CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 2 Quickscan Wet natuurbescherming.pdf

Raadsvergadering 4 februari 2021, gemeente LeusdenBij agendapunt: 5: RV IKC Groenhouten vaststelling bestemmingsplan7.932 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Projectnummer:

Januari 2020

Quickscan Wet natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

In opdracht van: Gemeente Leusden Projectnummer: 2020-013

© 2019 Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, Culemborg Ecologisch Adviesbureau Viridis bv Randweg 30 4104 AC Culemborg T 0345 753 275 E info@bureau-viridis.nl W www.bureau-viridis.nl KvK 110 557 87

Btwnr

NL 820598215B01

IBAN

NL46 TRIO 0198 4486 00

Tekst: Veldonderzoek: Foto’s:

O.C. (Olivier) Horiot O.C. (Olivier) Horiot

Foto voorblad:

Basisschool de Hobbit

Projectnummer: Wijze van citeren:

2020-013 Horiot, O.C.H., 2020 Quickscan Wetnatuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden Ecologisch Adviesbureau Viridis, Culemborg, PRNR-2020-013

In opdracht van: Contactpersoon:

Gemeente Leusden Bert van Eijken

Datum: Status: Ondertekening:

15 januari 2020 S. (Susan) Zwerver

Paraaf: Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, fotokopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecologisch Adviesbureau Viridis is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal (Basis Registratie Topografie Kadaster 2019, tenzij anders wordt vermeld) inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van Ecologisch Adviesbureau Viridis. De opdrachtgever vrijwaart Ecologisch Adviesbureau Viridis voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Ecologisch Adviesbureau Viridis is mede om die redenen lid van het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologische adviesbureaus.

Hierdoor zijn wij zo goed mogelijk op de hoogte van de nieuwste ontwikkeling op het gebied van ecologie en wetgeving. Door de inzet van conform de wet ter zake kundige ecologen, waarborgen wij onze onderzoekskwaliteit. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie.

O.C. (Olivier) Horiot

Quickscan Wet natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

In opdracht van: Gemeente Leusden

Inhoud

Samenvatting

1

4.1

Beantwoording onderzoeksvragen

11

1

2

4.2

Mitigerende maatregelen

12

4.3

Conclusie

12

2

3

4

Aanleiding 1.1

Situatie

2

1.2

Beschrijving van het plangebied

2

1.3

Probleemstelling

2

5.1

Literatuur

13

Onderzoeksmethode

5

5.2

Websites

13

5

Bronnen

2.1

Literatuuronderzoek

5

2.2

Veldonderzoek

5

Wet natuurbescherming

14

2.3

Analyse

5

Zorgplicht (art. 1.11)

14

6

Natura 2000-gebieden

14

Resultaten en effectbeoordeling

Wettelijk kader

13

14

3.1

Vaatplanten

6

Soortbescherming

14

3.2

Vleermuizen

7

Vogelrichtlijn (artikel 3.1)

14

3.3

Grondgebonden zoogdieren

9

Habitatrichtlijn (artikel 3.5)

15

3.4

Vogels

9

Nationale beschermde soorten (artikel 3.10) 15

3.5

Vissen

10

Beschermde houtopstanden

16

3.6

Amfibieën

10

Ontheffing, vergunning of vrijstelling

16

3.7

Reptielen

10

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

17

3.8

Ongewervelden

10

Overzicht algemene vrijstellingen

18

Conclusie en advies

11

Ter zake kundige

19

Samenvatting

Tabel 1 | Samenvatting effecten en vervolgstappen per aangetroffen of verwachte soortgroep

Soortgroep Vleermuizen Overige zoogdieren Vogels met jaarrond beschermde nesten (huismus en gierzwaluw) Algemene broedvogels Amfibieën Reptielen Insecten en andere ongewervelden Vaatplanten

Effecten? Mogelijk Nee Mogelijk

Vervolgstappen? Aanvullend onderzoek Geen Aanvullend onderzoek

Mogelijk Mogelijk Nee Nee Nee

Mitigerende maatregelen Mitigerende maatregelen Geen Geen Geen

Resultaten Tijdens het veldbezoek is de geschiktheid van de te slopen gebouwen voor beschermde soorten beoordeeld. Hierbij is vastgesteld dat er mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen in het gebouw aanwezig kunnen zijn. Daarnaast is het gebouw geschikt als nestlocatie voor huismussen (Passer domesticus) en gierzwaluwen (Apus apus), de nesten van deze vogels zijn jaarrond beschermd. In de heg die twee zijden van het gebouw Kompas omrandt kunnen algemene beschermde vogels zoals de merel (Turdus merula), roodborst (Erithacus rubecula) en winterkoning (Troglodytes troglodytes) nestelen. Voor de huismus en de gierzwaluw is het noodzakelijk om een nader onderzoek uit te voeren om de aan- of afwezigheid van deze soorten aan te tonen. Mitigatie Binnen de invloedsfeer kunnen mogelijk andere, minder strikt, beschermde soorten voorkomen, om negatieve effecten op deze soorten te voorkomen moeten mitigerende maatregelen uitgevoerd worden Door kapwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kunnen negatieve effecten op algemene broedvogels voorkomen worden. In de sloten en de vijver kunnen nationaal beschermde maar in Utrecht vrijgestelde amfibieën voorkomen. Voor deze soorten kunnen mitigerende maatregelen genomen worden. Aanvullend onderzoek Het uitvoeren van nader onderzoek dient plaats te vinden in specifieke periodes.

Deze worden in onderstaande tabel weergegeven: Tabel 2 | Onderzoeksperiodes per soortgroep Type Vleermuis – Zomer Vleermuis – najaar

Minimaal aantal onderzoeken 3 bezoeken

Onderzoeksperiode

Minimale tussenperiode

2 bezoeken

15 mei t/m 15 juli 15 augustus t/m 1 okt

(10) 30

Huismus

2 bezoeken

1 april t/m 20 juni

10

Gierzwaluw

3 bezoeken

1 juni - 15 juli

10

apr

mei

jun

jul

aug

sep

okt

(10) 20

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet Natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

1

1 Aanleiding

1.1

Situatie

Gemeente Leusden is voornemens 2 basisscholen, Hobbit en Kompas te slopen. Op de locatie van deze scholen zal een Integraal Kind Centrum (IKC) worden gebouwd. Daarnaast zullen er een aantal sociale huurappartementen worden gerealiseerd. Deze ruimtelijke ingrepen kunnen negatieve effecten veroorzaken op ter plaatse voorkomende beschermde soorten1. Mogelijk worden daarbij verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. Vanuit de Wet natuurbescherming worden drie categorieën dier- en plantensoorten in meer of mindere mate beschermd: • Vogelrichtlijnsoorten, hieronder vallen alle inheemse vogelsoorten (artikel 3.1); • Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5); • Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10). Per wetsartikel gelden een aantal verbodsbepalingen die mogelijk overtreden worden bij de geplande ingreep. Bij ruimtelijke ingrepen houdt dit hoofdzakelijk verband met de bescherming van nesten, bescherming van verblijfplaatsen en voortplantingsbiotoop en verbod op het doden of verwonden van beschermde soorten. Op deze verbodsbepalingen gelden enkele uitzonderingen. Zo is provinciaal een vrijstellingslijst vastgesteld met daarop een aantal soorten waarvoor deze verbodsbepalingen niet gelden. Ook kan er in specifieke gevallen gewerkt worden volgens een ministerieel goedgekeurde gedragscode waarin voorschriften opgenomen zijn om de effecten te beperken.

Om te bepalen of er beschermde soorten mogelijk effecten ondervinden van de ingreep en daarbij ver1

Beschermde soorten: alle onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten in de provincie Utrecht

bodsbepalingen worden overtreden is een Quickscan Soortbescherming noodzakelijk. Naast soorten worden ook Natura 2000-gebieden beschermd vanuit de Wet natuurbescherming. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Arkemheen’ ligt op een afstand van ruim 11 kilometer en de ‘Veluwe’ op een afstand van 14 kilometer. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is daarom geen sprake. Het nabijgelegen Natura 2000-gebied ligt op voldoende ruime afstand dat geen negatieve invloed verwacht wordt van factoren die slechts een korte reikwijdte hebben, zoals bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting. De enige factor die op grotere afstand werkzaam is en op basis van zijn reikwijdte van invloed kan zijn, betreft stikstofdepositie. In de uitvoerende fase kan een tijdelijke verhoging van stikstofdepositie plaatsvinden ten gevolge van uitstoot van het bouwverkeer en machines die tijdens werkzaamheden gebruikt worden. Echter, gelet op de kleine schaal van de werkzaamheden is het uitgesloten dat deze uitstoot enige significante bijdrage levert aan de bestaande achtergronddepositie of tijdelijk leidt tot een overschrijding van grenswaarden voor het Natura 2000-gebied. Het is daarom niet noodzakelijk om een Voortoets t.b.v. een habitattoets in het kader van Natura 2000 uit te voeren.

Buiten de verbodsartikelen voor de soorten en gebieden geldt er ook een algemene zorgverplichting (artikel 1.11) voor álle inheemse dier- en plantensoorten, Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden. Ook niet-beschermde en vrijgestelde soorten en gebieden vallen dus onder deze verplichting. Deze verplichting beoogt het voorkomen of beperken van de schade voor in het wild levende soorten en gebieden.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet Natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

2

In de Wet natuurbescherming is in hoofdstuk 4 verder nog de bescherming van houtopstanden opgenomen. Voor bepaalde houtopstanden buiten de bebouwde kom Wet natuurbescherming geldt een meldings- en herplantingsplicht. Binnen het plangebied zijn geen bomen aanwezig en derhalve geldt voor dit project geen meldings- of herplantingsplicht. Tot slot is er, naast de Wet natuurbescherming, vanuit de Provinciale Structuurvisie een aantal gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland (NNN) en daarmee beschermd. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Een toetsing in dit kader is daarom niet nodig. In Bijlage A kunt u meer informatie terugvinden over de Wet natuurbescherming en overige relevante wetgeving. Voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden is een onderzoek naar het mogelijke voorkomen van beschermde plant- en diersoorten uitgevoerd middels een verkennend natuurwaardenonderzoek (Quickscan). In onderhavig rapport worden de kaders, uitvoering, resultaten en effectbeoordeling van deze toets beschreven.

1.2

Beschrijving van het plangebied

De 2 scholen liggen ten zuidwesten van Leusden aan De Meent nr. 2 en 3. De scholen liggen in een relatief groene woonwijk met bomen en struwelen. Ten westen van het plangebied ligt een klein park met een vijver. Een klein deel van het park tussen de school en de vijver is deel van het plangebied. De vijver heeft een L-vorm en bevat een klein eiland. De oever is vaak grotendeels voorzien met beschoeiing en er lijkt niet veel oevervegetatie aanwezig te zijn. Op de bodem ligt een laag bladeren van de bomen die de vijver omranden. Een brede sloot ligt ten noorden van het schoolgebouw de Hobbit. Het noordelijke deel van het plangebied is een voetbalveld omringt door bomen en struiken ten westen en zuiden en door een klein slootje ten noorden.

Het gebouw het kompas is een baksteen gebouw met een plat dak en gevelbetimmering aan het bovenste deel van de muren. Het gebouw de Hobbit is een baksteen gebouw die bestaat uit vier gelijke onderdelen die aan elkaar sluiten. Elke onderdeel heeft een puntdak met dakpannen en gevelbetimmering aan de grens muur/dak.

In Figuur 1.1 en Afbeelding 1.1 t/m 1.6 is een impressie van het plangebied en de directe omgeving te zien.

1.3

Probleemstelling

De gebouwen moeten gesloopt worden. In plaats van de twee scholen zal een Integraal Kind Centrum (IKC) gerealiseerd worden. in het noordelijke deel van het plangebied zullen sociale huurappartementen worden gebouwd. In het huidige plan is nog niet bekend of er bomen gekapt worden of groen verwijderd moet worden. Om goed voorbereid te zijn op een eventueel noodzakelijke ontheffingsaanvraag van de Wet natuurbescherming geeft een Quickscan Wet natuurbescherming antwoord op de volgende onderzoeksvragen: • Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? • Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden? • Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? • Is het noodzakelijk aanvullend onderzoek uit te voeren? Voorliggend rapport geeft advies met betrekking tot de mogelijkheden om de geplande ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet Natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

2

Figuur 1.1 | Plangebied (Het gebouw boven rechts bestaat niet meer)

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet Natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

3

Afbeelding 1.1 | Het Kompas zuid en oostkant

Afbeelding 1.2 | Het Kompas noordkant

Afbeelding 1.3 | De Hobbit zuidkant

Afbeelding 1.4 | De Hobbit westkant

Afbeelding 1.5 | De vijver westelijk van het plangebied

Afbeelding 1.6 | De sloot noordelijk van de Hobbit

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet Natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

4

2 Onderzoeksmethode

Om antwoord te kunnen geven op de onderzoeksvragen is een toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Hiermee is de ecologische waarde van het plangebied door middel van een literatuuronderzoek en een veldinventarisatie onderzocht. Op deze manier wordt het voorkomen van beschermde soorten binnen de Wet natuurbescherming bepaald. De gebruikte onderzoeksmethoden worden hieronder beschreven.

deeld of in en rond het plangebied beschermde soorten kunnen voorkomen.

2.1

2.3

Literatuuronderzoek

Voor het literatuuronderzoek is gebruik gemaakt van bekende verspreidingsgegevens van beschermde soorten uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), verspreidingsatlassen van relevante soorten, het archief van Bureau Viridis en vrij beschikbare verspreidingsgegevens. De resultaten van het literatuuronderzoek hebben uitgewezen welke beschermde soorten in de omgeving van het plangebied verwacht kunnen worden. Tijdens het veldbezoek is speciale aandacht besteed aan het mogelijke voorkomen van deze soorten.

2.2

Veldonderzoek

Er is eveneens beoordeeld of voor beschermde soorten geschikt leefgebied aanwezig is. Daarnaast is gekeken of soortgericht onderzoek noodzakelijk is om de aanwezigheid van beschermde soorten en effecten van de werkzaamheden nauwkeurig te kunnen beoordelen.

Analyse

De uit het literatuuronderzoek en veldonderzoek verkregen verspreidingsgegevens van beschermde soorten zijn geanalyseerd om na te gaan of er bij de uitvoering van de werkzaamheden mogelijk verbodsbepalingen (art. 3.1, 3.5 of 3.10) van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Wanneer blijkt dat er mogelijk beschermde soorten voorkomen die negatieve effecten kunnen ondervinden van de plannen is dit beschreven. Wanneer mogelijk worden alternatieven aangeboden om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten. Indien het voorkomen van de soorten en/of de negatieve effecten nader onderzoek behoeft, wordt dit aangeven in de toetsing.

Naast het literatuuronderzoek heeft Ecologisch Adviesbureau Viridis een veldbezoek uitgevoerd. Dit veldbezoek heeft plaatsgevonden op 8 januari 2020. Bij het veldbezoek is op basis van geografische ligging, terreingesteldheid en expert judgement beoor-

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet Natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

5

3 Resultaten en effectbeoordeling

Hierna worden de resultaten van het literatuuronderzoek en veldonderzoek per soortgroep besproken. Daarbij is per soortgroep een effectenbeoordeling opgenomen, waarin helder beschreven wordt of er negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten zijn en, indien van toepassing, of er mitigerende maatregelen mogelijk zijn om deze effecten te voorkomen. In de NDFF zijn geen gegevens bekend over het voorkomen van beschermde soorten binnen de begrenzing van het plangebied. Daarom zijn er geen resultaten van het literatuuronderzoek beschreven in de rapportage.

3.1

Afbeelding 2.1 | Sloot in het noorden van het plangebied

Vaatplanten

Op het terrein waar de twee scholen liggen is weinig natuurlijke vegetatie. Op het schoolplein zijn een aantal bomen aanwezig zoals Linde Tilia sp, Haagbeuk Carpinus betulus en Spaanse aak Acer campestre. Langs de gebouwen zijn een aantal lage heggen aangelegd (1.30 m hoog) bestaande uit haagbeuk of sierplanten (zie afbeelding 1.2). Het plangebied bevat veel bomen verspreidt over het hele terrein. In het park bij de vijver en in het noordelijke deel langs het voetbalveld staan een aantal zomereiken. Langs de brede sloot en ten oosten daarvan in de uitlijning groeien zwarte elzen. Langs het voetbalveld groeien diverse struiken (hazelaar (Corylus avellana), rode kornoelje (Cornus sanguinea), braam (Rubus sp), roos struiken (Rosa sp), bosrank (Clematis vitalba)). Langs een kleine sloot zijn kleine wilgen aangeplant. De sloot zelf bevat weinig tot geen water.

Afbeelding 2.2 | sloot in het noorden van het plangebied

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet Natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

6

Op basis van het literatuuronderzoek is het bekend dat in de directe omgeving van het plangebied vleermuizen verwacht kunnen worden. Hierbij zijn de volgende soorten bekend: gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusius, laatvlieger Eptesicus serotinus en gewone grootoorvleermuis Plecotus auritus. Bij het gebruik van het landschap door vleermuizen wordt onderscheid gemaakt in vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied.

Afbeelding 2.3 | Voetbalveld met struiken in de achtergrond

Afbeelding 2.4 | Brede sloot ten noorden van de Hobbit

Volgens het literatuuronderzoek zijn er geen beschermde of kwetsbare soorten aanwezig. In en langs de vijver groeien wel een aantal water- en oeverplanten zoals stomp fonteinkruid, mannagras en moerasrolklaver. Tijdens het veldbezoek zijn weinig soorten waargenomen vanwege de winterperiode, waarin de meeste kruidachtige planten niet zichtbaar zijn. Gezien de geografische ligging in een stedelijk gebied, de aanwezige habitats en de kwaliteit van deze habitats is de kans om beschermde of kwetsbare soorten te vinden nihil. Effectbeoordeling Vanwege het ontbreken van beschermde plantensoorten, zijn negatieve effecten van de ingreep op dergelijke soorten uit te sluiten. Negatieve effecten op vaatplanten worden uitgesloten.

3.2

Vleermuizen

Vaste verblijfplaatsen Vleermuizen zijn globaal te verdelen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en laatvlieger, en boombewonende soorten zoals rosse vleermuis Nyctalus noctula en watervleermuis Myotis daubentoni. Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruik maken zoals de grootoorvleermuis. Daarbij is ook onderscheid te maken tussen zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (in spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten zoals de Rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, spleten en achter loshangende schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten. Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot en in schoorstenen. In het plangebied zijn er verschillende openingen aangetroffen die voor vleermuizen als verblijfplaats kunnen dienen. De stootvoegen die onder de gevelbetimmering liggen (zie Afbeelding 1.1) maar ook de grens tussen muur en gevelbetimmering (zie afbeelding 3.1 en 3.2) geeft de vleermuizen toegang naar ruimtes in de muur of in het dak.

Bovendien zijn er elementen aanwezig zoals dakpannen of gevelbetimmering met kleine beschadigingen en daardoor een onverwachte opening aanbieden, dit soort locaties worden door vleermuizen gebruikt als invliegopening. In het gebouw de Hobbit lopen op elke kanten metalen goten in een groef in de muur en in het dak naar boven toe (zie afbeelding 3.3). Dit zijn geschikte invliegmogelijkheden voor vleermuizen.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet Natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

7

Afbeelding 3.1 | Holte tussen de betimmering en de muur (het Kompas)

Afbeelding 3.3 | Goot die in een groef van de muur naar boven toe loopt

Afbeelding 3.2 | Gevelbetimmering bij de kopse kant (de Hobbit)

Afbeelding 3.4 | Vleermuiskasten in het plangebied

Boombewonende vleermuissoorten Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. In het plangebied zijn verschillende bomen aanwezig. Deze zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op geschikte holtes en loszittend schors. Er zijn geen geschikte natuurlijke verblijfplaatsen in het plangebied aangetroffen. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn daarom in het plangebied niet te verwachten.

Deze kasten dienen natuurlijk als mogelijke verblijfplaatsen en zijn mogelijk als mitigerende maatregelen voor een ander project geplaatst. Ook deze kasten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming en mogen niet zomaar verwijderd worden.

Vleermuiskasten Op een boom ten westen van het voetbalveld hangt een vleermuiskasten (zie afbeelding 3.4). Twee van hetzelfde type kast hangen ook aan de oostelijke kant (buiten plangebied) en een vierde aan een boom ten noorden van het plangebied.

Vliegroutes Om zich van verblijfplaats naar foerageergebied te verplaatsen wordt door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige natuurlijke elementen gebruikt. De gewone dwergvleermuis gebruikt bijvoorbeeld vaak bomenrijen om zich te oriënteren en te verplaatsen. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een significant

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet Natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

8

negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben. Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd. In de plangebieden zijn duidelijke lijnvormige natuurlijke elementen te vinden: alle bomen die langs de vijver, de brede sloot, het voetbalveld en op het schoolplein groeien kunnen zijn gebruiken als vliegroute. Foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze mogelijk de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied kan zo leiden tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is strikt beschermd. De combinatie van water (vijver en sloot), loofbomen en struiken wijst potentiele belangrijke foerageergebieden voor vleermuizen aan, in het bijzonder voor de vleermuizen die hun verblijfplaatsen in de nabije omgeving hebben.

Effectbeoordeling Op basis van de Quickscan is het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen, in het bijzonder van gebouwbewonende soorten als de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis niet uit te sluiten. Het slopen van de gebouwen kan negatieve effecten hebben op de eventueel aanwezige vleermuizen. Een nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen, uitgevoerd conform het vleermuisprotocol is noodzakelijk. Omdat het nog niet duidelijk is of bomen en struiken verwijderd worden voor de ingreep kan niet worden beoordeeld of er mogelijke effecten op het foerageergebied van vleermuizen zijn. Tijdens het nader onderzoek dient er daarom te worden gekeken naar het gebruik van het plangebied als foerageergebied.

In de omgeving van het plangebied zijn voldoende lijnvormige structuren aanwezig die een mogelijk verlies van een vliegroute door eventuele kap op kunnen vangen. Er zullen geen negatieve effecten zijn op essentiële vliegroutes van vleermuizen.

3.3

Grondgebonden zoogdieren

Op basis van bekende verspreidingsgegevens en de terreingesteldheid zijn er geen andere beschermde zoogdieren te verwachten in het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn er geen (sporen van) grondgebonden zoogdieren aangetroffen. Het is wel waarschijnlijk dat de vrijgestelde soort egel voorkomt in het plangebied Effectbeoordeling Het is uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde grondgebonden zoogdieren. Wel moet rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). In dit kader dienen algemene mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden. Deze mitigerende maatregelen zijn beschreven in paragraaf 4.2.

3.4

Vogels

Op basis van het literatuuronderzoek is het bekend dat in de directe omgeving van het plangebied jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw verwacht kunnen worden. Het veldonderzoek wijst uit dat de gebouwen veel potentie hebben voor nestlocaties van huismussen en gierzwaluwen. Het ten westen liggende gebouw (De hobbit) heeft een puntdak met dakpannen en is zeer geschikt voor huismussen en gierzwaluwen. Tijdens het veldonderzoek is een klein groep huismussen waargenomen in de heg ten zuiden van De hobbit. De woningen vlakbij lijken ook geschikt te zijn voor huismussen en gierzwaluwen. Het andere gebouw (Het Kompas) daarentegen heeft een plat dak en biedt geen nestmogelijkheden voor deze soorten. In de heg die Het Kompas omrandt kunnen mogelijk algemene broedvogels als merel, roodborst en winterkoning hun nest bouwen. In de bomen zijn geen grote nesten gevonden die kunnen wijzen op aanwezigheid van andere vogel-

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet Natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

9

soorten met jaarrond beschermde nesten. Dergelijke soorten zijn ook hier niet te verwachten.

nationaal beschermd maar vrijgesteld in de provincie Utrecht.

Effectbeoordeling Op basis van het veldonderzoek is het voorkomen van broedende huismussen en gierzwaluwen in het schoolgebouw de Hobbit niet uit te sluiten. Het is noodzakelijk een ander onderzoek naar het huismus en gierzwaluw uit te voeren.

Effectbeoordeling De werkzaamheden kunnen negatieve effecten veroorzaken op een aantal algemene amfibieën die zich in de sloot en in de vijver kunnen bevinden. Het is niet nodig om een nader onderzoek naar deze soorten uit te voeren of een ontheffing aan te vragen. Wel moet rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). In dit kader dienen dus mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden. Deze mitigerende maatregelen zijn beschreven in paragraaf 4.2.

Daarnaast kunnen algemene vogels in de heggen en bomen rondom de school nestelen. Om negatieve effecten van de werkzaamheden op algemene broedvogels te voorkomen dienen algemene mitigerende maatregelen uitgevoerd worden. Deze mitigerende maatregelen zijn beschreven in paragraaf 4.2.

3.5

Vissen

Volgens het literatuuronderzoek kunnen algemene vissoorten voorkomen in de vijver en in de dichtbij liggende wateren. De volgende soorten kunnen aanwezig te zijn: zeelt, baars, tiendoornige stekelbaars, blankvoorn en vetje. Deze soorten zijn niet beschermd of kwetsbaar. Effectbeoordeling Vanwege het ontbreken van beschermde vissen soorten, zijn negatieve effecten van de ingreep op dergelijke soorten uit te sluiten. Indien een deel van de sloot of de vijver gedempt moet worden voor de werkzaamheden, of er worden op andere wijze werkzaamheden in de buurt van het water uitgevoerd waardoor algemene vissoorten negatieve effecten ondervinden moeten in het kader van de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming) algemene mitigerende maatregelen uitgevoerd worden. Deze mitigerende maatregelen zijn beschreven in paragraaf 4.2.

3.6

Amfibieën

Er zijn geen waarnemingen van beschermde amfibieen bekend in het plangebied of in de vijver. In de omgeving zijn wel de gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander waargenomen. Op basis van de aanwezige habitats (vijver en sloot) kunnen deze soorten hier mogelijk voorkomen. Deze soorten zijn

3.7

Reptielen

Volgens het literatuuronderzoek is de ringslang lokaal vrij algemeen in de omgeving van Leusden. Deze soort is echter niet te vinden binnen het plangebied en het stedelijke omliggende gebied. Op basis van de aanwezige habitats en de terreingesteldheid wordt deze soort ook niet verwacht binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Effectbeoordeling Vanwege het ontbreken van beschermde reptielen, zijn negatieve effecten van de ingreep op dergelijke soorten uit te sluiten.

3.8

Ongewervelden

Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde ongewervelden in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Beschermde ongewervelden zoals dagvlinders en libellen stellen specifieke eisen aan hun biotoop. In het plangebied zijn in het geheel geen geschikte biotopen voor deze soorten aanwezig. Effectbeoordeling Vanwege het ontbreken van beschermde of zeldzame ongewervelden, zijn negatieve effecten van de ingreep op dergelijke soorten uit te sluiten.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet Natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

10

4 Conclusie en advies

4.1

Beantwoording onderzoeksvragen

Om na te gaan of door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming al dan niet overtreden worden, worden de onderzoeksvragen onderstaand beantwoord. •

Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? Ja er zijn een aantal beschermde soorten te verwachten in het plangebied. Er zijn mogelijk verblijfplaatsen en foerageergebieden van vleermuizen aanwezig. In het schoolgebouw de Hobbit kunnen mogelijk huismussen en gierzwaluwen nestelen, twee soorten met jaarrond beschermde nesten. Daarnaast kunnen ook andere algemene broedvogels in de bomen, struiken en heggen rondom het plangebied nestelen en kunnen er algemeen voorkomende soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën rondom het plangebied voorkomen. •

Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden? Ja door het slopen van de twee gebouwen worden mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen en nesten van huismus en gierzwaluw vernietigd. Hierbij kunnen ook dieren gedood worden. Door het kappen van bomen en struiken kunnen nesten van algemene broedvogels vernield worden. •

Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of er nestplaatsen van huismussen en gierzwaluwen en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Op

basis van dit onderzoek kan worden bepaald op welke wijze negatieve effecten zo veel mogelijk kunnen worden gemitigeerd. Negatieve effecten op broedvogels met een niet jaarrond beschermde nestplaats, grondgebonden zoogdieren en amfibieën kunnen worden gemitigeerd volgens de maatregelen als beschreven in paragraaf 4.2. •

Is het noodzakelijk aanvullend onderzoek uit te voeren? Ja, met betrekking tot huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen is het noodzakelijk een aanvullend onderzoek uit te voeren. Uit dit onderzoek zal blijken of deze soorten gebruik maken van de gebouwen binnen het plangebied. Voor de vleermuizen zal ook onderzocht worden of het plangebied onderdeel uitmaakt van een belangrijk foerageergebied.

Voor vleermuizen zal er een jaarrond onderzoek moeten plaatsvinden om vast te stellen in hoeverre en voor welke functie de gebouwen gebruikt worden. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd volgens de voorwaarden uit het vleermuisprotocol (2017). Dit protocol is ontwikkeld door de Zoogdiervereniging en het Netwerk Groene Bureaus in samenwerking met de Dienst Landelijk Gebied en de Gegevens-autoriteit Natuur (GaN). Het onderzoek houdt in dat tijdens de kraamperiode (half mei tot half juli), tijdens de paarperiode (half augustus tot eind september) in totaal vijf bezoeken aan het plangebied moeten worden gebracht waarbij de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in kaart wordt gebracht. Dit onderzoek zal zich richten op de bebouwing. Onderzoek naar aanwezigheid van nestplaatsen van huismussen en gierzwaluwen dient te worden

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet Natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

11

uitgevoerd volgens de protocollen van het Netwerk Groene Bureaus. Voor huismussen betreft het onderzoek 2 bezoeken in de periode 1 april t/m 20 juni. Voor gierzwaluwen betreft het onderzoek 3 avondbezoeken in de periode van 1 juni tot 15 juli.

4.2

Mitigerende maatregelen

Indien de beschreven mitigerende maatregelen in acht worden genomen, is er met betrekking tot algemene broedvogels geen sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Het betreft de volgende mitigerende maatregelen: • Eventuele kapwerkzaamheden dienen buiten het broedseizoen (globaal lopend van 15 maart tot 15 juli) uitgevoerd te worden. • Indien het niet mogelijk is om de kapwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren dient het terrein eerst vrijgegeven te worden door een ter zake kundige ecoloog (bijlage C). • Broedgevallen buiten deze periode zijn ook beschermd. Indien een in gebruik zijnde nest wordt aangetroffen tijdens de uitvoer van de werkzaamheden dient het werk ter plaatse stilgelegd te worden en moet er contact opgenomen worden met de ter zake kundige ecoloog. In overleg met de ecoloog worden de vervolgstappen besloten. Vanuit de Wet Natuurbescherming geldt een algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming). Om invulling te geven aan deze

zorgverplichting zijn de volgende mitigerende maatregelen noodzakelijk: • Werkzaamheden in het plangebied dienen met de minste schade voor aanwezige planten en dieren uitgevoerd te worden; • De werkzaamheden dienen vanuit één richting te worden uitgevoerd zodat eventueel aanwezige dieren de tijd hebben voor de werkzaamheden uit te vluchten naar een nieuwe leefomgeving; • Daarnaast dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van bestaande wegen en paden. • Bij het dempen van een sloot dienen de aanwezige vissen en amfibieën afgevangen te worden en verplaatst te worden naar de aangrenzende vijver. Hiervoor dient contact opgenomen te worden met een ter zake kundige ecoloog (bijlage C).

4.3

Conclusie

Het is noodzakelijk een nader onderzoek naar huismussen en gierzwaluwen tijdens de voorgeschreven inventarisatieperiodes uit te voeren. Ook moet er een jaarrond onderzoek naar vaste verblijfplaatsen en foerageergebieden van vleermuizen conform het vleermuisprotocol uitgevoerd worden. Voor andere soorten, zoals andere broedvogels en vrijgestelde amfibieën, is het niet noodzakelijk nader onderzoek uit te voeren. Wel dienen er algemene mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden in het kader van de algemene zorgplicht.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet Natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

12

5 Bronnen

5.1

Literatuur

Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & Eis Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea. – Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. – Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011. Vleermuizen Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Vertaling en bewerking PHC Lina. De Fontein/Tirion Uitgevers BV, Utrecht. Kleukers, R.M.J.C., E.J. van Nieukerken, B. Odé, L.P.M. Willemse & W.K.R.E. van Wingerden, 1997. De sprinkhanen en krekels van Nederland (Orthoptera). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.

Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2017) Vleermuisprotocol maart 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl. Netwerk Groene Bureaus, 2017. Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017). SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.

5.2

Websites

Verspreidingsatlas planten Via www.verspreidingsatlas.nl/planten Nationale Databank Flora en Fauna Via www.ndff-ecogrid.nl/ Ravon verspreidingskaarten Via: www.ravon.nl

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet Natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

13

Wettelijk kader

De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming heeft als doel bescherming, herstel en ontwikkeling van natuur zonder stijging van de lasten voor bedrijven en burgers. Het bevoegd gezag is gedecentraliseerd naar de Provincies. Deze decentralisatie houdt in dat de provincies nu o.a. verantwoordelijk zijn voor het toetsen van ontheffingsaanvragen. RVO blijft wel het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffing of vrijstellingen voor activiteiten en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland, waarvoor de provincies beleid maken.

Wet natuurbescherming Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden als afzonderlijke hoofdstukken opgenomen, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Zorgplicht (art. 1.11) Voor alle Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten (mét en zonder beschermstatus) is de zorgplicht van kracht (artikel 1.11). De zorgplichtbepaling houdt in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt aan Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurmonumenten en in het wild levende planten en dieren, evenals voor hun directe leefomgeving dergelijke handelingen achterwege laat, mitigerende maatregelen neemt of compenserende maatregelen neemt.

Natura 2000-gebieden De wetgeving met betrekking tot Natura 2000gebieden is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten of activiteiten in en/of in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden. Soortbescherming Het hoofdstuk 3 ‘Soortbescherming’ uit de Wet natuurbescherming bestaat uit drie aparte beschermingsregimes, ook wel de passieve soortbescherming genoemd: 1) de Vogelrichtlijn; 2) de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en; 3) nationaal beschermde soorten. Voor deze drie beschermingsregimes gelden verschillende verboden en wettelijke belangen voor een ontheffingsaanvraag. Vogelrichtlijn (artikel 3.1) Voor van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: 1.

opzettelijk doden en vangen van vogels; 2. opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren; 3. eieren rapen en onder zich hebben; 4. opzettelijk verstoren van vogels; 5. het verbod onder 4) is niet van toepassing indien de verstoring niet van wezenlijke in-

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet Natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

14

vloed is op de gunstige staat van instandhouding van de populatie. Een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de ontheffingsaanvraag (zie paragraaf 2.3) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 3.3, lid 4: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora en fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten; 6. het selectief vangen, onder zich hebben of verstandig gebruik van bepaalde vogels. Vogellijst Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd in het kader van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1). De nesten van vogels zijn beschermd als ze door de vogels in gebruik zijn, zowel in als buiten de gangbare broedperiode (15 maart tot 15 juli). De meeste vogels maken elk jaar een nieuw nest of zijn in staat een nieuw nest te maken. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. De nesten van deze vogelsoorten zijn jaarrond beschermd waardoor de verbodsbepalingen van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming het gehele jaar van toepassing zijn (zie Kader A.1).

De wetgever verstaat onder verblijfplaatsen van vogels ook nesten en holtes waar de vogels ook buiten de broedtijd regelmatig verblijven. Habitatrichtlijn (artikel 3.5) Voor in het wild levende dieren van soorten, genoemd in de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, gelden de volgende verbodsbepalingen: 1. opzettelijk doden en vangen; 2. opzettelijk verstoren; 3. opzettelijk vernielen of rapen eieren; 4. opzettelijk beschadigen of vernielen voortplantings- of rustplaatsen; 5. opzettelijk plukken of vernielen planten.

Een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.5 kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de ontheffingsaanvraag (zie paragraaf 3.3) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 3.8, lid 5: 1. ter bescherming van flora en fauna, en instandhouding van natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek of onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten of de daartoe benodigde kweek; 5. op selectieve wijze een aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben. Nationale beschermde soorten (artikel 3.10) Voor in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A gelden de volgende verbodsbepalingen: a. opzettelijk doden of vangen; b. opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen.

Voor vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B geldt dat in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen verboden is. Een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.10 kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de ontheffingsaanvraag (zie paragraaf 2.3) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 3.10, lid 2: a. in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling; b. ter voorkoming van schade of overlast; c. ter beperking van de omvang van populaties; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud landbouw of bossen;

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet Natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

15

f.

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; h. in het algemeen belang, of; i. bestendig gebruik. Actieve soortbescherming Naast de passieve soortbescherming zijn provincies wettelijk verplicht om soorten te beschermen middels de Natuurvisie (artikel 1.7) en de actieve soortbescherming (artikel 1.12). In het kader van deze actieve bescherming kunnen de provincies de lijst met beschermde soorten uitbreiden en/of gebieden aanwijzen waarvoor een extra inspanning nodig is om de staat van instandhouding van populaties te behouden of te herstellen. Beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden is geregeld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming (voorheen Boswet). Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant.

Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen, op fruitbomen, op windschermen om boomgaarden, op naaldbomen bedoeld om te dienen als kerstbomen, op kweekgoed, op bepaalde beplantingen van wilgen of populieren, op bepaalde beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet. De provincie kan regels stellen ten aanzien van de meldingsplicht en de plicht tot herbeplanting. Alle

provincies hebben verordeningen vastgesteld waarin is geregeld hoe een kapmelding moet worden ingediend, waaraan herbeplanting moet voldoen en wanneer ontheffing van de herbeplantingsplicht kan worden verleend. Sommige provincies hebben ook beleidsregels vastgesteld waarin bijvoorbeeld is aangegeven wanneer een kapverbod wordt opgelegd. De Wet natuurbescherming beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. Waar de grens van de “bebouwde kom Wet natuurbescherming” ligt, wordt bepaald door de gemeenteraad. Dit valt vaak min of meer gelijk met de ‘bebouwde kom Verkeerswet’, maar kan afwijken. Binnen de bebouwde kom geldt meestal een kapverbod op grond van de algemene plaatselijke verordening (APV) of een gemeentelijke bomenverordening. Daarnaast kunnen gemeenten ook regels stellen voor bomen buiten de bebouwde kom, bijvoorbeeld in een bestemmingsplan.

Ontheffing, vergunning of vrijstelling Het is mogelijk om voor de in de Wet natuurbescherming vermelde verboden een ontheffing of vergunning aan te vragen. Er kan alleen een ontheffing verleend worden als er aan drie criteria is voldaan: a. er is geen alternatieve bevredigende oplossing mogelijk; b. er moet sprake zijn van een wettelijk belang behorend bij het artikel dat overtreden wordt; c. er mag geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de populatie plaatsvinden. Vrijstelling Het is niet altijd nodig om een ontheffing aan te vragen wanneer er gevolgen voor beschermde plantenen diersoorten optreden. Er zijn verschillende soorten vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden indien strikt en aantoonbaar gewerkt wordt volgens een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode. De zorgplicht blijft ook bij het werken via een gedragscode onverminderd van kracht. Naast de gedragscode is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling te krijgen (artikel 3.11). Deze ministeriële regelingen zijn opgesteld door Gedeputeerde Staten als vrijstellingslijsten. Zie Bijlage B

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet Natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

16

voor een overzicht voor de vrijgestelde soorten. In onderhavige rapportage wordt niet ingegaan op de voorkomende soorten van de vrijstellingslijst.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland, waarvoor de provincies beleid maken (NNN). Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden.

Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen geheel of gedeeltelijk binnen de begrenzing van het NNN plaatsvinden en negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden en/of een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een ‘Nee, tenzij’-toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden.

Kader | Jaarrond beschermde vogelnesten De meeste vogels gebruiken hun nest slechts eenmalig voor de voortplanting. Elk jaar bouwen de dieren een nieuw nest op meestal een andere locatie. Nesten van deze vogels zijn slechts gedurende het broedseizoen beschermd. Er zijn echter ook vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn en waarop de verbodsbepalingen van artikel 3.1 en 3.5 (afhankelijk van de soort) van de Wet natuurbescherming het gehele jaar van toepassing zijn. Er worden 5 categorieën onderscheiden: 1. Vogels waarvan de nesten ook buiten het broedseizoen als vaste rust- en verblijfplaats gebruikt worden (voorbeeld: steenuil). 2. Koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: gierzwaluw en huismus). 3. Vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar en kerkuil). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. (voorbeeld: ransuil). 5.

De volgende vogelsoorten behoren tot deze categorie: vogels die weliswaar terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of in de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De nesten van deze soorten zijn buiten het broedseizoen niet beschermd, tenzij zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet Natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

17

Overzicht algemene vrijstellingen

Tabel 1 | Overzicht vrijgestelde soorten Provincie Utrecht

Soortgroep

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Amfibieën Amfibieën Amfibieën Amfibieën Amfibieën

Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker Middelste groene kikker / Bastaardkikker

Microtus agrestis Apodemus sylvaticus Mustela putorius Micromys minutus Sorex minutus Erinaceus europaeus Sorex areneus Lepus europeus Mustela erminea Crocidura russula Oryctolagus cuniculus Pitymys subterraneus Capreolus capreolus Clethrionomys glareolus Sorex coronatus Microtus arvalis Vulpes vulpes Mustela nivalis Arvicola terrestris Rana temporaria Bufo bufo Lissotriton (Triturus) vulgaris Pelophylax ridibundus (Rana ridibunda) Pelophylax klepton esculentus (Rana esculenta)

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet Natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

18

Ter zake kundige

TER ZAKE KUNDIGE Alle mitigerende maatregelen moeten worden begeleid en/of uitgevoerd door een ter zake kundige op het gebied van vleermuizen, jaarrond beschermde nestplaatsen en broedvogels. Voorafgaande aan de uitvoering van de gewenste werkzaamheden, dient te alle tijden de aannemer/uitvoerder de werkzaamheden af te stemmen met een ter zake kundige. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit verstaat onder een kundige een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de kundige: • op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie en/of; • op MBO niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Flora- en faunawet, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten en/of; • als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en/of; • zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties. Alle medewerkers van Bureau Viridis voldoen aan de eisen van het ministerie en zijn ter zake kundig.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet Natuurbescherming Basisschool Hobbit & Kompas te Leusden

19

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/2581/documents/26079