C.4 Brief Min VWS inzake interbestuurlijk toezicht.pdf
Tekst van het document
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
> Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag
Gemeenteraad Leusden T.a.v. de raadsgriffier Postbus 150 3830 AD LEUSDEN
Gemeente Leusden Ingekomen:
2 7 JULI 2021
Bezoekadres:
Parnassusplein 5 2511 VX Den Haag T 070 340 79 11 F 070 340 78 34 www.rijksoverheid.nl
Reg.nr.: Inlichtingen bij
M. Kop (Senior) Beleidsmedewerker
m.kop@minvws.nl
Kenmerk
Datum Betreft
1 2 JULI 2021
Interbestuurlijk toezicht
1007533-DMO Bijlage(n)
1
Geachte leden van de raad, Hierbij stuur ik u een afschrift van de brief die ik in het kader van interbestuurlijk toezicht aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leusden heb verstuurd.
Correspondentie uitsluitend richten aan het retouradres met vermelding van de datum en het kenmerk van deze brief.
Hoogachtend, de directeur-generaal Langdurige Zorg,
drs. Ernst B.K. van Koesveld
Pagina 1 van 1
<AjZ'
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
> Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag
College van B&W T.a.v. de heer Erik van Beurden Postbus 150 3830 AD LEUSDEN
Bezoekadres:
Parnassusplein 5 2511 VX Den Haag T 070 340 79 11 F 070 340 78 34 www.njksoverheid.nl Inlichtingen bij
M. Kop (Senior) Beleidsmedewerker
m.kop@minvws.nl
Kenmerk
Datum Betreft
2 2 JULI 2021
Interbestuurlijk toezicht
Geacht college,
Gemeenten hebben op grond van de Wmo 2015 de verantwoordelijkheid maatschappelijke ondersteuning te bieden aan alle inwoners die niet op eigen kracht zelfredzaam zijn en zonder deze ondersteuning niet kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Een zorgvuldig onderzoek naar aanleiding van een hulpvraag is van groot belang, gezien de beoordelingsruimte en verantwoordelijkheid die het college heeft voor het vaststellen van de Wmoondersteuning die aan een persoon wordt verstrekt.
In dit verband heb ik kennisgenomen van het gegeven dat uw college op 9 februari 2021, in navolging op de Verordening maatschappelijke ondersteuning en beleidsregels Wmo 2015, en de oproep van de VNG (maatregelen beheersing kosten abonnementstarief d.d. 23 november 2020), het volgende besluit heeft genomen: 1. het eigen (draag)kracht en zelfredzaamheidscriterium per 1 april zodanig toe te passen dat, als inwoners zelf aangeven voldoende draagkracht te hebben om een huishoudelijke hulp voorziening zelf te organiseren, de aanvraag om die reden wordt afgewezen; 2. opdracht te geven aan Lariks1 om in bovenstaande gevallen te onderzoeken of de aanvrager inderdaad zelf in een oplossing kan voorzien, waarbij de financiële zelfredzaamheid aan de orde komt (inschatting naar financieel draagkracht). Onderdeel van dit onderzoek is een gesprek met aanvrager naar aanleiding van diens inkomensgegevens waarbij de draagkrachtnorm van minimaal 150% van het sociaal minimum zal worden gehanteerd;
3. de gemeenteraad hierover direct na het besluit te informeren. Met dit besluit wordt invulling gegeven aan de artikelen 10 (criteria voor maatwerkvoorziening) en 11 (voorwaarden en weigeringsgronden) van de Verordening maatschappelijke ondersteuning. Aan Lariks wordt met dit besluit
i
De gemeente Leusden heeft de uitvoering van de Wmo 2015 uitbesteed aan Lariks.
3232171-1007533-DMO Bijlage(n)
Correspondentie uitsluitend richten aan het retouradres met vermelding van de datum en het kenmerk van deze brief.
opdracht gegeven om het eigen (draag)kracht en zelfredzaamheidscriterium uit de verordening en beleidsregels Wmo 2015 verscherpt toe te passen. Deze beleidswijziging biedt het college per 1 april jl. de mogelijkheid om de inwoners van Leusden hulp bij het huishouden te onthouden op een wijze die in strijd is met de Wmo 2015. Ik licht dit hieronder nader toe.
Wettelijk kader De wetgever heeft gemeenten in verband met de uitvoering van de Wmo 2015 beleidsruimte gegeven, maar deze wordt in ieder geval begrensd door artikel 2.3.5 lid 3 van de Wmo 2015. Dit artikel bepaalt dat een maatwerkvoorziening, rekening houdend met de uitkomsten van het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 2.3.2, een passende bijdrage moet leveren aan het realiseren van een situatie waarin een inwoner van een gemeente in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Het college onderzoekt daarbij onder andere de mogelijkheden van een persoon om op eigen kracht de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie te verminderen. De Wmo 2015 laat, bij de beoordeling of een inwoner van een gemeente in aanmerking komt voor hulp en ondersteuning op grond van deze wet, geen ruimte om de eigen financiële middelen van inwoners onder het begrip 'eigen kracht' te scharen (artikelen 2.3.2 lid 4 sub b en 2.3.5 lid 3 van de Wmo 2015). Dit is expliciet het uitgangspunt geweest tijdens de parlementaire behandeling, zowel bij de totstandkoming van de Wmo 2015 als bij de wijziging van de Wmo 2015 die betrekking had op de invoering van het abonnementstarief2, en is ook meerdere malen bevestigd in rechtspraak.3 In de memorie van toelichting van de Wmo 2015 zijn hierover onder meer de volgende passages opgenomen:
"Uitgangspunt van dit wetsvoorstel is dat maatschappelijke ondersteuning beschikbaar is voor degenen die daarop zijn aangewezen, ongeacht de hoogte van het inkomen of vermogen. De regering kiest niet voor het hanteren van een inkomens- dan wel vermogensgrens of toets die bepaalt of iemand in aanmerking komt voor ondersteuning uit hoofde van dit wetsvoorstel. Inkomensbeleid blijft de verantwoordelijkheid van het Rijk en de regering is niet voornemens de systematiek van de eigen bijdrageregeling te wijzigen." "In het gesprek dat de gemeente met een cliënt voert, moet de hoogte van de eventueel verschuldigde bijdrage voor de voorziening betrokken worden. 2 De bedoeling van de wetgever ten aanzien van de beoordeling van de 'eigen kracht' is niet gewijzigd als
gevolg van de invoering van het abonnementstarief. In de memorie van toelichting bij de Wet abonnementstarief Wmo 2015 staat: "De gemeente kan iemand niet de toegang tot de Wmo ontzeggen, enkel op basis van zijn inkomen en vermogen, hetgeen nu ook al het geval is. Gemeenten hebben en houden de mogelijkheid om de eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van andere personen in het sociaal netwerk of het gebruikmaking van algemene voorzieningen te betrekken bij hun beoordeling van een ondersteuningsvraag. Dit uitgangspunt van de Wmo 2015 wordt ongemoeid gelaten". Kamerstukken II, 2018/19, 35093, nr. 3 blz. 3. 3 Zie Kamerstukken II, 2013/14 33841, nr. 3 blz. 44-45 voor de opgenomen passage uit de memorie van toelichting en onder andere de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 20 februari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:772) en 13 mei 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:1099).
Kenmerk
3232171-1007533-DMO
<4i2?
De gemeente mag de aanvraag van een cliënt die een voorziening zelf, zonder tussenkomst van de gemeente, zou kunnen bekostigen gelet op de hoogte van het inkomen en vermogen in relatie tot de bijdrage, niet op die grond afwijzen. Dat neemt niet weg, dat de gemeente in het gesprek met financieel draagkrachtige cliënten natuurlijk wel mag wijzen op de mogelijkheid de voorziening zelf te financieren. Als de cliënt dat wil en ook in staat is om dat zelf te organiseren, kan dat de juiste aanpak zijn. De cliënt kiest er dan voor de voorziening zelf buiten de gemeente om te regelen." Gesprekken in het kader van interbestuurlijk toezicht Over de door u in strijd met de Wmo 2015 ingevoerde inkomenstoets zijn, in het kader van het interbestuurlijk toezicht, in de afgelopen periode gesprekken gevoerd tussen het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS) en uw organisatie. Desgevraagd heeft uw gemeente voorafgaand aan deze gesprekken de relevante stukken met betrekking tot de (totstandkoming van) de besluitvorming verstrekt. Op 15 juli 2021 heb ik vervolgens een onderhoud gehad met de heer Van Beurden, wethouder van onder andere Welzijn en Zorg.
Uit de diverse gesprekken is gebleken dat u van mening bent dat het gewijzigde beleid in overeenstemming is met de Wmo 2015 en dat de principes 'eigen kracht' en 'zelfredzaamheid' naar aanleiding van de invoering van het abonnementstarief anders uitgelegd kan worden. Door uw gemeente is aangegeven dat de implementatie van het abonnementstarief tot hoge(re) uitgaven leidt en daardoor een financieel probleem vormt voor uw gemeente, aangezien ook personen met hoge(re) inkomens gebruik maken van huishoudelijk hulp. Dit was volgens uw gemeente voor de invoering van het abonnementstarief en de toepassing van de inkomensafhankelijke eigen bijdrage nog niet het geval. Ik heb, net zoals in eerdere gesprekken is gewisseld, aangegeven dat ik uw interpretatie dat de invoering van het abonnementstarief ruimte biedt om het begrip 'eigen kracht' ruimer te interpreteren zodat daaronder ook financiële draagkracht valt, niet deel. Ik heb u tevens toegelicht dat Rijk en VNG in een gezamenlijk proces werken aan mogelijke beleidsopties voor zowel de korte als de lange termijn. Dit proces kan een reden zijn om uw besluitvorming alsnog niet in werking te laten treden en/of op te schorten.
Interbestuurlijk toezicht Besluiten van gemeentelijke bestuursorganen die in strijd zijn met het recht of het algemeen belang kunnen door de Kroon worden vernietigd op grond van artikel 132, vierde en vijfde lid, Grondwet en artikel 268 Gemeentewet. Om te bepalen of tot ingrijpen wordt overgegaan, worden de stappen in de 'interventieladder', die is opgenomen in het beleidskader schorsing en vernietiging, doorlopen. Deze bestaat uit zes stappen: 1. Signaleren: signaleren dat een besluit mogelijk in strijd is met het recht of algemeen belang. 2. Eerste beoordeling: indien een besluit mogelijk voor vernietiging in aanmerking komt, wordt een eerste beoordeling door de vakminister gemaakt. Nagegaan wordt of het besluit ontvankelijk is door te onderzoeken of sprake is van een besluit ofwel een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling en of andere (rechts)middelen tegen het besluit openstaan.
Kenmerk
3232171- 1007533-DMO
1
3.
4.
5.
6.
Informatie opvragen: indien het besluit ontvankelijk is bevonden, wordt het onderzoek naar de strijd met het recht of algemeen belang gestart. Daarbij wordt in ieder geval informatie bij het betrokken bestuursorgaan opgevraagd. Schorsen: de Kroon kan tot schorsing van het besluit overgaan ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen als gevolg van het besluit of schadelijke risico's. Informeren uitkomst onderzoek en overleg: indien de Kroon zich over het besluit een oordeel heeft gevormd, dan wordt het betrokken bestuursorgaan daarvan op de hoogte gesteld. Als de Kroon van oordeel is dat aanleiding bestaat het besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang voor vernietiging voor te dragen dan wordt het betrokken bestuursorgaan gelegenheid tot overleg geboden. Voordracht voor vernietiging: Indien het overleg er niet toe leidt dat de bezwaren van de minister worden weggenomen, dan wordt het besluit voor vernietiging voorgedragen. Het betrokken bestuursorgaan wordt hier op voorhand van op de hoogte gesteld.
Conform de stappen in de 'interventieladder' kan de Kroon zo nodig en uiteindelijk gebruikmaken van de instrumenten schorsing en vernietiging conform artikel 268 van de Gemeentewet en afdeling 10.2.2 en 10.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Een vernietiging geschiedt bij Koninklijk Besluit (ingevolge artikel 132, vierde en vijfde lid, van de Grondwet). Bij de toepassing van dit instrument gelden de uitgangspunten van het beleidskader 'schorsing en vernietiging' (TK 2009-2010, 32389, nr. 5).4 Afspraak herziening verordening maatschappelijke ondersteuning Zoals besproken met de heer Van Beurden op 15 juli 2021, wordt u in de gelegenheid gesteld om uw beleidsregels in overeenstemming te brengen met de uitgangspunten van de Wmo 2015. Ik verzoek u mij voor 15 oktober 2021 te informeren of u inderdaad van plan bent uw collegebesluit van 9 februari 2021 ongedaan te maken (aan te passen), zodanig dat de strijdigheid met de Wmo 2015 wordt opgeheven en aan te geven binnen welke tijdspanne deze aanpassingen kunnen zijn voltooid. Mocht u dit niet van plan zijn, dan zullen de stappen volgend op de huidige stap 3 in de 'interventieladder' in gang worden gezet. Indien de minister vervolgens over uw besluitvorming een formeel oordeel heeft gevormd, dan wordt u conform stap 5 in de 'interventieladder' daarvan op de hoogte gesteld.
In het geval de minister aan de hand van het onderzoek oordeelt dat het besluit wegens strijd met het recht of het algemeen belang voor vernietiging door de Kroon voorgedragen kan worden, dan wordt u in die fase van het interventieproces nogmaals gelegenheid tot overleg geboden (conform artikel 10:41 lid 1 van de Awb).
4
Tl
Ir
Gemeenten I Riiksoverheid.nl
Kenmerk
3232171-1007533-DMO
Tot slot Ik ga ervan uit dat u uw college zult voorstellen de beleidsregels voor de gestelde termijn in overeenstemming te brengen met de Wmo 2015. In dat geval zijn verdere maatregelen van de zijde van de Rijksoverheid niet nodig. Mocht u behoefte hebben aan ondersteuning bij het wijzigen van het beleid of aan een nader gesprek, dan ben ik hiertoe uiteraard bereid. Indien u over (aanvullende) informatie beschikt die relevant is voor de verdere toepassing van het interbestuurlijk toezicht, dan verneem ik dat graag.
Een afschrift van deze brief wordt ook verzonden aan de gemeenteraad van Leusden, de VNG en de Tweede Kamer. Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Hoogachtend, de directeur-generaal Langdurige Zorg,
drs. Ernst B.K. van Koesveld
Kenmerk
3232171-1007533-DMO