Hessenweg 68 Toelichting.pdf
Tekst van het document
NL.IMRO.0327.271-0301
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg
|32
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.4
Bodemkwaliteit
Beleidskader Om te zorgen voor een balans tussen de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkeling, zoals woningbouw of de aanleg van wegen, is in 2008 het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden. Het doel van het Bbk is duurzaam bodembeheer. Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een bodemonderzoek worden verricht om de realiseerbaarheid van een bestemmingswijziging te beoordeling. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting mogelijk is, moet ten miste een verkennend bodemonderzoek verricht worden. Historisch bodemonderzoek Door PJ Milieu is in november 2021 op de locatie Hessenweg 68 Stoutenburg een historisch (bodem)onderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde historische (bodem)onderzoek kan worden geconcludeerd dat de locatie als onverdacht, ten aanzien van bodemverontreiniging, te beschouwen is. Ter plaatse wordt geen bodemverontreiniging verwacht. Derhalve wordt een bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.5
Externe veiligheid
Beleid Externe veiligheid heeft betrekking op het beheersen van risico’s die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Het gaat hierbij om de risico’s van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en water en door buisleidingen. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico’s Zware Ongevallen), LPG-tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen.
NL.IMRO.0327.271-0301
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg
|33
Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is het Bevi gedefinieerd als het “risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is”. Het groepsrisico is gedefinieerd als de “cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is”. Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak met meer dan 1.500 m 2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico.
Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10 -6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties (PR-contour). Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoeren van gevaarlijke stoffen is vanaf 1 april 2015 vastgelegd in de Wet basisnet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wgvs). Voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer (Wm). Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijk besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van het groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt, is een verantwoording van het groepsrisico niet verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten.
De belangrijkste eisen aan bestemmingsplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringsstroken met een aanlegvergunningenstelsel.
NL.IMRO.0327.271-0301
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg
|34
Inventarisatie risicobronnen Voor de inventarisatie van de risicobronnen is gebruik gemaakt van de risicokaart van Nederland.
Aardgasbuisleiding W-520-01
Aardgasbuisleiding W-520-05
Uitsnede risicokaart Nederland
Inrichtingen Binnen of direct grenzend aan het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. De dichtstbijzijnde inrichting ligt op circa 1,3 kilometer van het plangebied en betreft een gasdrukregel- en meetstation (Het Sluisje 1). Het invloedsgebied reikt niet verder dan de perceelgrens waarop het gasdrukregel- en meetstation is gevestigd. Derhalve vormt de inrichting geen belemmering voor het planvoornemen. Transport over weg De A28 bevindt zich op circa 1,5 kilometer van het plangebied. Over deze weg vindt, conform de Regeling basisnet, transport van gevaarlijke stoffen plaats. De A28 heeft een invloedsgebied plaatsgebonden risico van 14 meter. Het plangebied ligt hier buiten. Voor deze weg is een invloedsgebied vastgesteld voor toxische scenario. Het plangebied is hier binnen gelegen. Op grond van het Bevt zal het groepsrisico derhalve verwoord moeten worden. Transport over water Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied is geen vaarweg gelegen die een beperking in de externe veiligheid vormt voor dit plan. Transport over het spoor Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied is geen spoorweg gelegen die een beperking in de externe veiligheid vormt voor dit plan.
NL.IMRO.0327.271-0301
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg
|35
Transport per buisleiding Rondom het plangebied liggen een aantal buisleidingen. De dichtstbijzijnde gasleiding (W-520-05) van de Gasunie bevindt zich op een afstand van 27 meter van het plangebied. Op circa 990 meter van het plangebied ligt aardgasleiding W-520-01 van de Gasunie en op circa 1,5 kilometer van het plangebied ligt de aardgasleiding A-510 van de Gasunie. Plaatsgebonden risico Het planvoornemen betreft het vergroten van een bouwvlak en de bouwmogelijkheden voor de uitbreiding van een hoveniersbedrijf. Het aantal personen ter plaatse van het perceel neemt niet of nauwelijks toe. Het planvoornemen voorziet niet in de toename van het plaatsgebonden risico. Verantwoording groepsrisico Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Deze inzet vindt voornamelijk plaats bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van de effecten in of nabij het plangebied. eventuele secundaire branden zijn gezien de afstand tot de bron nabij het plangebied niet aannemelijk. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Het plangebied en de bron zijn vanuit diverse richtingen goed bereikbaar voor de brandweer. De brandweerkazerne van Leusden bevindt zich op circa 2,5 kilometer van het plangebied.
Zelfredzaamheid Binnen het plangebied zijn er mogelijkheden voor personen om zich, in tegenovergestelde richting van de rijksweg, buiten het invloedsgebied te begeven. Er kan vanuit worden gegaan dat volwassenen in het plangebied afdoende zelfredzaam zijn en er voldoende volwassenen aanwezig zijn, die voor begeleiding van de kinderen kunnen zorgen. Het groepsrisico is hiermee voldoende verantwoord. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.6
Natuurwetgeving
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wn) in werking getreden. De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn opgegaan in deze wet. De Wet natuurbescherming bestaat uit minder regels en is overzichtelijker dan de drie voorgaande wetten. De uitvoering van de Wet natuurbescherming ligt grotendeels in handen van de provincies. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland.
NL.IMRO.0327.271-0301
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg
|36
Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterweg te laten of te beperken. Met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming is de bescherming van beschermde Natuurmonumenten uit de Natuurbeschermingswet vervallen. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000-gebieden of het Natuurnetwerk Nederland en worden dus indirect beschermd. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de minister worden toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genaamd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving die met ingang van de Wn niet is veranderd. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: •
Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken;
•
Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;
•
Landbouwgebied, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;
•
Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;
•
Alle Natura 2000-gebieden.
Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met de gemeenten afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten Pan Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen.
NL.IMRO.0327.271-0301
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg
|37
Beschermde planten en dieren De lijst met beschermde soorten is veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wet natuurbescherming niet meer en andersom. De Wn kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullend voorschriften zijn gesteld voor dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel beschermd worden: •
Vogels: alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wn). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten over waarvan het nest jaarrond werd beschermd. Voor een aantal soorten geldt dat hun nest jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken.
•
Internationaal beschermde soorten: alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wn).
•
Overige beschermde soorten: soorten genoemd in de bijlagen bij de Wn, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wn).
Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door de provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld. De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wn worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wn) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zo veel mogelijk) te voorkomen. Verkennend veldonderzoek Door Mertens B.V. is in januari 2022 een verkennend veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage bij deze toelichting.
Uit de quickscan zijn de volgende conclusies en aanbevelingen naar voren gekomen: In verband met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels direct rond het plangebied (te slopen opstallen, nieuwbouwlocatie en omgeving) is het noodzakelijk om de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschikkers gebruiken). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in de provincie Utrecht.
NL.IMRO.0327.271-0301
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg
|38
Het voorkomen van negatieve effecten op broedvogels met vaste rust- en verblijfsplaatsen en verblijfsplaatsen van vleermuizen wordt uitgesloten. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten. Het voorkomen van overige beschermde soorten kan tevens worden uitgesloten. Op grond van bovenstaande analyse worden negatieve effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten. De sloop van een tweetal opstallen (kippenschuurtje en garage) en de bouw van een schuur aan de Hessenweg 68 te Stoutenburg is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. De zorgplicht blijft onverkort van kracht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Voor- en gedurende de uitvoering dient hierbij rekening gehouden te worden. Stikstofdepositie Door de ongeldigverklaring van het PAS op 29 mei 2019 zijn veel (bouw)projecten stil komen te liggen. Een nieuw stikstofrekentoepassing maakt sommige bouwprojecten toch mogelijk. Het kabinet heeft een nieuwe rekenmethode naar buiten gebracht (de ‘AERIUS Calculator 2020’) welke het verlenen van vergunning voor (kleine) projecten mogelijk moet maken.
Projecten waarvan (met behulp van deze rekenmethode) kan worden bewezen dat ze de natuur niet raken, komen in aanmerking voor een vergunning. De natuur wordt niet geraakt zolang de depositie van stikstof op beschermde natuurgebieden niet hoger bedraagt dan 0,00 mol/ha/jaar. Door intreding van de wet Stikstofreductie op 1 juli 2021 is het niet langer nodig een activiteit met tijdelijke emissies op de lokale effecten te toetsen. Het gaat hierbij om de bouw, sloop en eenmalige aanleg van bebouwing. Waardoor uitsluitend naar de gebruiksfase gekeken wordt. Voor het planvoornemen omtrent het vergroten van het bouwvlak en de bouwmogelijkheden voor de uitbreiding van een hoveniersbedrijf is door VanWestreenen een berekening gemaakt met behulp van AERIUS Calculator 2020. Deze berekening maakt inzichtelijk wat de stikstofdepositie is gedurende de gebruiksfase. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Uit de berekeningen blijkt dat -met de uitgangspunten die in dit onderzoek zijn gedaan- gedurende de gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend. Wanneer de uitgangspunten in dit onderzoek wijzigen, dan dient een nieuw AERIUS-berekening te worden uitgevoerd. Het is namelijk in dat geval mogelijk dat een Wnb vergunningplicht toch noodzakelijk is.
Conclusie Mits aan de bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan, vormt het aspect natuurwetgeving geen belemmering voor het planvoornemen.
NL.IMRO.0327.271-0301
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg
|39
5.7
Geluid
Beleidskader Wet geluidhinder Het aspect geluid speelt een belangrijk rol in de omgevingskwaliteit. Er bestaan verschillende geluidsbronnen die van invloed kunnen zijn op deze omgevingskwaliteit. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient te worden voorkomen. In de Wet geluidhinder wordt onderscheid gemaakt tussen verkeers-, industrie- en spoorweglawaai. De wet bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveau als gevolg van deze bronnen. Indien het ruimtelijke plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een van deze bronnen, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het ruimtelijk plan. In artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt een beperkt aantal typen objecten aangemerkt als geluidsgevoelig object. Dit zijn: woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen. Onderzoek Met onderhavig bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt. De voorgenomen ontwikkeling betreft het vergroten van het bouwvlak en de bouwmogelijkheden ter plaatse van de bestemming ‘Bedrijf’ ten behoeve van de uitbreiding van een hoveniersbedrijf. Bedrijfsbebouwing wordt in de Wet geluidhinder niet genoemd als geluidsgevoelig object.
Derhalve is akoestisch onderzoek op basis van de Wet geluidhinder niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.8
Geurhinder
Beleidskader Wet geurhinder en veehouderij De wet geurhinder en veehouderij is sinds 1 januari 2007 van kracht en vormt het toetsingskader voor geur vanwege dierenverblijven. Er wordt gerekend met “odour units” (ou) en geurgevoelige objecten, zoals huizen, krijgen een norm toegewezen voor de geurbelasting die een veehouderijbedrijf ter plaatse van deze geurgevoelige objecten mag veroorzaken.
NL.IMRO.0327.271-0301
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg
|40
De hoogte van de norm is afhankelijk van de locatie. In Nederland wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (I en II) en de rest van Nederland. In concentratiegebieden zijn de normen wat betreft geur minder streng dan in de gebieden buiten de concentratiegebieden. Daarnaast wordt onderscheid gemaakt tussen situaties binnen en buiten de bebouwde kom. In onderstaande tabel zijn de normen voor de concentratiegebieden en de gebieden daarbuiten, alsmede die voor de situatie binnen en buiten de bebouwde kom weergegeven. Locatie geurgevoelig object
Ten hoogste toegestane geurbelasting
Concentratiegebied, binnen bebouwde kom
3,0 OUe/m3
Concentratiegebied, buiten bebouwde kom
14,0 OUe/m3
Niet-concentratiegebied, binnen bebouwde kom
2,0 OUe/m3
Niet-concentratiegebied, buiten bebouwde kom
8,0 OUe/m3
Op basis van artikel 3.2 Wgv geldt dat de minimum afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom tenminste 100 meter dient te zijn. Wanneer het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen dient deze afstand minimaal 50 meter te zijn. Onderzoek Met onderhavig planvoornemen worden geen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. De voorgenomen ontwikkeling betreft het vergroten van een bouwvlak en de bouwmogelijkheden ten behoeve van de uitbreiding van een hoveniersbedrijf. Bedrijfsgebouwen zijn niet milieugevoelig. Derhalve is een geuronderzoek niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.9
Luchtkwaliteit
Beleidskader Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke over dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Weet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd). NL.IMRO.0327.271-0301
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg
|41
De Wet luchtkwaliteit bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarde voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 μg/m³
Fijn stof (PM10)
Jaargemiddelde concentratie
40 μg/m³
Fijn stof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie
25 μg/m³
Onderzoek Luchtkwaliteit ter plaatse Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2020 ( gegevens 2020) ter plaatse minder dan 10 µg/m3, is de concentratie PM10 in 2020 (gegevens 2020) ter plaatse minder dan 18 µg/m3 en is de concentratie NO2 in 2020 (gegevens 2020) gelegen tussen de 10 en 15 µg/m3. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende. Verslechtering luchtkwaliteit t.a.v. planvoornemen Voorliggend planvoornemen betreft het vergroten van een bouwvlak en bouwmogelijkheden ten behoeve van de uitbreiding van een hoveniersbedrijf. Dergelijke activiteiten dragen ‘in betekende mate’ (IBM) bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen betekend dat in principe nader onderzoek noodzakelijk is. Voor kleinschalige ontwikkelingen kan onderzoek uitgevoerd worden middels de NIBM-tool. In de NIBM-tool wordt uitgegaan van een worst-case scenario. In het geval van voorliggend planvoornemen wordt de verkeersgeneratie zoals berekend in paragraaf 3.3 als uitgangspunt genomen.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2021
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer
10,0%
NO2 in μg/m3
0,02
PM10 in μg/m3
0,00 1,2
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3
16
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Uit bovenstaand figuur blijkt dat het beoogde planvoornemen ruim binnen de grens van NIBM valt.
NL.IMRO.0327.271-0301
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg
|42
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.10
Water
Beleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-Kaderrichtlijn Water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) is opgesteld op basis van de Waterwet. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 20162021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis van welzijn en welvaart.
Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepsvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maateregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen.
NL.IMRO.0327.271-0301
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg
|43
Bestuursakkoord Water Het Bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: •
Heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte;
•
Beheersbaar programma over de waterkeringen;
•
Doelmatig beheer van de waterketen;
•
Werkzaamheden slim combineren;
•
Het waterschapsbestuur.
De doelstellingen van het ‘oude’ Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht. Provinciaal Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 De provincie Utrecht heeft op 7 december 2015 het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 vastgesteld. De strategische agenda van 2011-2015 was gericht op het behoud en verder verbeteren van het aantrekkelijke woon-, werk- en leefklimaat in de provincie Utrecht. Gestreefd wordt naar een provincie met krachtige steden en dorpen en een vitaal landelijk gebied. In dit nieuwe plan wordt deze aantrekkelijkheid gecombineerd met een sterke economische positie. Voor bodem, water en milieu betekent het centraal stellen van deze doelen dat: 1. De provincie streeft naar robuust bodem- en watersysteem. Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden. 2. De provincie streeft naar bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied. 3. De provincie streeft naar een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem ons biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden. 4. De provincie streeft naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio.
In het beleid worden twee hoofdlijnen onderscheiden om de doelen te bereiken: 1. De provincie focust zich op vier prioriteiten. Dit betreffen urgente maatschappelijke problemen waarin de provincie in de aanpak een belangrijke rol kan spelen. De vier prioriteiten zijn:
2.
•
Waterveiligheid en wateroverlast;
•
Schoon en voldoende oppervlaktewater;
•
Ondergrond;
• Leefkwaliteit stedelijk gebied. De provincie werkt vanuit zes bassikwaliteiten (bodemkwaliteit, waterkwaliteit, waterkwantiteit, lucht, geluid (incl. geur en licht) en externe veiligheid). Deze vormen een integraal onderdeel van al het provinciaal beleid gerelateerd aan de fysieke leefomgeving.
NL.IMRO.0327.271-0301
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg
|44
Waterbeheerprogramma waterschap Vallei en Veluwe Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: •
Een veilig rivierengebied: verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepaste ruimtelijke inrichting door risicobeheersing (bijv. evacuatie);
•
Anticiperen op klimaatveranderingen: een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijke gebieden en recreatie;
•
Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en slibverwerkingen.
Keur waterschap Vallei en Veluwe De Keur is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van A- of Bwaterlopen niet zonder toestemming van het waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd, dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Watertoets Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. Huidige situatie Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Leusden, ten noorden van de kern Leusden.
Het plangebied bestaat uit een bedrijfswoning met bijgebouw, een kippenhok, een houthok en kleine schuur en een grote schuur. Rondom het erf liggen een aantal wegen en weilanden. Het plangebied heeft een oppervlakte van 10.020 m2. Hemelwater Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit een verhard erf met bestaande gebouwen en wegen en groen gebied rondom het erf. In de bestaande situatie wordt de neerslag via inzijging, afroming naar lagere terreindelen en verdamping afgevoerd. Afvalwater Het afvalwater wordt in de bestaande situatie afgevoerd via het bestaande rioleringsstelsel van de gemeente Leusden.
NL.IMRO.0327.271-0301
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg
|45
Oppervlaktewater Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het waterschap Vallei en Veluwe. Langs de Hessenweg en aan de zuidzijde van het perceel zijn C-watergangen aanwezig. Deze watergangen blijven in stand.
Uitsnede Legger waterschap Vallei en Veluwe
Toekomstige situatie De initiatiefnemer is voornemens om de twee bedrijfsgebouwen ten westen van het plangebied (deels) te slopen en te vervangen voor een nieuw bedrijfsgebouw. In de toekomstige situatie is 712 m2 aan bebouwing toegestaan. Tevens neemt het aandeel verhard oppervlak toe. De watergangen blijven in hun huidige staat behouden. De overige gronden blijven groene gebieden. Hemelwater In onderstaande tabel is voor de huidige en toekomstige situatie de oppervlakteverharding inzichtelijk gemaakt bij het maximale planologische gebruik van de locatie. Bruto (verharde) oppervlakte
Huidige situatie (m2)
Toekomstige situatie (m2)
Totaal oppervlakte plangebied
10.020 m2
10.020 m2
Bebouwing
494,5 m2
712 m2 2
1.400 m2
Verharding perceel
1.731,5 m
Totaal verhard oppervlakte
2.226 m2
2.112 m2
Totaal onverhard oppervlakte
7.794 m2
7.908 m2
Afname verhard oppervlakte
NL.IMRO.0327.271-0301
114 m2
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg
|46
Het totaal verhard oppervlak neemt in de toekomstige situatie af met 114 m2. De keur van het waterschap stelt dat wanneer er meer dan 4.000 m2 extra verharding (o.a. wegen en daken) buiten de bebouwde kom wordt toegevoegd, er watercompensatie gerealiseerd dient te worden om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. Compenserende maatregelen zijn op basis van het beleid van het waterschap niet noodzakelijk. Ondanks dat er geen sprake is van een toename verhard oppervlak, kan er wel rekening worden gehouden met klimaatadaptie bij de bouw van de nieuwe bedrijfsbebouwing. Hierbij kan gedacht worden aan het afkoppelen van het regenwater (dak en verharding), schoon water oppervlakkig afwateren naar oppervlakte water of regenwater vertraagd afvoeren door middel van een groen (sedum)dak. Afvalwater In de toekomstige situatie wordt het afvalwater aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Oppervlaktewater Langs de C-watergangen dient alleen het gedeelte van de insteek tot insteek vrij gehouden te worden. Deze zone blijft vrij van bebouwing, beplanting of andere obstakels. Milieuvriendelijke bouwmaterialen Bij de bouwwerkzaamheden zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen. Er wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en acht PVC.
Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Wateradvies Voorliggend initiatief is voorgelegd aan het Waterschap Vallei en Veluwe door het uitvoeren van de digitale watertoets (opgenomen in de bijlagen bij de toelichting). In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of Awaterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavig plan een positief wateradvies afgegeven. Conclusie Door het nemen van de juiste maatregelen levert het planvoornemen geen knelpunten op voor de waterhuishouding.
NL.IMRO.0327.271-0301
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg
|47
5.11
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Op 11 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarde in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omgeving heeft die onder de drempelwaarde ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteiten voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit de toets kunnen twee conclusies komen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten.
In het eerste geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectrapportage. Beoordeling Drempelwaarde D-lijst In D.11.2 in bijlage II van het Besluit m.e.r. is de activiteit ‘stedelijke ontwikkeling’ opgenomen. Dit betreft ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De drempelwaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit van D.11.2 in bijlage II van het Besluit m.e.r. bedragen: •
Een oppervlakte van 100 hectare of meer;
•
Een aaneengesloten gebied van 2000 of meer woningen omvat, of
•
Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Het planvoornemen betreft het vergroten van het bouwvlak en de bouwmogelijkheden ter plaatse van de bestemming ‘Bedrijf’ ten behoeve van de uitbreiding van een hoveniersbedrijf. De voorgenomen ontwikkeling betreft het vergroten van het bouwvlak en de bouwmogelijkheden ter plaatse van de bestemming ‘Bedrijf’ ten behoeve van de uitbreiding van een hoveniersbedrijf. Met het planvoornemen wordt een bedrijfsloods met een oppervlakte van 302 m2 gebouwd. De voorgenomen activiteit blijft dus ruimschoots onder de bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 zoals opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage. De activiteit is dus niet m.e.r.(beoordelings)plichtig.
NL.IMRO.0327.271-0301
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg
|48
Beoogde ontwikkeling is gezien de aard en omvang van het plan niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Derhalve is een vormvrije m.e.r.beoordeling niet noodzakelijk. Gevoelige gebieden In onderdeel A van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat wordt verstaan onder een gevoelig gebied: een aangewezen gebied die beschermd wordt op basis van natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plan is in geen van dergelijke gevoelige gebieden gelegen. Milieugevolgen In de voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk zijn verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid, luchtkwaliteit, etc. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling geen sprake is van nadelige milieugevolgen. Conclusie Het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.
NL.IMRO.0327.271-0301
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg
|49
6.
JURIDISCHE ASPECTEN
6.1
Verbeelding
Op de verbeelding is, met behulp van de in de SVBP 2012 bepaalde methode, de bestemming van de grond aangegeven. De bijbehorende bepalingen zijn vervolgens opgenomen in de planregels. De verbeelding visualiseert de planregels.
6.2
Planregels
De planregels bestaan uit de volgende vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels: dit hoofdstuk bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft het artikel ‘begrippen’ waarin wordt toegelicht wat onder bepaalde begrippen wordt verstaan. Het tweede artikel is ‘wijze van meten’ waarin wordt toegelicht hoe de benoemde maatvoering moet worden gemeten. 2. Bestemmingsregels: in dit hoofdstuk worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen nader verklaard. De gehanteerde bestemmingen worden in paragraaf 6.3 van dit hoofdstuk verder uitgewerkt. 3. Algemene regels: in dit hoofdstuk worden regelingen opgenomen die zijn bedoeld voor meer dan één bestemming. 4. Overgangs- en slotregels: binnen de overgangsbepalingen wordt geregeld dat met het bestemmingsplan strijdige bouwwerken en plannen welke bestaan ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan mogen worden uitgevoerd, mits er geen veranderingen plaatsvinden in aard en omvang. De slotregels benoemt de officiële naam van het bestemmingsplan, welke moet worden gebruikt om te verwijzen naar het plan.
6.3
Toelichting op de bestemmingen
Artikel 3 Agrarisch De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarische bedrijvigheid en grondgebruik, uitgezonderd intensieve veehouderij, fokkerijen en mesterijen van eenden, ganzen en kalkoenen in de open lucht en van pelsdieren, alsmede vis-, wormen- en madenkwekerijen, recreatief medegebruik in de vorm van fruitgaarden, moestuinen, paardrijden en hobbymatig weiden van vee, instandhouding en ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden, waaronder hier zijn begrepen geomorfologische, bodemkundige, landschapsvisuele, cultuurhistorische, landschapsecologische en biologische waarden, groenvoorzieningen en watergangen, bouwwerken en overige andere bouwwerken zoals erf- of perceelsafscheidingen met daaraan ondergeschikt: extensief dagrecreatief medegebruik ontsluitingswegen en paden, waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder watergangen, waterpartijen en waterberging. Ter plaatse zijn alleen andere bouwwerken, geen gebouwen, overkappingen en vlaggenmasten zijnde en overige andere bouwwerken zoals erf- en perceelsafscheidingen toegestaan.
NL.IMRO.0327.271-0301
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg
|50
Artikel 4 Bedrijf De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor een hoveniersbedrijf, wonen in een bedrijfswoning, en de bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals tuinen, groen- en parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen en (ontsluitings)wegen. Op deze gronden mogen uitsluitend worden gebouwd gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder begrepen bij de bedrijfswoning behorende bijgebouwen. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd en de gezamenlijke oppervlakte mag niet meer bedragen dan 712 m2. Per bouwvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan. De inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 600 m3. De goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen, bijgebouwen bij de bedrijfswoning en van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen niet meer bedragen dan daarbij hierna is aangegeven: bouwwerken
max. goothoogte
max. bouwhoogte
bedrijfswoning
6 meter
10 meter
bijgebouwen bij de woning
3 meter
5 meter
bedrijfsgebouwen
3,5
5,5 meter
erf- of perceelsafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn van een bedrijfswoning
-
1 meter
overige erf- of perceelsafscheidingen
-
2 meter
windturbines
-
6 meter
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
-
10 meter
Ter plaatse van de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’ bedraagt de maximale gooten bouwhoogte respectievelijk 4,5 meter en 9 meter. Artikel 5 Groen De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor een voorbeeldtuin, groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, waterhuishoudkundige- en waterstaatsdoeleinden met de daarbij behorende: beplanting, voetpaden en andere ondergeschikte (tuin)verhardingen, zoals een terras of parkeerplaatsen. Tet plaatse van de bestemming mogen uitsluitend de volgende bouwwerken worden gebouwd: bouwwerken
max. bouwhoogte
erf- of perceelafscheidingen
1 meter
Artikel 6 Waarde – Archeologie middelhoge verwachting De voor ‘Waarde – Archeologie middelhoge verwachting’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden. Artikel 7 Waarde – Grebbelinielandschap De voor ‘Waarde – Grebbelinielandschap’ aangewezen gronden zijn, naast de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen en aanduidingen, tevens aangewezen voor het behoud, herstel en bescherming van de herkenbaarheid en de beleefbaarheid van de cultuurhistorische waarden, deeluitmakende van de Grebbelinie zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan Grebbelinie.
NL.IMRO.0327.271-0301
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg
|51
7.
UITVOERBAARHEID
7.1
Economisch uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder f van het Bro dient de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen te worden aangetoond. De ontwikkeling betreft een particulier initiatief en bevindt zich op particulier terrein. De initiatiefnemer zal met de gemeente een anterieure overeenkomst sluiten om de kosten voor de begeleiding van het bestemmingsplan en de daarbij behorende procedures te verzekeren. Hiermee wordt het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft geen exploitatieplan conform de Wro te worden opgesteld.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Omgevingsdialoog Initiatiefnemers hebben in november 2021 een omgevingsdialoog gevoerd met de direct omwonenden van het plangebied. De initiatiefnemers hebben de direct omwonenden bezocht en de plannen toegelicht. Naar aanleiding van de omgevingsdialoog kan geconcludeerd worden dat de omwonenden in principe positief staan tegenover het planvoornemen. De omwonenden hebben schriftelijk bevestigd dat ze door de initiatiefnemer geïnformeerd zijn en tevreden zijn met de uitkomst van de gevoerde omgevingsdialoog. Uit de omgevingsdialoog zijn geen opmerkingen naar voren gekomen. Procedure De procedure als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht wordt voor dit bestemmingsplan gevolgd. Inspraak Het voorontwerp bestemmingsplan wordt, conform de gemeentelijke inspraakverordening, voorafgaand aan de formele bestemmingsplanprocedure voor inspraak vrijgegeven. Het voorontwerpbestemmingsplan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze inspraaktermijn wordt eenieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling te reageren op het bestemmingsplan. De ontvangen reacties worden te zijner tijd voorzien van een gemeentelijke beantwoording.
NL.IMRO.0327.271-0301
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg
|52
Vooroverleg Conform ex artikel 3.1.1 van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg wordt het voorliggende bestemmingsplan toegezonden aan diverse overlegpartijen. De ontvangen reacties worden te zijner tijd voorzien van een gemeentelijke beantwoording.
NL.IMRO.0327.271-0301
bestemmingsplan Hessenweg 68 Stoutenburg