CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

De Leus_Bijlagen toelichting 10 mei 2023.pdf

Raadsvergadering 25 mei 2023, gemeente LeusdenBij agendapunt: 5: RV Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan De Leus20.510 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan De Leus vastgesteld

bestemmingsplan Bijlagen toelichting

De Leus vastgesteld

bestemmingsplan De Leus

Inhoudsopgave

Bijlagen toelichting

5

Bijlage 1

Kavelpaspoort De Leus

7

Bijlage 2

Rapport quickscan Wet natuurbescherming

15

Bijlage 3

Stikstofberekening

49

Bijlage 4

Rapportage archeologisch onderzoek

69

Bijlage 5

Rapport akoestisch onderzoek

101

Bijlage 6

Watertoets

139

Bijlage 7

Bodemonderzoek

147

Bijlage 8

Nota zienswijzen

191

3

bestemmingsplan De Leus

4

bestemmingsplan De Leus

Bijlagen toelichting

5

bestemmingsplan De Leus

6

bestemmingsplan De Leus

Bijlage 1 Kavelpaspoort De Leus

7

de leus leusden kavelpaspoort

28 maart 2023 projectnummer: 200154 gemeente Leusden

de leus leusden Introductie Kavelpaspoort

Introductie: Leusden Munnikhove Deze bescheiden woningbouwlocatie is gelegen in een rustige woonbuurt Munnikhove, uit begin jaren ‘80.

Pelgrimshoeve, gelegen aan het plangebied

Rondom de locatie ligt een buurt die bestaat uit karakeristieke chaletwoningen. Het gaat om kleine vrijstaande woningen, die met hout betimmerd zijn. De woningen hebben één bouwlaag met een kap, of twee bouwlagen in combinatie met een gootlijn op maaiveldniveau. De woningen hebben een zeer kleine kavel, maar bieden doordat ze zijn omringd door een smalle stroop privégroen een vriendelijke aanblik. De Leus is een voormalige schoollocatie. Op het noordelijk deel bevond zich een schoolgebouw dat enkele jaren gelden gesloopt is. Ook het zuidelijk deel van de kavel, dat tot voor kort werd gebruikt als tijdelijke huisvesting voor kindcentrum ‘t Ronde, is ondertussen bebouwingsvrij.

Bij het ontwikkelen van kleinschalige schoollocaties in de gemeente Leusden, wordt per locatie voor één woningtype gekozen. De Leus is aangewezen als een locatie waar ruimte is voor kleine woningen, passend bij de maat en schaal van de directe omgeving. Hierbij gaat het om kleine woningen, gelegen op een kleine kavel. Deze woningen zijn aantrekkelijk voor alleenstaanden of stellen, die vanuit het oogpunt van duurzaamheid of levensstijl een beperkte behoefte hebben aan binnenruimte, maar wel graag een zelfstandige woning hebben in een groene omgeving. Met het opstellen van dit kavelpaspoort kan iedereen een beeld krijgen van de mogelijkheden van deze locatie.

De locatie is omringd door bomen, die ondertussen tot een volwassen hoogte zijn gegroeid. Uitgangspunt van deze ontwikkeling is het behoud van deze groene zoom.

Woning aan de Agnietenhoeve, kijkend richting de Leus

Het voormalige schoolgebouw van de Leus omringd door bomen, gezien vanaf het Jachtpad

Uitgangspunt bij het ontwikkelen van de Leus is om te komen tot woningbouw die past bij de locatie, die bijdraagt aan de invulling van de woonvisie, en die aansluit op de behoeften van de inwoners van Leusden. De kleine schaal van de woningbouw past bij de omringende chaletwoningen, terwijl het groene karakter van de plek voor de buurt in stand blijft.

De huidige situatie, waarbij de locatie bebouwingsvrij is gemaakt. 2

Woningen en parkeren aan de Agnietenhoeve

de leus leusden

1:500

Verkenning ontwikkelingsmogelijkheden

(A3 formaat)

0

5

10

15

20

25

Om het groene karakter van de plek te behouden is het belangrijk dat de bomen rondom de locatie goed zichtbaar blijven vanaf het Jaagpad. De bestaande bomen zijn daarom leidend voor ontwikkelingsmogelijkheden en bieden de mogelijkheid voor twee denkbare opties voor de positionering van de woningen. Optie 1 gaat uit van een haakstructuur waarbij een centrale groene ruimte zich richt op het Jaagpad. Optie 2 gaat uit van een open hofstructuur waarbij

de woningen tegenover elkaar zijn gepositioneerd rond een centrale groene ruimte. Hierdoor ontstaat er een oost-west verbinding, waarbij tevens de relatie met het Jaagpad wordt gezocht. Bebouwing langs zowel de zuidzijde als de westzijde is voor het behoud van het groene karakter ongewenst en is daarom niet toegestaan.

Optie 1 - Haakstructuur

Optie 2 - Open hofstructuur

3

30 m

de leus leusden

De volgende basisregels zijn van toepassing op deze ontwikkeling:

Basisregels en kwaliteitsaspecten

1.

De woningen verwijzen op eigentijdse wijze naar de chaletwoningen in de omgeving.

2.

De woningen zijn duidelijk individueel herkenbaar door het gebruik van een kap, of door een inspringende gevel.

3.

In het noordelijke deel zijn er twee opties mogelijk voor de omvang van het grondvlak van de woning. Er zijn woningen mogelijk met een grondvlak van maximaal 30 m2, met een nokhoogte van maximaal 6m en een goothoogte van maximaal 3m. Daarnaast is het mogelijk om woningen te realiseren met een grondvlak van maximaal 50 m2. De voorwaarde hierbij is dan dat de nokhoogte maximaal 5m bedraagt en de goothoogte maximaal 3m. Het is toegestaan om in het noordelijke deel een combinatie te maken van deze twee mogelijkheden.

4.

Het grondvlak van de woningen in het zuidelijke deel is maximaal 50 m2, met een nokhoogte van maximaal 5m en een goothoogte van maximaal 3m.

5.

De woningen in het noordelijk deel mogen zowel vrijstaand als aangesloten worden gebouwd. De woningen in het zuidelijk deel mogen enkel vrijstaand worden gebouwd.

6.

De woningen hebben een eenvoudig hoofdvolume, met aanbouwen ondergeschikt aan de hoofdvorm. Een kap is verplicht, maar de vorm van de kap is vrij.

7.

Op het terrein zijn in totaal maximaal 9 kleine woningen toegestaan.

8.

Het aspect duurzaamheid is duidelijk herkenbaar in het uiterlijk van het gebouw. Bijvoorbeeld door het gebruik van een gras- of sedumdak, een zonnedak, of een groene gevel.

9.

De woningen worden gekenmerkt door natuurlijk kleur- en materiaalgebruik. Het gebruik van hout is zichtbaar in gevel. Wanneer baksteen en/of dakpannen worden toegepast, gebeurt dit in aardetinten of met een kleurverloop.

Referentiebeelden Noordelijk deel

Referentiebeelden Zuidelijk deel

10. De woningen liggen met de voordeur aan een wandelpad rondom de locatie, dat toegankelijk is voor het publiek. Aan dit pad rondom de buitenzijde hebben de woningen een Delftse stoep of geveltuin, die tussen de 1 en 2 meter breed is. 11. De woningen staan aan een centrale open groene ruimte, die van buitenaf beleefbaar is, met name vanaf het Jaagpad. Deze open ruimte is aan maximaal twee zijden omsloten door een strook woningen, en aan minstens twee zijden open naar de omgeving. Deze centrale ruimte kent geen aaneengesloten verharding of halfverharding. 12. De woningen hebben een voortuinzone van minimaal 2m en maximaal 5m breed. In deze voortuinzone kan een vlonder of veranda toegepast worden, maar kent geen aaneengesloten verharding of halfverharding. Een eventuele erfafscheiding is maximaal 0,8m hoog en krijgt de vorm van een haag. 13. Bergingen zijn toegankelijk vanaf het pad rondom de locatie, en worden binnen het bouwvlak gerealiseerd. Het maken van een collectieve berginging voor elk van de twee stroken woningen heeft een sterke voorkeur. In vorm en materiaalgebruik sluiten de bergingen aan bij de woningen. 14. Voor de parkeerbehoefte die hoort bij deze ontwikkeling wordt een parkeerkoffer van zes openbare parkeerplaatsen gemaakt aan de Pelgrimshoeve. De resterende parkeerbehoefte wordt op het terrein zelf opgelost, in één of twee collectieve parkeervoorzieningen.

De rest van terrein is niet toegankelijk voor motorvoertuigen. Parkeerplaatsen die verdwijnen voor de toegang tot deze parkeervoorziening worden gecompenseerd.

Bovenstaande referentiebeelden dienen als verwijzing naar de beoogde sfeer van de ontwikkeling 4

de leus leusden Kavelpaspoort

Bouwvlak Vlonder/tuinzone (2m breed) Entreezone (1m breed) Woningentrees (buitenzijde) Woningentrees (via vlonder) Eén van de twee delen te gebruiken als woondoeleinden (het andere deel krijgt een groene invulling)

Groen, paden en parkeren Groen en/of collectieve tuin

of 2.112 m2

Parkeerdoeleinden openbaar

1:400

(A3 formaat)

76 m2

5

0

4

8

12

16

20m

bestemmingsplan De Leus

14

bestemmingsplan De Leus

Bijlage 2 Rapport quickscan Wet natuurbescherming

15

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING TWEE LOCATIES TE LEUSDEN

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming twee locaties te Leusden Opdrachtgever

BügelHajema Amersfoort Postbus 2153 3800 CD Amersfoort

Rapportnummer Versienummer

4730.003 D1

Status

Eindrapportage

Datum

19 oktober 2021

Vestiging

Zuid-Holland Hoofdweg 240 3067 GJ Rotterdam 088 - 5001600 rotterdam@econsultancy.nl

Opsteller

De heer drs. A.N. de Keijzer

Paraaf

Kwaliteitscontrole

Mevrouw A. van Bennekom, BSc

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 10 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 11 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 11 Ongewervelden............................................................................................................... 12 Vaatplanten..................................................................................................................... 12

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 13 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8

Broedvogels .................................................................................................................... 13 Vleermuizen .................................................................................................................... 13 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 13 Amfibieën ........................................................................................................................ 14 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 14

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 15 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 15 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 16

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 17

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 18

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 4730.003

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van BügelHajema Amersfoort opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming van twee locaties te Leusden. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. De quickscan Wet natuurbescherming heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De quickscan is een actualisatie van de in 2017 uitgevoerde quickscan (Rapportage quickscan flora en fauna diverse locaties te Leusden, Econsultancy rapportnr. 4730.001, 6 september 2017). Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocaties eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

R 4730.003 versie D1

Pagina 1 van 19

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocaties liggen binnen de bebouwde kom en in de nabijheid van de kern van Leusden. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocaties weergegeven. De onderzoekslocatie betreft 2 schoolgebouwen en directe omgeving, te weten De Leus aan Agnietenhove 51a (Dependance Basisschool De Holm) en de Holm aan Lingewijk 13.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie Basisschool De Holm is bebouwd met een schoolgebouw met enkel begane grond, met verhard speelplein met speeltoestellen en een grote zandbak. De onderzoekslocatie Basisschool De Leus (Dependane) was bebouwd met een schoolgebouw met enkel begane grond, met een klein verhard speelplein met speeltoestellen. Tijdens het veldbezoek was dit gebouw bijna volledig gesloopt. De scholen liggen vlak bij elkaar en zijn gelegen in een woonwijk van Leusden, met veel groen en water in de directe omgeving. De inrichting van de schoolterreinen is deels verhard speelterrein, deels gazon met veel groen. Langs de schoollocaties lopen watergangen met natuurlijke oevers, waterplanten (o.a. waterlelie) veel groen en overhangende bomen.

R 4730.003 versie D1

Pagina 2 van 19

In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocaties en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocaties, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving. Bovenste pijl is De Holm.

Figuur 3. De Holm, voorkant

Figuur 4. De Holm, achterkant

Figuur 5. De Holm, kantpannen

Figuur 6. De Leus, achterkant

Figuur 7. De Leus

Figuur 8. De Leus, voorkant

R 4730.003 versie D1

Pagina 3 van 19

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens beide schoolgebouwen te slopen en nieuwbouw te realiseren.

R 4730.003 versie D1

Pagina 4 van 19

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 7 oktober 2021. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Utrecht opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

R 4730.003 versie D1

Pagina 5 van 19

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

R 4730.003 versie D1

Pagina 6 van 19

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

R 4730.003 versie D1

Pagina 7 van 19

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

R 4730.003 versie D1

Pagina 8 van 19

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen de bebouwde kom kunnen dit zijn: huismus, gierzwaluw en slechtvalk. Van deze soorten kan de slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. Deze soort broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen. Volgens gegevens van de NDFF zijn gierzwaluwen en huismussen in de directe omgeving aangetroffen. Met name het pand met pannen daken (De Holm) is in potentie geschikt als broedlocatie voor huismus en gierzwaluw. Tijdens het veldbezoek voor onderhavige quickscan zijn geen exemplaren van de vogelsoorten aangetroffen, nog resten van nestmateriaal. In 2018 is een nader onderzoek naar beide vogelsoorten uitgevoerd waarbij geen exemplaren of nestlocaties bij de onderhavige scholen zijn aangetroffen. Gezien de resultaten van het nader onderzoek dat op de locatie is uitgevoerd (Rapport nader onderzoek diverse locaties te Leusden, Econsultancy 4730.002, van d.d. 25 juli 2018) en het feit dat er sinds die tijd geen veranderingen in de omgeving of het pand hebben plaatsgevonden is de verwachting dat het pand geen functie heeft voor huismus en gierzwaluw. Een nader onderzoek naar huismus en gierzwaluw wordt niet nodig geacht. De school De Leus heeft geen potenties gehad voor broedvogels en is inmiddels gesloopt. 5.1.2

Overige broedvogels

De bebouwing/beplanting op de onderzoekslocatie kan onderdak bieden aan broedvogelsoorten zoals gaaien, duiven en eksters. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd (Categorie 5 nesten), zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soorten te voorkomen (zie hoofdstuk 6).

R 4730.003 versie D1

Pagina 9 van 19

5.2

Vleermuizen

Volgens gegevens uit de NDFF (Nationale Database Flora & Fauna) is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De bebouwing op de onderzoekslocatie De Holm is op het eerste gezicht geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van overhangende kantpannen (figuur 5). De trespa boeiboorden waar de kantpannen op rusten is echter te glad voor vleermuizen om zich aan te hechten voor het omhoog kruipen en binnengaan van de ruimte achter deze kantpannen. In 2018 is een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd waarbij geen functies voor vleermuizen van de onderhavige scholen zijn aangetroffen. Gezien de resultaten van het nader onderzoek dat op de locaties is uitgevoerd (Rapport nader onderzoek diverse locaties te Leusden, Econsultancy 4730.002, van d.d. 25 juli 2018) en het feit dat er sinds die tijd geen veranderingen in de omgeving of de panden hebben plaatsgevonden (uitgezonderd de sloop van De Leus) is de verwachting dat de panden geen functie hebben voor vleermuizen.

In de directe omgeving van de school De Holm zijn woningen aanwezig die bij uitstek geschikt zijn als verblijfplaats door de aanwezigheid van spouwmuren met open stootvoegen en een vleermuiskast (zie figuur 9, 10 en 11). Aanwezige vleermuizen zullen hier naar verwachting verblijfplaatsen vinden en niet in beide schoolgebouwen.

Figuur 9. Woning overzijde De Holm, voorkant

Figuur 10. Detail

Figuur 11. Vleermuiskast aan gevel woning naast De Holm

Een nader onderzoek naar het gebruik van vleermuizen van de beide scholen wordt niet nodig geacht, gezien het reeds uitgevoerde vleermuisonderzoek waaruit blijkt dat de school De Holm geen potenties heeft gehad voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Dit geldt ook voor de school De Leus welke inmiddels is gesloopt. De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, wat kan dienen als potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn de onderzoekslocaties in potentie niet geschikt als verblijf voor boombewonende vleermuizen. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden.

R 4730.003 versie D1

Pagina 10 van 19

Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, watervleermuis en laatvlieger om te foerageren. De plannen zullen naar verwachting geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, gebouwgevels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Deze routes zijn in het onderzoek uit 2018 niet aangetroffen. Het is niet te verwachten dat door de sloop van beide panden vliegroutes verstoord worden. 5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geen geschikt habitat voor streng beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door deze soorten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel, mol en rosse woelmuis. De verblijfplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingrepen mogelijk aangetast (zie hoofdstuk 6). 5.4

Reptielen, amfibieën en vissen

Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen streng beschermde reptielen waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende algemeen voorkomende soorten waargenomen: kleine watersalamander, gewone pad en bruine kikker. De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor deze algemene amfibieënsoorten. De sloten die zich langs de randen van de onderzoekslocaties bevinden kunnen onderkomen bieden aan deze soorten. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de begroeiing, ruigten en onder de takkenhopen. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor algemene soorten (zie hoofdstuk 6).

R 4730.003 versie D1

Pagina 11 van 19

Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Indien werkzaamheden in de watergangen plaats gaan vinden dient de algemene zorgplicht in acht te worden genomen. 5.5

Ongewervelden

Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat met waard- en nectarplanten. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoorn, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6

Vaatplanten

Aangezien de locatie geheel bestaat uit schoolterreinen met ruigtes, grasvelden, bordes, bebouwing en verharding, is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten waargenomen. Hierbij is tevens gelet op de aanwezigheid van (beschermde) muurvegetatie.

R 4730.003 versie D1

Pagina 12 van 19

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1

Broedvogels Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de sloop buiten het broedseizoen plaats vindt en het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien het groen toch binnen het broedseizoen gekapt dient te worden of de sloop dan zal plaats vinden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te kappen zonder daarbij broedvogels te verstoren. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen.

Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2

Vleermuizen

De te slopen bebouwing op de onderzoekslocatie wordt in verband met het reeds uitgevoerde vleermuisonderzoek in 2018 en de gelijk gebleven omstandigheden, niet geschikt geacht als verblijfplaats voor vleermuizen. 6.3

Overige zoogdieren

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.

R 4730.003 versie D1

Pagina 13 van 19

Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.4

Amfibieën

De werkzaamheden kunnen verstorend werken voor amfibieën die zich op de onderzoekslocatie bevinden. Door de werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of worden gedood. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.5

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

R 4730.003 versie D1

Pagina 14 van 19

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Arkemheen, bevindt zich op circa 11 kilometer afstand ten noorden van de onderzoekslocatie (zie figuur 12).

Figuur 12. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn voor de gebruiksfase op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt voor de gebruiksfase noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).

R 4730.003 versie D1

Pagina 15 van 19

7.2

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 0,5 kilometer ten oosten van de onderzoekslocatie. Het betreft een verbindingszone langs de kanaalweg. In figuur 13 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 13. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

De onderzoekslocatie is op ruim 500 meter afstand van een onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Door de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland derhalve niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.

R 4730.003 versie D1

Pagina 16 van 19

8

HOUTOPSTANDEN

In algemene zin is het mogelijk dat bij een voorgenomen ontwikkeling sprake is van het verloren gaan van houtopstanden die beschermd zijn conform artikel 4 van de Wet natuurbescherming. In een dergelijk geval kan er sprake zijn van een meldingsplicht en herplantplicht. In dit hoofdstuk wordt beschreven of bij de voorgenomen ontwikkeling mogelijk sprake is van een meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wnb. Verder wordt beschreven of vervolgstappen nodig zijn in kader van beschermde houtopstanden en of een ontheffingsaanvraag in het kader van de herplantplicht noodzakelijk is. Op de locatie zijn houtopstanden aanwezig die vallen onder artikel 4.3 van de Wnb. De te vellen houtstanden zijn gelegen binnen de door de gemeente vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Hiervoor geldt geen meldingsplicht en herplantplicht.

R 4730.003 versie D1

Pagina 17 van 19

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van BügelHajema Amersfoort een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de diverse locaties te Leusden. De onderzoekslocatie betreft 2 schoolgebouwen en directe omgeving, te weten De Leus aan Agnietenhove 51a (Dependance Basisschool De Holm) en de Holm aan Lingewijk 13. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. Het quickscanonderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens beide schoolgebouwen te slopen en nieuwbouw te realiseren. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

algemeen

ja

mogelijk

nee

nee

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren

jaarrond beschermd

ja

nee

nee

nee

-

verblijfplaatsen

nee

nee

nee

nee

-

foerageergebied

ja

nee

nee

nee

-

vliegroutes

nee

nee

nee

nee

-

Grondgebonden zoogdieren

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht

Amfibieën

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Libellen en dagvlinders

nee

nee

nee

nee

-

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

11 km

mogelijk

ja

mogelijk

500 meter

nee

nee

nee

-

PM

nee

nee

nee

-

Broedvogels

Vleermuizen

Gebiedsbescherming

Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Houtopstanden

R 4730.003 versie D1

Bijzonderheden / opmerkingen

Aerius berekening voor gebruiksfase

Pagina 18 van 19

Conclusie Geadviseerd wordt tijdens de werkzaamheden rekening te houden met de algemene zorgplicht voor grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Daarnaast wordt geadviseerd voor de gebruiksfase van de ontwikkeling een aeriuscalculatie uit te laten voeren.

Econsultancy vestiging, 19 oktober 2021

R 4730.003 versie D1

Pagina 19 van 19

GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. BIJ12 (2017a). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf. BIJ12 (2017b). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf. BIJ12 (2017c). Kennisdocument steenuil. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-019Kennisdocument-Steenuil-1.0.pdf. BIJ12 (2017d). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ122017-004-Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 19 oktober 2021 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied *, periode 2016-2021. NDFF.

Geraadpleegd op 19 oktober 2021 van https://ndff-ecogrid.nl. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 19 oktober 2021 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 19 oktober 2021 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Wet natuurbescherming (2015, 16 december). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/202102-17.

Provinciale bronnen Gelderland Provincie Gelderland (2021, maart). Planoviewer - Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (maart 2021). Geraadpleegd op 19 oktober 2021 van https://gldanders.planoview.nl/planoview/. Provincie Gelderland (z.d.). Bijlage Kernkwaliteiten Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone. Geraadpleegd op 19 oktober 2021 van https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGCgc08/b_NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGC-gc08_733.pdf. Provincie Gelderland (z.d.). Natuurregels in Gelderland. Geraadpleegd op 19 oktober 2021 van https://gelderland.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=38465e1d8fec467ba027024c1e3 476d1. Limburg www.limburg.nl (NNN en beschermde gebieden in Limburg) www.natuurgegevensprovincielimburg.nl (natuurgegevens provincie Limburg) Noord-Brabant www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant) www.dassenwerkgroepbrabant.nl (gegevens das in Noord-Brabant)

R 4730.003 versie D1

Noord-Holland Provincie Noord-Holland (2020). Omgevingsverordening NH2020. Geraadpleegd op 19 oktober 2021 van https://noord-holland.tercera-ro.nl/MapViewer/Default.aspx?id=NLIMRO9927POVPNH-VG01. Overijssel www.overijssel.nl (NNB en beschermde gebieden in Overijssel) www.overijssel.nl/thema's/natuur/groenloket Zuid-Holland Provinciale staten van Zuid-Holland (2019). Verordening (PZH-2019-677696264) houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsverordening Zuid Holland). Geraadpleegd op 19 oktober 2021 van https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR622914/2.

R 4730.003 versie D1

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

2.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

R 4730.003 versie D1

Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

2. 3. 4. 5.

Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.

Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn

1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten

drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis

Zoogdieren

bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat

Walvisachtigen

bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn

Vleermuizen

Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis

Amfibieën

boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad

Reptielen

dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis

Vissen

houting, steur

Vlinders

apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje

Libellen

bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel

Insecten

brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever

Overig

Bataafse stroommossel, platte schijfhoren

R 4730.003 versie D1

Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel , krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,

pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/3444/documents/36951