Bijlage 2a - Ontwerp GR Omgevingsdienst Utrecht-versie 3.0.pdf
Tekst van het document
Gemeenschappelijke regeling Onderdeel van traject ‘Naar één robuuste omgevingsdienst in Utrecht’
Versie 3.0 24 oktober 2024 Status: ontwerp (colleges)
Pagina 1 van 16
Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Utrecht Het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Amersfoort, Baarn, Bunnik, Bunschoten, De Bilt, De Ronde Venen, Eemnes, Houten, IJsselstein, Leusden, Lopik, Montfoort, Nieuwegein, Oudewater, Renswoude, Rhenen, Soest, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug, Veenendaal, Vijfheerenlanden, Wijk bij Duurstede, Woerden, Woudenberg en Zeist, ieder voor zover voor de eigen provincie of eigen gemeente bevoegd Overwegende dat -
-
in 2012 voor de taken op het gebied van [aanvullen] is gekozen voor het vormen van twee afzonderlijke diensten, te weten de Omgevingsdienst regio Utrecht en de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht; vanwege het willen zijn van een robuuste organisatie, in overeenstemming met de robuustheidscriteria zoals vastgesteld op 22 juni 2023 in het bestuurlijk overleg van het Interbestuurlijk Programma Versterking VTH-stelsel (IBP VTH) en vastgelegd in de brief van het ministerie van I&W van november 2023, is besloten de beide diensten gezamenlijk onder te brengen in één nieuw te vormen Omgevingsdienst Utrecht; daartoe deze gemeenschappelijke regeling wordt getroffen; [evt aanvullen]
Gelet op -
-
de toestemming als bedoeld in artikel 51 lid 4 Wet gemeenschappelijke regelingen verleend door provinciale staten van de provincie Utrecht en de raden van de gemeenten Amersfoort, Baarn, Bunnik, Bunschoten, De Bilt, De Ronde Venen, Eemnes, Houten, IJsselstein, Leusden, Lopik, Montfoort, Nieuwegein, Oudewater, Renswoude, Rhenen, Soest, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug, Veenendaal, Vijfheerenlanden, Wijk bij Duurstede, Woerden, Woudenberg en Zeist; de artikelen 8, 51 en 52 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Provinciewet en de Gemeentewet; artikel 18.21 van de Omgevingswet;
Besluiten De navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen: Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Utrecht
Hoofdstuk 1:
Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze regeling wordt verstaan onder: a. basistaken: de taken als bedoeld in artikel 13.12 van het Omgevingsbesluit en alle overige taken die de Omgevingsdienst in mandaat structureel voor alle colleges uitvoert op het gebied van omgeving in de ruimste zin en passend binnen het belang van artikel 2; Pagina 2 van 16
b.
colleges:
de colleges van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten;
c.
desintegratiekosten:
alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door de Omgevingsdienst, die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van de risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de vermindering van taakuitvoering;
d.
frictiekosten:
alle incidentele kosten te maken door de Omgevingsdienst die het directe gevolg zijn van de beslissing tot vermindering van taakuitvoering van een college;
e.
gedeputeerde staten:
de gedeputeerde staten van de provincie Utrecht;
f.
gemeenten:
de gemeenten waarvan de colleges deelnemen aan deze regeling, te weten de gemeenten Amersfoort, Baarn, Bunnik, Bunschoten, De Bilt, De Ronde Venen, Eemnes, Houten, IJsselstein, Leusden, Lopik, Montfoort, Nieuwegein, Oudewater, Renswoude, Rhenen, Soest, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug, Veenendaal, Vijfheerenlanden, Wijk bij Duurstede, Woerden, Woudenberg en Zeist;
g.
minister:
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
h.
raden:
de raden van de gemeenten;
i.
regeling:
de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Utrecht;
j.
plustaken:
alle taken die de Omgevingsdienst in mandaat en passend binnen het belang van artikel 2 voor één of meer van de colleges kan uitvoeren en waarvan is afgesproken dat de afname ervan niet verplicht is;
k.
provincie:
de provincie Utrecht;
l.
provinciale staten:
de provinciale staten van de provincie Utrecht;
m. Omgevingsdienst:
het openbaar lichaam, bedoeld in artikel 3, eerste lid, en
n.
de Wet gemeenschappelijke regelingen.
2.
1.
wet:
Waar in deze regeling artikelen van de Provinciewet of de Gemeentewet, van wel andere wettelijke regelingen van toepassing worden verklaard, wordt, tenzij anders vermeld, in die artikelen voor de provincie, provinciale staten, gedeputeerde staten en de commissaris van de koning, respectievelijk de gemeente, de raad, burgemeester en wethouders, de burgemeester, gelezen: het openbaar lichaam, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter. Artikel 2. Belang De Omgevingsdienst behartigt, met inachtneming van hetgeen hierover in de regeling is bepaald, de belangen van de provincie en de gemeenten tezamen en van de provincie en elke gemeente afzonderlijk op het gebied van omgeving in de ruimste zin, voor zover de Pagina 3 van 16
2.
1. 2. 1. 2.
3. 1. 2. 3.
1.
bevoegdheid daartoe de provincie of de gemeente toekomt en aan de Omgevingsdienst gemandateerd is. De Omgevingsdienst draagt zorg voor een organisatie ter behartiging van de in lid 1 genoemde belangen en van de ter uitvoering daarvan opgedragen en overeengekomen taken. Artikel 3. Openbaar lichaam Er is een openbaar lichaam genaamd Omgevingsdienst Utrecht. De Omgevingsdienst is gevestigd in Utrecht. Artikel 4. Basistaken Het algemeen bestuur van de Omgevingsdienst heeft als taak de uitvoering van de basistaken, omschreven in artikel 1, aanhef en onder a. Tot de in lid 1 bedoelde taken behoren in ieder geval: a. coördinerende, afstemmende en adviserende taken die voor de colleges worden verricht; b. de uitoefening van de bij of krachtens de milieu- en omgevingswetgeving gegeven bevoegdheden, één en ander per college nader uit te werken bij mandaatbesluit; c. het adviseren en bijstaan van de colleges in de uitoefening van hun taken, bevoegdheden of werkzaamheden in het kader van omgeving; d. het waar mogelijk verwerven van ondersteunende subsidies voor de taakuitvoering van de colleges; e. het bieden van een platform voor overleg voor ontwikkelingen op het gebied van omgeving in de ruimste zin, en f. het beheer van de organisatie als bedoeld in artikel 3, eerste lid. Er worden geen bevoegdheden overgedragen aan de Omgevingsdienst. Artikel 5.
Plustaken De colleges kunnen ook andere taken dan de taken bedoeld in artikel 4, eerste lid, opdragen aan het bestuur, voor zover deze passen binnen het belang genoemd in artikel 2 en het algemeen bestuur daar met drie vierde meerderheid mee instemt. Colleges kunnen ieder afzonderlijk met de Omgevingsdienst overeenkomsten, als bedoeld in artikel 6, tweede lid, sluiten ten aanzien van de taken, bedoeld in het eerste lid. De Omgevingsdienst kan op basis van een overeenkomst ook diensten verlenen aan andere publiekrechtelijke rechtspersonen dan de gemeenten en de provincie waarvan de colleges deelnemen, dan wel aan andere privaatrechtelijke overheidsorganisaties, met dien verstande dat de Omgevingsdienst ten minste tachtig procent van zijn werkzaamheden voor de colleges verricht. Het algemeen bestuur beslist met betrekking tot het al dan niet verlenen van diensten aan een derde als hiervoor bedoeld. Artikel 6. Voorwaarden taakuitvoering Ter uitvoering en nadere invulling van de in artikel 4, eerste lid en artikel 5, eerste lid, bedoelde taken, stelt het algemeen bestuur een dienstverleningshandvest vast, dat de algemene voorwaarden van de Omgevingsdienst bevat, waarbij in elk geval worden geregeld: a. de voorwaarden voor de taakuitvoering en wijziging van het in artikel 4, eerste lid, bedoelde takenpakket; b.
de voorwaarden voor uitvoering en wijziging van de in artikel 5, eerste lid, bedoelde taken; Pagina 4 van 16
c.
2. 3. 4. 5.
6.
7.
de voorwaarden waaronder eventuele incidentele taken kunnen worden uitgevoerd door de Omgevingsdienst; d. de aansprakelijkheid, verzekering en geschillen met betrekking tot de taakuitvoering; e. de financiële verrekening van de taakuitvoering, en f. een voorziening in geval van het niet voldoen door de Omgevingsdienst aan de met de gemeenten en provincie overeengekomen eisen voor de taakuitvoering. Binnen de kaders van het dienstverleningshandvest, bedoeld in het eerste lid, maakt de Omgevingsdienst met alle deelnemers werkafspraken die per gemeente en provincie worden vastgelegd in een dienstverleningsovereenkomst. Het dagelijks bestuur stelt een model-overeenkomst vast ten behoeve van de overeenkomsten, bedoeld in het tweede lid. Voor de uitvoering van de taken wordt bij separaat besluit mandaat verleend aan de directeur onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst. In de dienstverleningsovereenkomst wordt per gemeente en provincie het jaarlijks van de Omgevingsdienst af te nemen kwaliteitsniveau voor de basistaken en de plustaken vastgelegd. Per jaar kan de omvang van de door de deelnemers af te nemen taken, onder bepaalde, in het dienstverleningshandvest vastgelegde voorwaarden, worden gewijzigd.
Indien een college besluit tot een vermindering van één of meer taken als bedoeld in artikel 4, eerste lid en artikel 5, eerste lid, en deze vermindering gelijk is aan of meer bedraagt dan 5% van het in de dienstverleningsovereenkomst vastgelegde totale takenpakket van het betreffende college, dan is het betreffende college gehouden tot vergoeding van de frictiekosten en desintegratiekosten ten gevolge van het besluit tot vermindering van taken. Het algemeen bestuur stelt een regeling vast voor die gevallen waarin het besluit tot vermindering van taken van één of meer colleges niet leidt tot vervulling van de voorwaarde genoemd in het zesde lid. Voornoemde regeling bepaalt in hoeverre de desintegratiekosten en frictiekosten in rekening worden gebracht bij het betreffende college of de betreffende colleges.
Hoofdstuk 2:
Inrichting bestuur
Afdeling 2.1 Samenstelling bestuur 1. 2.
Artikel 7. Algemeen Het bestuur van de Omgevingsdienst bestaat uit het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter. Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van de Omgevingsdienst.
Afdeling 2.2 Algemeen bestuur 1. 2.
Artikel 8. Aanwijzing leden De colleges wijzen uit hun midden ieder één lid van het algemeen bestuur aan. De colleges wijzen uit hun midden eén één plaatsvervangend lid aan, dat het lid bij verhindering of ontstentenis vervangt. Hetgeen in deze regeling is bepaald ten aanzien van een lid van het algemeen bestuur is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid, tenzij de regeling anders bepaalt.
Pagina 5 van 16
1. 2.
3. 4.
1. 2.
3. 4.
5. 6. 7.
8. 1. 2. 3.
Artikel 9. Einde van het lidmaatschap Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege, zodra men ophoudt lid te zijn van het college uit wiens midden men is aangewezen. Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur. Het ontslag gaat in met ingang van de dag, gelegen een maand na de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn opvolger is aangewezen. Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslagen worden door het college dat hem heeft aangewezen overeenkomstig artikel 34, zesde lid. Indien tussentijds een plaats binnen het algemeen bestuur open valt, wijst het college dat het aangaat in zijn eerste vergadering, of indien dit niet mogelijk is ten spoedigste daarna, een nieuw lid aan. Artikel 10. Vergaderorde Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast. Het algemeen bestuur vergadert ten minste tweemaal per jaar en voorts zo vaak als het daartoe heeft besloten. Voorts vergadert het algemeen bestuur indien de voorzitter of het dagelijks bestuur het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden waaruit het algemeen bestuur bestaat schriftelijk, met opgave van redenen, daarom verzoekt. De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op.
De oproeping geschiedt ten minste 2 weken voor de vergadering, behoudens spoedeisende gevallen. Tegelijkertijd met de oproeping brengt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen, met uitzondering van de in artikel 23 van de wet bedoelde stukken, worden tegelijkertijd met de oproeping en op een bij openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd. De vergadering van het algemeen bestuur wordt niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. Indien ingevolge het vijfde lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen. Op de vergadering, bedoeld in het zesde lid, is het vijfde lid niet van toepassing. Het algemeen bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het vijfde lid niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. Het algemeen bestuur kan zich in de vergaderingen door adviseurs laten bijstaan. Artikel 11.
Handhaving vergaderorde De voorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op enigerlei wijze door toehoorders wordt verstoord, deze en zo nodig andere toehoorders te doen vertrekken. De voorzitter is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren voor ten hoogste zes maanden de toegang tot de vergadering te ontzeggen. De voorzitter kan het algemeen bestuur voorstellen aan een lid, dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat het lid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig doet de voorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn Pagina 6 van 16
gedrag kan het lid bovendien voor ten hoogste zes maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd. 1. 2. 3.
Artikel 12. Open en besloten vergaderingen De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer een vijfde gedeelte van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd, een en ander conform artikel 22 en 23 van de wet.
Artikel 13. Immuniteit De leden van het algemeen bestuur van de Omgevingsdienst en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor, dan wel worden verplicht getuigenis af te leggen als bedoeld in artikel 165, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over wat zij in de vergadering van het algemeen bestuur hebben gezegd of aan het algemeen bestuur schriftelijk hebben overgelegd. 1. 2. 3.
4.
5. 6. 7.
8.
Artikel 14. Besluitvorming De leden van het algemeen bestuur hebben ieder één stem. Het algemeen bestuur besluit, tenzij deze regeling anders bepaalt, bij meerderheid van stemmen. Indien de stemmen met betrekking tot een bepaald voorstel staken, wordt het betrokken onderwerp aangehouden tot de eerstvolgende vergadering van het algemeen bestuur. Indien de stemmen in de eerstvolgende vergadering wederom staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Ingeval de stemmen bij herstemming over besluiten met betrekking tot benoeming, voordracht of aanbeveling van personen staken, beslist de voorzitter. Een lid van het algemeen bestuur neemt niet deel aan de stemming over een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger van zijn gemeente in een andere hoedanigheid eveneens betrokken is en waarbij belangenspanning speelt of de integriteitsvraag aan de orde zou kunnen zijn. Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer die behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt. Een stemming is alleen geldig indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft, en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen. Het zesde lid is niet van toepassing: a.
ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming, voordracht of aanbeveling van één of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was; b. voor zover het onderwerpen betreft die in een daaraan voorafgaande niet geopende vergadering aan de orde waren gesteld. In de notulen van de vergadering van het algemeen bestuur en in de besluiten en adviezen wordt ten aanzien van alle uitspraken zowel het gevoelen van de meerderheid als dat van de minderheid van de leden van het algemeen bestuur tot uitdrukking gebracht.
Artikel 15. Zienswijze op besluiten van het algemeen bestuur Buiten de in deze regeling of bij of krachtens wet bepaalde gevallen zijn er geen besluiten van het algemeen bestuur, waarvoor aan de raden en provinciale staten vooraf zienswijze, als bedoeld in artikel 10, vijfde en zesde lid van de wet, wordt gevraagd. Pagina 7 van 16
Artikel 16. Participatie van inwoners en belanghebbenden Ingezetenen van de gemeenten en de provincie en belanghebbenden worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling slechts betrokken, voor zover dat bij of krachtens wet is vereist, of voor zover dat door het algemeen bestuur is bepaald. Bij de participatie kan een andere procedure dan die van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd worden.
Afdeling 2.3 Dagelijks bestuur 1. 2. 3. 4. 1. 2.
3.
4.
1. 2. 3.
1. 2.
Artikel 17. Samenstelling en aanwijzing leden Het dagelijks bestuur wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen en bestaat ten minste uit de voorzitter en vier andere door het algemeen bestuur aan te wijzen leden, met inachtneming van artikel 14, derde lid, van de wet. Het door het college van de provincie aangewezen lid in het algemeen bestuur wordt door het algemeen bestuur in ieder geval aangewezen als lid van het dagelijks bestuur. Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt van rechtswege, zodra men ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur. Het dagelijks bestuur stelt een portefeuilleverdeling voor haar leden vast. Artikel 18. Ontslag leden Het algemeen bestuur kan één of meer leden van het dagelijks bestuur, de voorzitter uitgezonderd, ontslag verlenen overeenkomstig artikel 32, zesde lid. Over een voorstel tot het verlenen van ontslag als bedoeld in het eerste lid wordt niet beraadslaagd of besloten, dan nadat het algemeen bestuur ten minste twee weken en ten hoogste drie maanden tevoren heeft verklaard, dat het betrokken lid dan wel de betrokken leden van het dagelijks bestuur het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezitten.
De oproeping tot de vergadering waarin over dat voorstel wordt beraadslaagd of besloten wordt ten minste achtenveertig uur voor de aanvang of zoveel eerder als het algemeen bestuur heeft bepaald, bij de leden van het algemeen bestuur bezorgd. Deze vermeldt het voorstel tot het verlenen van ontslag als bedoeld in het eerste lid. De artikelen 28 tot en met 31 van de Provinciewet zijn van overeenkomstige toepassing bij besluiten van het algemeen bestuur ingevolge dit artikel. Artikel 19. Vergaderorde Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast, dat aan het algemeen bestuur wordt gezonden. De vergaderingen van het dagelijks bestuur worden met gesloten deuren gehouden, voor zover het dagelijks bestuur niet anders heeft bepaald. Het reglement van orde voor de vergaderingen kan regels geven omtrent de openbaarheid van de vergaderingen van het dagelijks bestuur. Artikel 20. Besluitvorming Elk lid van het dagelijks bestuur heeft één stem. Besluitvorming vindt plaats bij meerderheid van stemmen. In de vergadering van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd of besloten, indien in ieder geval meer dan de helft van het in het dagelijks bestuur zitting hebbende aantal leden tegenwoordig is. Pagina 8 van 16
3. 4.
Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering. Op de vergadering, bedoeld in het derde lid, is het tweede lid niet van toepassing. Het dagelijks bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de eerdere vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien ten minste de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
Artikel 21. Zienswijze op besluiten van het dagelijks bestuur Buiten de in deze regeling of bij of krachtens wet bepaalde gevallen zijn er geen besluiten van het dagelijks bestuur, waarvoor aan de raden en provinciale staten vooraf zienswijze, als bedoeld in artikel 10, vijfde en zesde lid van de wet, wordt gevraagd.
Afdeling 2.4 Voorzitter 1. 2.
Artikel 22. Aanwijzing De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen. Voor ontslag van de voorzitter geldt de bepaling van artikel 33, zesde lid. Uit de overige leden van het dagelijks bestuur, bedoeld in artikel 17, eerste lid, worden één of meerdere plaatsvervangend voorzitters aangewezen.
Artikel 23. Zienswijze op besluiten van de voorzitter Buiten de in deze regeling of bij of krachtens wet bepaalde gevallen zijn er geen besluiten van de voorzitter, waarvoor aan de raden en provinciale staten vooraf zienswijze, als bedoeld in artikel 10, vijfde en zesde lid van de wet, wordt gevraagd.
Afdeling 2.5 Commissies 1. 2.
Artikel 24. Adviescommissies Het algemeen bestuur kan een adviescommissie instellen ter advisering aan het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter. In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter een adviescommissie instellen ten behoeve van het dagelijks bestuur onderscheidenlijk ten behoeve van de voorzitter, voor zover deze adviescommissie een tijdelijk karakter heeft.
Hoofdstuk 3: 1. 2. 3.
Taken en bevoegdheden
Artikel 25. Algemeen bestuur Alle bevoegdheden die niet bij of krachtens de wet aan het dagelijks bestuur of de voorzitter zijn toegekend, berusten bij het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur kan aan het dagelijks bestuur bevoegdheden overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen overdracht verzet. Het algemeen bestuur kan het dagelijks bestuur niet overdragen de bevoegdheid tot: a. het vaststellen of wijzigen van de begroting; b. het vaststellen van de jaarrekening; c. het beslissen tot het verlenen van diensten aan andere partijen dan de colleges, en d. het benoemen, ontslaan of schorsen van leden van het dagelijks bestuur. Pagina 9 van 16
4.
Het algemeen bestuur besluit slechts tot oprichting van, en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Het besluit wordt niet genomen dan nadat de raden en provinciale staten in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. Het besluit wordt genomen bij meerderheid van drie vierde van de uitgebrachte stemmen.
Artikel 26. Dagelijks bestuur Het dagelijks bestuur heeft in ieder geval de volgende taken en bevoegdheden ten behoeve van het voeren van het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst: a. b. c. d. e.
1.
2.
beslissingen van het algemeen bestuur voorbereiden en uitvoeren; regels vaststellen over de ambtelijke organisatie van de Omgevingsdienst; ambtenaren in dienst nemen, schorsen en ontslaan; te besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de Omgevingsdienst, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 25, vierde lid, en te besluiten namens de Omgevingsdienst, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover dit het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist. Artikel 27. Voorzitter De voorzitter: a. bevordert een goede behartiging van de taken van de Omgevingsdienst; b. is voorzitter van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur; c. ondertekent alle stukken welke van het algemeen en het dagelijks bestuur uitgaan, en d. vertegenwoordigt de Omgevingsdienst in en buiten rechte. Indien de voorzitter aan een ander volmacht of machtiging verleent tot vertegenwoordiging, bedoeld in het eerste lid onder d, behoeft deze machtiging de instemming van het dagelijks bestuur.
Hoofdstuk 4: 1.
2. 3.
Financiën
Artikel 28. Algemene financiële uitgangspunten Het algemeen bestuur stelt een bijdrageverordening vast, waarin in elk geval wordt geregeld op welke wijze en in welke mate de colleges financieel bijdragen aan de middelen voor instandhouding van de Omgevingsdienst en op welke wijze wordt omgegaan met reservevorming en uitkering van reserves. De kosten over het lopende kalenderjaar worden bij de deelnemers in rekening gebracht op basis van de door het algemeen bestuur voor het betreffende jaar, bij de begroting vastgestelde uitgangspunten. Voor vaststelling en wijziging van de bijdrageverordening is een drie vierde meerderheid vereist. Indien enig exploitatiejaar een batig saldo oplevert wordt dit saldo toegevoegd aan de algemene reserve van de Omgevingsdienst. Het weerstandsvermogen mag maximaal 7% van de opbrengsten bedragen. Voor zover het batig saldo van enig jaar leidt tot een weerstandsvermogen van meer dan 7% van de opbrengsten, wordt het saldo boven de 7% gerestitueerd aan de gemeenten en de provincie op de wijze als geregeld in de bijdrageverordening. Pagina 10 van 16
4.
5.
6.
7.
1. 2.
3. 4.
5. 6. 7. 8.
Indien enig exploitatiejaar een nadelig saldo oplevert en het weerstandsvermogen ontoereikend is om dit nadelige saldo te dekken, stelt het dagelijks bestuur een plan op dat gericht is op het afbouwen en dekken van het nadelig exploitatiesaldo. Het dagelijks bestuur bepaalt tevens tot welk bedrag de colleges bijdragen in het nadelig exploitatiesaldo. Het bedoelde plan wordt niet eerder vastgesteld door het algemeen bestuur dan nadat de raden en provinciale staten gedurende een minimale termijn van 8 weken in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijze ten aanzien van het plan naar voren te brengen. Wanneer het algemeen bestuur overeenkomstig het gestelde in het vierde lid een besluit heeft genomen omtrent de bijdragen door de colleges in het nadelige exploitatiesaldo, wordt het nadelige exploitatiesaldo door de colleges gedragen op de wijze als geregeld in de bijdrageverordening. De colleges zullen er steeds zorg voor dragen dat de Omgevingsdienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen en staan daarmee garant voor de volledige nakoming van de financiële verplichtingen van de Omgevingsdienst. Hiervoor geldt de kostenverdeelsleutel, opgenomen in de bijdrageverordening bedoeld in het eerste lid.
Indien aan het algemeen bestuur blijkt dat een gemeente respectievelijk de provincie weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet respectievelijk onverwijld aan de minister het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 198 en 199 van de Provinciewet. Artikel 29. Begroting Het dagelijks bestuur zendt uiterlijk 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden en provinciale staten. De raden en de provinciale staten worden in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van tenminste 8 weken een zienswijze in te dienen op de algemene financiële en beleidsmatige kaders bij het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur verwerkt de reactie op de zienswijzen in de ontwerpbegroting. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. De terinzagelegging en verkrijgbaarstelling geschiedt bij openbare kennisgeving.
De vaststelling van de begroting door het algemeen bestuur, zoals bedoeld in artikel 58, eerste lid van de wet, geschiedt niet eerder dan 12 weken nadat de ontwerpbegroting aan de raden en provinciale staten is verzonden, voorafgaand aan het jaar waarvoor deze dient. De begroting is vastgesteld wanneer een drie vierde meerderheid voor vaststelling heeft gestemd. De raden en de provinciale staten worden in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van 12 weken hun zienswijze op de ontwerpbegroting kenbaar te maken. Het dagelijks bestuur stelt de raden en provinciale staten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vijfde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Na vaststelling van de begroting zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden en provinciale staten, die ter zake bij de minister hun zienswijze naar voren kunnen brengen. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 september aan de minister.
Pagina 11 van 16
9. 10. 11.
1. 2. 3.
1.
2.
3.
Besluiten tot wijziging van de begroting worden door het algemeen bestuur met een drie vierde meerderheid genomen. Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen. Bij wijzigingen van de begroting wordt de procedure voor vaststelling van de begroting gevolgd. Raden en provinciale staten worden in de gelegenheid gesteld zienswijze in te dienen overeenkomstig het vijfde lid, tenzij het elfde lid van toepassing is. Het bepaalde in het derde, vierde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid is niet van toepassing op wijzigingen van de begroting voor zover daaruit geen verhoging van de bijdragen van de colleges voortvloeit. Het dagelijks bestuur zendt de gewijzigde begroting binnen vier weken na vaststelling aan de minister. Artikel 30. Jaarrekening Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vóór 1 juli vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. Het dagelijks bestuur zendt uiterlijk voor 30 april van het jaar na het jaar waarvoor de jaarrekening dient, een voorlopige jaarrekening aan de raden en de provinciale staten. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de minister. Artikel 31.
Financiële verordening Het algemeen bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. De verordening bevat in ieder geval: a. regels voor waardering en afschrijving van activa, en b. regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie. Het algemeen bestuur wijst één of meer accountants aan als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, belast met de controle van de in artikel 30 bedoelde jaarrekening en het daarbij verstrekken van een accountantsverklaring en het uitbrengen van een verslag van bevindingen.
Hoofdstuk 5: 1. 2. 3. 4.
Verantwoordingsrelaties
Artikel 32. Verantwoordelijkheid dagelijks bestuur Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur. Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk geven het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door één of meer leden gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met een wettelijke verplichting of het openbaar belang. Het dagelijks bestuur geeft de raden en provinciale staten ongevraagd alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het algemeen bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig zijn. In het reglement van orde van het algemeen bestuur wordt de wijze waarop de bedoelde inlichtingen worden verstrekt, geregeld. Pagina 12 van 16
5. 6.
1. 2. 3. 4. 5. 6.
1. 2.
3. 4. 5.
6.
Het dagelijks bestuur geeft de raden en provinciale staten mondeling of schriftelijk de door één of meer leden van één van die raden en provinciale staten gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met een wettelijke verplichting of het openbaar belang. Het algemeen bestuur kan besluiten een lid van het dagelijks bestuur ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. De rechter treedt niet in de beoordeling van de gronden waarop het algemeen bestuur tot ontslag van een lid van het dagelijks bestuur heeft besloten. Artikel 33. Verantwoordelijkheid voorzitter De voorzitter is aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door hem gevoerde bestuur. De voorzitter geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. De voorzitter geeft het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met een wettelijke verplichting of het openbaar belang. De voorzitter geeft de raden en provinciale staten ongevraagd alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het gevoerde en te voeren beleid nodig zijn.
De voorzitter geeft de raden en provinciale staten mondeling of schriftelijk de door een of meer leden van een van die raden en provinciale staten gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met een wettelijke verplichting of het openbaar belang. Het algemeen bestuur kan besluiten de voorzitter ontslag te verlenen, indien de voorzitter het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Artikel 34. Verantwoordelijkheid algemeen bestuur Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van de Omgevingsdienst. Het algemeen bestuur geeft de raden en provinciale staten ongevraagd alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het algemeen bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig zijn. In het reglement van orde van het algemeen bestuur wordt de wijze waarop de bedoelde inlichtingen worden verstrekt, geregeld. Het algemeen bestuur geeft de raden en provinciale staten mondeling of schriftelijk de door een of meer leden van een van die raden en provinciale staten gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met een wettelijke verplichting of het openbaar belang. Een lid van het algemeen bestuur kan door het college dat dit lid heeft aangewezen, ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid.
Een lid van het algemeen bestuur verstrekt aan het college dat dit lid heeft aangewezen, alsmede aan de betreffende raad of provinciale staten de door een of meer leden van dat college, die raad of provinciale staten gevraagde inlichtingen tenzij het verstrekken ervan in strijd is met een wettelijke verplichting of het openbaar belang. De verstrekking geschiedt mondeling of schriftelijk. Een college kan besluiten een door hem aangewezen lid van het algemeen bestuur ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van dat college niet meer bezit.
Pagina 13 van 16
Hoofdstuk 6: 1. 2. 3.
4. 5.
1. 2. 3. 4. 5.
Organisatie
Artikel 35. Directeur De Omgevingsdienst heeft een directeur die, onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur, belast is met de leiding van de Omgevingsdienst en met de zorg voor een juiste taakvervulling door de Omgevingsdienst. De directeur wordt door het dagelijks bestuur aangenomen, geschorst en ontslagen. De directeur staat als secretaris het algemeen bestuur en dagelijks bestuur ter zijde bij de uitoefening van hun taak. Hij is aanwezig in de vergadering van het algemeen bestuur en dagelijks bestuur en kan aan de beraadslagingen deelnemen. Hij ondertekent de stukken mede, die van het algemeen bestuur en dagelijks bestuur uitgaan. Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de directeur. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op degene die de directeur vervangt. De ambtelijke organisatie van de Omgevingsdienst staat onder leiding van de directeur. De directeur wordt aangemerkt als (formeel) bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden. Artikel 36. Archief Het dagelijks bestuur is zorgdrager voor de archiefbescheiden van de Omgevingsdienst. Aan de zorg wordt invulling gegeven volgens door het algemeen bestuur vast te stellen beheersregels. De zorg voor de archiefbescheiden die ontstaan uit hoofde van de door de colleges gemandateerde taken berust bij deze organen.
De provinciale archiefbewaarplaats van Utrecht wordt aangewezen als archiefbewaarplaats van de Omgevingsdienst. De directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. Bij opheffing van de Omgevingsdienst worden de onder het eerste lid bedoelde archiefbescheiden zoveel als mogelijk vervreemd aan de taakopvolger. De overbrenging van de blijvend te bewaren archiefbescheiden naar de archiefbewaarplaats geschiedt als had geen opheffing plaatsgevonden. Als er geen taakopvolger is, geschiedt de overbrenging direct. Voor het beheer van archiefbescheiden die op termijn voor vernietiging in aanmerking komen, wordt één van de colleges aangewezen.
Hoofdstuk 7:
Regeling
Artikel 37. Duur De regeling wordt voor onbepaalde tijd getroffen. Artikel 38. Evaluatie Het algemeen bestuur draagt ervoor zorg dat deze regeling periodiek, maar in ieder geval éénmaal per zes jaar, wordt geëvalueerd. 1. 2.
Artikel 39. Wijziging De regeling kan gewijzigd worden bij daartoe strekkende besluiten van drie vierde van de colleges, onverminderd het bepaalde in artikel 51, tweede, derde en vierde lid, van de wet. Het algemeen bestuur kan een voorstel tot wijziging sturen naar de colleges. Een voorstel tot wijziging kan ook worden ingediend bij het bestuur door ten minste twee colleges. Het Pagina 14 van 16
algemeen bestuur zendt het voorstel, bedoeld in de vorige volzin, onverwijld door aan de colleges. 1. 2. 3. 4. 1.
2. 3. 4.
5. 6.
7.
1. 2.
Artikel 40. Toetreding Colleges van andere provincies of gemeenten of besturen van andere rechtspersonen, bedoeld in artikel 1, eerste en tweede lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek kunnen schriftelijk een verzoek tot toetreding indienen bij het algemeen bestuur. Het bestuur zendt het verzoek tot toetreding onverwijld door aan de colleges. De toetreding is tot stand gekomen indien de beoogd toetreder en de colleges, onverminderd het bepaalde in artikel 51, tweede, derde en vierde lid, van de wet, daartoe met een drie vierde meerderheid besluiten. Het algemeen bestuur kan voorwaarden vaststellen die gelden bij toetreding. Artikel 41. Uittreding Een college kan, indien hij de gevolgen van de uittreding voor zijn rekening neemt, uit de regeling treden door een daartoe strekkend besluit van het betreffende college en een daaraan voorafgaande zienswijze op het voorgenomen besluit en vervolgens verkregen toestemming van de betreffende raad of provinciale staten. Uittreding kan plaatsvinden met inachtname van een opzegtermijn van tenminste één jaar. Deze opzegtermijn vangt aan op 1 januari van het jaar volgend op dat waarin tot uittreden besloten is. Een college zendt, na toestemming van zijn raad of provinciale staten, het besluit tot uittreding aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen.
Het algemeen bestuur inventariseert, conform de daartoe door het algemeen bestuur vastgestelde uittredingsregeling, de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding. Het algemeen bestuur stelt de gevolgen van de uittreding met een drie vierde meerderheid vast. Onder de gevolgen van de uittreding bedoeld in het vierde lid wordt in ieder geval verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. In de uittredingsregeling bedoeld in het vierde lid wordt als uitgangspunt genomen dat de Omgevingsdienst alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening brengt bij het uittredende college. Kosten die het uittredende college maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen eveneens voor rekening van het uittredende college. Voorafgaand aan en ten dienste van het eventueel te nemen besluit bedoeld in het eerste lid kan een college aan het algemeen bestuur verzoeken een voorlopige berekening uit te laten voeren van de kosten die met de uittreding gemoeid zijn. De kosten die voortvloeien uit het verzoek tot een voorlopige berekening komen geheel ten laste van het verzoekende college. De voorlopige berekening is niet bindend. Artikel 42.
Opheffing De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkend besluit door drie vierde van de colleges Het algemeen bestuur stelt een liquidatieplan vast, dat de gevolgen van de opheffing en de liquidatie van de Omgevingsdienst regelt.
Pagina 15 van 16
Hoofdstuk 8:
Slotbepalingen
Artikel 43. Citeerwijze De regeling wordt aangehaald als Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Utrecht. 1. 2. 1. 2. 3.
Artikel 44. Inwerkingtreding Het college van de provincie Utrecht draagt zorg voor de bekendmaking van de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 52, eerst lid, van de wet. Deze regeling treedt in werking op de dag na bekendmaking. Artikel 45. Geschillen Een eventueel geschil tussen een college en de Omgevingsdienst wordt door de ene partij schriftelijk voorgelegd aan de andere partij met het doel om gezamenlijk tot overeenstemming te komen. Het algemeen bestuur kan ten behoeve van de beslechting van geschillen als bedoeld in het vorige lid een regeling vaststellen, onverminderd het bepaalde in artikel 136 van de Grondwet. Indien zich zaken voordoen waarin de gemeenschappelijke regeling of de reglementen van orde niet voorzien, treft het algemeen bestuur de nodige voorzieningen. Het algemeen bestuur doet van deze voorzieningen onverwijld mededeling aan de colleges.
Pagina 16 van 16