Bijlage 2 Bijlagenboek ontwerp BP Arnhemseweg 74 b-c__86854__.pdf
Tekst van het document
Arnhemseweg 74 te Leusden Opgave
De eigenaar van de Arnhemseweg 74 wil de bedrijfsbestemming omzetten naar een woonbestemming. In ruil voor het slopen van de voormalige bedrijfsbebouwing wil de eigenaar een extra woning realiseren op deze locatie. De gemeente heeft een positieve grondhouding ten opzichte van deze ontwikkeling en vraagt een inrichtingsplan met goede landschappelijke inpassing.
Ontstaan van het landschap
Op de flank van de Utrechtse Heuvelrug, grenzend aan de Gelderse vallei, ligt een gordel van dekzand. Eeuwenlang zorgde smeltende sneeuwmassa's in het voorjaar dat het dekzand werd opgenomen en in de lagere delen weer werd afgezet. Vervolgens had de wind vrij spel en zorgde voor nog meer verplaatsingen van het dekzand. Hierdoor zijn er vele welvingen en dekzandruggen in de ondergrond terug te vinden. De strook 't Heetveld, Leusbroek, Zuurbroek en Hamerveld was eeuwenlang een moerassig gebied. De beken vanuit de Gelderse Vallei en van de Utrechtse Heuvelrug stroomden naar dit lage gebied, wat niet voldoende capaciteit had om al het water af te voeren. Hierdoor heeft veenvorming plaatsgevonden. Dit is nog steeds (deels) terug te vinden in de ondergrond. In de twaalfde eeuw heeft men het gebied in een aantal delen systematisch ontgonnen. Toen omstreeks 1750 de Liniedijk als onderdeel van de Grebbelinie werd aangelegd, blokkeerde dat de afstroming van de oostelijk gelegen beken. Hierdoor werd het gebied nog natter. De aanleg van het Valleikanaal heeft de waterhuishouding van de Gelderse Vallei ingrijpend verbeterd. Het plangebied ligt in een bijzondere driehoekvormige restontginning. De locatie ligt oorspronkelijk aan de achterkade van de ontginning 't Heetveld. 't Heetveld werd vanaf de Heetvelderweg en Treekerweg in oostelijke richting ontgonnen en waterde af naar de Grift.
Vanaf het punt waar de Grift de Lunterse beek (later Heiligerbergerbeek geheten) kruist, stroomt het water via de Heiligerbergerbeek richting Amersfoort. De Heiligerbergerbeek doorkruist 't Heetveld, waardoor er een stuk restontginning is ontstaan tussen de beek en de ontginning van Leusderbroek. Het maaiveld van het plangebied loopt af richting de beek. De strokenverkaveling van de restontginning is minder strak dan aan de overzijde van de beek. Dit kan vanwege de iets hogere ligging en andere samenstelling van de bodem. De locatie wordt ontsloten via de zijkade van het Leusderbroek, welke in noord-zuid richting ontgonnen is. Langs deze kade is van oudsher laanbeplanting aanwezig.
bron: AHN.nl, hoogtekaart
bron: hisgis.nl, minuutkaart 1811-1832
bron: topotijdreis, kaart uit 1900
bron: provincie-utrecht.nl, luchtfoto 1950
bron: topotijdreis, kaart uit 1990
bron: provincie-utrecht.nl, luchtfoto 2013
bestaande woning is hoofdgebouw binnen het ensemble
parkeren opgenomen in de kavelrandbepalnting
tweede toegangspad verwijderen, maar inrit blijft
Kwaliteiten van het landschap
Binnen de gebiedskatern 'Gelderse Vallei' behoort de locatie tot het deelgebied 'Stroken'. In essentie is dit een halfopen landschap van langgerekte ruimten (overwegend grasland), omzoomd door beplante wegen en kavelgrenzen. Tussen de kavels onderling zit veel variatie in grootte en in lengte-breedte verhoudingen. De opgaande beplanting bestaat uit een afwisseling van bomenrijen, knotbomen, houtsingels en bospercelen. Langs wegen staat doorgaans beplanting en de griften lopen als rechte lijnen door het landschap. Erven, met afwisselend oude en nieuwe bebouwing door elkaar, liggen in open linten verscholen in het groen.
Landschapsontwikkelingsplan (LOP 2017)
Binnen het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) behoort de locatie tot het herkenbaar slagenlandschap. Deze gebieden zijn meer geleidelijk ontgonnen vanaf de hogere delen van het landschap, vaak vanaf de dekzandruggen of de stuwwal zelf. Voor de ontginning was een goede ontwatering nodig, waardoor er een typisch landschap ontstond van smalle kavels, afgewisseld met slootjes: het slagenlandschap. Door het soms onregelmatige patroon van de dekzandruggen, en dus de ontginningsbasis, ontstonden onregelmatige, bijzondere patronen in de ontginning. Om de wind te breken werden er aan de windzijde singels of bomenrijen aangeplant. Het streefbeeld van de beplanting in het slagenlandschap is: • Richting van het landschap benadrukken door het aanleggen van singels of bomenrijen langs de sloten en kavelgrenzen (knotwilg of knot-es). • Langs de sloten en kavelgrenzen staan hier en daar ook populieren en berken met een iets onregelmatigere plantafstand voor variatie. • Elzen zijn in de insteek van de sloot geplant. • De erven zijn vaak voorzien van geriefhoutbosjes en bossages.
Omgevingsvisie landelijk gebied Leusden
Gemeente Leusden streeft in haar omgevingsvisie naar herkenbare cultuurlandschappen, waarbij de biodiversiteit vergroot wordt en vervlakking van het landschap wordt tegengegaan. Binnen de omgevingsvisie behoort de locatie tot het deelgebied 'landgoederenzone met centraal buitengebied'. De doelen die van toepassing zijn op deze locatie zijn: • Behoud van de kwaliteiten rust en stilte • Verbeteren van ecologische verbindingen
De nieuwe woning wordt ter plaatse van de huidige schuur gerealiseerd
2e woning
1e woning schuur
weide boomgaard
het ensemble en de overgang naar het landschap
tuininrichting is ondergeschikt aan landschappelijke inpassing
Kansen tot kwaliteitsverbetering • • • • •
Het gebruik maken/versterken van het micro reliëf in de weilanden. Een hoger en droger gedeelte en een lager en natter gedeelte Het aanleggen van natuurvriendelijke oever langs sloten Het slopen van de voormalige bedrijfsgebouwen Het verwijderen van de wallen, die het voormalig gebruik van de manege accentueren. De wallen die de kavelrichting ondersteunen kunnen, ten behoeve van behoud van de bestaande bomen, wel behouden blijven Het versterken van de gevarieerde kleinschaligheid prachtig uitzicht over 't Heetveld
Heiligerbergerbeek
solitaire behouden
verwijder de aarden wallen die het voormalig gebruik accentueren
RANDVOORWAARDEN RUIMTELIJKE KWALITEIT Conclusie
Het ervenconsulentschap staat positief ten opzichte van de functiewijziging naar wonen. Het slopen van de voormalige bedrijfsbebouwing en de bijbehorende elementen levert grote kwaliteitswinst op voor het landschap. Door de twee woonbestemmingen achter elkaar te clusteren, wordt het bestaande ensemble aanzienlijk verkleind en versmald. Door gebruik te maken van het erfpad aan de noordzijde blijft de verharding tot het minimum beperkt en door de positionering krijgt elke woning een exclusieve woonkwaliteit en een unieke ligging aan het landschap. Dit is een win-win situatie voor de woonkwaliteit en het landschap. Het erfensemble, met zowel de bebouwde als de onbebouwde elementen (boomgaard, tuin, kavelrandbeplanting), past qua lengte-breedte verhouding goed in het oude ontginningslandschap. De ontwikkeling past goed binnen het streefbeeld van het waardevol slagenlandschap (LOP), omdat de bebouwing achter elkaar gesitueerd is, de beplanting langs de kavelrand behouden blijft en hierdoor de richting van het landschap wordt benadrukt. Met de omvorming van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming worden de doelen uit de omgevingsvisie landelijk gebied, zoals het behoud van de kwaliteiten rust en stilte en het verbeteren van ecologische verbindingen opgevolgd en versterkt. De randvoorwaarden van deze ontwikkeling zijn verbeeld in de schets hiernaast.
Bestaande situatie
zoeklocatie schuilstal
weiland met kruidenen faunarijk grasland
Gebouwen •
•
•
Verwijder paardenrijbak, paddocks en longeerruimte met de daarbij behorende grondwal voor het maken van een hoogstamboomgaard en/of weiland. Behoud waar mogelijk de bestaande (solitaire) bomen. Verwijder, indien mogelijk, de aarden wal en onderbeplanting om het uitzicht op het achterland te behouden/versterken. Behoud de afwisselende kavelrandbeplanting aan de noordzijde van de kavel. Versterk het erfsilhouet van bebouwing en beplanting door de bestaande beplanting te behouden en nieuwe landschapselementen (conform het LOP) aan te planten. Geef hierbij aandacht aan de enscenering vanuit de verschillende richtingen met voortoneel, midden-tafereel en achtergrond. Geleidelijke overgang naar het landschap versterken met helder afgebakende gebiedseigen eenheden.
• • • • • • • •
Erfensemble aanplant haag
knotbomen behouden
zoeklocatiel schuilstal
Toekomstige situatie met de bestaande woning, een grote schuur als bijgebouw voor beide woningen en de nieuwe woning met een schuurachtig karakter.
Elk gebouw heeft zijn eigen landschappelijke kwaliteit en eigen woonkwaliteit door de oriëntatie op de verschillende landschappelijke ruimtes om het erf heen. Tegelijkertijd staat bij het ontwerp de eenheid van het ensemble, waarin de nieuwe gebouwen de rol spelen van bijgebouwen bij het hoofdgebouw, voorop. Dit wordt ondersteund door de architectuur: De gebouwen zijn stoer en schuur-achtig, ook in hun detaillering Enkelvoudige massavorm en met zadeldak; geen dakkapellen of andere toevoegingen. Materialen: baksteen, hout; toepassing van gedekte kleuren. Er kan ook aansluiting gezocht worden bij de kenmerken van de boerderij en de oorspronkelijke schuur.
Inrichting, beplanting en ecologie
l
aanplant haag
•
•
•
boomgaard
•
•
• gs kavelrand behouden
•
Landschap •
bestaande beplanting lan
•
hierdoor compact. Anderzijds zorgt het gebouw voor privacy voor beide woningen. Door de plaatsing van het grote gebouw oriënteren de woningen zich op een andere wijze/richting op het landschap. De hoofdrichting van het ensemble is gelijk aan de ontginningsrichting. De tweede woning kan haaks hierop staan, zodat het ensemble compact en 'afgerond' wordt. Verwijder het tweede toegangspad. De inrit naar de weide blijft gehandhaafd voor mogelijk landbouwverkeer. Het erfsilhouet bestaat uit een afwisseling van beplanting en bebouwing. Daarbij is de beplanting typerend en beeldbepalend voor het ensemble. Moderne inrichtingselementen van de tuinen zijn daaraan ondergeschikt. Parkeren aan de noordzijde van het terrein, als onderdeel van de kavelrandbeplanting.
• • •
Maak een compact ensemble van de woningen en bijgebouwen. Cluster de bijgebouwen van beide woningen tot één volume, zodat er variatie ontstaat in de grootte. Het grote gebouw heeft een schuurachtig karakter en heeft een belangrijke rol binnen het ensemble. Enerzijds zorgt het voor verbinding binnen het ensemble; het ensemble blijft
Project Datum: Locatie: Eigenaar: Architect en adviseur: Ervenconsulenten:
functieverandering april 2021 Arnhemseweg 74 91 IJsselstein familie Wahle Sjoerd Schaapveld, Ruben Visser Jolanda van Looij, Arjan Scheer
• •
Passend materiaal- en kleurgebruik, conform welstandsnota. Type verharding past bij het erf (grind, gebakken klinkers). Boomgaard met hoogstamfruitbomen (appel, peer, pruim, kers), fruitbomen in rijen planten. aanplant van hagen van meidoorn, haagbeuk en/of veldesdoorn rond de voortuin en/of fruitgaarde. Neem de bestaande solitare bomen zoveel mogelijk op in de boomgaard. Weiland wordt landschappelijk ingericht met kruiden- en faunarijk grasland/bloemenweide. Gebruik inheemse beplanting conform het LOP. Bij voorkeur een natuurlijke zwemvijver in plaats van een zwembad. Een poel/natuurlijke zwemvijver heeft ecologische waarde. Al het regenwater wordt zoveel mogelijk inpandig hergebruikt, zodat er zo min mogelijk regenwater moet worden afgevoerd. Duurzaam bouwen is meer dan alleen energiegebruik: bouw natuurinclusief door bijvoorbeeld voorzieningen voor vleermuizen, zwaluwen en andere vogels en zoogdieren mee te nemen in het ontwerp.
MooiSticht Regulierenring 10 Postbus 115 3980 CC Bunnik Tel: 030 656 90 00 info@mooisticht.nl
In rood de te verwijderen aarden wallen
Bestaande situatie
600 m3 woning
50 m2
150 m2 bijgebouw bestaande woning
Toekomstige situatie met de bestaande woning, een grote schuur als bijgebouw voor beide woningen en de nieuwe woning met een schuurachtig karakter.
Quick scan ecologie Arnhemseweg 74b te Leusden
27 april 2021
Pagina 1
Samenvatting Voor het perceel aan de Arnhemseweg 74 B in Leusden worden ruimtelijke plannen voorbereid voor het slopen van twee schuren en het bouwen van een woonhuis. Onderzocht is of er effecten op beschermde soorten kan ontstaan.
Inhoud 2 – Inleiding 3 – Beschrijving gebied 4 – Waarnemingen 7 – Analyse 9 – Advies & Bronnen
De aanwezigheid van gierzwaluw en huismus kan op voorhand niet worden uitgesloten. Er zijn meerdere huismussen waargenomen tijdens de quickscan en nesten aangetroffen van zowel huismus als zwaluwen in de gebouwen. Er is afdoend onderzoek noodzakelijk naar deze soorten. De aanwezigheid van Vleermuis kan op voorhand worden uitgesloten. De gebouwen zijn ongeschikt voor het verblijf van deze soorten.
Inleiding Voor het perceel aan de Arnhemseweg 74B in Leusden worden ruimtelijke plannen voorbereid voor het slopen van twee schuren en het bouwen van een woonhuis. Onderdeel van de procedure is een onderzoek naar de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten en het maken van een analyse van de mogelijke effecten op die soorten, als gevolg van de werkzaamheden. Hiervoor is door bureau Els & Linde een oriënterend onderzoek uitgevoerd. Het voorliggende rapport geeft een beschrijving van het oriënterend onderzoek naar de effecten op natuurwaarden. Om een goed oordeel te geven over de potentieel aanwezige beschermde planten en dieren, is op 15 april 2021 door een ecoloog van bureau Els & Linde, een bezoek gebracht aan de planlocatie. Ter plekke is beoordeeld of er beschermde soorten aanwezig kunnen zijn, die schade kunnen ondervinden van de geplande ontwikkelingen. Daarbij is gezocht naar sporen van dieren en is op basis van de begroeiing en de opbouw van het landschap, geschat of er beschermde soorten aanwezig kunnen zijn. De effecten worden beoordeeld als gevolg van de veranderde omgeving en het veranderde gebruik. Verder wordt geanalyseerd of de werkzaamheden die noodzakelijk zijn om de veranderingen te bereiken, een effect veroorzaken.
De werkzaamheden zijn het slopen van twee schuren en het bouwen van een woning, gezien de omvang van het project is een stikstofberekening noodzakelijk.
Colofon Opdrachtgever Projectnummer Datum Auteur Gecontroleerd Status
heer en mevrouw Wahle 21.025 22 april 2021 F. A. Neuteboom P.J.H. van der Linden concept
Els & Linde B.V. Spechtstraat 59 1223 NX Hilversum mob 06 - 27564247 e-mail vanderlinden@elsenlinde.nl Ligging van de percelen
Pagina 2
H02
Planomgeving: locatie, omgeving en beschermde natuurgebieden De planlocatie ligt aan de Arnhemseweg 74B binnen de bebouwde kom van Nieuwegein. De planlocatie wordt omsloten door sloten en landbouwgrond. Het perceel ligt op ruim 12 km afstand van het Natura 2000- gebied ‘Rijntakken’ en ’Kolland & Overlandbroek. Het Natuurnetwerk Nederland ligt op minder dan 200 m afstand van de planlocatie. De werkzaamheden bestaan uit het slopen van 2 schuren en het bouwen een woning op het perceel. Natura 2000 Via de Natura 2000 zijn gebieden beschermd van internationaal belang. Voor deze gebieden zijn doelstellingen geformuleerd voor het behoud van habitat en planten en dieren. Deze Natura 2000-gebieden zijn ook beschermd tegen invloeden van buiten, zoals stikstofdepositie en grondwaterstromen. Voor de functie waardoor de depositie van stikstofverbindingen toeneemt, is een berekening noodzakelijk van de effecten.
Ligging van de Natura 2000-gebieden.
Natuurnetwerk Nederland Door nieuwe natuur te ontwikkelen, kunnen natuurgebieden met elkaar worden verbonden. Zo kunnen planten zich over verschillende natuurgebieden verspreiden en dieren van het ene naar het andere gebied gaan. Het totaal van al deze gebieden en de verbindingen ertussen vormt het natuurnetwerk Nederland.
Ligging van het Natuurnetwerk Nederland.
Pagina 3
H03
Waarnemingen: veldgegevens en gegevens uit de literatuur Werkwijze Het onderzoek is uitgevoerd als een quick scan ecologie. Voor zo’n onderzoek wordt door een ecoloog beoordeeld of er een kans is op aanwezigheid van beschermde soorten. Daarbij wordt gelet op de structuur van de omgeving, aanwezige habitats en landschapselementen. Tevens wordt gezocht naar sporen van beschermde soorten. Een quick scan is tevens bedoeld als afbakening van een eventueel afdoend onderzoek. De quick scan bestaat uit de volgende activiteiten: • Een literatuur/bronnenonderzoek met betrekking tot de potentieel aanwezige beschermde soorten binnen de planlocatie. • Een veldbezoek waarbij de locaties worden beoordeeld op habitatgeschiktheid voor beschermde soorten. Hierbij worden bijvoorbeeld de te kappen bomen beoordeeld op geschiktheid voor vleermuizen en jaarrond beschermde nesten. • Voor de aangetroffen strikt beschermde soorten wordt, door een beschrijving van de ecologische functionaliteit van het gebied (foerageergebied, migratieroute, voortplantingsgebied of winterverblijf, enz.), aangegeven hoe het gebied door iedere soort wordt gebruikt. • Een schatting van de impact van de werkzaamheden op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten. • Een effectbeoordeling gericht op (eventueel) nabij gelegen beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk en Weidevogelleefgebied).
Om een goed oordeel te kunnen geven is op 15 april 2021 door een ecoloog een bezoek gebracht aan de planlocaties. Tijdens het veldbezoek is onderzocht of er in potentie beschermde planten en dieren aanwezig zijn binnen de planlocaties. Daarvoor is gezocht naar sporen en andere aanwijzingen van planten en dieren. Op basis van de aanwezige herkenbare begroeiing en habitats, is beoordeeld of er leefgebieden aanwezig zijn voor beschermde soorten. Aanvullend is een bureaustudie uitgevoerd naar de potentieel voorkomende planten en dieren in de directe omgeving van de planlocaties. Hierbij is een bronnenonderzoek uitgevoerd, waarbij de verschillende relevante en actuele informatiebronnen zijn geraadpleegd. Bij de analyse van de effecten is gelet op de effecten veroorzaakt door de veranderde omgeving en het veranderde gebruik. Daarnaast zijn de effecten bepaald die veroorzaakt worden door de ruimtelijke ontwikkelingen. Daarbij is naast de planlocaties sec. gelet op de directe omgeving en de effecten op soorten in de omgeving. In de voorliggende notitie worden de resultaten van de quick scan ecologie besproken. Waarnemingen In onderstaande paragrafen worden de soortengroepen beschreven die binnen de planlocaties en de directe omgeving zijn aangetroffen of te verwachten.
Tijdens het veldbezoek van 15 april 2021 is onderzocht of er in potentie beschermde planten en dieren aanwezig zijn binnen de planlocaties.
Pagina 4
Bronnenonderzoek Voor het onderzoek naar potentieel aanwezige beschermde soorten zijn de beschikbare regionale en landelijke verspreidingsatlassen en enkele digitale bronnen geraadpleegd. Er zijn geen waarnemingen geregistreerd door derden. Vegetatie en planten Op de planlocatie is een haagbeukheg langs een van de schuren waargenomen. Om en op het perceel staan struiken en bomen. Geen van de waargenomen vegetatie is beschermd. Zoogdieren Juridisch zwaarder beschermde soorten Vleermuizen zijn de belangrijkste groep strikt beschermde dieren die verwacht kunnen worden. Vleermuizen kunnen schade ondervinden van de ruimtelijke ontwikkelingen en kunnen hierdoor een belemmering zijn. De planlocaties en de directe omgeving zijn daarom nauwkeurig onderzocht op de aanwezigheid van potentieel geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen, evenals essentiële vliegroutes en foerageergebieden. Verblijfplaatsen Vleermuizen zijn in twee groepen te verdelen; enerzijds de soorten die in gebouwen een verblijfplaats hebben en anderzijds de soorten die in bomen een verblijfplaats hebben. De kraamkolonie van de laatvlieger (Eptesicus serotinus) en de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) komen – voor zover bekend - alleen in gebouwen voor. Ze wonen in de spouwmuur, achter betimmering, onder daklijsten en dakpannen.
De vaste verblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) en de watervleermuis (Myotis daubentonii) kunnen zowel in spleten en gaten in bomen, als in gebouwen voorkomen. Ze kiezen in de regel gebieden met een groot aanbod aan geschikte holten op een klein oppervlak. Op het terrein staan twee schuren. Deze bieden onvoldoende ruimte voor vleermuizen om te verblijven. Er zijn voldoende invlieg mogelijkheden maar geen verblijfplaatsen aanwezig. Er is geen afdoend onderzoek nodig naar deze soorten. Potentiële vliegroutes en foerageergebieden Langs en tussen de bomen en watergangen is er veel potentie voor vliegroutes en foerageergebieden. Laag beschermde zoogdieren Op de planlocatie is mogelijkheid voor grondgebonden soorten als egel, muizen en mollen soorten. Voor deze soorten geld de algemene zorgplicht.
Pagina 5
Vogels Jaarrond beschermd nest Tijdens het ecologisch onderzoek is gezocht naar aanwijzingen voor het voorkomen van vogels met een vaste verblijfplaats binnen het plangebied. Gekeken is naar potentieel geschikte nestplekken voor vogels met een jaarrond beschermd nest. In de linker schuur zijn meerdere nesten waargenomen in de nokken van de schuur. Tijdens de quickscan zijn meerdere huismussen waargenomen die de schuur betraden en naar de bestaande nesten vlogen. Een afdoend onderzoek naar deze soort is noodzakelijk. Tevens zijn er nesten van gierzwaluw en sporen van gierzwaluw waargenomen. De nesten waren op het moment van de quickscan niet in gebruik. Een afdoend onderzoek naar deze soort is noodzakelijk. Algemene broedvogels Voor andere algemene broedvogels is er mogelijkheid om zich in de begroeiing rond de planlocatie te vestigen en te broeden. Herpetofauna en vissen Er is oppervlakte water aanwezig rond de planlocatie. Hier kunnen vissen voorkomen. De aanwezigheid van ringslang is niet op voorhand uit te sluiten. De werkzaamheden zorgen niet voor verstoring van deze soorten. Overige soorten Er zijn, gezien de voorkomende biotopen, geen beschermde bijzondere insecten of overige soorten te verwachten binnen de planlocaties. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied; de planlocatie voldoet hier niet aan.
De aanwezigheid van beschermde overige soorten worden daarom uitgesloten binnen de planlocaties.
Pagina 6
H04
Analyse: beoordeling van de effecten op de natuurwaarden Bij de analyse wordt gelet op de effecten als gevolg van het veranderde gebruik en de veranderde inrichting. Daarnaast wordt gelet op de effecten als gevolg van de werkzaamheden om de veranderingen te bereiken. Voor zover planlocaties binnen het Natuurnetwerk Nederland, het weidevogel leefgebied, Natura 2000 of andere beschermde natuurgebieden liggen, worden de effecten op deze beschermde natuurgebieden getoetst. Voor de Natura 2000-gebieden is de externe werking eveneens van belang; de belangrijkste externe effecten worden veroorzaakt door toename van depositie, geluid en licht. Daarnaast kunnen veranderde grondwaterstromen een effect veroorzaken. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming kent een afdeling voor soortbescherming en een afdeling voor gebiedsbescherming. Binnen de gebiedsbescherming zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. De bescherming geldt ook voor externe factoren; zoals grondwaterstromen en stikstofdepositie. De soortbescherming binnen de Wet natuurbescherming richt zich op de internationale afspraken, en geeft een uitbreiding van de beschermde soorten door aan de rode lijst (bedreigd en ernstig bedreigd) een beschermd status te koppelen. Binnen de bebouwde kom is de belangrijkste wijziging in de beschermde soorten het vervallen van de bescherming op muurplanten en orchideeën.
Beschermde soorten De aanwezigheid van gierzwaluw kan niet op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van huismus is waargenomen tijdens de quickscan. Een afdoend onderzoek naar beide soorten is noodzakelijk. De aanwezigheid van vleermuizen kan op voorhand worden uitgesloten. Een afdoend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Zorgbeginsel Binnen het gebied is een geringe kans op algemeen voorkomende soorten waarmee rekening moet worden gehouden. Aangetroffen dieren die niet uit zich zelf het werkgebied kunnen verlaten, dienen – onder begeleiding van een ecoloog - in veiligheid te worden gebracht en buiten het werkgebied te worden uitgezet. Schuilplekken zoals bladhopen, hout- en steenstapels e.d. dienen eerst te worden gecontroleerd op schuilende dieren. In zijn algemeenheid dienen geschikte schuil- en overwinteringsplekken voor dieren buiten het werkterrein intact te worden gelaten. Eventueel noodzakelijk kap moet buiten de kwetsbare periode (winter) worden uitgevoerd en voorafgaand aan de kap (of het anderszins vrijstellen van een werkplek) is het verstandig een ecoloog te laten beoordelen of effecten zijn te verwachten en eventueel maatregelen te (laten) nemen om die effecten te verminderen.
Pagina 7
Natura 2000 De planlocatie ligt aan de Arnhemseweg 74B binnen de bebouwde kom van Nieuwegein. De planlocatie wordt omsloten door sloten en landbouwgrond. Het perceel ligt op ruim 12 km afstand van het Natura 2000- gebied ‘Rijntakken’ en ’Kolland & Overlandbroek. Gezien de omvang van de werkzaamheden is een berekening op de depositie van stikstof noodzakelijk. Andere aantastingen van kwalificerende habitats of soorten in het Natura 2000-gebied door de ruimtelijke ontwikkelingen, kunnen worden uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland ligt op minder dan 200 m afstand van de planlocatie. Gelet op de afstand, aard en de omvang van het voornemen, wordt echter geen effect verwacht.
Pagina 8
H05
Conclusie, advies en gebruikte bronnen Voor het perceel aan de Arnhemseweg 74B in Leusden worden ruimtelijke plannen voorbereid voor het slopen van twee schuren en het bouwen van een woonhuis. Voorliggend rapport betreft een onderzoek naar effecten op natuurwaarden. Door een ecoloog van bureau Els & Linde B.V. is op 15 april 2021 beoordeeld of er beschermde planten diersoorten aanwezig zijn binnen de planlocatie en of deze soorten schade ondervinden van de gewenste ontwikkelingen. Beschermde soorten De aanwezigheid van gierzwaluw kan niet op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van huismus is waargenomen tijdens de quickscan. Een afdoend onderzoek naar beide soorten is noodzakelijk. De aanwezigheid van vleermuizen kan op voorhand worden uitgesloten. Een afdoend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland ligt op minder dan 200 m afstand van de planlocatie. Gelet op de afstand, aard en de omvang van het voornemen, wordt echter geen effect verwacht. De planlocatie ligt aan de Arnhemseweg 74B binnen de bebouwde kom van Nieuwegein. De planlocatie wordt omsloten door sloten en landbouwgrond. Het perceel ligt op ruim 12 km afstand van het Natura 2000- gebied ‘Rijntakken’ en ’Kolland & Overlandbroek. Gezien de omvang van de werkzaamheden is een berekening op de depositie van stikstof noodzakelijk.
Andere aantastingen van kwalificerende habitats of soorten in het Natura 2000-gebied door de ruimtelijke ontwikkelingen, kunnen worden uitgesloten.
– – – – – –
– – –
Anonymus (2017). Kennisdocument huismus, BIJ12 Anonymus (2017). Kennisdocument gierzwaluw, BIJ12 Anonymus (2017). Kennisdocument gewone dwergvleermuis, BIJ12 Dietz, Chr., O. von Helversen & D. Nill (2012) Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Trition Natuur Kapteyn, K. (1995) Vleermuizen in het landschap. Schuyt & co, Haarlem. Simon, M., S. Hüttenbügel & J. Smit-Viergutz (2004) Ökologie und Schutz von Fledermäusen in Dörfern und Städten. Bundesamt für Naturschutz, Bonn. Synbiosis Alterra natura 2000 Utrecht.nl waarneming.nl
Pagina 9
Landview BV Bodemonderzoek
Rapportnummer 2021214
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING ............................................................................................................................ 2 1.
INLEIDING .............................................................................................................................. 3
2.
VOORONDERZOEK ............................................................................................................... 4 2.1 2.2 2.3
3.
BASISINFORMATIE ........................................................................................................ 4 HISTORISCH ONDERZOEK ........................................................................................... 4 ALGEMENE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ............................................... 5
OPZET BODEMONDERZOEK ............................................................................................... 6 3.1 3.2 3.3 3.4
4.
HYPOTHESE VERONTREINIGINGSSITUATIE ............................................................. 6 BEMONSTERINGSSTRATEGIE .................................................................................... 6 CHEMISCHE ANALYSES ............................................................................................... 6 TOETSINGSKADER ....................................................................................................... 7
RESULTATEN BODEMONDERZOEK ................................................................................... 8 4.1 4.2 4.3 4.4
RESULTATEN VELDONDERZOEK................................................................................ 8 ANALYSERESULTATEN GROND .................................................................................. 9 ANALYSERESULTATEN GRONDWATER ..................................................................... 9 ANALYSERESULTATEN ASBEST IN PLAATMATERIAAL .......................................... 10
5.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN................................................................................. 10
6.
SLOTOPMERKINGEN .......................................................................................................... 11
7.
REFERENTIES ..................................................................................................................... 12
BIJLAGEN 1 2 3 4.1 4.2 4.3 5 6
Regionale situatie Lokale situatie met boorpunten Boorprofielen Analysecertificaten laboratorium Toetsing grond volgens BoToVa Toetsing grondwater volgens BoToVa Gegevens vooronderzoek Foto´s huidige situatie
Landview BV Bodemonderzoek
Rapportnummer 2021214
SAMENVATTING Naar aanleiding van de aanvraag van een omgevingsvergunning is door Landview BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Arnhemseweg 74b te Leusden, gemeente Leusden. Het bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5740 richtlijnen voor een niet-verdachte locatie, met enkele aandachtspunten. De hypothese voor het onderzoek is, dat er verhoogde gehalten van diverse parameters in de grond aanwezig zijn. Het veldwerk is, door KIWA gecertificeerde medewerkers, uitgevoerd onder het procescertificaat BRL SIKB 2000, conform de protocollen 2001 en 2002. In de mengmonsters van de boven- en ondergrond, ook van de aandachtspunten in de werkplaats, zijn geen verhogingen van de onderzochte stoffen aangetroffen. In het grondwater zijn lichte verhogingen van arseen en som xylenen aangetroffen. De hypothese dat in de grond licht verhoogde gehalten verontreinigende stoffen aanwezig zijn, wordt in het onderzoek niet bevestigd. Er zijn geen verhogingen gemeten. De hypothese dat in het grondwater geen verhoogde concentraties aanwezig zijn, behalve mogelijk van nature verhoogde concentraties, wordt in het onderzoek niet geheel bevestigd. In (delen van) Nederland worden in het grondwater veelvuldig verhoogde concentraties arseen en of barium geconstateerd, waarvoor een natuurlijke oorzaak wordt verondersteld.
In het kader van verkennend bodemonderzoek wordt aan een vervolgonderzoek geen hoge prioriteit gegeven. De aangetroffen verhogingen zijn dusdanig gering of verklaarbaar uit omgevingsfactoren, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien. Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij het beoogde gebruik, wonen met tuin. Bij graafwerkzaamheden op het terrein kunnen er beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventueel vrijkomende grond buiten de locatie bestaan. Voor hergebruik van grond buiten de locatie is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Tijdens het onderzoek is zintuiglijk op het maaiveld asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen. In de bodem is geen asbestverdacht plaatmateriaal of potentieel asbestverdacht puin aangetroffen. Tijdens een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) wordt de bodem niet specifiek op asbest onderzocht. Aangezien de te slopen opstallen voorzien zijn van asbestverdachte dakbedekking, is uitvoering van een verkennend asbestonderzoek in de bodem conform NEN 5707 noodzakelijk. Wij adviseren dit NA sloop van de opstallen uit te laten voeren. De uiteindelijke toetsende en handhavende taak ligt bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente. Deze samenvatting en de rapportage van de onderzoeksgegevens vormen een geheel.
-2-
Landview BV Bodemonderzoek
1.
Rapportnummer 2021214
INLEIDING
In opdracht van Visser en Van Dam is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging op de locatie Arnhemseweg 74b te Leusden, gemeente Leusden. Het onderzoek is verricht door Landview BV, in de periode maart-april 2021, conform de offerte van 28 januari 2021. Een bodemonderzoek wordt steekproefsgewijs uitgevoerd en betreft daarmee dus een momentopname. Hierdoor hebben de onderzoeksresultaten een beperkte geldigheidsduur. Het bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5740 richtlijnen voor een niet-verdachte locatie, met enkele aandachtspunten. De hypothese voor het onderzoek is, dat er verhoogde gehalten van diverse parameters in de grond aanwezig zijn. Het veldwerk is, door KIWA gecertificeerde medewerkers, uitgevoerd onder het procescertificaat BRL SIKB 2000, conform de protocollen 2001 en 2002. Aanleiding voor het onderzoek is het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Daarvoor is het noodzakelijk dat de kwaliteit van de bodem wordt vastgelegd. Doel van het onderzoek is aan te tonen dat de verwachte verhoogde gehalten verontreinigende stoffen in de grond op de locatie niet tot meer gebruiksbeperkingen leiden dan beperkingen in het hergebruik. Van hergebruik is sprake wanneer grond, die bij eventueel graafwerk is vrijgekomen, buiten de locatie wordt toegepast.
Daarnaast wordt nagegaan of er inderdaad geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen, behalve mogelijk arseen en of barium van nature, aanwezig zijn in het grondwater. De chemische analyses van de grond en het grondwater zijn verricht door Eurofins Omegam te Amsterdam. Dit laboratorium is geaccrediteerd door de Raad van Accreditatie. Landview BV is een onafhankelijk en erkend onderzoeksbureau. Er bestaat tussen de opdrachtgever cq. eigenaar van de locatie en Landview BV geen andere relatie dan die tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Het procescertificaat van Landview BV en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium of de opdrachtgever. Dit rapport heeft de volgende opbouw. Hoofdstuk 2 bevat een evaluatie van het vooronderzoek NEN 5725. De opzet van het bodemonderzoek en het toetsingskader worden in hoofdstuk 3 weergegeven. De resultaten van het veldonderzoek en analyses staan in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 bevat de conclusies die hieruit kunnen worden getrokken, samen met aanbevelingen voor eventuele vervolgstappen.
-3-
Landview BV Bodemonderzoek
2.
Rapportnummer 2021214
VOORONDERZOEK
Ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek is in januari-april 2021 een vooronderzoek uitgevoerd volgens NEN 5725. Doel van het vooronderzoek is na te gaan of er op, of binnen een straal van 25 meter van, de onderzoekslocatie sprake is van de aanwezigheid van puntbronnen of overige potentieel bedreigende activiteiten. Op basis van de verzamelde gegevens wordt de onderzoeksstrategie opgesteld (zie hoofdstuk 3).
2.1
BASISINFORMATIE
De aanleiding tot het onderzoek is het verkrijgen van een omgevingsvergunning. De regionale situatie rond de onderzoekslocatie staat weergegeven in bijlage 1. De locatie bevindt zich buiten de bebouwde kom van Leusden. In bijlage 2 is een situatietekening van het terrein gegeven. Tabel 1: overzicht basisgegevens Kadastraal bekend : gemeente Leusden, sectie K, nummer 380 Oppervlakte : circa 4950 m² Gebruik verleden : agrarisch bedrijf Gebruik heden : agrarisch bedrijf Gebruik toekomst : wonen
2.2
HISTORISCH ONDERZOEK
De gegevens van het historisch onderzoek zijn verzameld door Landview BV. Hierbij is gebruik gemaakt van informatie verkregen uit gesprekken met de opdrachtgever, eigenaren en of gebruikers van de locatie. Wanneer daartoe de noodzaak bestond, is aanvullende informatie verzameld door middel van archiefbezoek bij de gemeente of andere archieven. Voor verzamelen van de informatie is gebruik gemaakt van onderstaande bronnen. Tabel 2: overzicht geraadpleegde bronnen Aard Bron Bodeminformatie BIS Bodemkwaliteit Bodembedreigende activiteiten Toepassingen asbest Dempingen, activiteiten Voormalige activiteiten Bijzondere waarden
website RUD Utrecht bodemkwaliteitskaart www.bodemloket.nl locatie-inspectie, eerdere onderzoeken historische kaarten, opdrachtgever, locatie-inspectie lokale / regionale archieven, historische kaarten https://maps.noordholland.nl/extern/gisviewers/bodemvisie/ Archeologie http://archeologieinnederland.nl Verhardingen, bebouwingsgraad opdrachtgever / gebruiker, locatie-inspectie Eerdere onderzoeken opdrachtgever, eigen archief
relevantie groot gering X X X X X X X X
X
X
Bodemgebruik en situatie op het terrein: De locatie bevindt zich in tuin- en akkerbouwgebied. Op de locatie bevindt zich een bedrijfswoning met opstallen. Het woonhuis dateert, volgens de BAG viewer van het kadaster, uit 1974, beide opstallen uit 1998. Voor de woning wordt de bestemming gewijzigd en, na sloop van de opstallen, wordt aldaar een tweede woning gerealiseerd. De gemeente Leusden beschikt niet over een bodemkwaliteitskaart, maar er zijn geen gegevens bekend van verhoogde lokale achtergrondwaarden ter plaatse. Gezien de ligging in buitengebied kan op de locatie grond van kwaliteit “landbouw/natuur” verwacht worden.
-4-
Landview BV Bodemonderzoek
Rapportnummer 2021214
Bedrijvigheid / Potentiële bronnen van verontreiniging: Uit het rapport van Bodemloket (www.bodemloket.nl) blijkt dat er geen eerdere onderzoeken van de locatie of de directe omgeving beschikbaar zijn (zie bijlage 5). Vergelijking tussen luchtfoto’s en topografische atlassen uit verschillende perioden heeft opgeleverd, dat het verkavelingspatroon tot nu vrijwel niet gewijzigd is. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat er brandstoftanks, met bodemvreemd materiaal gedempte sloten of aangevoerde verstevigingmaterialen op de locatie aanwezig zijn. Vanwege een eventuele (ver)bouwdatum tussen de jaren ’30 en ’80 kunnen in de opstallen asbesthoudende materialen verwerkt zijn. Door uitvoering van een asbestinventarisatie onderzoek, welke geen deel uitmaakt van dit onderzoek, kan bekeken worden of asbesthoudende stoffen gebruikt zijn. Gezien de aard van de locatie is de kans op het aantreffen van asbestresten in de bodem als gevolg van bedrijfsmatige activiteiten, gebruik van asbesthoudende bouwstoffen, stortingen van asbestafval of asbestcalamiteiten wegens bijv. brand in de bodem gering.
2.3
ALGEMENE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE
Op grond van kaartmateriaal en gegevens van de Rijksgeologische Dienst (RGD), het voormalige Instituut voor Cultuurtechniek en Waterhuishouding (ICW), de voormalige Stichting voor Bodemkartering (STIBOKA), het DLO Staring Centrum, de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO) en Landview BV kan de volgende bodemopbouw worden verwacht. De locatie is gelegen in een gebied met een maaiveldhoogte van circa 2,7 m +NAP. Het freatisch grondwater bevindt zich op circa 1 m -maaiveld (mv). Dit betreft het ondiepe grondwater dat onder invloed van neerslag staat. De grondwaterstroming is naar het aanwezige oppervlaktewater toe gericht. Gezien de ligging en het neerslagoverschot is er sprake van lokale inzijging (neerwaartse stroming van het grondwater). De Pleistocene afzettingen, afgezet tijdens de laatste ijstijd, bevindt zich rond NAP. Deze goed doorlatende zandlagen worden beschouwd als het 1e watervoerende pakket. Door menselijke beïnvloeding zijn natuurlijke bodemprofielen gewijzigd.
-5-
Landview BV Bodemonderzoek
Rapportnummer 2021214
3.
OPZET BODEMONDERZOEK
3.1
HYPOTHESE VERONTREINIGINGSSITUATIE
Op grond van het vooronderzoek is voor de opzet van het bodemonderzoek uitgegaan van een nietverdachte locatie, waar echter licht verhoogde gehalten van diverse parameters aangetroffen kunnen worden in de grond bij de aandachtspunten. In het grondwater worden geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen verwacht.
3.2
BEMONSTERINGSSTRATEGIE
Uitgaande van een niet-verdachte locatie met een oppervlakte van 4950 m² worden, conform de NEN 5740 en de BRL SIKB 2000 richtlijnen, op de locatie 3 grondboringen verricht tot de grondwaterstand, met een maximum van 2 m –mv. Ter controle op de representativiteit van de grondboringen worden aanvullend 11 boringen tot 0,5 m -mv verricht. De grond wordt in principe bemonsterd in trajecten van 0,5 m. Van deze algemene richtlijn kan worden afgeweken als tijdens het veldwerk duidelijk afwijkende lagen, zintuiglijke verontreinigingen of verschillende grondsoorten worden geconstateerd. Van de bovengrond worden 2 mengmonsters samengesteld. Van de ondergrond wordt 1 mengmonster samengesteld. De grondwaterstand bevindt zich op dusdanige diepte, dat de kwaliteit van het grondwater in het onderzoek dient te worden betrokken. Hiertoe wordt 1 boring verricht, welke met een peilbuis wordt afgewerkt. De filterstelling van deze peilbuis is circa 0,5 m tot 1,5 m -grondwaterstand. Na een wachttijd van één week voor het herstel van het bodemchemisch evenwicht zal één grondwatermonster uit deze peilbuis worden genomen.
3.3
CHEMISCHE ANALYSES
De grondmengmonsters en het grondwatermonster worden geanalyseerd op de stoffen van de standaardpakketten. Deze stoffen, die zijn geselecteerd door de overheid, vormen de belangrijkste parameters (graadmeters) voor mogelijke verontreinigingen. De analyses worden, conform de AS3000 richtlijnen, uitgevoerd door Eurofins Omegam uit Amsterdam. Dit laboratorium is geaccrediteerd door de Raad van Accreditatie. Grond De grondmonsters worden gekoeld getransporteerd en opgeslagen. De boven- en ondergrond worden onderzocht op de gehalten aan barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie (GC). De gehalten worden weergegeven in milligram per kilogram droge stof (mg/kg ds). Hiertoe wordt van de grond(meng)monsters het droge stofgehalte vastgesteld. Tevens worden representatieve monsters geanalyseerd op de gehalten aan organische stof en lutum (klei) ter vaststelling van de toetsingswaarden. Grondwater De grondwaterstand bevindt zich rond 1 m –mv. De vluchtige aromatische koolwaterstoffen en de vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen worden daarom bij voorkeur in het grondwater onderzocht. De aanwezigheid van deze vluchtige stoffen kan namelijk eerder worden aangetoond in het grondwater dan in de grond.
Het grondwater wordt onderzocht op de concentraties aan arseen, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, aromatische stoffen (inclusief naftaleen), (vluchtige) halogeen koolwaterstoffen en minerale olie. De concentraties worden weergegeven in microgrammen per liter (µg/l). De pH (zuurgraad), Ec (soortelijke geleiding) en troebelheid worden in het veld bepaald.
-6-
Landview BV Bodemonderzoek
3.4
Rapportnummer 2021214
TOETSINGSKADER
Het toetsingskader voor verontreinigende stoffen in grond wordt gevormd door de achtergrond- en interventiewaarden uit de Regeling Bodemkwaliteit en de Circulaire Bodemsanering. Voor de toetsing van de grondwaterkwaliteit wordt het toetsingskader gevormd door de streef- en interventiewaarden. De analyseresultaten worden geïnterpreteerd aan de hand van deze toetsingskaders (zie bijlagen 4.2 en 4.3). De norm voor barium is (tijdelijk) ingetrokken. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium. De toetsingswaarden voor de verschillende stoffen in de grond zijn afhankelijk van de hierin aanwezige hoeveelheid klei (lutum) en organische stof, omdat de verontreinigingen zich aan deze bodemdelen hechten. De achtergrondwaarde (AW2000) van een bepaalde stof komt overeen met de gehalten zoals die op dit moment voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen. Bij overschrijding van deze achtergrondwaarde of de streefwaarde in het grondwater kunnen we spreken van een lichte verhoging.
Indien het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde (tussenwaarde) wordt overschreden, kunnen we spreken van een matige verhoging. De interventiewaarde is de waarde waarboven sprake is van een ernstige vermindering of dreigende vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier. Bij overschrijding van de interventiewaarde spreken we van een sterke verontreiniging. Als grondmengmonsters zijn onderzocht, kunnen de gehalten in afzonderlijke monsters hoger zijn. In een aanvullend of nader onderzoek kunnen vervolgens de enkelvoudige monsters worden geanalyseerd. Alleen met aanvullende analyseresultaten kan doorgaans voldoende inzicht worden verkregen in de omvang van de verontreinigingen. De ernst van een verontreiniging is, conform de Wet Bodembescherming (Wbb), gerelateerd aan een omvangscriterium. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te kunnen spreken, dient voor ten minste één stof de interventiewaarde te worden overschreden in minimaal 25 m3 grond of 100 m3 grondwater. Als een voldoende beeld van de verontreinigingen is verkregen, kan een inschatting worden gemaakt van de eventuele risico's voor de volksgezondheid en de mogelijke gebruiksbeperkingen van de locatie.
Verontreinigingen die geheel of grotendeels na 1 januari 1987 zijn ontstaan, vallen onder de zorgplicht in de Wbb en dienen in principe zo spoedig mogelijk, ongeacht de ernst van de verontreiniging, te worden verwijderd.
-7-
Landview BV Bodemonderzoek
Rapportnummer 2021214
4.
RESULTATEN BODEMONDERZOEK
4.1
RESULTATEN VELDONDERZOEK
Het veldonderzoek is, zonder afwijkingen op de uitvoeringsvoorschriften, uitgevoerd op 31 maart 2021 door de heer F. Borst. Tijdens het veldwerk bleken de daken van beide opstallen voorzien te zijn van vermoedelijk asbestverdachte dakbedekking. Naast één van de opstallen is op het maaiveld een stuk asbestverdacht plaatmateriaal van 91 gram aangetroffen en voor analyse meegenomen. In de werkplaats van één van de opstallen is een bovengrondse dieseltank (in opvangbak) en opslag van olieproducten aanwezig; deze bevinden zich op korte afstand van elkaar en kunnen als één worden gezien. Gelijkmatig verdeeld over het terrein en bij bovenstaande aandachtspunten zijn handmatig met behulp van de Edelmanboor en de pulsboorset 6 grondboringen tot de grondwaterstand en 9 boringen tot 0,5 m -mv verricht. Daarnaast is 1 peilbuisboring verricht, waarin een filter is geplaatst. Het algemene, kenmerkende bodemprofiel op de locatie tot een diepte van circa 2,3 m -mv bestaat overwegend uit zwak siltig zand. De tijdens het veldwerk waargenomen zintuiglijke verontreinigingen staan in tabel 3. Zintuiglijk is geen asbestverdacht plaatmateriaal in de opgeboorde grond aangetroffen. Aangezien de boringen met een Edelmanboor (diameter 12 cm) zijn verricht, is deze informatie slechts indicatief. Bijmengingen met metselpuin worden echter veelal wel als potentieel asbestverdacht aangemerkt.
Tabel 3: Zintuiglijk waargenomen bijzonderheden Boring 02 07 08
Diepte boring (m -mv) 1,50 1,00 0,90
09
0,50
Traject (m -mv) 0,25 - 0,50 0,00 - 0,15 0,00 - 0,40 0,40 - 0,90 0,00 - 0,50
Grondsoort
Waargenomen bijzonderheden
Zand Zand Zand Zand Zand
zwak grindhoudend zwak grindhoudend zwak metselpuinhoudend zwak grindhoudend zwak metselpuinhoudend
Uit de in het veld genomen enkelvoudige monsters van de grond zijn door het laboratorium, volgens de opdracht van Landview BV, mengmonsters samengesteld conform tabel 4. Bij de monstername is soms afgeweken van de trajecten van 0,5 m gezien bijmengingen of textuurverschillen. Tabel 4: Monsterselectie Analysemonster bg1
Traject (m -mv) 0,00 - 0,50
bg2
0,00 - 0,50
bg3
0,00 - 0,50
og
0,40 - 1,00
plaat
0,00 - 0,05
Deelmonsters
Analysepakket
01 (0,00 - 0,40) 02 (0,00 - 0,25) 04 (0,00 - 0,30) 05 (0,00 - 0,50) 06 (0,00 - 0,35) 07 (0,00 - 0,15) 11 (0,00 - 0,50) 03 (0,00 - 0,50) 12 (0,00 - 0,50) 13 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,30) 15 (0,00 - 0,50) 16 (0,00 - 0,40) 08 (0,00 - 0,40) 09 (0,00 - 0,50) 01 (0,60 - 1,00) 02 (0,65 - 1,00) 07 (0,60 - 1,00) 08 (0,40 - 0,90) Asb 1 (0,00 - 0,05)
AS3000: Standaard bodem incl lutum en humus
AS3000: Standaard bodem incl lutum en humus
AS3000: Standaard bodem incl lutum en humus AS3000: Standaard bodem incl lutum en humus
AS3000 : Asbest verzamelmonster NEN5898 < 1kg
-8-
Landview BV Bodemonderzoek
Rapportnummer 2021214
Ter bemonstering van het grondwater is grondboring 1 afgewerkt met een peilbuis. Het filter is conform NEN geplaatst, gebaseerd op de tijdens het veldonderzoek ingeschatte grondwaterstand van 0,75 m -mv. De verbinding tussen filter en stijgbuis is geklemd. Het filter is voorzien van een filterkous. Tot een halve meter boven het filter is het boorgat opgevuld met filtergrind; hierboven is een halve meter opgevuld met Bentoniet (zwelklei). De peilbuis is niet ingemeten ten opzichte van NAP, omdat bij verkennend bodemonderzoek hieraan geen prioriteit wordt gegeven. Om representatieve grondwatermonsters te verkrijgen is, na het plaatsen van de peilbuis en voor de monstername, een hoeveelheid water afgepompt gelijk aan driemaal de boorgatinhoud. Tijdens het afpompen zijn de Ec en de pH van het opgepompte water gemeten totdat deze constant bleven. Bij het schoonpompen is een goede toestroming van het grondwater geconstateerd. De bemonstering is op 12 april 2021 door de heer F. Borst uitgevoerd. De filterstelling van de bemonsterde peilbuis, de grondwaterstand (gws), de zuurgraad (pH), de soortelijke geleiding (Ec), de troebelheid en eventuele zintuiglijke afwijkingen zijn weergegeven in tabel 5. Tabel 5: gegevens grondwater Peilbuis 1
Filterstelling (m –mv) 1,25 – 2,25
Gws (m –mv) 1,00
Zuurgraad (pH) 6,41
Ec (µS/cm) 410
Troebelheid (FTU) 1,92
Zintuiglijke afwijkingen geen
De soortelijke geleiding en de zuurgraad van het grondwater, gemeten in het veld, weken niet af van de te verwachten waarden, gezien het bodemtype en de geohydrologische situatie op de locatie. De natuurlijke troebelheid ligt tussen 0 en 10 FTU. De boorpunten (1 t/m 16) zijn aangegeven op de situatietekening van bijlage 2. In bijlage 3 worden de beschrijvingen van de boringen, de peilbuis, de zintuiglijke waarnemingen en de monstername weergegeven. Zintuiglijk waarneembare afwijkingen ten aanzien van de aanwezigheid van bodemvreemde bijmengingen en de kleur van het bodemmateriaal zijn qua aard en mate beschreven.
4.2
ANALYSERESULTATEN GROND
Ter vaststelling van de toetsingswaarden voor de grond zijn voor dit onderzoek het organische stofgehalte en de lutumfractie van representatieve grondsoorten door het laboratorium bepaald. De analyseresultaten staan weergegeven op de analysecertificaten van bijlage 4.1, waarop tevens de gebruikte analysemethoden zijn aangegeven. De toetsing voor de grond volgens de BoToVa (Bodem Toets- en Validatieservice) van Rijkswaterstaat Leefomgeving staat weergegeven in bijlage 4.2. In de mengmonsters van de boven- en ondergrond, ook bij de werkplaats, zijn geen verhoogde gehalten van de geanalyseerde parameters geconstateerd.
4.3
ANALYSERESULTATEN GRONDWATER
De analyseresultaten staan weergegeven op de analysecertificaten van bijlage 4.1, waarop tevens de gebruikte analysemethoden zijn aangegeven. De toetsing voor het grondwater volgens de BoToVa staat weergegeven in bijlage 4.3. In het grondwatermonster uit de peilbuis overschrijden de concentraties van arseen en som xylenen de streefwaarden.
-9-
Landview BV Bodemonderzoek
4.4
Rapportnummer 2021214
ANALYSERESULTATEN ASBEST IN PLAATMATERIAAL
Van het aangetroffen plaatmateriaal, stukken groter dan 20 mm, is door het laboratorium 1 verzamelmonster onderzocht op de aanwezigheid van asbest. De analyseresultaten van het monster staan weergegeven op de analysecertificaten van bijlage 4.1, waarop tevens de gebruikte analysemethoden zijn aangegeven. In het onderzochte plaatmateriaal dat is aangetroffen op het maaiveld (asb1) is een gehalte van 13000 mg serpentijn asbest (10-15 % chrysotiel, 2-5 % crocidoliet) aangetroffen. Het betreft hechtgebonden asbest (cement, golfplaat).
5.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
In de mengmonsters van de boven- en ondergrond, ook van de aandachtspunten in de werkplaats, zijn geen verhogingen van de onderzochte stoffen aangetroffen. In het grondwater zijn lichte verhogingen van arseen en som xylenen aangetroffen. De hypothese dat in de grond licht verhoogde gehalten verontreinigende stoffen aanwezig zijn, wordt in het onderzoek niet bevestigd. Er zijn geen verhogingen gemeten. De hypothese dat in het grondwater geen verhoogde concentraties aanwezig zijn, behalve mogelijk van nature verhoogde concentraties, wordt in het onderzoek niet geheel bevestigd. In (delen van) Nederland worden in het grondwater veelvuldig verhoogde concentraties arseen en of barium geconstateerd, waarvoor een natuurlijke oorzaak wordt verondersteld. In het kader van verkennend bodemonderzoek wordt aan een vervolgonderzoek geen hoge prioriteit gegeven. De aangetroffen verhogingen zijn dusdanig gering of verklaarbaar uit omgevingsfactoren, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien. Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij het beoogde gebruik, wonen met tuin. Bij graafwerkzaamheden op het terrein kunnen er beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventueel vrijkomende grond buiten de locatie bestaan.
Voor hergebruik van grond buiten de locatie is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Tijdens het onderzoek is zintuiglijk op het maaiveld asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen. In de bodem is geen asbestverdacht plaatmateriaal of potentieel asbestverdacht puin aangetroffen. Tijdens een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) wordt de bodem niet specifiek op asbest onderzocht. Aangezien de te slopen opstallen voorzien zijn van asbestverdachte dakbedekking, is uitvoering van een verkennend asbestonderzoek in de bodem conform NEN 5707 noodzakelijk. Wij adviseren dit NA sloop van de opstallen uit te laten voeren.
- 10 -
Landview BV Bodemonderzoek
6.
Rapportnummer 2021214
SLOTOPMERKINGEN
Het onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht door Landview BV. Een bodemonderzoek wordt steekproefsgewijs uitgevoerd. Hierdoor hebben de onderzoeksresultaten een beperkte geldigheidsduur. Hoewel de grootste zorgvuldigheid wordt betracht bij de uitvoering van het onderzoek is het, juist door de steekproefsgewijze bemonstering, mogelijk dat plaatselijk afwijkingen in het bodemprofiel aanwezig zijn, welke tijdens het onderzoek niet naar voren zijn gekomen. Landview BV aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor hieruit voortvloeiende schade of gevolgen van welke aard dan ook. In dit kader wordt tevens opgemerkt dat Landview BV niet kan instaan voor de volledigheid en juistheid van door derden verstrekte informatie en van eventueel door derden uitgevoerd (voor)onderzoek. Het uitgevoerde bodemonderzoek betreft een momentopname. Beïnvloeding van bodemkwaliteit zal ook plaats kunnen vinden na uitvoering van dit onderzoek. Naarmate er een langere tijd is verstreken na uitvoering van het onderzoek, dient meer voorzichtigheid te worden betracht bij het gebruik van de resultaten van het onderzoek. De uiteindelijke toetsende en handhavende taak ligt bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente. Dit rapport mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd.
- 11 -
Landview BV Bodemonderzoek
7.
Rapportnummer 2021214
REFERENTIES
*
Bodem, Landbodem. Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, NEN 5725:2017. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft, oktober 2017.
*
Bodem, Landbodem. Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, NEN 5740/A1. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft, februari 2016.
*
Beoordelingsrichtlijn voor het SIKB procescertificaat voor Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek BRL SIKB 2000. Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, vigerende versie.
*
Bodem, boorsystemen en monsternemingstoestellen voor grond, sediment en grondwater, die worden toegepast bij bodemverontreinigingsonderzoek, NPR 5741. Nederlands Normalisatieinstituut, Delft, 1994.
*
Wijziging Circulaire bodemsanering. Vigerende versie. Staatscourant, ’s-Gravenhage.
*
Wijziging Regeling bodemkwaliteit. Vigerende versie. Staatscourant, ’s-Gravenhage.
*
Leidraad Bodembescherming. Vigerende aflevering. SDU uitgeverij, 's-Gravenhage.
*
Tijdreis, over 200 jaar topografie. www.topotijdreis.nl
- 12 -
BIJLAGE 1 REGIONALE SITUATIE
Kadastrale kaart
Uw referentie: 2021214
Deze kaart is noordgericht
12345 25
Schaal 1: 2000
Perceelnummer Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens
Kadastrale gemeente Sectie Perceel
Leusden K 380
Bebouwing Voor een eensluidend uittreksel, geleverd op 6 april 2021 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers
Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.
(verm asb dak) werkplaats en kantoor asb1
9
8
16
2
7 1 5
3 12
10 6 4 14
11
15 13
vml. paardenstal (verm asb dak)
Projectcode: 2021214
BIJLAGE 3 BOORPROFIELEN
Datum:
Boring:
01
Boormeester:
F. Borst
0
31-3-2021
klinker
Datum:
Boring:
02
Boormeester:
F. Borst
0
Zand, uiterst fijn, kleiïg, zwak gleyhoudend, grijsbruin
31-3-2021
klinker Zand, uiterst fijn, kleiïg, grijs
1
1
50
2
Zand, uiterst fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkergrijs
2
Zand, uiterst fijn, kleiïg, matig gleyhoudend, zwak grindhoudend, bruin
3
Zand, uiterst fijn, zwak siltig, donkergrijs
50
Zand, uiterst fijn, kleiïg, grijs
Zand, uiterst fijn, kleiïg, blauwgrijs
3
4
100
100 Zand, uiterst fijn, kleiïg, grijs
Zand, uiterst fijn, kleiïg, blauwgrijs
4
5
150
150 Zand, uiterst fijn, kleiïg, grijs
5
200 Zand, uiterst fijn, kleiïg, grijs 6
Datum:
Boring:
03
Boormeester:
F. Borst
0
31-3-2021
klinker
Datum:
Boring:
04
Boormeester:
F. Borst
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, beige 1
31-3-2021
klinker Zand, matig fijn, zwak siltig, matig kiezel houdend, bruinoranje
1
50
50 Zand, matig fijn, zwak siltig, grijsbeige
2
Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, zwak kiezel houdend, donkerbruin
3
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig gleyhoudend, bruinroest
2 Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak kiezel houdend, lichtbeige
Zand, matig fijn, zwak siltig, donkergrijs 3
100
Datum:
Boring:
05
Boormeester:
F. Borst
0
4
100
31-3-2021
erf
Datum:
Boring:
06
Boormeester:
F. Borst
0
Zand, uiterst fijn, kleiïg, zwak gleyhoudend, bruingrijs
31-3-2021
erf Zand, uiterst fijn, kleiïg, grijs
1
1
50
50
Zand, uiterst fijn, zwak siltig, zwak humeus, zwak gleyhoudend, donkergrijs 2
3
Zand, uiterst fijn, kleiïg, matig gleyhoudend, blauwgrijs
100
Lokatienaam:Arnhemseweg 74b
getekend volgens NEN-EN-ISO 14688
Projectcode: 2021214
BIJLAGE 3 BOORPROFIELEN
Datum:
Boring:
07
Boormeester:
F. Borst
0 1
31-3-2021
klinker
Datum:
Boring:
08
Boormeester:
F. Borst
0
Zand, uiterst fijn, kleiïg, zwak grindhoudend, grijs
31-3-2021
erf Zand, uiterst fijn, zwak siltig, zwak humeus, zwak metselpuinhoudend, donkerbruin