CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage B - Ontwerpbegroting VRU 2026 en geactualiseerde begroting VRU 2025 (versie 15-4-2025).pdf

Raadsvergadering 26 juni 2025, gemeente LeusdenBij agendapunt: 10: RV Voorlopige jaarstukken 2024, Ontwerpbegroting 2026, Geactualiseerde begroting 2025 VRU23.726 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Met betrekking tot de visie op huisvesting heeft het algemeen bestuur in november 2023 het besluit genomen om een drietal scenario’s voor de organisatie van de huisvesting uit te laten werken door VRU en de 26 gemeenten. Aan de basis van de uitwerking staan de eerder vastgestelde vier bestuurlijke uitgangspunten, waarbij geconstateerd is dat de huidige organisatie niet voldoet aan de uitgangspunten. Momenteel worden de laatste inhoudelijke uitwerkingen gemaakt, waaronder het in beeld brengen van de organisatorische impact per scenario bij gemeenten en de globale schets van de toekomstige lasten. Na afronding van deze uitwerking zal in het algemeen bestuur een beeldvormende bijeenkomst georganiseerd worden, als voorbereiding op een besluitvormende bijeenkomst. 4.1.2

Digitale veiligheid

Met het vaststellen van het strategisch beleid digitale veiligheid is koers gezet om kwaadwillende en onbevoegden buiten de deur te houden, en daarmee onze eigen (digitale) continuïteit en weerbaarheid te verhogen. De eerste fase draait om het implementeren van de minimale technische basismaatregelen die essentieel zijn om te beschermen tegen veel voorkomende dreigingen zoals phishing en gijzelsoftware (ransomware). Het is belangrijk om te benadrukken dat deze basismaatregelen, naast implementatie, ook in 2026 blijvende aandacht vragen om goed onderhouden te worden. Behalve dat we een nieuwe versie van de Baseline informatiebeveiliging Overheid (BIO) verwachten is het vrijwel zeker dat de Veiligheidsregio onder de NIS2-richtlijn gaat vallen. De NIS2-richtlijn is gericht op het verhogen van de digitale weerbaarheid van vitale organisaties en stelt strengere eisen aan risicobeheer, incidentrespons en rapportage. Recent heeft een extern bureau een volwassenheidstoets uitgevoerd. Hierbij is gekeken in hoeverre wij voldoen aan huidige versies van de (verplichte) normenkaders en daarmee hoe goed we in staat zijn om

32

cyberrisico’s te beheersen. Op een schaal van tot , aarbi niveau ordt gezien als het vereiste niveau voor een veilige en weerbare organisatie , scoren wij momenteel rond de 1,5. Het is belangrijk om te begrijpen dat de nieuwe normenkaders en verplichtingen niet vrijblijvend zijn. Ondanks de stappen die zijn gezet is er nog veel werk te verrichten, werk waarvoor structureel investeringen noodzakelijk zijn. Voor 2025 en 2026 hebben we, in lijn met het strategisch beleid, de volgende doelstellingen opgenomen: • •

•

Risicogericht erken, aarbi e niet alleen richten op de top risico’s op concernniveau, maar ook de specifieke “te beschermen belangen” per proces identificeren en prioriteren. Uitvoeren van externe en interne penetratietests door een gespecialiseerd bureau om de effectiviteit van de genomen beveiligingsmaatregelen te beoordelen en onze weerbaarheid tegen cyber-aanvallen te testen. Van ad-hoc naar continu versterken van het cyberbewustzijn van onze medewerkers via gerichte trainingen en campagnes, omdat zij de sterkste schakel vormen in onze cyberveiligheid.

Privacy De VRU is verantwoordelijk voor het wettig behandelen van persoonsgegevens. Dit zijn persoonsgegevens van burgers, ambtenaren en vrijwilligers. Daarbij heeft de VRU een morele plicht om de vertrouwelijkheid en gevoelige aard van deze persoonsgegevens te eerbiedigen. De VRU verwerkt geen persoonsgegevens tenzij dat noodzakelijk is. De persoonsgegevens worden onder andere gebruikt voor het beheren van incidenten, om toezicht te houden, voor relatiebeheer, werving en selectie, en de werknemersadministratie. De VRU zorgt er voor dat er altijd een grondslag is voor die verwerking, dat de betrokken persoonsgegevens niet langer worden bewaard dan noodzakelijk, en dat deze alleen met bevoegde partijen worden gedeeld. Door gepaste technische en organisatorische maatregelen te nemen zorgt de VRU er ook voor dat de persoonsgegevens adequaat beveiligd zijn. Betrokkenen kunnen uitvoering geven aan hun rechten door te mailen met de functionaris voor de Gegevensbescherming. Daarnaast worden beleidsstukken en processen doorlopend bekeken en beoordeeld om te kijken of deze de privacy van de betrokkenen nog beter kunnen beschermen. Er is een groep mensen met verschillende taken in het kader van de bescherming van de persoonsgegevens.

Zo houdt de functionaris voor de gegevensbescherming toezicht en adviseert, de privacy officers helpen collega’s op eg en adviseren, en de privacy ambassadeurs vormen de schakel tussen de directies en de afdeling juridische zaken. 4.1.3

Interne beheersing en rechtmatigheid

Interne beheersing Interne beheersing is een proces, gericht op het verkrijgen van een redelijke mate van zekerheid omtrent het bereiken van doelstellingen in de volgende categorieën: ▪ Bereiken van strategische doelstellingen; ▪ Effectiviteit en efficiëntie van bedrijfsprocessen; ▪ Betrouwbaarheid van de financiële informatieverzorging;

33

▪ Naleving wet– en regelgeving. Interne beheersing is daarmee geen doel op zich, maar een middel om effectief te kunnen sturen op de uitvoering van onze taken. Wij hanteren hierbij de volgende uitgangspunten: ▪ Integraal management (verantwoordelijk voor resultaten en middelen); ▪ Evenwicht tussen regels en regelruimte; ▪ Het management wordt voldoende ondersteund met raad, daad en informatie; ▪ Voorkomen is beter dan genezen; ICT-systemen ondersteunen de juiste werkwijze. Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de administratieve organisatie en de interne beheersing. Dit komt vanaf 2023 tot uiting in het afleggen van een rechtmatigheidsverantwoording aan het algemeen bestuur. De (verbijzonderde) interne controles vormen hiervoor de basis. Interne controle Binnen de VRU voeren we (verbijzonderde) interne controles uit op onze processen. Jaarlijks worden interne controles uitgevoerd op basis van het risicogericht intern controleplan dat periodiek herijkt wordt. In eerste aanleg voeren we controles uit voor financieel kritische processen. Dit zijn die processen die in relatie tot de door het algemeen bestuur vastgestelde goedkeuringstolerantie voor getrouwheid en verantwoordingsgrens voor rechtmatigheid als financieel kritisch aangemerkt worden. Daarnaast voeren we een beperkt aantal controles uit op basis van specifiek beleid/besluiten (specials).

De externe accountant voert op gezette momenten ook controles uit. Risicomanagement en interne controle zijn geen doel op zich. Het zijn middelen die ervoor moet zorgen dat we onze taken goed (en steeds beter) uitvoeren. Het is daarom een zaak van iedereen binnen de organisatie; ieder vanuit zijn of haar eigen rol en verantwoordelijkheid. Dit komt tot uiting in het principe van het zogenaamde ‘drieli nenmodel’ die de basis vormt voor de taakverdeling ten aanzien van risicomanagement en interne controle binnen de VRU. We onderkennen de volgende drie lijnen: 1. In de eerste lijn: in het primaire proces, onder verantwoordelijkheid van de lijnmanagement. 2. In de tweede lijn: in de ondersteunende processen, waar checks and balances ingericht zijn om fouten te signaleren. Deze lijn bestaat uit de controllers en de vaktechnische adviseurs (b.v. HRMadviseurs, FLO-adviseur, etc.) in hun controlerol 3. In de derde lijn: de lijn bestaat uit de concerncontrol- en interne auditfunctie. Rechtmatigheidsverantwoording De Rijksoverheid heeft regels vastgesteld voor het opstellen van de financiële verantwoording door gemeenten en provincies in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV). Deze gelden voor de begroting, meerjarenraming, jaarverslagen en jaarrekening en hebben betrekking op de correctheid, begrijpelijkheid en volledigheid van de stukken.

Het Besluit Accountantscontrole Decentrale Overheden (BADO) bevat regels voor de minimumvereisten voor de accountantscontrole van de jaarrekening. Als gevolg van wijzigingen in

34

het BBV is het dagelijks bestuur van de VRU vanaf 2023 zelf verantwoordelijk worden voor het afgeven van de rechtmatigheidsverklaring bij de jaarstukken. Hiervoor heeft de VRU in samenspraak met de externe accountant een normen- en toetsingskader opgesteld.

4.2

Openbaarheidsparagraaf

Per 1 mei 2022 is de Wet open overheid in werking getreden. De Wet open overheid (hierna: Woo) is de opvolger van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob). Waar de Wob voornamelijk zag op de openbaarmakingsplicht op verzoek, richt de Woo zich ook op de actieve openbaarmakingsplicht en de informatiehuishoudingsplicht. Naast dat informatie dus openbaar gemaakt moet worden als iemand erom vraagt, moet sommige informatie ook actief openbaar gemaakt worden en moeten we er voor zorgen dat informatie goed te vinden is. Een van de verplichtingen die uit de Woo volgt, is dat bestuursorganen jaarlijks in de begroting aandacht besteden aan de beleidsvoornemens inzake de uitvoering van de Woo en in de verantwoording verslag doen van de uitvoering van de wet. Bestuursorganen gaan in de openbaarheidsparagraaf in op de beleidsvoornemens (c.q. behaalde resultaten) met betrekking tot de actieve en passieve openbaarmaking en de verbetering van de informatiehuishouding. Passieve openbaarmaking (openbaarmaking op verzoek) Onderzocht is op welke manier software kan bijdragen aan het vergemakkelijken en versnellen van het anonimiseren van documenten. Dit onderzoek wordt momenteel afgerond. In 2024 zijn er twee beroepen bij de bestuursrechter over besluiten die de VRU genomen heeft naar aanleiding van een verzoek om informatie op grond van de Woo.

In beide gevallen is de verzoeker het niet eens met het besluit en vraagt om meer informatie dan is gegeven. De Woo kent verschillende uitzonderingsgronden waarop een bestuursorgaan zich kan beroepen bij het niet openbaar willen maken van informatie. Uiteindelijk dient de bestuursrechter het besluit van de VRU te toetsen. Actieve openbaarmaking De Woo kent zeventien informatiecategorieën die gefaseerd zullen worden ingevoerd. Telkens wordt bij Koninklijk besluit bepaald welke informatiecategorie vanaf dat moment actief openbaar gemaakt moet worden. Wij voldoen aan de wettelijke verplichting en hebben de actieve openbaarmaking van de informatie uit de verplichte categorieën op orde. Informatiehuishouding op orde C. In 2024 werken we aan de uitvoering van het programmaplan Digitale toegankelijkheid waarbij we oog hebben voor nieuwe documenten, maar ook een slag zullen maken in het digitaal toegankelijk maken van oude documenten.

35

4.3

Verbonden en overige partijen

Hieronder is een overzicht opgenomen van derde rechtspersonen waarin wij een bestuurlijk en/of financieel belang hebben. 4.3.1 De Werkgeversvereniging Samenwerkende Veiligheidsregio's (WVSV) De Werkgeversvereniging Samenwerkende Veiligheidsregio's is sinds 1 januari 2022 de erkgeversvereniging van de veiligheidsregio’s die met de erknemersorganisaties op landeli k niveau tot afspraken komt over arbeidsvoorwaarden voor alle werknemers van de veiligheidsregio’s (met uitzondering van het personeel dat onder een eigen cao valt bijvoorbeeld cao Ambulancezorg). Belang De WVSV maakt namens haar leden afspraken met de vakbonden over collectieve arbeidsvoor aarden voor het personeel van de veiligheidsregio’s. Deze afspraken orden vastgelegd in de “CAR(- WO) Veiligheidsregio’s” (voorheen CAR-UWO). Met het vaststellen van de begrotingen voor 2025 heeft de Algemene Vergadering ook het contributiebedrag voor 2025 vastgesteld. Statutair is bepaald dat het lidmaatschap van de veiligheidsregio’s op geli k aardige basis plaatsvindt en dat elke veiligheidsregio / ste van het saldo van de begroting bijdraagt.

Financiële informatie Eigen en vreemd vermogen voor bestemming 2024: nog niet bekend Jaarresultaat 2024: nog niet bekend 4.3.2 Stichting Risicobeheer Veiligheidsregio’s en Stichting Waarborgfonds Veiligheidsregio’s De stichtingen, het Expertisebureau Risicobeheer en het Waarborgfonds Veiligheidsregio’s zi n met instemming van alle veiligheidsregio’s opgericht in en . er anuari zi n de stichtingen operationeel. Belang et doel van de stichtingen is een bi drage te leveren aan het ‘goed erkgeverschap’ van de veiligheidsregio’s als hun mede erkers onverhoopt te maken kri gen met een dienstongeval. Hieraan wordt invulling gegeven door te ondersteunen bij de uitvoering en financiering van de Landelijke regeling aanspraken na dienstongevallen (LRD). De LRD is een regeling die in overleg binnen de veiligheidsregio’s en de vakbonden tot stand is gekomen en per anuari in werking is getreden. Governance Het Expertisebureau Risicobeheer beschikt over een vergunning van de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Tevens staat het Expertisebureau onder toezicht van een Raad van Advies, bestaande uit algemeen directeuren/commandanten en directeuren bedrijfsvoering van de veiligheidsregio’s.

36

Het Waarborgfonds is vrijgesteld van toezicht door De Nederlandsche Bank (DNB) onder de voorwaarde dat een Raad van Toezicht wordt geïnstalleerd. De Raad van Toezicht is ingesteld en voorziet in de noodzakelijke specifieke deskundigheid die daarmee in het Waarborgfonds is geborgd. Daarnaast zijn er beperkingen gesteld aan de financiële omvang van het fonds. Financiële informatie De veiligheidsregio’s dragen gezamenli k zorg voor de financiering van de RD. Dit geschiedt door deelname aan beide stichtingen. Het Waarborgfonds geeft dekking voor aanspraken voor zover deze niet verzekerd zijn. Een deel van de aanspraken is nog verzekerd via een collectieve ongevallenpolis. De kosten van het Expertisebureau Risicobeheer en de inleg in het Waarborgfonds orden betaald uit de premies die de veiligheidsregio’s eerder betaalden voor hun ongevallenverzekering. Het Waarborgfonds heeft als doel om binnen 5 jaar een reserve aan te leggen van 5 miljoen euro. Hiermee is er voldoende financiële zekerheid voor de toekomst. In het eerste jaar (2024) heeft het Waarborgfonds een reserve opgebouwd van ruim 3 miljoen euro. Daarnaast is gewerkt aan het inrichten van de schadeafhandeling en bedrijfsvoering van de stichting ERVRS en het Waarborgfonds.

4.4

Onderhoud kapitaalgoederen

Ten aanzien van de in de BBV genoemde kapitaalgoederen zijn de gebouwen, inventaris en installaties, automatisering, vervoersmiddelen en materiaal van toepassing op onze organisatie. 4.4.1 Kapitaalgoederen Conform artikel 59 van de BBV activeren wij alle materiële vaste activa. Investeringen schrijven wij lineair af vanaf het jaar opvolgend op het investeringsjaar. Als uitgangspunt voor het activeren geldt dat activering plaatsvindt vanaf € . per ob ect. In de Nota Activabeleid VRU zijn alle uitgangspunten opgenomen. De VRU heeft drie brandweerkazernes in eigendom. De overige kazernes zijn in eigendom van de gemeenten. De kazernes worden om niet ter beschikking gesteld aan de VRU. Investeringen in gebouwen die eigendom zijn van de VRU, worden bij de VRU geactiveerd. De kosten voor rente en afschrijving worden doorbelast aan de gemeenten die de gebouwen aan de VRU hebben overgedragen. Ten aanzien van de investeringen in overige kapitaalgoederen (inventaris en installaties, automatisering, vervoersmiddelen en materiaal) hanteren wij een meerjarig investeringsplan (MIP) dat jaarlijks wordt geactualiseerd. In de begroting is een constant bedrag (structureel budget) opgenomen voor kapitaallasten, dat jaarlijks wordt geïndexeerd om de vervangingswaarde van de activa te waarborgen. De werkelijke kapitaallasten fluctueren.

Tezamen met het MIP is daarom ook een egalisatiereserve kapitaallasten ingesteld om de verschillen tussen begrote en werkelijke kapitaallasten op te vangen. De egalisatiereserve kapitaallasten heeft naast de egalisatiefunctie ook een dekkingsfunctie. De dekkingsfunctie heeft

37

vooral betrekking op vaste activa met een incidenteel karakter, waarvoor de kapitaallasten uit de kapitaallastenreserve worden gedekt. Deze items zijn in het MIP als incidenteel aangemerkt en hiervoor zijn geen vervangingsinvesteringen opgenomen. Deze activa-items kennen dus geen structurele kapitaallast. Dit betekent dat voor incidentele lasten in de exploitatie die direct gerelateerd zijn aan (geplande) investeringen een onttrekking aan de egalisatiereserve kapitaallasten is geraamd. Bij besluitvorming wordt getoetst of de reserve gedurende de afschrijvingstermijn toereikend is. Meerjarig wordt gestuurd op een sluitende investeringsbegroting. Jaarlijks wordt in mei de investeringsbegroting bijgesteld op basis van reële verwachting. Vervolgens wordt bepaald wat de financieringsbehoefte is en welke renteomslag binnen de kaders van BBV kan worden toegepast. De rente wordt berekend over de boekwaarde per 1 januari en jaarlijks ten laste van de exploitatie gebracht. Aan de geactiveerde investeringen wordt voor geactualiseerde begroting 2025 een omslagrente van 2,25% toegerekend. De fluctuaties van de kapitaallasten ten opzichte van het structureel budget voor kapitaallasten worden beschouwd als incidentele baten en lasten. 4.4.2 Onderhoud gebouwen en installaties Het hoofdkantoor van de VRU is gehuisvest in het Provinciehuis en dit betreft huur.

Het onderhoud voor deze locatie is daarmee onderdeel van de servicekosten die wij naast de huursom aan de provincie Utrecht betalen. De kosten voor het beheer en onderhoud van de decentrale huisvestingen en de brandweerkazernes zijn voor rekening van de gemeenten. 4.4.3 Onderhoud materieel Preparatie Brandweer is ingericht binnen het organisatieonderdeel Brandweer. Hiermee borgen we dat we beschikken over vakbekwaam repressief personeel en daarnaast over voldoende en inzetbaar materieel en gereedschappen voor de uitvoering van onze operationele taak. Onderhoud van het materieel vindt regionaal plaats door de afdeling Materieel & Logistiek.

4.5

Financiering

4.5.1 Financieringsportefeuille Wij zijn externe financiering overeengekomen bij: ▪ ▪ ▪

Gemeente Amersfoort (onderhandse lening) Bank Nederlandse gemeenten (BNG Bank) De Nederlandse Waterschapsbank (NWB Bank)

In tabel 14 wordt het verloop en de hoogte van de huidige leningen weergegeven.

38

Tabel 14 Leningenportefeuille dr

x € 1.000

Saldo 31-12-2024

Saldo 31-12-2025

Saldo 31-12-2026

Saldo 31-12-2027

Saldo 31-12-2028

Saldo 31-12-2029

10 265 275

7 212 218

3 159 162

106 106

53 53

-

BNG l eni ng 40.106325 BNG l eni ng 40.106326 BNG l eni ng 40.116478 BNG l eni ng 40.116479 Onderhandse lening Bank BNG

1.333 6.800 9.000 10.000 27.133

667 6.400 8.000 9.500 24.567

6.000 7.000 9.000 22.000

5.600 6.000 8.500 20.100

5.200 5.000 8.000 18.200

4.800 4.000 7.500 16.300

NWB Ba nk l eni ng NK/1-29713 NWB Ba nk l eni ng NK/1-30919 Lening Nederlandse Waterschapsbank

14.000 14.450 28.450

13.000 13.600 26.600

12.000 12.750 24.750

11.000 11.900 22.900

10.000 11.050 21.050

9.000 10.200 19.200

Totale vaste schulden

55.858

51.385

46.912

43.106

39.303

35.500

Type lening 13-10-1997/30 jr 6,05% l i nea i r 14-07-1999/30 jr 5,43% l i nea i r Onderhandse lening Gemeente Amersfoort

Bij BNG Bank is een rekening-courantfaciliteit beschikbaar ter grootte van € mil oen om te voorzien in de kortlopende financieringsbehoefte. De financieringsbehoefte voor de langere termijn betreft de financiering van nieuwe (vervangings-)investeringen. Zie bijlage 6.7 voor een overzicht van de geplande investeringen in 2025 en 2026(8). De VRU past een renteomslagmethodiek toe die wordt voorgeschreven vanuit het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV). Door middel van deze methodiek worden aan investeringen de gemiddelde rentekosten toegerekend die voortvloeien uit de opgenomen geldleningen en/of eigen middelen waarmee zij zijn gefinancierd. In onderstaande tabel is het verwachte financieringsresultaat weergegeven aan de hand van het rekenschema zoals voorgeschreven vanuit BBV9. Tabel 15 Renteschema dr

x € 1.000

Realisatie

Begroting

Begroting

2024

2025

2026

Totale rentelasten

1.600

1.700

1.800

Rentebaten die zijn toe te rekenen aan investeringen in activa

-225

-

-

Saldo rentelasten en rentebaten

1.375

1.700

1.800

Renteschema

Doorbelaste rente projectfinanciering/ maatwerk

-57

-45

-33

Totaal aan taakvelden toe te rekenen integrale rente (A):

1.318

1.655

1.767

De aan taakvelden toegerekende rente (omslagrente)

1.350

1.701

1.981

Aan taakvelden toegerekende rente via renteomslag (B):

1.350

1.701

1.981

32

46

214

Renteresultaat op taakveld Treasury (B-A)

8 De investeringsplanning wordt jaarlijks in mei geactualiseerd en verwerkt in de begroting die 7 juli 2025 voorligt in het AB. 9 Als gevolg van de actualisatie van de investeringsplanning zal het renteresultaat nog wijzigen en verwerkt worden in de begroting die 7 juli

2025 voorligt in het AB.

39

4.5.2 Risicobeheer Om de risico’s van het treasurybeleid te beheren zi n er normen vastgesteld in de Wet ido. Deze normen bestaan uit een: - Kasgeldlimiet - Renterisiconorm Kasgeldlimiet De kasgeldlimiet laat het maximum bedrag zien waarop een gemeente of gemeenschappelijke regeling haar financiële bedrijfsvoering met kortlopende middelen (looptijd < 1 jaar) mag financieren. Deze norm bedraagt 8,2% van het begrotingstotaal aan lasten vóór bestemming. Voor 2025 bedraagt de limiet 8, % van € 134 mil oen (omvang begroting) = € 11 miljoen. De liquide middelen bestaan uit rekening-courant tegoeden en deposito’s. er k artaal controleren wij de kasgeldlimiet. De ruimte die de kasgeldlimiet biedt, wordt zoveel mogelijk benut. De reden hiervoor is dat kort geld aanzienlijk goedkoper is dan lang geld. Indien nodig worden langlopende leningen aangegaan om een overschrijding van de kasgeldlimiet tegen te gaan. De huidige financiële positie geeft geen aanleiding om op korte termijn maatregelen voor te stellen. Tabel 16 Kasgeldlimiet dr

x € 1.000

Kasgeldlimiet

2025

2026

2027

2028

2029

Norm % begrotingstotaal

8,2%

8,2%

8,2%

8,2%

8,2%

11.660

10.636

10.623

10.634

10.756

Kasgeldlimiet

Renterisiconorm De renterisiconorm wil het renterisico bij herfinanciering beheersen. Dat houdt in, dat de jaarlijkse renteherzieningen en de verplichte aflossingen niet meer mogen bedragen dan 20% van het begrotingstotaal bij aanvang van het jaar. De renterisiconorm zal binnen het vastgestelde percentage van 20% blijven. In onderstaande tabel is het verwachte renterisico weergegeven. Tabel 17 Renterisiconorm dr

x € 1.000

Renterisiconorm

2025

2026

2027

2028

2029

omvang begroti ng Renteri s i conorm (20% begroti ng) Afl os s i ngen van l eni ngen

142.201 28.440 4.473

129.706 25.941 4.473

129.554 25.911 3.806

129.680 25.936 3.803

131.170 26.234 3.803

Ruimte onder renterisiconorm

23.967

21.468

22.105

22.133

22.431

40

4.5.3 Verloop reserves In tabel 18 staat een overzicht met het verloop van de reserves zoals dit tot en met ultimo 2026 wordt voorzien. Tabel 18 Reserves 2025 en 2026 dr

x € 1.000

Boekwaarde 31-12-2024

Bedrijfsvoeringsreserve Algemene reserves

1.409 1.409

Egalisatiereserve kapitaallasten Egalisatiereserve FLO overgangsrecht Egalisatiereserve tweede loopbaan Ontwikkel- en egalisatiereserve Bestemmingsreserve incidentele crisistaken Bestemmingsreserve meldkamer Bestemmingsreserves

20.669 1.185 1.318 1.978 1.237 387 26.773

Totaal reserves

28.181

Afromen surplus 1-1-2025

Resultaat- Toevoeging Onttrekking Boekwaarde Toevoeging Onttrekking Boekwaarde bestemming 2025 2025 31-12-2025 2026 2026 31-12-2026 2024 1.232 1.232

-

-

2.641 2.641

-

-

2.641 2.641

1.292

-178

1.292

644 11 3.053 396 324 4.428

21.951 1.240 1.484 39 1.448 63 26.226

1.271 66 183 112 1.631

434

-178

1.926 56 178 607 2.767

396 63 892

22.789 1.306 1.667 39 1.164 26.965

-178

2.524

2.767

4.428

28.867

1.631

892

29.606

-

4.5.3.1 Bedrijfsvoeringsreserve Door het aanhouden van een reserve is de VR in staat om een deel van de risico’s op te vangen, zonder dat dit direct gevolgen heeft voor de hoogte van de gemeentelijke bijdrage. De schommelingen die optreden kunnen worden opgevangen met deze reserve. De omvang van de bedrijfsvoeringreserve (weerstandvermogen) is minimaal gelijk aan de benodigde weerstandscapaciteit (zie § 4.6). Ten opzichte van de vastgestelde begroting 2025 is het weerstandsvermogen niet meer toereikend om de geïnventariseerde risico’s af te dekken. Om het weerstandsvermogen van de VRU op het gewenste niveau te brengen in relatie tot de huidige risico’s, zoals opgenomen in de kadernota VRU 2026 en de tweede bestuurlijke rapportage VRU 2024, is een storting van € , mil oen in de algemene reserve noodzakelijk. Na deze storting valt de bedrijfsvoeringreserve met 1,9% van het begrotingsvolume binnen de afgesproken bandbreedte (1% - 2%). 4.5.3.2 Egalisatiereserve kapitaallasten Via het meerjarig investeringsplan wordt gestuurd op een meerjarig evenwicht tussen de begrote en gerealiseerde kapitaallasten (afschrijving en rente). Om de kosten van afschrijving en rente over de jaren te egaliseren wordt gebruik gemaakt van een egalisatiereserve. Jaarlijks wordt in mei de prognose van de kapitaallasten geactualiseerd en opgenomen in de (geactualiseerde) begroting.

Bij de jaarrekening wordt vervolgens bepaald wat de werkelijke kapitaallasten en baten zijn geweest. Tekorten op de kapitaallasten worden aan deze reserve onttrokken. Overschotten worden aan deze reserve gedoteerd. Boekwinst (opbrengst activa) of –verlies (versnelde afschrijving) bij afstoten van activa wordt ten gunste of ten laste van de exploitatie gebracht en vervolgens via een dotatie/onttrekking gemuteerd in de reserve egalisatie kapitaallasten. Via de egalisatiereserve kapitaallasten creëren we rust in de VRU-begroting en voorkomt dit sterke mutaties in de gemeentelijke bijdragen.

41

4.5.3.3 Egalisatiereserve FLO-overgangsrecht De egalisatiereserve ‘ O-overgangsrecht’ ordt ingezet om de kosten voor het Oovergangsrecht meerjarig te kunnen egaliseren. Hiermee wordt een (structurele of incidentele) stijging van de gemeentelijke bijdrage voorkomen en ontstaat een beperkte buffer om fluctuaties die het gevolg zijn van de afspraken in het FLO-overgangsrecht in meerjarig perspectief op te vangen. Ten opzichte van het structureel beschikbare budget wordt op begrotingsbasis bepaald welke lasten wij voor het FLO-overgangsrecht kunnen verwachten. Indien er voor het begrotingsjaar nog geen Cao-akkoord is vastgesteld, wordt de verwachte loonontwikkeling geraamd door middel van een stelpost. Bij de jaarrekening wordt vervolgens bepaald wat de werkelijke lasten en baten voor het FLO-overgangsrecht zijn geweest. Tekorten op de begrote baten en lasten worden aan deze reserve onttrokken en overschotten worden aan deze reserve gedoteerd. 4.5.3.4 Egalisatiereserve tweede loopbaanbeleid Van ege het egvallen van het O voor repressief brand eerpersoneel is ‘t eede loopbaanbeleid’ geïntroduceerd. Om hieraan uitvoering te kunnen gaan geven, is de egalisatiereserve tweede loopbaan gevormd. In de begroting is structureel budget beschikbaar voor de kosten voor onder andere om-/bijscholing en vervanging.

De werkelijke kosten voor tweede loopbaanbeleid fluctueren en worden jaarlijks bij aan het einde van het boekjaar met deze reserve verrekend. Vanwege een vierjarig landelijk onderzoek naar de duurzame inzetbaarheid van mensen in een repressieve brandweerfunctie, mede in het licht van het tweede loopbaanbeleid verwachten wij voor 2025 geen significante stijging van de kosten voor het tweede loopbaanbeleid. 4.5.3.5 Ontwikkel- en egalisatiereserve Het algemeen bestuur heeft bij aanvang van de vorige beleidsperiode een besluit genomen om een ontwikkel- en egalisatiereserve in te stellen die gevoed kan worden met positieve rekeningresultaten. De ontwikkel- en egalisatiereserve heeft tot doel om fluctuaties en (incidentele) verhogingen van de gemeentelijke bijdragen zoveel als mogelijk te voorkomen (egalisatiefunctie). Dit leidt tot financiële stabiliteit in de begroting van de VRU en in de bijdrage van de gemeenten. De middelen uit de reserve zijn bestemd voor: - Het mogelijk maken van incidentele/projectmatige (beleids-)activiteiten om de beleidsdoelstellingen uit de bestuursagenda of structurele efficiencyvoordelen te realiseren; - Het dekken van incidentele kosten die voortvloeien uit exogene factoren.

Bij het instellen van de reserve zijn de volgende spelregels vastgesteld over de besteding en verantwoording van de middelen: ▪ De besteding van de middelen uit de reserve is uitsluitend voorbehouden voor aanwending gekoppeld aan de doelen van de reserve; ▪ De onttrekking aan de reserve voor een in de begroting opgenomen incidentele (beleids)activiteit mag nooit meer bedragen dan het bedrag dat daadwerkelijk in een boekjaar is besteed; ▪ Bij uitloop van een project, het doorschuiven van een project naar een volgend boekjaar, of in het geval van meerjarige projecten zal het niet bestede budget teruggestort worden in de egalisatiereserve voor besteding aan dat project in een volgend boekjaar;

42

▪

De activiteiten die worden ondernomen met dekking uit deze ontwikkel- en egalisatiereserve zullen worden gepland en beschreven in de begroting en verantwoord in de jaarstukken; Bij de begroting wordt een apart overzicht opgesteld van de mutaties in de reserve, zodat de gemeenten jaarlijks in één oogopslag kunnen zien waar de middelen voor worden ingezet en at de totale omvang van de reserve is per balansdatum (maximaal € ,8 miljoen).

▪

Tabel 19 Inzet middelen ontwikkel- en egalisatieserve dr

x € 1.000

Totaal Resultaat bestemming

Ontwikkel- en egalisatiereserve

2025

Eindsaldo (31-12-2024)

1.978

Afromen surplus vanwege maximum reserve per balansdatum

-178

Beginsaldo (1-1-2025)

1.800

Toevoeging vanuit rekeningresultaat 2024

1.292

1.292

Totaal toevoegingen

1.292

1.292

Onttrekkingen op basis van eerdere besluitvorming Diverse posten (Visie op huisvesting, Digitale Veiligheid, Ontwikkelkoers)

-300

Versterking crisisbeheersing (activiteiten gedekt uit extra BDUR-middelen)

-265

Veilige energietransitie

-296

Gebiedsgerichte aanpak natuurbrandbeheersing, aandeel gemeenten

-250

Vakbekwaamheid brandweer

-650

Subtotaal onttrekkingen op basis van eerdere besluitvorming

-1.761

Onttrekkingen voor doorlopende activiteiten 2024 → Versterking crisisbeheersing (activiteiten gedekt uit extra BDUR 2024)

-181

-181

Subtot

-181

-181

-721

-721

o ttr kk

voor door op

d

ct v t t

2024 → 2025

Onttrekkingen op basis van inzet via resultaatbestemming Programma Veerkracht Project Digitale Veiligheid

-390

-390

Subtotaal onttrekkingen op basis van inzet via resultaatbestemming

-1.111

-1.111

Totaal onttrekkingen

-3.053

-1.292

39

-

Eindsaldo (31-12)

43

Afroming reserve De ontwikkel- en egalisatiereserve is gemaximeerd op € ,8 mil oen. Het surplus per balansdatum 1-1-2025 wordt afgeroomd en vloeit terug naar gemeenten door middel van een incidentele verlaging van de gemeentelijke bijdrage voor het gezamenlijk basistakenpakket in 2025 (€ 78K). Eerdere besluitvorming Er is reeds eerder besloten over de inzet van middelen voor genoemde activiteiten(€ ,76 miljoen). Het betreft hier enkel een gewijzigde fasering (egalisatiefunctie). Doorlopende activiteiten Enkele activiteiten die volgens de begroting in 2024 gepland waren, lopen door in 2025. Dit betreft € ,18 miljoen (project)activiteiten voor de versterking van de crisisorganisatie die worden bekostigd uit de daarvoor geoormerkte (verhoging van de) rijksbijdrage. Programma Veerkracht Het algemeen bestuur heeft op 2 december 2024 ingestemd met een incidenteel financieringsvoorstel voor het programma Veerkracht vanuit het voorlopig rekeningresultaat 2024 BDuR (€ ,72 miljoen). Het inrichten van de post als Resilience Point (pilot) is niet opgenomen in het programmabudget voor Veerkracht. De financiering hiervan wordt beoogd door een bijdrage van het Rijk.

Project Digitale veiligheid Met het vaststellen van het strategisch beleid digitale veiligheid is koers gezet om kwaadwillende en onbevoegden buiten de deur te houden, en daarmee onze eigen (digitale) continuïteit en weerbaarheid te verhogen. De eerste fase draait om het implementeren van de minimale technische basismaatregelen die essentieel zijn om te beschermen tegen veel voorkomende dreigingen zoals phishing en gijzelsoftware (ransomware). Het is belangrijk om te benadrukken dat deze basismaatregelen, naast implementatie, ook in 2026 blijvende aandacht vragen om goed onderhouden te worden. We stellen voor een bedrag van € , mil oen voor de eerste fase te bestemmen. 4.5.3.6 Bestemmingsreserve ‘Incidentele crisistaken’ In de afgelopen jaren heeft de Veiligheidsregio Utrecht (VRU), op verzoek van het Rijk en de gemeenten, extra crisistaken uitgevoerd. Een voorbeeld hiervan is de VRU-opvangsupport. Crises zijn vaak onvoorspelbaar en vragen om een hoge mate van flexibiliteit. Het algemeen bestuur heeft op 2 december 2024 het besluit genomen om de organisatie zo in te richten dat snel en effectief op- en afgeschaald kan worden, met een zogenaamde waakvlam-stand. Deze structuur zorgt ervoor dat de VRU snel kan worden geactiveerd wanneer nodig, terwijl de reguliere taken zo min mogelijk worden verstoord door extra crisistaken.

Om deze flexibiliteit te waarborgen, wordt een kernbezetting in stand gehouden die de komende jaren door het Rijk wordt gefinancierd. Deze kernbezetting zorgt ervoor dat waardevolle kennis, vaardigheden en ervaring die de afgelopen jaren binnen de VRU zijn opgebouwd, behouden blijven. De rijksfinanciering voor deze kernbezetting is beschikbaar voor een periode van vijf jaar

44

(2025 t/m 2029). Hiervoor hebben we in een eenmalige bi drage van € , mil oen (10) ontvangen . Om te waarborgen dat deze middelen beschikbaar blijven gedurende de volledige vijf jaar is besloten om hiervoor een bestemmingsreserve 'Incidentele crisistaken' in te stellen. De komende vijf jaar zullen de kosten voor het in stand houden van de kernbezetting uit deze reserve worden gedekt. Bij het vaststellen van de eenmalige bijdrage is rekening gehouden met de verwachte loon- en prijsontwikkelingen voor de komende jaren. Dit maakt het mogelijk om de kernbezetting op een stabiele manier te financieren zonder dat dit van invloed is op de gemeentelijke bijdrage. We hanteren de volgende spelregels voor de reserve ‘ ncidentele crisistaken’.

▪ De besteding van de middelen uit de reserve is uitsluitend voorbehouden voor aanwending gekoppeld aan de doelen van de reserve; ▪ De onttrekking aan de reserve voor een in de begroting opgenomen incidentele (formatiegerelateerde)activiteit mag nooit meer bedragen dan het bedrag dat daadwerkelijk in een boekjaar is besteed; ▪ De activiteiten die worden ondernomen met dekking uit deze reserve voor ‘ ncidentele crisistaken’ zullen worden gepland en beschreven in de begroting en verantwoord in de jaarstukken; ▪ Bij de begroting wordt een apart overzicht opgesteld van de mutaties in de reserve, zodat de gemeenten jaarlijks in één oogopslag kunnen zien waar de middelen voor worden ingezet en wat de totale omvang van de reserve is per balansdatum. Tabel 20 Inzet middelen reserve ‘Incidentele crisistaken’ dr

x € 1.000

Totaal

Bestemmingsreserve 'Incidentele crisistaken'

2025

2026

2027

2028

2029

2025-2029

Beginsaldo (1-1)

1.237

1.448

1.164

884

608

1.237

Rijksbijdrage ministerie van BZK Rijksbijdrage ministerie van J&V Totaal toevoegingen

107 500 607

112 112

116 116

120 120

125 125

579 500 1.079

Kernbezetting incidentele crisistaken Totaal onttrekkingen

-396 -396

-396 -396

-396 -396

-396 -396

-396 -396

-1.979 -1.979

Eindsaldo (31-12)

1.448

1.164

884

608

337

337

Het eindsaldo van 337K wordt gereserveerd voor de loonontwikkeling van de kernbezetting gedurende 2025-2029.

4.5.3.7 Bestemmingsreserve meldkamer Vanaf 3 juni 2025 moet de meldkamerfunctie brandweer en multidisciplinaire opschaling van de regio’s trecht en levoland ooi en Vechtstreek samengevoegd en operationeel zi n als onderdeel van de Meldkamer Midden-Nederland. Deze reserve is ingesteld als kostendekking voor de project- en frictiekosten voorafgaand aan de ingebruikname van de nieuwe meldkamer. De reserve is gevoed met middelen die door het Rijk en de Nationale Politie voor dit doel zijn

10 Onder voorbehoud van goedkeuring door de accountant volgend uit de accountantscontrole Jaarstukken VRU 2024

45

toegekend. Bij de jaarrekening wordt bepaald wat de werkelijk project- en frictiekosten zijn geweest en worden afwijkingen ten opzichte van de begroting verrekend met deze reserve.

4.6

Weerstandsvermogen en risicobeheersing

Het weerstandsvermogen kan worden omschreven als de mate waarin de organisatie in staat is om omvangrijke financiële tegenvallers op te vangen, zonder dat het beleid behoeft te worden aangepast. Risicobeheersing is gericht om de schadelijke gevolgen van risico’s zo veel mogeli k te voorkomen of te beperken. De bedrijfsvoeringreserve laat de weerstandscapaciteit van de VRU zien. Binnen deze capaciteit kunnen de risico’s (mogeli ke toekomstige financi le tegenvallers) orden opgevangen. Tabel 21 Beschikbare weerstandscapaciteit dr

x € 1.000

Beschikbare weerstandscapaciteit

2025

2026

Bedrijfsvoeringsreserve per 1 januari Resultaatbestemming 2024

1.409 1.232

2.641

Totaal weerstandscapaciteit

2.641

2.641

In het voorstel voor resultaatbestemming bij de jaarstukken 2024 is een storting van € , mil oen in de (algemene) bedrijfsvoeringsreserve opgenomen. Dit is nodig om het weerstandsvermogen van de VRU op het gewenste niveau te brengen in relatie tot de huidige risico’s, zoals opgenomen in de kadernota VRU 2026 en de tweede bestuurlijke rapportage VRU 2024. n de volgende tabel zi n de belangri kste financi le risico’s eergegeven, voor zover bekend ten tijde van het opstellen van de ontwerpbegroting VRU 2026 en geactualiseerde begroting 2025. Daarbij is een analyse gemaakt van de omvang en de kans dat het risico zich voordoet waaruit de benodigde weerstandscapaciteit volgt. De risico’s orden vervolgens nader toegelicht. Tabel 22 Benodigde weerstandscapaciteit dr

x € 1.000

Nr. Benodigde weerstandscapaciteit

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

Omgevingswet Vrijwilligheid brandweerpersoneel Overeenkomsten van opdracht voor eigen personeel (OVO's) Rijksbijdrage (BDuR) CAO Regeling voor vervroegd uittreden (RVU) Overige (onvoorziene) exploitatierisico's Totaal

Effect

Kans

Bedrag risico

200-500 3.084 560 1.490 100

50% 25% 50% 75% 50%

175 771 280 718 50 647 2.641

46

Onze benodigde weerstandscapaciteit wordt periodiek geëvalueerd en geactualiseerd aan de hand van de (financi le) risico’s aarmee de VR ordt geconfronteerd. it de recente risicoinventarisatie bli kt dat de risico’s zi n toegenomen, at resulteert in een grotere behoefte aan weerstandscapaciteit (€ ,64 miljoen). Een belangrijke factor hierbij is het risico op een korting van 10% op de rijksbijdrage (BDuR) vanaf 2026. Daarnaast is het bestaande risico met betrekking tot de vrijwilligheid (verplichtend karakter) nader gekwantificeerd. Deze ontwikkelingen tonen aan dat de huidige weerstandscapaciteit van € , 1 miljoen ontoereikend is om de risico’s volledig af te dekken. Daarom is bij de resultaatbestemming over 2024 voorgesteld om het weerstandsvermogen te verbeteren door een storting in de algemene reserve van € ,23 miljoen. Hiermee is de weerstandscapaciteit weer op niveau en in lijn met de voorschriften van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). 4.6.1 Omgevingswet De Omgevingswet is per 1 januari 2024 ingevoerd. Het Rijk en de bestuurlijke partners hebben afspraken gemaakt over het monitoren en evalueren van de financiële gevolgen van de stelselherziening Omgevingsrecht. De minister heeft de gemeenten toegezegd naar oplossingen te zoeken als uit de financiële evaluatie blijkt dat de invoeringskosten substantieel hoger zijn dan eerder voorzien.

De veiligheidsregio’s hebben geen extra middelen gekregen vanuit de rijksoverheid voor de structurele gevolgen van deze stelselherziening. Op dit moment onderzoekt zo el de VN als Cebeon (namens de Veiligheidsregio’s) de implicaties van de invoering. Ons eerste beeld is dat de kosten per advies stijgen, door toename van de tijdsbesteding aan meer complexe aanvragen en processen en doordat het benodigde kennis- en competentieniveau (en daarmee de inschaling) van de medewerkers omhoog moet om deze complexe aanvragen te behandelen. Toelichting effect en kans De structurele kosten voor de VR orden geschat op € , tot , mil oen. Deze kosten hebben met name betrekking op personeelskosten. Enerzijds door een nieuw type advies over de omgevingsvisie, -plannen en programma’s (kerninstrumenten). Anderzi ds zullen de kosten per advies stijgen, door toename van de tijdsbesteding aan meer complexe aanvragen en processen en doordat het benodigde kennisniveau (en daarmee de inschaling) van de medewerkers omhoog moet om deze complexe aanvragen te behandelen. De kans dat dit risico zich voordoet in 2025 is ingeschat op gemiddeld (50%). Uitgangspunt blijft dat de (structurele) meerkosten worden vergoed door het Rijk.

4.6.2 Vrijwilligheid brandweerpersoneel Het huidige brandweerstelsel is gebaseerd op een combinatie van vrijwillige en beroepsbrandweer, waarbij alle brandweermensen dezelfde taak- en opleidingsvereisten hebben. Vooral de kazernering en consignatie van vrijwilligers blijken echter strijdig met de Europese wetgeving (deeltijdrichtlijn). Volgens juridische experts ontstaat er een 'verplichtend karakter' wanneer vrijwilligers tegen een vergoeding in een gepland rooster werken (kazernering) of beschikbaar zijn (consignatie), waardoor ze aanspraak kunnen maken op dezelfde rechten als

47

werknemers in loondienst. Dit omvat onder meer dezelfde uurlonen, pensioenopbouw en vakantiedagen. Binnen onze regio wordt op een aantal plaatsen gewerkt met roosters, piketten en kazernering van vrijwilligers. In 2022 heeft een inventarisatie plaatsgevonden om de omvang voor de VRU in kaart te brengen. Dit leverde het volgende beeld op: • 141 gekazerneerde vrijwilligers. • 441 geconsigneerde vrijwilligers en 43 vrijwillige piketfunctionarissen. Er vindt op landelijk niveau overleg plaats over een implementatieplan en de voorwaarden voor invoering, inclusief mogelijke aanpassing van de arbeidstijdenwetgeving en aanvullende financiële middelen. Kazernering vrijwilligers Bij kazernering verblijven vrijwilligers tijdens een ingeroosterde dienst op een brandweerpost. Dit kunnen zij doen naast hun reguliere vrijwillige taken. Voor deze gekazerneerde diensten ontvangen zij een vergoeding op basis van hun vrijwilligersaanstelling. In Zeist, bijvoorbeeld, worden vrijwilligers gekazerneerd in de avond en nacht. Als dit door Europese regelgeving zou moeten worden omgezet naar een 24-uursdienst, bedragen de meerkosten naar verwachting € , mil oen per aar. Naast de kazernering in Zeist kunnen vrijwilligers ook via een poolregeling 24-uursdiensten draaien op beroepsposten. Dit vult roostertekorten aan en voorkomt inhuur of het buiten dienst zetten van voertuigen op beroepsposten.

Consignatie vrijwilligers Bij consignatie ontvangt een vrijwilliger een vergoeding om beschikbaar te zijn voor uitrukken, met een rooster dat opkomst garandeert. De huidige kosten voor deze beschikbaarheidsvergoedingen bedragen circa € , mil oen per aar. Als dit in de vorm van een parttime aanstelling zou worden georganiseerd, zouden de kosten naar schatting vier keer hoger uitvallen, van € , naar € 6 mil oen. Met het egvallen van de huidige vergoedingen (€ , mil oen) zouden de meerkosten circa € , miljoen per jaar bedragen. Dit bedrag is indicatief en afhankelijk van de precieze organisatievorm en de keuze om wel of niet te eisen dat de opkomst bij een vrijwilligerspost (op basis van vrije instroom) gegarandeerd is. Vergoeding eventuele meerkosten door het Rijk De VRU is van mening dat de huidige werkwijze moet worden voortgezet totdat er landelijk besluitvorming plaatsvindt over de bou steen ‘verplichtend karakter’ en de financiering hiervan door het Rijk. Omdat het Rijk verantwoordelijk is voor het brandweer- en crisisbeheerstelsel, zouden wijzigingen hierin ook door het Rijk gefinancierd moeten worden. Toelichting kans en effect Ondertussen blijft het risico bestaan dat op grond van de Europese regelgeving aanspraak wordt gemaakt op de deelti drichtli n. De omvang van het risico ordt ingeschat op € , mil oen per aar (meerkosten omzetting naar 24-uursdienst).

48

4.6.3 Overeenkomst van opdracht voor eigen personeel (OVO’s) Een deel van de instructiewerkzaamheden wordt op basis van een overeenkomst van opdracht (OvO) uitgevoerd. Ditzelfde geldt voor een beperkt aantal andere taken. De OvO’s orden meestal verstrekt aan VRU-medewerkers, die deze werkzaamheden vervullen naast hun reguliere werkzaamheden. Gelet op de aard en de omstandigheden van de werkzaamheden bestaat het risico dat er - ondanks de toepassing van de modelovereenkomst (inhuur) - feitelijke sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking. Dit kan arbeidsvoorwaardelijke en fiscale consequenties hebben(11). Uitgevoerde beoordelingen (beoordeling arbeidsrelatie externe inhuur) voor de instructiewerkzaamheden wijzen op een (fictieve) dienstbetrekking. Dit geldt in het bijzonder voor OvO’s die orden verstrekt aan eigen personeel. Mede om die reden is in en 2022 geprobeerd om de OvO’s voor eigen mede erkers af te bou en. Er is onderzocht of er een i ze van verloning mogelijk is die past binnen de fiscale kaders, onze budgettaire ruimte en de arbeidsjuridische context. Helaas blijkt geen van de onderzochte mogelijkheden in de praktijk te matchen met het bijzondere karakter die onze vakbekwaamheid en daarmee uiteindelijk onze repressieve paraatheid vraagt. De erk i ze met OvO’s ordt ook gehanteerd bi andere veiligheidsregio’s.

In dit licht is besloten om te werken naar een landelijke oplossing die aansluit op de ophanden zijnde ontwikkelingen in het landelijke brandweeronderwijs en de uitkomsten van de onderzoeken rond de mogelijke impact van de zaken rond het verplichtend karakter (vrijwilligheid). In de tussentijd blijft het nodig om een deel van de werkzaamheden op basis van een OvO door eigen medewerkers te laten verrichten, waarmee de arbeidsvoorwaardelijke en fiscale risico’s bli ven bestaan. Toelichting effect en kans Voor het berekenen van de extra werkgeverslasten zoals loonheffing en aanvullende werkgeverslasten is een opslagpercentage van ruim 50% toegepast op het budget dat nu nodig is voor de instructiewerkzaamheden die op basis van een overeenkomst van opdracht worden uitgevoerd. Tot op heden was het fiscale risico beperkt door het zogenaamde handhavingsmoratorium op de van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA). Het kabinet heeft echter op 6 september 2024 in een brief aan de Eerste - en Tweede Kamer aangekondigd dat het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 wordt afgeschaft. Dit betekent dat de Belastingdienst vanaf die datum zal gaan handhaven op schijnzelfstandigheid en weer met terugwerkende kracht correctieverplichtingen, naheffingsaanslagen en boetes kan opleggen. De kans dat dit risico zich voordoet in 2025 is nu ingeschat op 50%.

4.6.4 Rijksbijdrage (BDuR) In het Hoofdlijnenakkoord van het nieuwe kabinet is afgesproken dat per 2026 een groot deel van de specifieke uitkeringen wordt overgeheveld naar het gemeentefonds, waarbij een korting van 10% wordt toegepast. De rijksbijdrage (Brede Doeluitkering Rampenbestrijding, BDuR) is daar – per abuis – ook onder geschaard. Hiermee zou een einde komen aan de hybride financiering van de veiligheidsregio’s (gemeenten en ri k). Het idee achter de korting is dat een besparing kan worden gerealiseerd op de verantwoordingslast. Bij de rijksbijdrage is dit nagenoeg niet aan de

11 in het geval van een dienstbetrekking moet de werkgever loonheffingen en premies inhouden en afdragen. Daarnaast moet de werkgever

loon doorbetalen bij ziekte en vakantie en zijn de arbeidsvoorwaarden van toepassing (zoals opbouw IKB en specifieke regels bij ontslag) en moet worden voldaan aan de arbeidstijdenwet.

49

orde, omdat dit bedrag in één keer als ontvangst ordt verant oord via de ‘Single information Single audit (SiSa)’-systematiek, waardoor de verantwoordingslasten minimaal zijn. De voorzitter van het Veiligheidsberaad heeft in juli jl. een brief over de BDuR-problematiek gestuurd naar de minister van Justitie en Veiligheid. In augustus heeft een gesprek plaatsgevonden tussen minister Van Weel, staatssecretaris Coenradie en vertegenwoordigers van het veiligheidsberaad. De minister heeft in dit gesprek bevestigd dat de afschaffing van de BDuR als specifieke regeling een onbedoeld effect is van het hoofdlijnenakkoord. De minister heeft toegezegd zich te zullen inzetten voor een oplossing. Door het Veiligheidsberaad is in oktober een brief gestuurd naar de Tweede kamer om aandacht te vragen voor dit onderwerp. Inmiddels heeft het kabinet besloten dat de BDuR blijft bestaan als specifieke uitkering en daarmee niet wordt overgeheveld naar het gemeentefonds. De korting van 10% is nog niet van de baan. De inzet van het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) is om in de voorjaarsnota 2025 duidelijkheid te geven hoe dit zal gaan uitwerken. Voor nu staat de korting vanaf 2026 verwerkt in de JenVbegroting. De BDuR voor de VRU in 2026 is begroot op € ,9 miljoen. Dit is inclusief de verhoging van de rijksbijdrage voor de versterking van de crisisbeheersing.

De omvang van het eventuele effect/risico voor de VRU is nu gebaseerd op de korting van 10% die het Rijk heeft ingeboekt per 2026. De voordelige bijstelling als gevolg van de loon- en prijsbijstelling van de BDuR voor 2025 (€ , mil oen) is incidenteel ver erkt. Dit betekent dat i het structureel voordeel van de loonen prijsbijstelling met ingang van 2026 nog kunnen inzetten voor afdekking van het risico van de korting van 10% op de BDuR. Hiermee resteert een risico van € ,7 mil oen. Toelichting effect en kans Vooralsnog wordt het mogelijke effect ingeschat op 10% (aangekondigde efficiencykorting) van de rijksbijdrage, waarbij sprake is van een hoog risico. Bij het opstellen van de ontwerpbegroting 2026 wordt dit risico opnieuw beoordeeld op basis van volgende berichtgeving en besluitvorming door het Rijk. 4.6.5 CAO Regeling voor vervroegd uittreden (RVU) In de huidige CAO is een tijdelijke regeling voor vervroegd uittreden (RVU) opgenomen. Medewerkers die voor 1 januari 2029 de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, kunnen op basis van deze regeling eerder met pensioen te gaan. De VRU keert vervolgens een maandelijks bedrag uit totdat de medewerker de AOW-leeftijd heeft bereikt. Het financieel effect van de tijdelijke Regeling voor Vervroegd Uittreden (RVU) is persoonsgebonden en daarmee maatwerk.

Dit betekent dat we hiervoor geen budget in de begroting 2025 hebben opgenomen. Bij de jaarafsluiting wordt bepaald welk bedrag in de RVU-voorziening moet zijn opgenomen om aan de betalingsverplichting te kunnen voldoen. De afspraak over deelname aan de RVU wordt, op basis van deze tijdelijke regeling, uiterlijk op 31 december 2025 vastgelegd. Toelichting effect en kans Voor 2025 is een inschatting gemaakt van het bedrag dat nodig is voor medewerkers die gebruik kunnen maken van deze regeling. De kans dat dit risico zich voordoet in 2025 is ingeschat op

50

gemiddeld (50%). Bij het opstellen van de jaarrekening 2024 en geactualiseerde begroting 2025 wordt dit risico weer opnieuw beoordeeld en opgenomen in de risicoparagraaf. 4.6.6 Overige onvoorziene exploitatierisico’s De veiligheidsregio kan worden geconfronteerd met onvoorziene kosten binnen het begrotingsjaar als gevolg van exogene ontwikkelingen (zoals premiestijgingen, claims, kostenfluctuaties die samenhangen met incidenten en crises). In de begroting van de VRU zijn geen posten voor onvoorziene uitgaven opgenomen. Toelichting effect en kans Als dit risico zich voordoet, zal bijsturing plaatsvinden via de begroting. Het geraamde risico gaat ervan uit dat het maximaal een jaar duurt voordat de maatregelen zijn geëffectueerd. Het geraamde risico wordt ingeschat op 0,5% van de totale kosten (exclusief dotatie reserves) 4.6.7 Kengetallen Volgens de richtlijnen van het BBV zijn hieronder vier van de zes verplichte kengetallen weergegeven. De overige twee voorgeschreven kengetallen (grondexploitatie en belastingcapaciteit) zijn niet van toepassing op onze organisatie. De wetgever wil met deze kengetallen inzicht hebben in de financiële weerbaarheid en wendbaarheid (de mate waarin bij een tegenvaller financieel kan worden bijgestuurd). De kengetallen geven aan over hoeveel financiële ruimte wij beschikken om structurele en incidentele lasten te dekken of op te vangen.

De kengetallen dienen te worden beoordeeld in samenhang met elkaar en met de financiële positie. dr x € 1.000 Omschrijving A Vaste schulden (cf.art. 46 BBV) B Netto vlottende schuld (cf.art. 48 BBV) C Overlopende passiva (cf.art. 49 BBV) D Financiële vaste activa (cf.art. 36 lid d, e en f) E Uitzettingen < 1 jaar (cf.art. 39 BBV) F Liquide middelen (cf.art. 40 BBV) G Overlopende activa (cf.art. 40a BBV) H Totale baten (cf.art. 17 lid c BBV, dus excl. onttrekking reserves) Netto schuldquote (A+B+C-D-E-F-G)/H x 100% dr x € 1.000 Omschrijving A Vaste schulden (cf.art. 46 BBV) B Netto vlottende schuld (cf.art. 48 BBV) C Overlopende passiva (cf.art. 49 BBV) D Financiële vaste activa (cf.art. 36 lid d, e en f) E Uitzettingen < 1 jaar (cf.art. 39 BBV) F Liquide middelen (cf.art. 40 BBV) G Overlopende activa (cf.art. 40a BBV) H Totale baten (cf.art. 17 lid c BBV, dus excl. onttrekking reserves) Netto schuldquote (A+B+C-D-E-F-G)/H x 100%

Rekening 2024

Netto schuldquote Actualisatie 2025

Begroting 2026

55.858 4.190 9.570 18.896 410 19.598 150.712

51.385 5.000 12.500 23.247 500 2.000 137.596

56.912 5.000 12.500 25.907 500 2.000 128.814

20,4%

31,4%

35,7%

Netto schuldquote gecorrigeerd voor leningen Rekening 2024 Actualisatie 2025 Begroting 2026 55.858 4.190 9.570 14 18.896 410 19.598 150.712

51.385 5.000 12.500 14 23.247 500 2.000 137.596

56.912 5.000 12.500 14 25.907 500 2.000 128.814

20,4%

31,3%

35,7%

51

dr x € 1.000 Omschrijving

Rekening 2024

Actualisatie 2025

Begroting 2026

A Eigen vermogen (cf.art.42 BBV) B Balanstotaal

35.291 105.531

28.867 98.498

29.606 104.914

Solvabiliteit (A/B) x 100%

33,4%

29,3%

28,2%

dr x € 1.000 Omschrijving A Totale structurele lasten B Totale structurele baten C Totale structurele toevoegingen aan de reserves D Totale structurele onttrekkingen aan de reserves E Totale baten (excl. projectfinanciering) Structurele exploitatieruimte ((B-A)+(D-C))/E x 100%

Structurele exploitatieruimte Rekening 2024 Actualisatie 2025 Begroting 2026 117.632 117.580 351 122.485

121.311 121.567 246 127.242

128.684 129.023 254 129.706

-0,3%

0,0%

0,1%

52

5 Financiën 5.1

Baten en lasten 2025 & 2026 (12)

5.1.1

Baten en lasten per programma

Bedragen x € 1.000

Rekening 2024

Begroting 2025

Actualisatie 2025

Begroting 2026

Lasten exploitatie

141.562

121.624

139.434

128.075

Storting reserves

4.889

1.507

2.767

1.631

Totaal Lasten

146.451

123.131

142.201

129.706

Baten exploitatie

150.712

122.104

137.596

128.814

3.026

1.027

4.605

892

153.739

123.131

142.201

129.706

7.288

-

-

-

Programma VRU baten en lasten

Onttrekking reserves Totaal Baten Saldo

Op basis van artikel 17 van het ‘ esluit begroting en verant oording provincies en gemeenten’ (BBV) is in de financiële begroting het volgende overzicht van baten en lasten opgenomen waarbij de kosten van overhead apart inzichtelijk worden gemaakt. dr

x € 1000

Rekening 2024

Begroting 2025

Begroting 2026

lasten

baten

saldo

lasten

baten

saldo

lasten

baten

saldo

Veiligheidsregio Utrecht

112.481

150.418

37.937

113.910

137.298

23.389

103.225

128.685

25.460

Overhead

29.080 141.562

294 150.712

-28.786

297 137.596

24.850 128.075

129 128.814

-24.721

9.151

25.524 139.434

-25.227

Saldo van baten en lasten Mutaties in reserves

dotatie onttrekking

saldo

dotatie onttrekking

saldo

dotatie onttrekking

saldo

Veiligheidsregio Utrecht

3.860

1.747

-2.113

2.574

3.878

1.303

1.518

663

-854

Overhead

1.029 4.889

1.280 3.026

251

728 4.605

535

-1.863

193 2.767

1.838

114 1.631

229 892

-739

146.451

153.739

7.288

142.201

142.201

-

129.706

129.706

-

Overzicht van baten en lasten

Saldo mutaties in reserves Totaal

-1.838

739

115

12 Rekeningcijfers 2024 zijn onder voorbehoud van goedkeuring door de accountant volgend uit de accountantscontrole Jaarstukken VRU 2024.

53

5.1.2

Baten en lasten per categorie Rekening 2024

Begroting 2025

Actualisatie 2025

Begroting 2026

107.449

95.670

107.054

101.229

8.269

10.420

9.891

11.055

LASTEN Personele kosten Kapitaallasten Materiële kosten

25.844

15.534

22.489

15.792

Totaal Lasten

141.562

121.624

139.434

128.075

Bijdragen en vergoedingen gemeenten

102.643

107.731

104.971

111.427

Rijksbijdrage

24.235

13.702

16.326

15.264

Overige baten

23.834

671

16.299

2.123

Totaal Baten

150.712

122.104

137.596

128.814

Saldo van baten en lasten

9.150

481

-1.838

739

Storting reserves

4.889

1.507

2.767

1.631

Onttrekking reserves

3.026

1.027

4.605

892

Resultaat

7.288

-

-

-

BATEN

De volgende mutaties zijn verwerkt: Mutaties met effect op de gemeentelijke bijdragen: - Toepassing financieel kader (zie § 2.3) Mutaties zonder effect op de gemeentelijke bijdragen: - Beleidsontwikkelingen (zie hoofdstuk 3) - Mutaties in de reserves (zie § 4.5.3) - Overige technische saldoneutrale mutaties binnen en tussen categorieën

54

5.1.3

Incidentele baten en Lasten

Bedragen x € 1.000

Totaal 2025

Programma Veerkracht

Digitale Veiligheid

Ontwikkelkoers

Kernbezetting

Opvang Oekraïners

721

390

92

396

750

721

390

92

396

101 851

607

851

LASTEN Personele kosten Kapitaallasten Materiële kosten Totaal Lasten

12.407 6.112 18.519

BATEN Bijdragen gemeenten Rijksbijdrage Overige baten Totaal Baten

1.593 14.226 15.819

-

-

-

607

Saldo van baten en lasten

-2.700

-721

-390

-92

211

Storting reserves Onttrekking reserves

607 3.307

721

390

92

607 396

-

-

-

-

-

Resultaat

CNO Asiel

Evacuees

Versterking Crisisbeh.

Natuurbrandbeh.

Veilige energietr.

Vakbekw. heid

Visie op huisvesting

8.214

135

446

250

296

650

67

6.011 14.226

135

446

250

296

650

67

135

851

14.226 14.226

135

-

-

-

-

-

-

-

-

-446

-250

-296

-650

-67

446

250

296

650

67

-

-

-

-

-

-

-

-

In het overzicht 'Incidentele baten en lasten' zijn de projecten opgenomen die incidenteel gefinancierd zijn door het Rijk of derden en incidentele reservemutaties(13).

13 Stand maart 2025. In de definitieve versie worden ook de incidentele mutaties van de kapitaallasten verwerkt (na de actualisatie van de meerjareninvesteringsplanning in mei 2025, zie § 4.4.1)

55

5.2

Meerjarenraming 2026-2029

5.2.1

Meerjarenraming 2026-2029 Begroting 2026

Begroting 2027

Begroting 2028

Begroting 2029

Personele kosten

101.229

101.187

101.187

101.187

Kapitaallasten

11.055

11.660

12.386

14.044

Materiële kosten

15.792

15.670

15.661

15.560

Totaal Lasten

128.075

128.517

129.233

130.791

Bijdragen en vergoedingen gemeenten

111.427

111.426

111.425

111.423

Rijksbijdrage

15.264

15.268

15.273

15.277

Overige baten

2.123

2.123

2.123

2.123

Totaal Baten

128.814

128.817

128.821

128.824

739

300

-412

-1.967

1.631

1.037

447

379

892

737

859

2.346

-

-

-

-

LASTEN

BATEN

Saldo van baten en lasten Storting reserves Onttrekking reserves Resultaat

56

5.2.2

Raming meerjarig verloop reserves dr

x € 1.000

Boekwaarde 31-12-2024

Bedrijfsvoeringsreserve Algemene reserves

1.409 1.409

Egalisatiereserve kapitaallasten Egalisatiereserve FLO overgangsrecht Egalisatiereserve tweede loopbaan Ontwikkel- en egalisatiereserve Bestemmingsreserve incidentele crisistaken Bestemmingsreserve meldkamer Bestemmingsreserves

20.669 1.185 1.318 1.978 1.237 387 26.773

Totaal reserves

28.181

dr

x € 1.000

Bedrijfsvoeringsreserve Algemene reserves

Afromen surplus 1-1-2025

Resultaat- Toevoeging Onttrekking Boekwaarde Toevoeging Onttrekking Boekwaarde bestemming 2025 2025 31-12-2025 2026 2026 31-12-2026 2024 1.232 1.232

-

-

2.641 2.641

-

-

2.641 2.641

1.292

-178

1.292

644 11 3.053 396 324 4.428

21.951 1.240 1.484 39 1.448 63 26.226

1.271 66 183 112 1.631

434

-178

1.926 56 178 607 2.767

396 63 892

22.789 1.306 1.667 39 1.164 26.965

-178

2.524

2.767

4.428

28.867

1.631

892

29.606

-

Toevoeging Onttrekking Boekwaarde Toevoeging Onttrekking Boekwaarde Toevoeging Onttrekking Boekwaarde 2027 2027 31-12-2027 2028 2028 31-12-2028 2029 2029 31-12-2029

-

-

2.641 2.641

-

-

2.641 2.641

-

-

2.641 2.641

Egalisatiereserve kapitaallasten Egalisatiereserve FLO overgangsrecht Egalisatiereserve tweede loopbaan Ontwikkel- en egalisatiereserve Bestemmingsreserve incidentele crisistaken Bestemmingsreserve meldkamer Bestemmingsreserves

667 66 189 116 1.037

341 396 737

23.114 1.372 1.856 39 884 27.265

73 66 189 120 447

463 396 859

22.724 1.437 2.045 39 608 26.853

66 189 125 379

1.951 396 2.346

20.773 1.503 2.234 39 337 24.886

Totaal reserves

1.037

737

29.906

447

859

29.494

379

2.346

27.527

57

5.3

Gemeentelijke bijdrage 2025-2029

5.3.1 Mutaties gemeentelijke bijdrage 2025-2029 In de volgende tabel zijn de mutaties opgenomen die een effect hebben op de gemeentelijke bijdrage voor het gezamenlijke basistakenpakket (GBTP). Tabel 23 Mutaties gemeentelijke bijdrage voor het gezamenlijke basistakenpakket (GBTP) 2025-2029 dr

x € 1.000

Mutatie bijdrage GBTP

2025

2026

2027

2028

2029

Bijdrage GBTP vastgestelde begroting VRU 2025 Mutatie financieel kader 2026/ 2025a structureel Mutatie beleidsontwikkelingen 2026/ 2025a

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/4074/documents/46319