenergie Provincie Utrecht

Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

HOOFDSTUK 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7

HOOFDSTUK 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.11 3.12 3.13

HOOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3

BIJLAGE A BIJLAGE B BIJLAGE C

INLEIDING

3

Aanleiding Doel van NRD en planMER Reikwijdte van het planMER M.e.r.-procedure Leeswijzer

3 4 5 5 7

ACTIVITEIT EN ALTERNATIEVEN

8

Inleiding Voorgenomen activiteit Belemmeringenstudie Onderzoeksgebieden Beoordeling van onderzoeksgebieden Thematische alternatieven Referentiesituatie

8 8 9 13 16 16 17

EFFECTBEOORDELING

19

Inleiding Milieuthema’s Leefomgeving: geluid, slagschaduw en gezondheid Ecologie Landschap Cultuurhistorie en archeologie Bodem en water Recreatie Energieproductie Netinpassing Leemten in kennis Mitigerende maatregelen Monitoringsmaatregelen

19 19 20 24 28 29 31 32 33 33 34 34 34

PARTICIPATIE

36

Wat ging aan het planMER vooraf? Doel participatieproces Samenwerking in het verdere proces

36 37 38

FIGUREN VOOR LEZERS MET EEN VISUELE BEPERKING AFKORTINGEN EN BEGRIPPEN ONDERZOEKSGEBIEDEN WINDENERGIE

39 46 51

Inleiding 2

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding De provincie Utrecht heeft op verzoek van Provinciale Staten (PS) een jaar na vaststelling van de Utrechtse Regionale Energiestrategieën (RES) een Tussenbalans RES opgesteld1. Op 21 september 2022 hebben Provinciale Staten van Utrecht de Tussenbalans RES vastgesteld. Deze Tussenbalans is gebaseerd op de monitoringsrapportages van de drie Utrechtse RESsen2. In de Tussenbalans is geconstateerd dat de ontwikkeling van wind en zon op land achterblijft ten opzichte van het doel van 2,4 TWh opwekcapaciteit in 2030 dat is vastgelegd in de RES 1.0. Het feit dat de balans tussen windenergie en zonne-energie is verslechterd baart de provincie zorgen. Een groter aandeel windenergie is nodig om doelbereik in 2030 te vergroten en tegelijkertijd schaarse aansluit- en transportcapaciteit op het elektriciteitsnet te benutten en de maatschappelijke kosten als gevolg van uitbreiding van het elektriciteitsnet zo laag mogelijk te houden. In de Tussenbalans is de gewenste verhouding tussen zonne-energie en windenergie concreet vertaald naar een aandeel van 1 TWh aan windenergie in de provincie Utrecht als invulling van de RES opgave. Naar aanleiding van deze Tussenbalans is de gemeenten gevraagd middels een collegebesluit uiterlijk 1 december 2022 aan te geven voor welke windenergielocaties of zoekgebieden met welke planning planologische procedures worden voorzien of doorlopen.

Met die informatie is een rapportage voortgang windenergie opgesteld voor PS waarin wordt onderbouwd of het totaal aan windlocaties voldoende is om 1 TWh te realiseren, uiterlijk in 2030. Nu blijkt dat onvoldoende zekerheid bestaat over het doelbereik in 2030 zijn Gedeputeerde Staten (GS) voornemens een inpassingsplan- of projectbesluitprocedure te starten voor één of meer windprojecten, in opdracht van PS. Ter voorbereiding op een eventueel inpassingsplan of projectbesluit wordt een plan-m.e.r.-procedure doorlopen en wordt een planMER3 opgesteld. Dit planMER brengt de te verwachten milieueffecten van de plaatsing van windturbines in beeld. Bij de start van deze procedure wordt een kennisgeving gedaan als bedoeld in art. 7.9 Wet milieubeheer (Wm) en worden adviseurs en betrokken bestuursorganen geraadpleegd als bedoeld in art. 7.8 Wm. Met het oog daarop hebben GS het initiatief genomen een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) op te stellen, ter voorbereiding op een planMER. Deze NRD is de eerste stap in de plan-m.e.r.-procedure.

1 2 3

Zie: PS2022MM46-02-1-Tussenbalans-Regionale-Energie-Strategieen-provincie-Utrecht-Q2-2022.pdf De drie RES regio’s in de provincie Utrecht zijn U16, Amersfoort en (een gedeelte van) Foodvalley. Met de schrijfwijze plan-m.e.r. wordt gedoeld op het instrument en de procedure. Met de schrijfwijze planMER wordt het rapport bedoeld, het resultaat van de procedure. Vandaar dat in de NRD afwisselend wordt verwezen naar de plan-m.e.r. en het planMER. Het rapport wordt getoetst door de onafhankelijke Commissie voor de m.e.r.

3

Zie Bijlage B voor een duiding van de gehanteerde begrippen in de NRD en het planMER. Figuur 1

Begrenzing (delen van) RES gebieden in Provincie Utrecht

1.2

Doel van NRD en planMER Het doel van het opstellen en publiceren van een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) is betrokkenen en belanghebbenden te informeren over de afbakening en diepgang (reikwijdte en detailniveau) van het op te stellen milieueffectrapport (MER) dat wordt opgesteld door de provincie Utrecht. Met de terinzagelegging van de ontwerp NRD worden betrokkenen en belangstellenden geïnformeerd en wordt hen de gelegenheid gegeven om een reactie in te dienen. De opgehaalde reacties kunnen vervolgens worden meegenomen bij de uitvoering van de onderzoeken in het kader van het planMER. Het planMER betreft een strategische milieubeoordeling in de zin van de Europese SMB richtlijn (die is geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r.) en is bedoeld om vroegtijdig het milieubelang mee te kunnen wegen bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen. Voor provincie Utrecht gelden de volgende specifieke doelen:  Milieueffecten van windenergie in de verschillende onderzoeksgebieden in kaart brengen zodat mede op basis daarvan een nadere afweging en prioritering van onderzoeksgebieden kan plaatsvinden.  Onderbouwing van locatiekeuze waarvoor inpassingsplan- of projectprocedure wordt gestart.

4

Mede met behulp van de informatie uit het planMER kunnen voorkeursgebieden worden geselecteerd waarmee, rekening houdend met de bestaande opwekcapaciteit voor windenergie en pijplijnprojecten, het opwekdoel van 1.0 TWh in 2030 kan worden gehaald. Bij de afweging van voorkeursgebieden speelt niet alleen het milieubelang een rol maar worden ook de uitkomsten van het participatieproces betrokken en wordt rekening gehouden met (eerdere) besluitvorming door gemeenten. Het resultaat, in de vorm van een planMER kan, indien gewenst, vervolgens ook worden gebruikt bij de voorbereiding van overige plannen zoals een gemeentelijke omgevingsvisie, een (gedeeltelijke herziening van het) omgevingsplan, herijking van een RES 1.0 of een mogelijke herziening van de provinciale omgevingsvisie en/of omgevingsverordening.

1.3

Reikwijdte van het planMER Met het planMER worden de milieugevolgen van een inpassingsplan of projectbesluit voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een windpark onderzocht. Het planMER beperkt zich tot onderzoek naar de milieugevolgen van windenergie. Aan de hand van dat onderzoek kan worden bepaald welke onderzoeksgebieden in de provincie Utrecht meer of minder geschikt zijn voor de ontwikkeling van windenergie, of geschikt te maken zijn na het treffen van maatregelen. De milieugevolgen betreffen ruimtelijk relevante milieugevolgen die optreden in de gebruiksfase. Het gaat om effecten op de fysieke leefomgeving. Tijdelijke effecten die kunnen optreden tijdens de bouwfase worden in het planMER niet beschouwd. Dat is niet passend bij het detailniveau van een planMER. Naast het beoordelen van milieugevolgen (negatieve effecten) worden ook effecten op het bereik van overige beleidsdoelen beoordeeld zoals de mogelijkheden voor het combineren van netaansluitingsmogelijkheden met grondgebonden zonnevelden. Verder worden overige effecten onderzocht zoals de impact op het elektriciteitsnet. Met behulp van de verkregen inzichten uit het planMER stelt het bevoegd gezag, GS van Utrecht, een voorkeursalternatief (VKA) samen.

Het planMER is een van de bronnen die input geeft voor dat voorkeursalternatief, naast andere input zoals het participatietraject met gemeenten en overige stakeholders. Verder is de afweging van een voorkeursalternatief ook een politieke beslissing waarbij rekening wordt gehouden met gemeentelijk beleid en bestuurlijke afspraken. Meer informatie over afstemming met gemeenten en RES regio’s is te vinden in Hoofdstuk 4.

1.4

M.e.r.-procedure

1.4.1

Juridische grondslag m.e.r.- procedure Het huidig wettelijk kader bestaat uit de Wet milieubeheer (Wm), het Besluit milieueffectrapportage en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) vervalt de huidige wetgeving waarin MER en m.e.r.5

(beoordelings)procedures zijn geregeld. Daarvoor in de plaats komt een nieuw wetgevingsstelsel. In tegenstelling tot de huidige limitatieve opsomming van kaderstellende planm.e.r.-(beoordelings)plichtige plannen, kent de Ow conform de SMB4-richtlijn een algemene omschrijving. De planMER plicht is van toepassing op omgevingsvisies, omgevingsplannen, het programma en de voorkeursbeslissing5, in het geval deze kaderstellend zijn voor m.e.r.-(beoordelingsplichtige) activiteiten. Afdeling 16.4 Ow en hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit bevatten de regelgeving over de milieueffectrapportage. Het doel van milieueffectrapportage (m.e.r.) is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over dergelijke activiteiten. De activiteiten waarvoor dit van toepassing is, zijn gegeven in bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). De vereisten voor de inhoud van een planMER staan beschreven in artikel 11.3 van het Omgevingsbesluit. De aparte kennisgeving van het voornemen een MER op te stellen en de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen op het voornemen tot het opstellen van een MER, zoals opgenomen in de Wet milieubeheer (Wm), zijn niet opgenomen in de Omgevingswet en/of Omgevingsbesluit. Omdat voor de m.e.r.-procedure geen overgangsrecht is geregeld, en de procedure nu start, wordt een kennisgeving gedaan op grond van de Wm.

Wat onder de huidige wetgeving en de Omgevingswet gelijk blijft is dat bij de start van de m.e.r.-procedure de wettelijke overlegpartners moeten worden geraadpleegd over de reikwijdte en het detailniveau voor het MER. De notitie die daarvoor wordt opgesteld (ontwerp NRD) wordt tevens gebruikt voor de kennisgeving. De ontwerp NRD wordt voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om een reactie te geven (zienswijzen). Gedurende de zienswijzenperiode wordt tevens vrijwillig advies gevraagd aan de Commissie voor de milieueffectrapportage.

1.4.2

Betrokken partijen Over de reikwijdte en het detailniveau van de informatie in het milieueffectrapport raadpleegt het bevoegd gezag de andere bestuursorganen en instanties. Uiterlijk op het moment van terinzagelegging van de NRD (vrijwillig) en het milieueffectrapport (verplicht in geval van een planMER) stelt het bevoegd gezag de Commissie voor de milieueffectrapportage in de gelegenheid hierover te adviseren. Initiatiefnemer De initiatiefnemer van het planMER t.b.v. windenenergie is het college van Gedeputeerde Staten van Utrecht (kortweg GS).

4 5

Smb: strategische milieubeoordeling Art. 16.34 lid 2 Ow

6

Bevoegd gezag GS van Utrecht zijn bevoegd gezag voor windenergieprojecten met een opgesteld vermogen van ten minste 5 MW6. Als GS gebruik maakt van deze bevoegdheid moet GS voor ruimtelijke besluitvorming over windenergie, onder de Omgevingswet, de projectprocedure volgen. Het resultaat moet worden vastgelegd in een projectbesluit. Onder de huidige Wro zijn PS bevoegd gezag voor vaststelling van een inpassingsplan en daarmee ook bevoegd gezag voor het planMER. Overlegpartners Alle organisaties en bestuursorganen die op grond van de Omgevingswet/Wet milieubeheer een rol hebben worden betrokken. Dit zijn in elk geval alle 26 gemeenten in de provincie Utrecht, de RES-regio’s, Rijkswaterstaat, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Stedin, Gasunie, Waterschap De Stichtse Rijnlanden, Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, Waterschap Rivierenland, Waterschap Vallei & Veluwe, Veiligheidsregio Utrecht en GGD regio Utrecht. Daarnaast moet het dagelijks bestuur van aangrenzende gemeenten en provincies worden geïnformeerd in verband met eventuele grensoverschrijdende milieueffecten. Commissie voor de milieueffectrapportage De onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage (Cie. m.e.r.) beoordeelt zowel de ontwerp NRD als het definitieve planMER op juistheid en volledigheid. Op grond van de m.e.r.-wetgeving is toetsing van het planMER door de onafhankelijke Cie. m.e.r.

verplicht. Advies over de reikwijdte en het detailniveau vindt op vrijwillige basis plaats. De Cie. M.e.r. brengt advies uit aan het bevoegd gezag. Overige belanghebbenden In de fase van de tervisielegging van deze ontwerp NRD kiest de provincie ervoor eenieder de gelegenheid te bieden zienswijzen kenbaar te maken via schriftelijke reacties. In Hoofdstuk 4 is beschreven hoe het participatieproces in het kader van de NRD, het planMER en de projectprocedure wordt uitgevoerd.

1.5

Leeswijzer Voorliggende notitie bestaat uit vier hoofdstukken. Hoofdstuk 2 gaat in op de voorgenomen activiteit en de alternatieven. Hoofdstuk 3 gaat in op de te onderzoeken onderwerpen en de te hanteren beoordelingscriteria. In Hoofdstuk 4 wordt een toelichting gegeven op het beoogde participatieproces. Bijlage A bevat alternatieve versies van een aantal belangrijke figuren t.b.v. lezers met een visuele beperking. Bijlage B bevat een lijst van begrippen die in de NRD en het planMER worden gebruikt. In Bijlage C zijn de onderzoeksgebieden samengevat.

6

Dit volgt uit artikel 9e eerste lid Elektriciteitswet 1998

7

Hoofdstuk 2 Activiteit en alternatieven 2.1

Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de activiteiten en alternatieven voor het planMER Windenergie Utrecht. Het doel is om voor het einde van 2030 ten minste 1 TWh duurzame elektriciteit op te wekken met windenergie in de provincie Utrecht. Begin 2023 is in provincie Utrecht 34 MW opgesteld vermogen aan windturbines aanwezig7, goed voor een opwekcapaciteit van 0,076 TWh aan windenergie. Er zijn twee projecten waarvoor besluitvormingsprocedures zijn gestart of waarvoor een vergunning is verleend: Windpark Goyerbrug (gemeente Houten) en Energielandschap Rijnenburg en Reijerscop (gemeente Utrecht). Daarnaast is een m.e.r.-beoordelingsbeslissing genomen voor windturbines op De Isselt in Amersfoort. Rekening houdend met deze lopende projecten, samen goed voor circa 0,21 TWh, bedraagt de resterende opgave tot 2030 circa 0,71 TWh aan opwekcapaciteit voor windenergie. Het planMER wordt in verband met deze opgave uitgevoerd. Ruimtelijke besluitvorming over individuele projecten kan ofwel door gemeenten ofwel door provincie Utrecht worden uitgevoerd. Het planMER onderzoekt de milieueffecten van de activiteit en vergelijkt de verschillende onderzoeksgebieden met de referentiesituatie en met elkaar.

De resultaten van dit milieueffectenonderzoek dienen als input voor de zogeheten voorkeursbeslissing (vrijwillige stap in projectprocedure onder de Omgevingswet) en één of meer op te stellen projectbesluiten. Het afgeronde MER kan tevens dienen als planMER voor ruimtelijke besluitvorming door gemeenten en kan dienen als onderlegger of bouwsteen voor een volgende of herijkte RES.. In de volgende paragrafen wordt dieper ingegaan op de referentiesituatie, de te onderzoeken activiteit en de totstandkoming van alternatieven. De beoordeling van effecten in het planMER vindt plaats in twee stappen. Eerst worden effecten van alle onderzoeksgebieden in beeld gebracht. Vervolgens worden thematische alternatieven samengesteld en beoordeeld. Deze alternatieven bestaan uit een verzameling onderzoeksgebieden.

2.2

Voorgenomen activiteit De voorgenomen activiteit betreft de grootschalige opwek van elektriciteit met behulp van windturbines in de provincie Utrecht. Moderne windturbines kunnen jaarlijks meer dan 20 GWh aan elektriciteit produceren, hetgeen gelijk staat aan het jaarlijks elektriciteitsverbruik van circa 6.000 huishoudens. De specifieke productie is afhankelijk van de grootte van de windturbine en de omstandigheden op de betreffende locatie.

7

Bron: www.windstats.nl

8

Om een realistisch beeld te krijgen van de milieueffecten van moderne windturbines worden in het planMER grote, op de Nederlandse markt verkrijgbare windturbines beschouwd. De milieueffecten worden onderzocht aan de hand van een referentiewindturbine met een rotordiameter van 162 m, een ashoogte van 160 en een tiphoogte van 241 m. Een referentieturbine met deze afmetingen is tevens gebruikt voor de inventarisatie van potentiële onderzoeksgebieden (belemmeringenstudie) Het feit dat in het planMER gebieden worden onderzocht met modellering aan de hand van een referentieturbine met bepaalde afmetingen, betekent niet dat met de toekomstige ruimtelijke plannen of omgevingsvergunningen enkel windturbines van deze omvang mogelijk zullen zijn. Het onderzoek is bedoeld voor de afweging van locaties en representatief voor de huidige stand van de techniek. In het kader van het planMER is het niet nodig om per onderzoeksgebied verschillende afmetingen windturbines te onderzoeken gezien het hier gaat om vergelijking van gebieden ten opzichte van elkaar. Verdiepend onderzoek naar milieueffecten van verschillende mogelijke opstellingen en afmetingen per onderzoeksgebied vindt in een later stadium plaats, in het kader van besluitvorming over individuele projecten waarvoor (vanaf 2 windturbines) een m.e.r.-beoordeling of een vrijwillig projectMER8 wordt uitgevoerd.

Dit onderzoek kan ook worden uitgevoerd in een fase waarin een ontwikkelaar of coöperatie betrokken is. In het planMER ligt de focus op grootschalige opwek met behulp van windenergie. Om die reden worden milieueffecten van kleine windturbines niet onderzocht (kleine windturbines zoals bedoeld in artikel 5.3 van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht, soms ook wel agrarische windturbines genoemd). Deze turbines zijn niet m.e.r.-beoordelingsplichtig en hebben alleen effecten op zeer lokale schaal. Uiteraard telt de opwekcapaciteit – mits de windturbine een vermogen van 15 kW of meer heeft – wel mee in het kader van de RES doelstelling. Naast de ontwikkeling van productie-installaties voor lokale opwek van elektriciteit spelen energieopslagsystemen een steeds grotere rol in het energiesysteem. Milieueffecten van energieopslagsystemen worden in dit planMER niet onderzocht. In de voorkeursbeslissing wordt geen richting gegeven aan locaties waar deze systemen meer of minder geschikt zijn. Per project moet worden beoordeeld op welke wijze een energieopslagsysteem, als dat deel uitmaakt van het voornemen, het beste ruimtelijk kan worden ingepast.

2.3

Belemmeringenstudie De mogelijkheden voor windturbines worden ruimtelijk beperkt doordat afstand tot verschillende objecten en functies moet worden aangehouden. Enkele voorbeelden hiervan zijn de afstand tussen windturbines en hoogspanningsverbindingen, spoorwegen en buisleidingen. In verband met de begrenzing van het plangebied voor het planMER is voor woningen en ander gevoelige objecten eveneens een 8

Een planMER betreft een MER dat wordt opgesteld voor kaderstellende plannen, zoals visies, verordeningen en een omgevingsplan. Een projectMER wordt opgesteld voor besluiten over m.e.r.-plichtige activiteiten, zoals vergunningen. Voor besluiten over windparken tot 20 windturbines geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor windparken van 20 windturbines of meer is sprake van een projectm.e.r.-plicht. Een plan-m.e.r.-plicht geldt voor alle kaderstellende plannen, zowel voor m.e.r.-beoordelingsplichtige als project-m.e.r.-plichtige activiteiten.

9

minimale afstand aangehouden waarbinnen naar verwachting geen ontwikkeling van windenergie mogelijk is, in dit geval vanwege onaanvaardbare effecten op het woon- en leefklimaat. Voorafgaand aan de start van de m.e.r.-procedure heeft provincie Utrecht een inventarisatie9 laten uitvoeren naar potentiële onderzoeksgebieden voor windenergie. Deze inventarisatie vormt tevens het vertrekpunt voor het planMER. De in die inventarisatie gehanteerde belemmeringen (voor het kunnen ontwikkelen van windturbines) en buffers tot objecten en functies vormen tevens het vertrekpunt voor het planMER. De belemmeringen zijn daarom hieronder toegelicht. Deze eerste stap zorgt er in grote mate voor dat er geen geschikte onderzoeksgebieden over het hoofd worden gezien en dat in het planMER geen op voorhand technisch onhaalbare onderzoeksgebieden en onderzoeksgebieden met complexe belemmeringen worden meegewogen.

2.3.1

Harde belemmeringen voor windturbines De belemmeringenanalyse bevat de volgende onderwerpen:

Tabel 1

Belemmeringenanalyse  Woningen en andere geluidgevoe-

lige objecten*  Overige bebouwing: panden  Rijks-, spoor en vaarwegen  Luchtvaartrestrictievlakken

    

Hoogspanningsinfrastructuur Buisleidingen (zoals aardgasleidingen) Bestaande windturbines (referentiesituatie) Natura 2000-gebieden Ganzenrustgebieden

* Geluidgevoelige objecten zijn objecten met een woon-, zorg- of onderwijsfunctie die als zodanig aangemerkt staan in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), alsmede ligplaatsen voor woonschepen en staanplaatsen.

Rondom belemmeringen die zich in of nabij de onderzoeksgebieden voor windenergie bevinden, worden minimale afstanden (buffers) aangehouden die volgen uit of zijn afgeleid van wet- en regelgeving. Deze bufferafstanden staan beschreven in Tabel 2. De referentiewindturbine is schematisch weergegeven in Figuur 4. Tabel 2 Toelichting afstanden harde belemmeringen voor windenergie Belemmering Toelichting Woningen en anVoor woningen en andere geluidsgevoelige objecten gelden geen wetdere geluidsgevoetelijke minimumafstanden tot windturbines. In 2023 treden naar verlige objecten, buiten wachting nieuwe landelijke windturbinebepalingen in werking waarde bebouwde kom mee geluid, slagschaduwduur en externe veiligheidseffecten van windturbines worden genormeerd. Bij een afstand kleiner dan 300 meter tussen windturbines en woningen kan naar verwachting niet aan normen met betrekking tot geluid, slagschaduw en externe veiligheid worden voldaan. In het planMER zijn alle verblijfsobjecten die in het BAG een woon-, zorg- of onderwijsfunctie hebben als geluidsgevoelige objecten beschouwd. Woningen en anDe mate waarin een windpark tot (al dan niet toelaatbare) hinder leidt dere geluidsgevoeis locatie-specifiek maatwerk, dat onder andere afhangt van het aantal geluidsgevoelige objecten in de omgeving. Nabij gebieden met een dichte bewoning zal een windpark eerder tot meer hinder leiden. Om

9

Afstand 300 m

400 m

https://www.stateninformatie.provincie-utrecht.nl/documenten/Overig-1/PS2022MM46-09-8-Potentiele-onderzoeksgebieden-windenergie-Provincie-Utrecht-220704.pdf

10

Belemmering lige objecten, binnen de bebouwde kom

Overige bebouwing: panden

Rijkswegen

Spoorwegen Vaarwegen

HoogspanningsInfrastructuur

Buisleidingen

Bestaande/geplande windturbines

Bouwhoogtebeperkingen luchtvaart

Toelichting deze reden is er een aanvullende minimumafstand tot woningen en overige geluidsgevoelige objecten binnen de bebouwde kom gehanteerd. In het Provinciaal Programma Wonen en Werken (2021) en in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie/ Provinciale Ruimtelijke Verordening (2016) zijn uitbreidingslocaties wonen opgenomen. Omdat de woningbouwplannen in deze gebieden vergevorderd zijn, is een afstand van 400 meter tot deze gebieden tevens als harde belemmering beschouwd. Overige panden vormen een harde belemmering omdat een windturbine vanzelfsprekend niet op het pand kan komen te staan. Omdat overdraai van windturbines boven overige bebouwing niet bij voorbaat is uitgesloten, is tot panden geen bufferafstand aangehouden. Langs rijkswegen wordt op basis van een Beleidsregel van Rijkswaterstaat plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van een halve rotordiameter, met een minimum van 30 meter uit de rand van de verharding. ProRail hanteert een afstandseis van 11 meter + ½ x rotordiameter (met een minimum van 30m) vanaf het hart van het buitenste spoor. De beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatswerken schrijft een minimale afstand tot de rand van de vaarweg voor van ten minste de helft van de rotordiameter, voor vaarwegen waarvoor Rijkswaterstaat vaarwegbeheerder is.

Tennet heeft in het Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW 2020) een adviesafstand opgenomen voor het transportnetwerk van 110 kV tot en met 380 kV. Deze afstand is gelijk aan de maximale werpafstand bij nominaal toerental of indien deze groter is, de ashoogte + ½ rotordiameter (in het planMER is 241m aangehouden). Deze adviesafstand geldt niet als harde eis, kleinere afstanden zijn in overleg met Tennet bespreekbaar. Voor het MER is uitgegaan van een minimumafstand gelijk aan de tiphoogte van het referentiewindturbinetype. Handreiking Risicozonering Windturbines 2020 houdt voor ondergrondse gasleidingen als risicoafstand de grootste waarde aan van: De tiphoogte De maximale werpafstand bij nominaal toerental Deze risicoafstand geldt niet als harde eis, kleinere afstanden zijn in overleg met de leidingbeheerder bespreekbaar, mits wordt aangetoond dat geen ontoelaatbare veiligheidsrisico’s optreden. Voor het planMER is uitgegaan van een afstand ter grootte van een halve rotordiameter tot de buisleiding. Om verhoogde slijtage als gevolg van turbulentie en een verminderde elektriciteitsopbrengst te vermijden dient een minimumafstand tussen windturbines te worden aangehouden. Deze is niet vastgelegd in wetof regelgeving, maar wordt door fabrikanten en ontwikkelaars wel vereist bij realisatie van nieuwe windparken.

Voor het planMER is uitgegaan van een minimale onderlinge tussenafstand van 3 maal de rotordiameter, in dit geval dus 486 meter. Nabij luchthavens, radarposten voor defensie en nabij opstellingen met communicatie en navigatieapparatuur gelden vlakken waarbinnen een bouwhoogtebeperking van toepassing is. Na toetsing door het bevoegd gezag kan soms van deze bouwhoogtebeperkingen worden afgeweken; de kansrijkheid tot afwijken verschilt per bouwhoogtebeperkingsvlak. Bouwhoogtebeperkingsvlakken waarbinnen een zeer kleine kans op afwijken wordt verwacht zijn in dit planMER als harde belemmeringen beschouwd. Het gaat daarbij om bouwhoogtebeperkingsvlakken die dichtbij de luchthaven liggen: met name binnen deze vlakken zullen naar verwachting relatief veel vliegtuigen laag vliegen. Bouwhoogtebeperkingsvlakken waarbinnen een grotere kans op afwijken wordt verwacht (omdat deze bouwhoogtebeperkingsvlakken relatief verder van de luchthaven liggen) zijn in dit planMER niet als harde

Afstand

n.v.t.

½ x rotordiameter

½ x rotordiameter + 11 m ½ x rotordiameter

ashoogte + ½ rotordiameter

½ x rotordiameter

3 x rotordiameter

½ x rotordiameter

11

Belemmering

Natura 2000-gebieden

Ganzenrustgebieden

Waterwingebied

2.3.2

Toelichting belemmeringen beschouwd. Binnen de provincie Utrecht geldt dat rekening moet worden gehouden met dergelijke bouwhoogtebeperkingen rond luchthaven Hilversum, opgenomen in de Verordening luchthavenbesluit Hilversum en de Omgevingsverordening Noord-Holland. De Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staat het ontwikkelen van windturbines in Natura 2000-gebieden niet toe. Om overdraai over een Natura 2000-gebied uit te sluiten is een afstand van een halve rotordiameter tot deze gebieden als harde belemmering beschouwd. De Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staat het ontwikkelen van windturbines in ganzenrustgebieden niet toe. Om overdraai over een ganzenrustgebied uit te sluiten is een afstand van een halve rotordiameter tot deze gebieden als harde belemmering beschouwd. Binnen de waterwingebieden bevinden zich onttrekkingsputten waarmee grondwater voor de bereiding van drinkwater wordt onttrokken. De Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht staat binnen waterwingebieden geen activiteiten toe die een risico vormen voor de kwaliteit van het grondwater, zoals het verstoren van de bodem. Omdat de fundering van een windturbine naar alle waarschijnlijkheid wel tot een dergelijke verstoring zal leiden, zijn de waterwingebieden als harde belemmering beschouwd.

Afstand

½ x rotordiameter

½ x rotordiameter

n.v.t.

Complexe belemmeringen provincie Utrecht Naast ‘harde’ belemmeringen op grond van landelijk beleid en normstelling wordt bij de locatieafweging voor windenergie tevens rekening te worden gehouden met enkele overige belemmeringen voor windenergie. Dit betreft gebieden waar de ontwikkeling van windenergie niet is uitgesloten maar waar wel een beperkende werking uitgaat van overige (provinciale) beschermingsregimes. Het betreft gebieden waar opgaven liggen om specifieke natuurwaarden, cultuurhistorische waarden en/of recreatieve waarden te behouden. Inpassing van windenergie in dergelijke gebieden is complex, vraagt veel onderzoek en kent een lange doorlooptijd. Gelet op het feit dat de opgave voor 2030 volgens afspraken in het kader van de RES 1.0 voor het einde 2024 moet zijn vergund ligt het niet voor de hand om deze gebieden mee te nemen in een provinciebrede onderzoeksgebieden (tenzij een van de gemeenten daarvoor een verzoek heeft ingediend, zie paragraaf 2.4). Ze zijn waarschijnlijk ook niet nodig om de doelstelling te behalen, de verwachting is dat het resterende plangebied voldoende onderzoeksruimte en keuzemogelijkheden biedt voor windenergie. Om bovengenoemde redenen is gekozen om gebieden als benoemd in Tabel 3 als complexe belemmeringen te beschouwen.

Tabel 3 Complexe belemmeringen Belemmering Toelichting Natuurnetwerk NeBinnen het Natuurnetwerk Nederland, als begrensd in de Provinciale Omderland (NNN) gevingsverordening, gelden regels met het oog op natuurbescherming, het in stand houden en versterken van een robuust netwerk van natuurgebieden en het behouden en versterken van de biodiversiteit. WeidevogelkerngeGebieden waar op grond van de provinciale Omgevingsverordening inbieden spanningen voor het behoud en beheer van weidevogels en weidevogelgebied zijn geconcentreerd. Stiltegebieden Binnen stiltegebieden gelden regels voor behoud van rust en het weren van gebiedsvreemd geluid met het oog op het beleven van de rust door mens en dier. De ‘stille kern’ en ‘bufferzone stiltegebied’, als begrensd in

Afstand ½ x rotordiameter

½ x rotordiameter n.v.t.

12

Belemmering

Unesco Werelderfgoed Hollandse Waterlinies

Toelichting de Interim Omgevingsverordening, zijn in deze studie als complexe belemmering beschouwd. Het Afwegingskader Energietransitie Hollandse Waterlinie bevat een zonering die een risico aangeeft op aantasting van kernkwaliteiten van de Hollandse Waterlinies bij de ontwikkeling van windenergie. Het afwegingskader sluit geen gebieden uit maar geeft inzicht in de kansrijkheid. De in het Afwegingskader begrensde rode en oranje zones zijn getypeerd als belemmeringengebied voor het planMER.

Afstand

½ x rotordiameter

Hieronder is de kaart met belemmeringen weergegeven die tot stand is gekomen aan de hand van belemmeringen uit bovenstaande tabellen 1 en 2. Deze kaart laat zien waar windturbines op voorhand niet worden onderzocht in het planMER en geeft daardoor ook inzicht in de resterende gebieden die gezamenlijk het plangebied vormen voor het planMER. Dit betekent niet dat de ontwikkeling van windenergie is uitgesloten in gebieden die in het planMER als belemmeringengebied zijn beschouwd. Het provinciaal ruimtelijk beleid, vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening, is leidend voor ruimtelijk ontwikkelingen. Figuur 2

Gebieden met harde of complexe belemmeringen voor windturbines, al lopende projecten en resterende ruimte

2.4

Onderzoeksgebieden Na de begrenzing van het belemmeringengebied resteren gebieden die gezamenlijk worden beschouwd als onderzoeksgebieden voor windenergie. Om onderzoeksopstellingen te modelleren en gebieden te kunnen vergelijken is een logische begrenzing van onderzoeksgebieden gekozen. In het planMER worden alle mogelijke onderzoeksgebieden voor windenergie onderzocht waarna vervolgens alternatieven

13

(verschillende groepen van onderzoeksgebieden die samen een invulling aan de opgave zouden kunnen geven) worden samengesteld en beoordeeld. Aan de potentiële onderzoeksgebieden uit de reeds uitgevoerde belemmeringenstudie zijn onderzoeksgebieden toegevoegd die door gemeenten of waterschappen zijn aangedragen bij de provincie met de vraag om deze in het planMER mee te nemen. Ook zijn in overleg met Rijkswaterstaat gebieden toegevoegd omdat ze samen met gemeenten en provincie worden verkend in het kader van het programma Opwek van Energie op Rijksvastgoed (OER project A28): 1. Windlocaties die op verzoek van gemeenten zijn toegevoegd aan de NRD. Het gaat hierbij om locaties waarvoor gemeenten een voorkeur uitspreken of die uit eerder doorlopen participatieprocessen naar voren zijn gekomen. Het kan zijn dat deze locaties in de belemmeringstudie buiten de onderzoeksgebieden zijn gevallen, bijvoorbeeld vanwege ligging of opwekpotentie. Op verzoek van gemeenten worden deze locaties toegevoegd. 2. Windlocaties die deel uitmaken van een gemeentelijk planMER. Gebieden uit een gemeentelijk planMER die nog geen deel uitmaakten van de studie van de provinciale belemmeringenstudie zijn toegevoegd aan de lijst met onderzoeksgebieden. Dit betreft locaties in gemeente Utrecht en gemeente Vijfheerenlanden.

Voor zover deze locaties overlappen met onderzoeksgebieden zoals die in de belemmeringenstudie van de provincie zijn begrensd, wordt de begrenzing van de provincie aangehouden. Deze gebieden worden toegevoegd om het provinciale planMER zo compleet mogelijk te maken. Beoordeling van onderzoeksgebieden in het provinciale planMER staat los van de beoordeling in een gemeentelijk planMER omdat sprake is van verschillen in begrenzing van gebieden en beoordelingscriteria. Bij de samenstelling van het voorkeursalternatief wordt rekening gehouden met besluitvorming over gemeentelijke planMERren en de gemeentelijke plannen en besluiten waarvoor die planMERren zijn uitgevoerd. In Bijlage C is ter informatie een tabel opgenomen waarin alle onderzoeksgebieden die deel uitmaken van het planMER zijn opgesomd. In de kolom ‘toelichting’ is inzichtelijk gemaakt of het onderzoeksgebied voortkomt uit de provinciale inventarisatie of daaraan is toegevoegd. In het planMER hebben alle onderzoeksgebieden dezelfde status. Er wordt geen onderscheid gemaakt in status of herkomst van onderzoeksgebieden, de milieueffecten van alle gebieden binnen de provincie worden op eenzelfde manier inzichtelijk. Dat betekent niet dat de context en historie van de totstandkoming van gebieden niet wordt betrokken bij de uiteindelijke afweging.

Dit vindt echter pas plaats in de fase van de afweging van het voorkeursalternatief en de samenstelling van de provinciebrede voorkeursbeslissing.

14

Figuur 3

Begrenzing plangebied MER: onderzoeksgebieden windenergie

Bij de start van het planMER kan blijken dat bepaalde onderzoeksgebieden toch geen ruimte blijken te bieden voor windturbines of dat onderzoek en beoordeling van effecten in bepaalde gebieden niet doelmatig is. In dat geval zal het planMER hiervan een gedegen onderbouwing bevatten. NB: Het feit dat gebieden deel uitmaken van het planMER betekent niet dat dergelijke gebieden automatisch in beeld komen voor daadwerkelijke plaatsing van windturbines: dat is een keuze die pas in de fase van de afweging van het voorkeursalternatief en de voorkeursbeslissing wordt gemaakt. De keuze wordt mede op basis van de resultaten van het planMER gemaakt,.

2.4.1

Onderzoeksgebieden en onderzoeksopstellingen Om milieueffecten te kunnen onderzoeken wordt in het planMER gewerkt met indicatieve lijn opstellingen of clusteropstellingen met windturbines. Deze modellering van opstellingen is indicatief maar wel noodzakelijk om effecten te kunnen beoordelen en opwekpotentie per onderzoeksgebied inzichtelijk te maken. Voor alle onderzoeksgebieden geldt dat effecten op alle in deze NRD genoemde milieuaspecten worden beoordeeld. Voor de modellering van opstellingen met windturbines is gebruik gemaakt van een referentiewindturbinetype waarvan de afmetingen zijn weergegeven in Figuur 4.

15

Figuur 4

Schematische weergave afmetingen referentiewindturbinetype.

2.5

Beoordeling van onderzoeksgebieden Elk onderzoeksgebied wordt aan dezelfde effectbeoordeling onderworpen. Op deze manier kan een vergelijking gemaakt worden tussen de onderzoeksgebieden. Hoofdstuk 3 beschrijft in meer detail hoe de onderzoeksgebieden worden beoordeeld. Vervolgens worden milieueffecten in kaart gebracht en beoordeeld voor alternatieven die zijn samengesteld uit één of meer onderzoeksgebieden (zie volgende paragraaf). Op basis van de verwachte milieueffecten en de verwachte opbrengst kan de provincie keuzes maken voor de samenstelling van een voorkeursalternatief waarbij de relatie met het doelbereik (de doelstelling voor opwek van windenergie) bij de besluitvorming wordt betrokken.

2.6

Thematische alternatieven Na de effectbeoordeling van de onderzoeksgebieden (stap 1) worden enkele thematische alternatieven samengesteld (stap 2). Door alternatieven te formuleren die vanuit het oogpunt van één onderzoeksthema optimaal zijn samengesteld (lees: zo min mogelijk negatieve milieueffecten op dat thema) en deze alternatieven op alle beoordelingscriteria te scoren, wordt een beeld verkregen van de mogelijkheden voor het maken van beleidskeuzes. Te denken valt aan een alternatief ‘landschap’, een alternatief ‘leefomgeving’ of een alternatief ‘netaansluiting’. De formulering en samenstelling van alternatieven kan pas plaatsvinden nadat de effectbeoordeling van onderzoeksgebieden is afgerond. Omdat voor alle alternatieven tevens de mate van doelbereik (1 TWh) wordt beoordeeld, wordt alle relevante informatie aangereikt om een voorkeursalternatief te formuleren en gebieden te selecteren voor opname in de voorkeursbeslissing. In het planMER worden slechts alternatieven beoordeeld en vergeleken zonder rekening te houden met in het verleden opgestelde beleidskaders. De beoordeling van alternatieven in het planMER vindt plaats op een systematische en zo objectief 16

mogelijke wijze. De afweging van het voorkeursalternatief (dat kan zijn samengesteld uit verschillende alternatieven) vindt vervolgens plaats op basis van de verkregen informatie uit het planMER en overige bronnen zoals uitkomsten van het participatieproces, lokale beleidskaders, bestuurlijke afspraken en andere afwegingen. Mogelijk worden de onderzoeksgebieden en beoordelingscriteria bij de samenstelling en beoordeling van thematische alternatieven aangepast. Het gaat in dat geval om aanpassingen die leiden tot een optimalisatie vanuit het thema waarvoor het alternatief is geformuleerd. Ook is het mogelijk dat voor de beoordeling van thematische alternatieven andere beoordelingscriteria worden gehanteerd dan voor de beoordeling van de individuele onderzoeksgebieden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als blijkt dat de gehanteerde beoordelingscriteria in stap 1 leiden tot onvoldoende onderscheidende effecten. Het kan ook zijn dat voor stap 2 effecten beoordeeld worden aan de hand van nieuwe landelijke normen voor geluid, als die tijdens de uitvoering van het planMER bekend worden. Als daarvoor aanleiding is wordt dit nader toegelicht in het planMER.

2.7

Referentiesituatie In het planMER worden de milieueffecten van de windturbines ten opzichte van een zogenoemde ‘referentiesituatie’ beschreven: de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen. De referentiesituatie is de situatie waarin de voorgenomen activiteit niet wordt uitgevoerd. Deze beschrijving is relevant voor de beoordeling van de effecten van de alternatieven, aangezien er meer ruimtelijke opgaven liggen in de provincie Utrecht. Autonome ontwikkelingen zijn andere (ruimtelijke) ontwikkelingen waar concreet zicht op bestaat maar die nog niet zijn gerealiseerd. Dit betekent dat er sprake moet zijn van voorbereiding van een ruimtelijk plan, besluit of planologische procedure. In het planMER worden de milieueffecten onderzocht ten opzichte van de referentiesituatie (de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen).

2.7.1

Autonome ontwikkelingen Voor de gehele provincie geldt dat er veel plannen bestaan voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Wanneer het gaat om voorzienbare ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor concrete informatie voorhanden is, worden deze meegenomen in de referentiesituatie. Een deel van deze autonome ontwikkelingen is met de belemmeringenanalyse al meegenomen in de startkaart voor de NRD en het planMER. Overige specifieke ruimtelijke ontwikkelingen die deel moeten uitmaken van de referentiesituatie worden in het planMER benoemd in relatie tot de relevante onderzoeksgebieden. Ook als het gaat om windparken zelf moet rekening worden gehouden met autonome ontwikkelingen. Deze windparken hoeven niet opnieuw te worden beoordeeld in een planMER maar maken deel uit van de referentiesituatie. Naast bestaande windparken maken de volgende beoogde windparken in de provincie Utrechtdeel uit van de referentiesituatie voor het planMER:  Windpark Goyerbrug (Houten) – vergunning verleend door gemeente  Energielandschap Rijnenburg en Reijerscop (Utrecht) – in ruimtelijke procedure 17

Windturbines Isselt (Amersfoort) – vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd

Voor bovengenoemde windlocaties die deel uitmaken van de referentiesituatie geldt dat geen alternatieven worden onderzocht. Bij de begrenzing en beoordeling van de onderzoeksgebieden wordt rekening gehouden met bestaande windparken en bovengenoemde autonome ontwikkelingen (beiden onderdeeldeel van de referentiesituatie). Effecten worden beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie.

18

Hoofdstuk 3 Effectbeoordeling 3.1

Inleiding In dit hoofdstuk wordt de wijze van toetsing en beoordeling van de onderzoeksgebieden en de samengestelde alternatieven aan milieuthema’s toegelicht. Per milieuthema wordt ingegaan op: - het geldende toetsingskader - de onderzoeksmethode in het planMER - eventuele aanvullende onderdelen relevant voor het milieuthema - de wijze waarop de onderzoeksgebieden worden beoordeeld voor dat thema. In paragraaf 3.2 wordt eerst een overzicht gegeven van de milieuthema’s die worden beoordeeld in het kader van het planMER.

3.2

Milieuthema’s Er wordt een specifiek beoordelingskader opgesteld waarin de verwachte milieueffecten per onderzoeksgebied voor windenergie in kaart worden gebracht, getoetst en beoordeeld. Het gaat om milieueffecten die zouden optreden in de situatie waarbij in een specifiek onderzoeksgebied een windpark zou worden gerealiseerd. Het beoordelingskader bestaat uit een groot aantal beoordelingscriteria, geclusterd per thema. Het aantal beoordelingscriteria per thema is geen maat voor de relatieve zwaarte van het betreffende thema bij de afweging van een voorkeursalternatief. De volgende thema’s worden uitgewerkt in het planMER:       

Leefomgeving: geluid, slagschaduw en gezondheid (paragraaf 3.3) Ecologie (paragraaf 3.4) Landschap (paragraaf 3.5) Cultuurhistorie en archeologie (paragraaf 3.6) Bodem en water (paragraaf 3.7) Recreatie (paragraaf 3.8) Energieproductie en vermeden emissies van broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen (paragraaf 3.9)

Daarnaast wordt het aspect Netcapaciteit (paragraaf 3.10) separaat beoordeeld omdat dit geen milieueffect betreft.

3.2.1

Wijze van beoordeling De beoordeling van de milieueffecten wordt uitgevoerd op basis van kwalitatieve en/of kwantitatieve gegevens. De milieueffecten van de onderzoeksgebieden en alternatieven worden ten opzichte van de referentiesituatie beoordeeld waarna de scores ten opzichte van elkaar kunnen worden vergeleken. Hierbij wordt een 5-

19

puntschaal gehanteerd zoals weergegeven in Tabel 4. In het geval van een kwantitatieve beoordeling worden getalsmatige beoordelingen opgenomen in de beoordelingstabel. Tabel 4

5-punts beoordelingsschaal.

Effect

Beoordeling

Positief effect Beperkt positief effect Neutraal effect Beperkt negatief effect Negatief effect

++ + 0 --

Per alternatief wordt ook aangegeven wat de verwachte energieopbrengst is in GWh per jaar. Hiermee kan worden bepaald in hoeverre een alternatief bijdraagt aan de doelstelling van provincie Utrecht voor de hoeveelheid te produceren energie in 2030 (doelbereik).

3.3

Leefomgeving: geluid, slagschaduw en gezondheid Windturbines produceren geluid. Vaak wordt dit geluid beschreven als suizend en/of zoemend. Er is veel onderzoek gedaan naar windturbinegeluid en de effecten van blootstelling aan dit geluid. Windturbines brengen veiligheidsrisico’s met zich mee doe moeten worden getoetst (Plaatsgebonden Risico) of afgewogen (toename veiligheidsrisico van risicorelevante activiteiten) bij vergunningverlening. In het kader van het planMER worden externe veiligheidsrisico’s beoordeeld. Verder veroorzaken windturbines bewegende slagschaduw op gebouwen als gevolg van het draaien van de rotor. Deze bewegende slagschaduw wordt als hinderlijk ervaren en moet daarom worden meegenomen bij de beoordeling van onderzoeksgebieden als het gaat om effecten op de leefomgeving.

3.3.1

Toetsingskader Sinds een uitspraak10 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) kunnen de landelijke normen voor windturbines (vastgelegd in Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer) op het gebied van geluid, slagschaduw, lichtschittering en externe veiligheid niet langer worden toegepast op windparken van 3 of meer windturbines. Voor opstellingen van 3 of meer windturbines kan op dit moment, na de uitspraak van de ABRvS, geen gebruik worden gemaakt van een landelijke norm. In de uitspraak wordt expliciet genoemd dat een bevoegd gezag ervoor kan kiezen om eigen normen te hanteren en op te nemen in het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning. Deze normen dienen te zijn voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op lokale situatie toegesneden motivering. Begin 2023 worden een planMER van de Rijksoverheid en een concept voor nieuwe landelijke windturbinebepalingen verwacht. In een planMER (dus ook niet in dit planMER) vindt geen toetsing aan normen plaats. In het eerste deel van het planMER wordt het aantal woningen binnen een drietal afstanden tot

10

(ECLI:NL:RVS:2021:1395)

20

windturbineopstellingen binnen zoekgebieden beoordeeld. Wanneer tijdens de uitvoering van het planMER nieuwe landelijke windturbinebepalingen bekend worden kan in het tweede een deel afstandscriterium worden gehanteerd dat op die nieuwe norm aansluit (dat kan één van de drie afstanden uit het eerste deel van het planMER zijn). Op die manier kan bij de beoordeling van alternatieven inzichtelijk worden gemaakt met welke opstellingen met windturbines naar verwachting aan de nieuwe landelijke windturbinebepalingen kan worden voldaan., ook al is de beoordeling gebaseerd op een fictieve opstelling met windturbines en is deze primair bedoeld voor een vergelijking van onderzoeksgebieden. 3.3.1.1

Gezondheid

Er bestaat een relatie tussen het geluidniveau van windturbines en hinderbeleving. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) ziet hinder als een gezondheidseffect. Er zijn daarentegen geen eenduidige onderzoeksresultaten naar slaapverstoring door windturbines. Verder blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat er onvoldoende bewijs is dat het geluid van of het wonen nabij windturbines leidt tot directe gezondheidseffecten, zoals hart- en vaatziekten, stofwisselingsstoornissen en effecten op mentale gezondheid (RIVM, 2021). Het RIVM voert de komende periode diverse onderzoeken uit naar geluid van windturbines en laagfrequent geluid van diverse bronnen van omgevingslawaai. Zij betrekt in haar onderzoeken ook resultaten uit andere EU-lidstaten. Indien resultaten beschikbaar komen tijdens de uitvoering van het planMER wordt hierop ingespeeld. Bij de beleving van geluidhinder als gevolg van omgevingslawaai spelen akoestische en niet-akoestische factoren een rol. Onder akoestische factoren wordt zaken verstaan als het geluidniveau, de duur van maximale geluidniveaus, het tijdstip en het karakter van het geluid. Onder niet-akoestische factoren worden verstaan: de mate waarin ontvangers zich aan het geluid kunnen onttrekken, de voorspelbaarheid van het karakter/duur van het geluid, en de houding ten opzichte van de bron.

In het planMER wordt het aspect gezondheid beoordeeld met een criterium dat is gebaseerd op het feit dat samenhang bestaat tussen het percentage gehinderden en percentage ernstig gehinderden enerzijds en de geluidsterkte op leefniveau anderzijds (zie Figuur 5). In het planMER wordt geen keuze gemaakt voor een lokale norm. Bij besluitvorming over concrete projecten zijn naar verwachting landelijke normen voor geluid van windturbines van kracht, waaraan op dat moment aan getoetst kan worden.

21

Figuur 5

De relatie tussen Lden en het percentage gehinderden (wt_%A) en ernstig gehinderden (wt_%HA) binnenshuis door geluid van windturbines. De gestippelde lijnen geven de polynome benadering weer. (Bron: Janssen, Vos, & Eisses, A., Hinder door geluid van windturbines, 2008)

Voor de beoordeling van gezondheidseffecten is een separaat beoordelingscriterium geformuleerd waarmee het aantal woningen op korte afstand van een onderzoeksgebied zwaarder meeweegt dan woningen op grotere afstand. Laagfrequent geluid Windturbines maken geluid over het hele spectrum van lage en hoge tonen, waaronder laagfrequent geluid. Het laagfrequente geluid van windturbines is vergelijkbaar met andere geluidsbronnen van omgevingslawaai, zoals wegverkeer. Uit besluitvormingsprocessen voor windprojecten is in het verleden gebleken dat er zorgen bestaan dat laagfrequent geluid afkomstig van windturbines gezondheidseffecten veroorzaakt. Uit een literatuurstudie van RIVM11 uit 2021 blijkt dat het aandeel laagfrequent geluid van windturbines niet leidt tot een andere mate van hinder dan ‘gewoon’ windturbinegeluid. Op grond van inzichten uit deze studie is geconcludeerd dat wanneer mensen worden blootgesteld aan windturbinegeluid (over alle frequenties), het gehele geluidsspectrum van de windturbine (alle frequenties samen) de voornaamste oorzaak van hinder vormen, dus niet enkel laagfrequent geluid. Naar aanleiding van vragen over gezondheidseffecten van laagfrequent geluid afkomstig van diverse bronnen is het RIVM in 2021, in opdracht van enkele ministeries, het Onderzoeksprogramma Laagfrequent geluid gestart12 en zijn aanbevelingen voor vervolgonderzoek geformuleerd.

Dat vervolgonderzoek wordt momenteel 11 12

RIVM, Gezondheidseffecten van windturbinegeluid, 2021 (rapport: 2020-0214) RIVM, K.White et al., Onderzoeksprogramma laagfrequent Geluid (LFG): Stand van zaken en aanbevelingen voor vervolgonderzoek, 2021 (rapport: 2021-0187)

22

uitgevoerd. Gegeven de meest recente inzichten wordt laagfrequent geluid niet als separaat beoordelingscriterium meegenomen in de effectbeoordeling in het planMER. Voor de volledigheid wordt vermeld dat het aspect laagfrequent geluid door de Minister wordt betrokken bij de voorbereiding van de nieuwe landelijke normstelling voor geluid van windturbines. Zoals eerder vermeld vindt bij toekomstige besluitvorming over concrete projecten toetsing aan de nieuwe landelijke windturbinebepalingen plaats. 3.3.1.2

Cumulatieve geluidsbelasting

In dit planMER wordt de cumulatieve geluidsbelasting op het abstractieniveau van het planMER beoordeeld. Wanneer in de omgeving van de gemodelleerde opstelling één of meer overige bronnen van omgevingslawaai aanwezig zijn, zoals snelwegen, spoorwegen, bestaande windparken, luchtvaartterreinen, gezoneerde industrieterreinen of vaarwegen, dan komt dit bij het beoordelingscriterium ‘cumulatie’ naar voren. 3.3.1.3

Stiltegebieden

Hoewel windturbines op grond van de provinciale Interim Omgevingsverordening niet zijn uitgesloten binnen stiltegebieden, veroorzaken zij wel geluid en doen zij daarmee af aan de kwaliteit van een stiltegebied. Daarom beoordeelt het planMER de onderzoeksgebieden op hun ligging ten opzichte van de stiltegebieden zoals deze in de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht zijn begrensd. 3.3.1.4

Slagschaduw

De beoordeling van het aantal woningen binnen een bepaalde afstand van een gemodelleerde opstelling met windturbines kan tevens worden gebruikt voor de effectbeoordeling van slagschaduw. Dit betreft eveneens een ruimtelijk milieueffect dat van invloed is op het woon- en leefklimaat. 3.3.1.5

Externe veiligheid

Windturbines brengen net als overige productie-installaties voor energie een veiligheidsrisico met zich mee. Om die reden moeten in een planMER de onderzoeksgebieden tevens worden beoordeeld op externe veiligheidsaspecten. Als het gaat (de toename) externe veiligheidsrisico’s van transport van gevaarlijke stoffen is in de belemmeringenstudie al rekening gehouden met een (toename van) veiligheidsrisico’s. Door een bufferafstand aan te houden tot wegen en buisleidingen wordt het ontstaan van veiligheidsrisico’s grotendeels voorkomen. Daarom is geen beoordelingscriterium geformuleerd. Voor risicorelevante bedrijfsactiviteiten geldt dat op planMER-niveau geen risicoanalyse wordt uitgevoerd. Ten tijde van de voorbereiding van een ruimtelijke plan of besluit voor windturbines moet aan de hand van concrete opstellingen met windturbines en kenmerken van de te onderzoeken windturbinetypen een toetsing van de toename van externe veiligheidsrisico’s plaatsvinden. Mede op basis van dat onderzoek kunnen definitieve windturbineposities worden gekozen. Voor wat betreft het plaatsgebonden risico is geen extra beoordelingscriterium nodig. Met het aanhouden van een bufferafstand tot woningen en kernen bedraagt 23

de afstand tot beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten in alle gevallen meer dat de afstand tot de PR10-5 en PR 10-6 contour.

3.3.2

Beoordelingscriterium en effectbeoordeling Per onderzoeksgebied wordt het aantal woningen binnen een drietal afstanden van de geprojecteerde opstellingen met windturbines beoordeeld. Gekozen is voor de beoordeling binnen 500 meter, 750 meter en 1.000 meter. Een afstand van 1.000 meter is indicatief voor een jaargemiddelde geluidsniveau van moderne windturbines van 42 dB Lden. Hiermee wordt het invloedsgebied goed in beeld gebracht. Het beoordelingscriterium voor ‘gezondheid’ is afgeleid van het beoordelingscriterium geluid omdat geluid van windturbines een milieuaspect is waarvoor een wetenschappelijke basis bestaat voor een samenhang met hinder. Uit Figuur 5 blijkt dat de hinderbeleving van geluid van windturbines afneemt naarmate de afstand tot de windturbines toeneemt (bij grotere afstand neemt de jaargemiddelde geluidsbelasting immers af). Om die reden wordt voor ‘gezondheid’ een beoordelingscriterium gehanteerd waarbij het aantal woningen op kortere afstand van een onderzoeksgebied zwaarder weegt dan het aantal woningen op grotere afstand. Bij het criterium wordt gekeken naar de hinderpercentages bij de afstanden van 500 meter, 750 meter en 1.000 meter (zoals weergegeven in Tabel 5). Tevens wordt beoordeeld in sprake is van cumulatieve geluideffecten door de afstand tot overige bronnen van omgevingslawaai te beoordelen.

Naast een absolute beoordeling bevat het planMER ook een relatieve beoordeling. Hierbij wordt het aantal woningen gedeeld door een schatting van de mogelijke energieproductie in het onderzoeksgebied (de gemodelleerde opstelling met windturbines). Een onderzoeksgebied kan geschikter geacht worden voor windenergie wanneer de energieopbrengst hoger is bij een vergelijkbaar aantal omwonenden.

Tabel 5

Beoordelingscriteria Leefomgeving; geluid, slagschaduw en gezondheid

Thema

Beoordelingscriterium

Methode

Geluid/ Slagschaduw

Aantal gevoelige objecten binnen 500 m

Kwantitatief: absoluut en relatief

Gezondheid

Stiltegeb.

3.4

Aantal gevoelige objecten binnen 750 m Aantal gevoelige objecten binnen 1.000 m Aantal gevoelige objecten binnen 500 m x 4 + aantal gevoelige objecten binnen 750 x 2 + aantal gevoelige objecten binnen 1.000 m x 1 Aanwezigheid overige bron omgevingslawaai binnen 1.000 m (cumulatie)

Kwantitatief

Ligging t.o.v. stiltegebieden

Kwantitatief

Ecologie De realisatie van een windpark kan effecten op beschermde natuurgebieden, soorten en aanwezige natuurwaarden hebben. Voor het aspect ecologie wordt onderscheid gemaakt tussen effecten op gebieden (onderdeel gebiedsbescherming) en effecten op beschermde soorten (onderdeel soortenbescherming).

24

3.4.1

Toetsingskader In de Wet natuurbescherming (Wnb) heeft het Rijk alle verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen verwerkt. Hoofdstuk 2 van de Wnb gaat in op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het ‘beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn’ staat in § 3.1, het ‘beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn’ in § 3.2 en het ‘beschermingsregime andere soorten’ in § 3.3. Hoofdstuk 4 bevat regels voor het verwijderen van bomen in houtopstanden. Daarnaast geldt een algemene zorgplicht op basis van art. 1.11 voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten.

3.4.1.1

Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden Het onderdeel gebiedsbescherming geeft invulling aan de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en heeft als doel het beschermen en in stand houden van bijzondere gebieden in Nederland. Deze gebieden worden gezamenlijk aangeduid als Natura 2000-gebieden. Op basis van artikel 2.7 lid 2 Wnb is het verboden zonder vergunning (van Gedeputeerde Staten) een project te realiseren dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante effecten kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Zie Figuur 6 voor de Natura 2000-gebieden in en nabij de provincie Utrecht. In dit kader wordt ook aandacht besteed aan het leefgebied van de doelsoort Wespendief voor Natura 2000-gebied de Veluwe en aan het handelingsperspectief13 van provincie Gelderland. In het kader van het planMER wordt geen passende beoordeling uitgevoerd. Daarvoor zijn de activiteiten in het planMER onvoldoende concreet. Het betreft immers fictieve onderzoeksopstellingen voor de vergelijking van onderzoeksgebieden. Ten tijde van de voorbereiding van besluitvorming over een concreet project moet worden beoordeeld of met een zogeheten voortoets kan worden volstaan of dat een passende beoordeling nodig is.

13

https://gelderland.parlaeus.nl/user/voorstel/action=showdoc/gd=27991/JvdM_-_Windparken_op_en_rondom_de_Veluwe__PS2022-1007_.pdf

25

Figuur 6

Natura 2000-gebieden (zowel Vogelrichtlijn als Habitatrichtlijngebieden)

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Met het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beoogd om van bestaande en nieuwe natuur een goed functionerend netwerk te maken. Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden’ van het NNN. Op plannen, projecten of handelingen binnen het NNN is het ‘nee, tenzij’- regime van toepassing. Vanaf 1 oktober 2012 is het ‘nee, tenzij’-regime vastgelegd in het Besluit algemene regelingen ruimtelijke ordening (Barro). Plannen in NNN moeten voldoen aan de gestelde regels van de vigerende provinciale Omgevingsverordening, waarin de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk zijn uitgewerkt. Op grond van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht wordt geen externe werking toegekend aan gebieden die deel uitmaken van Natuurnetwerk Nederland. Wanneer een project leidt tot aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden binnen het NNN, dienen gelijktijdig met de ruimtelijke ingreep (compensatie)maatregelen te worden genomen die leiden tot een meerwaarde voor het NNN. Zie Figuur 7 voor NNN-gebieden in/nabij provincie Utrecht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/3443/documents/36461