CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Verordening Wmo 2025__205118__.pdf

BOB-avond beeldvormend - markt en inspraak 21 november 2024, gemeente LeusdenBij agendapunt: NB: RV vaststellen gewijzigde verordeningen Wmo en Jeugdwet16.063 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING Gemeente Leusden 2025

De raad van de gemeente Leusden, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 november 2024; gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; gelet op gerechtelijke uitspraken uit 2024 die bepalen dat afweging/toepassingskaders van de begrippen eigen kracht en gebruikelijke hulp in de verordening beschreven moeten worden; rekening houdend met de adviezen van de Participatieraad gemeente Leusden en de Raad voor Cliëntenparticipatie Leusden; overwegende dat het noodzakelijk is om cliënten te ondersteunen als zij dusdanige beperkingen ondervinden bij hun maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid dat zij niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene en/of collectieve voorzieningen hierin geheel of gedeeltelijk kunnen voorzien; overwegende dat het noodzakelijk is om cliënten met psychische of psychosociale problemen en belanghebbenden die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico's voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, te ondersteunen bij het zich handhaven in de samenleving als zij niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg , of met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene en/of collectieve voorzieningen hierin geheel of gedeeltelijk kunnen

voorzien; overwegende dat het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen met betrekking tot de invulling van de plicht tot ondersteuning; besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Leusden 2025.

1

HOOFDSTUK 1: Begrippen Artikel 1. Begripsbepalingen Alle begrippen in deze verordening die niet nader omschreven worden hebben dezelfde betekenis als binnen de Wmo en de Awb. In deze verordening wordt verstaan onder: a. algemeen gebruikelijke voorziening: Een voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau; b. algemene voorziening: Een algemene voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; c. beleidsregels: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Leusden; d. beroepskracht: Natuurlijke persoon die beroepsmatig werkzaam is voor een aanbieder of als aanbieder zelfstandig werkzaam (zzp) en zodanig gekwalificeerd; e. besluit: Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Leusden; f.

bijdrage: Bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet;

g. budgetperiode: de periode waar een pgb betrekking op heeft; h. cliënt: Persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerk voorziening is verstrekt of die namens zichzelf of via een ander een melding doet voor een gesprek over diens ondersteuningsbehoeften op het gebied van de zelfredzaamheid, participatie in de samenleving of beschermd wonen en opvang; i.

cliëntondersteuning: Onafhankelijke cliëntondersteuning conform artikel 1.1.1 van de wet: Gratis ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdzorg, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;

j.

college: College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leusden;

k. ingezetene: Cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Leusden (conform het landelijk ingezetene criteria); l.

gebruikelijke hulp: Hulp en zorg die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten en/of anderen uit het sociale netwerk, rekening houdend met de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen;

m. langdurig noodzakelijk: Een roerende voorziening (zaak) wordt pas verstrekt als deze tenminste 6 maanden nodig is; n. maatwerkvoorziening: Een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen. Deze voorziening kan in natura of door middel van een Persoonsgebonden budget worden verstrekt. Ten behoeve van: 2

-

zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, - participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, - beschermd wonen, te verstrekken door het college van de gemeente naar keuze (waarbij de toegang is belegd bij de centrale toegang in Amersfoort), - opvang, te verstrekken door het college van een gemeente naar keuze (waarbij de toegang is belegd in Amersfoort), welke aan een individu verstrekt wordt op basis van een beschikking waartegen bezwaar en beroep mogelijk is; o. mantelzorg: Zorg ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie (aan een hulpbehoevende persoon uit diens directe omgeving), die verder gaat dan de gebruikelijk hulp en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; p. mantelzorger: Een persoon die mantelzorg verleent; q. melding: De mededeling aan het college door of namens een persoon die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning; r.

onverwijld: Zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen drie werkdagen;

s. opvang: Onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving; t.

persoonlijk plan: Plan waarin de omstandigheden van de cliënt (en zijn huishouden), bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de wet, worden beschreven. Hierin staat naar mening van de cliënt welke maatschappelijke ondersteuning noodzakelijk is;

u. PGB: Persoonsgebonden budget. Het bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken; v. sociale netwerk: Personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; w. uitvoeringsbesluit: Het voor de betreffende periode rechtsgeldige Uitvoeringsbesluit Wmo; x. voorliggende (collectieve) voorziening: Een voorziening (product/dienst/regeling of wet) waar alvorens aanspraak te maken op een Wmo voorziening, gebruik van zal moeten worden gemaakt. Het kan dan ook gaan om collectief aanbod alvorens individueel aanbod. y. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; z. zaak: een voorwerp/ding, hiermee worden met name woonvoorzieningen en hulpmiddelen bedoeld.

3

aa. Zorgarrangement: Om zo goed mogelijk maatwerk te bieden wordt de indicatie voor beschermd wonen gesteld in de vorm van een arrangement. Het college werkt nader uit wat onder zorgarrangementen wordt verstaan in de beleidsregels Beschermd Wonen Leusden. HOOFDSTUK 2: Melding, onderzoek en aanvraag Artikel 2. Melding 1. Een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan door of namens een cliënt uit Leusden vormvrij bij het college worden gemeld. Als de cliënt daarom verzoekt, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 3. In spoedeisende gevallen treft het college na de melding onverwijld tijdelijk een maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomsten van het gesprek. 4. In afwijking van het eerste lid kan een hulpvraag voor beschermd wonen en/of opvang voor iedere ingezetene van Nederland door of namens een cliënt worden gemeld. De gemeente Amersfoort heeft de centrumfunctie en toegangsfunctie (gemandateerd door de gemeente Leusden) ten aanzien van opvang en beschermd wonen voor gemeenten in de regio die onder de werking van de centrumgemeente Amersfoort vallen. Artikel 3. Cliëntondersteuning 1. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van gratis cliëntondersteuning. 2.

Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Artikel 4. Persoonlijk plan 1. Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen, of/en bij voorkeur 3 werkdagen voor het gesprek of anders mee te nemen naar de afspraak. 2. Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 6 van deze verordening. Artikel 5. Informatie en identificatie 1. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 2. Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6, stelt het college de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel 6. Onderzoek 1. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt, dan wel zijn (wettelijk) vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn familie of andere personen uit zijn persoonlijk netwerk of cliëntondersteuner. 2.

De factoren, genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek als bedoeld in het eerste lid. 3. Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen de gang van zaken bij het gesprek medegedeeld, zijn rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt indien nodig om toestemming voor het verwerken of het uitwisselen van zijn persoonsgegevens en welke mogelijkheden bestaan voor een algemene voorziening en/ of een maatwerkvoorziening, waaronder een persoonsgebonden budget en wat de gevolgen van die keuze zijn.

4

4. 5. 6.

7.

8.

Het college wijst de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger op de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 8 in te dienen. De cliënt ondertekent het verslag voor gezien of akkoord en stuurt een ondertekend exemplaar naar het college. Als de cliënt in aanmerking wil komen voor een maatwerkvoorziening, wordt dit opgenomen in het verslag van het gesprek. Het door de cliënt ondertekende verslag kan fungeren als een aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, waaronder een verslag van het gesprek als bedoeld in het eerste lid. Als de ondersteuningsbehoefte genoegzaam bekend is bij het college, kan (alleen) in overeenstemming met de cliënt worden afgezien van een gesprek.

Artikel 7. Advisering 1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een aanvraag is ingediend (cliënt) of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten: a. Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen. b. Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 2. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie of andere deskundige(n) om advies vragen indien: a. Het een melding of aanvraag betreft van een cliënt die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 6 is gevoerd. b. Het een melding of aanvraag betreft van een cliënt die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 6 heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden. c. Het college dat overigens gewenst vindt. 3. Het college kan in het geval de cliënt, zonder tijdig te berichten, niet op het afgesproken tijdstip aanwezig is, dan wel niet verschenen is, eventuele kosten hiervoor doorberekenen aan de cliënt. Artikel 8. Aanvraag 1.

Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens een cliënt schriftelijk of zo mogelijk elektronisch bij het college worden ingediend. 2. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding. 3. In afwijking van het vorige lid kan het college een ondertekend verslag als bedoeld in artikel 6.5 van de verordening, voorzien van de NAW-gegevens van de cliënt, aanmerken als aanvraag. 4. Het college is bevoegd de beslistermijn als bedoeld in artikel 2.3.5, tweede lid, van de wet op te schorten indien voor de beoordeling van de aanspraak op, dan wel welke maatwerkvoorziening een passende bijdrage kan leveren een deskundigenadvies nodig is. 5. De bevoegdheid als bedoeld in het vorige lid is ook van toepassing indien de cliënt geen of onvoldoende gegevens, die nodig zijn voor de beoordeling van de aanspraak, heeft verstrekt als bedoeld in artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet.

5

HOOFDSTUK 3: Algemene en maatwerkvoorzieningen Artikel 9. Algemene voorzieningen De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. Algemene Voorziening Ondersteuning Thuis (AV HH) b. Dienstverlening door uitvoeringsorganisatie Lariks, bijvoorbeeld coaching, collectieve begeleiding en (kortdurende) begeleiding. Artikel 10. Criteria voor maatwerkvoorziening 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen i. op eigen kracht; ii. met gebruikelijke hulp; iii. met mantelzorg; iv. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; v. met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; of vi. met gebruikmaking van algemene (collectieve) voorzieningen, waaronder in ieder geval dienstverlening door Lariks wordt verstaan De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en/of b.

ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen i. op eigen kracht; ii. met gebruikelijke hulp; iii. met mantelzorg; iv. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; of v. met gebruikmaking van algemene (collectieve) voorzieningen, waaronder in ieder geval dienstverlening door Lariks wordt verstaan De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 2. Recht op een maatwerkvoorziening bestaat slechts voor zover deze als de goedkoopst compenserende voorziening kan worden aangemerkt. Artikel 11. Voorwaarden en weigeringsgronden 1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a.

voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; b. voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen of verminderen; 6

2.

3.

i. Eigen kracht is het zelf de regie voeren en eigen mogelijkheden benutten Onvoldoende eigen kracht moet gezien worden als onvoldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen bij de client. Eigen kracht wordt door het college beoordeeld op basis van: Inzet van eigen mogelijkheden om overbelasting weg te nemen; Het zorgbelang voor het belang van de (werk)carrière te stellen (denk aan zorgverlof inzetten, werktijden aanpassen en/of gebruik maken van opvangmogelijkheden); Het beroep doen om het netwerk in te zetten en te werken aan het vergroten van het netwerk; De eigen problematiek te verminderen, door het inzetten van bijvoorbeeld behandeling op basis van de zorgverzekeringswet of het afsluiten van aanvullende verzekeringen e.d. ii. Gebruikelijke hulp moet gezien worden als de normale, dagelijkse hulp die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten en/of anderen uit het sociale netwerk; geacht worden elkaar onderling te bieden. Dit heeft een verplichtend karakter en is de hulp of ondersteuning die binnen een sociale relatie gewoon is in een gezamenlijk huishouden en/of binnen het sociale netwerk. Bij de bepaling of iemand voor een maatwerkvoorziening Wmo in aanmerking komt, zoekt het college aansluiting bij het Protocol gebruikelijke zorg CIZ. c.

voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene (collectieve) voorzieningen de beperkingen kan wegnemen of verminderen; d. indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is; e. indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; f. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn (conform artikel 17 en de bijlage van het financieel besluit) van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten; g. voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht; h. de effectiviteit van de gewenste maatwerkvoorziening naar het oordeel van het college onvoldoende wetenschappelijk bewezen is. i. indien de cliënt tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt: a. als deze niet (langdurig) noodzakelijk is; b.

indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Leusden, uitgezonderd die voorzieningen waarvoor er landelijke toegang bestaat. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; b. ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; c. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan voorzieningen noodzakelijk om de toegang tot de eigen woning en participatie van de cliënt te garanderen d. indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; 7

e.

4.

5. 6.

7.

indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. Beschermd wonen wordt verstrekt indien: a. de cliënt is aangewezen op een beschermende woonomgeving, gelet op complexe problematiek; en b. 24-uurs (maatschappelijke) opvang of de ambulante maatwerkvoorziening(en) begeleiding, dagactiviteit al dan niet gecombineerd met respijtverblijf in een instelling, niet als passende bijdrage kunnen worden aangemerkt; en c. de ondersteuning (mede) gericht is op het in staat stellen van de cliënt om zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Een indicatie voor beschermd wonen wordt gesteld in de vorm van een zorgarrangement. De beschermende woonomgeving gaat gepaard met noodzakelijk verblijf in een accommodatie van een instelling waar toezicht en aangewezen ondersteuning wordt geboden. Het college stelt nadere regels voor beschermd wonen in de “beleidsregel beschermd wonen”; met name in het geval de cliënt een persoonsgebonden budget wenst te besteden bij een niet door het college gecontracteerde aanbieder voor beschermd wonen: deze regels hebben in ieder geval betrekking op de eisen die gelden voor de accommodatie waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben voor wat betreft: a. het aantal bewoners; en b.

de inschrijving in de Basisregistratie personen (BRP); en c de eisen die gelden voor de accommodatie.

Artikel 12. Beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening, wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum en duur van de verstrekking; c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en d. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval: a. voor welk resultaat het persoonsgebonden budget moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget; c. wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit tot stand is gekomen; d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e. wat de duur is van de verstrekking waarop het persoonsgebonden budget ziet; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget 4. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd. Artikel 13. Persoonsgebonden budget 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.

2 De hoogte van het persoonsgebonden budget voor een voorziening wordt bepaald aan de hand van de door de cliënt ingediende specificatie als onderdeel van het persoonlijk plan (PP), waarin in ieder geval uiteen is gezet:

8

a.

3.

4.

welke diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren de cliënt van het budget wil betrekken, de verwachte kosten van deze voorziening, en b. indien van toepassing, welke hiervan de cliënt wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk Bovendien wordt de hoogte van het persoonsgebonden budget voor een voorziening bepaald aan de hand van; en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in natura en is toereikend voor de tijdige, veilige, doeltreffende en kwalitatief goede aanschaf daarvan door cliënt (uitgaande van zowel koop (dan wel nieuw of gebruikt) als leen/lease mogelijkheden). Het college kan een format voor dit persoonlijk plan (uitvoeringsplan) vaststellen, voor beschermd wonen wordt er een uitvoeringsplan vastgesteld in de “beleidsregel beschermd wonen”. De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor: a. een zaak: op basis van de kostprijs van de zaak die de cliënt zou hebben ontvangen als deze zaak in natura zou zijn verstrekt, mits cliënt hiermee redelijkerwijs in staat moet worden geacht de zaak zelf aan te schaffen en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten; b.

Huishoudelijke hulp, te onderscheiden typen individuele begeleiding en te onderscheiden typen groepsbegeleiding en dagactiviteit (met en zonder vervoer), en voor respijtverblijf voor volwassenen, door: • Professionals in dienst van een instelling: per uur of per resultaat op basis van 90% van het toepasselijke tarief dat hiervoor zou worden gehanteerd door een gecontracteerde aanbieder voor het betreffende onderdeel. • Professionals werkzaam als zelfstandigen: per uur of per resultaat op basis van 75% van het toepasselijke tarief dat hiervoor zou worden gehanteerd door een gecontracteerde aanbieder voor het betreffende onderdeel • Niet professionals en/of een persoon die behoort tot het sociale netwerk: per uur of per resultaat op basis van 50% van het toepasselijke tarief dat hiervoor zou worden gehanteerd door een gecontracteerde aanbieder voor het betreffende onderdeel, met inachtneming van het wettelijk minimumloon c. Beschermd wonen: • als voortvloeisel van het voor de cliënt van toepassing zijnde zorgarrangement. De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van het aantal geïndiceerde uren, het geldende uurtarief zoals bedoeld onder de tweede bullet en het uitvoeringsplan pgb . • De hoogte van het pgb uurtarief voor professionals in dienst van een instelling wordt gebaseerd op de tarieven zoals vastgesteld bij de inkoop van zorg in natura (ZIN) 2018: a.

met een functieniveau MBO: € 49,66 per uur; b. met een functieniveau HBO: € 60,90 per uur. Het PGB uurtarief bedraagt 90% van het uurtarief ZIN. Jaarlijks worden deze tarieven geïndexeerd conform inkoopafspraken zoals gehanteerd bij de inkoop van ZIN en door het college vastgesteld in het financieel besluit. • Indien sprake is van overgangsrecht geldt een tarief van 75% van het van toepassing zijnde zorginstellingstarief. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening (zoals bedoeld in Lid 3 onder b. en c.) is gebaseerd op de tarieven van zorg in natura, en/of de overeengekomen (uur)tarieven in natura welke als basis dienen voor de ingekochte arrangementen, zoals vastgesteld door het college en opgenomen in het financieel besluit. Bij de berekening gaat de gemeente uit van een all-inn tarief.

9

5.

6.

7. 8.

De verschillende vaststellingen betreffen de in principe maximaal mogelijke pgb-tarieven (maximum van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in natura). Het werkelijk toe te kennen pgb wordt afgestemd op de ondersteuningsbehoefte, dat volgt uit het plan van aanpak en de hiermee samenhangende kosten. Een cliënt ten behoeve van wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan geen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk (en/of niet professional), tenzij volgens afwegingscriteria een duidelijke meerwaarde is aangetoond. In voorkomend geval: a. krijgt deze persoon een lager tarief betaald voor zijn diensten dan door het college in het Besluit vastgestelde tarief. Dit lagere tarief bedraagt maximaal 50% van het vastgestelde tarief voor het betreffende onderdeel, tot een maximum van € 23,40 (prijspeil 2024 en indexeerbaar) per uur en met inachtneming van het wettelijk minimumloon en de eisen vanuit de AMvB (verloning n.a.v. in de AMvB geldend verklaarde CAO). b. mogen tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het persoonsgebonden budget worden betaald. Een cliënt ten behoeve van wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, dient gebruik te maken van de modelzorgovereenkomst van de SVB.

Een persoonsgebonden budget dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt, tenzij hierover met het college afspraken zijn gemaakt.

Artikel 14. Controle 1. Het college kan, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoeken of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn. 2. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de controle op de besteding.

Hoofdstuk 4 Bijdrage in de kosten Artikel 15. Bijdrage in de kosten maatwerkvoorzieningen, pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening, inclusief pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruikt maakt dan wel gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 2. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. 3. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 21,00 (de landelijke maximale eigen bijdrage, prijspeil 2025. Aanpassingen zullen gevolgd worden) per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet, of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 of het volgende lid geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. 4. In afwijking van lid 3 is geen bijdrage verschuldigd per bijdrageperiode voor: a. de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en die een bijdrageplichtig inkomen heeft van minder dan € 25.577; b.

de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en die een bijdrageplichtig inkomen heeft van minder dan € 22.578; c. de gehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en die een gezamenlijk bijdrageplichtig inkomen heeft van minder dan € 30.659.

10

5.

6.

7. 8.

9.

Bovengenoemde bedragen betreffen 130% van de bijstandsnorm per 1-1-2025 (voorlopige CPB raming 2,75%); landelijke aanpassingen op de bijstandsnormen zullen worden gevolgd en opgenomen in het financieel besluit Wmo en Jeugdhulp Leusden. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet bedraagt de hoogte van de eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor vervoer (regiotaxi): € 1,20 opstaptarief en € 0,30 per kilometer, inclusief btw (dit betreft het prijspeil 2025 en is indexeerbaar), zoals vastgesteld door het college en opgenomen in het financieel besluit, uitgaande van een maximum van 1500 reisbare kilometers per jaar, waarbij de aanbieder de bijdrage in de kosten int. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is afgewezen en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over het kind. Conform artikel 2.1.5. lid 3 van de wet is geen eigen bijdrage verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet.

De in rekening te brengen eigen bijdragen zijn gebaseerd op de, door de gemeente aan het CAK verstrekte, algemene - en aanbieders specifieke tarieven van de betreffende maatwerkvoorzieningen. De eigen bijdragen voor maatschappelijke opvang en voor beschermd wonen worden vastgesteld en geïnd door de gemeente Amersfoort.

Artikel 16. Bijdrage in de kosten algemene voorzieningen, met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Een cliënt kan een bijdrage verschuldigd zijn in de kosten voor: a. Dagbesteding met laag intensieve ondersteuning, voor het gebruik van consumptiegoederen/voedingsmiddelen, vervoerskosten van en naar de activiteit en eventuele materiaalkosten ter hoogte van de kostprijs (waarvan de aanbieder de bijdrage vaststelt) b. Algemene Voorziening Ouderen Leusden (dagactiviteiten/dagbesteding en mantelzorgondersteuning), voor het gebruik van consumptiegoederen/voedingsmiddelen, vervoerskosten van en naar de activiteit en eventuele materiaalkosten ter hoogte van de kostprijs (waarvan de aanbieder de bijdrage vaststelt) 2. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer (regiotaxi: niet zijnde het gebruik op indicatie), ter hoogte van € 3,20 opstaptarief en € 0,80 per kilometer, inclusief btw (dit betreft het prijspeil 2024 en is indexeerbaar. Prijzen worden vastgesteld door de provincie.) 3. De in het eerste en tweede lid genoemde bedragen, worden door de aanbieder geint en worden per jaar vastgesteld door het college en opgenomen in het financieel besluit. Artikel 17. Kostprijs maatwerkvoorziening en hoogte pgb 1. De kostprijs van een: a.

maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na een consultatie in de markt, door de vorm van de ondersteuning en/of typen hulpverleners. b. maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening (bruikleen of eigendom); 2. De hoogte van een persoonsgebonden budget wordt bepaald conform hetgeen opgenomen is in artikel 13. 3. Het college stelt de tarieven vast in het financieel besluit maatschappelijke ondersteuning en Jeugdwet Leusden. 11

4.

5.

De hoogte van de kostprijs voor een her te gebruiken materiële maatwerkvoorziening, dan wel voor de vervanging van een materiële maatwerkvoorziening, wordt gerelateerd aan de systematiek voor afschrijving. Er wordt een afschrijvingsduur gehanteerd van maximaal 130 periodes (10 jaar) en kan, afhankelijk van de kosten van de voorziening, korter zijn. Het college beschrijft deze afschrijvingssystematiek in het financieel besluit maatschappelijke ondersteuning en Jeugdwet Leusden. Als de cliënt de materiële maatwerkvoorziening zeer intensief gebruikt, kan worden afgeweken van de gemiddelde afschrijvingsduur.

HOOFDSTUK 5: Kwaliteit en veiligheid Artikel 18. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 2. Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 19. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a.

een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en 2. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 12

4.

Het college kan het eerste lid buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een reële prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid.

Artikel 20. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Artikel 21. Voorkoming en bestrijding van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet 1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening in zorg in natura of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.

3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt langer dan 8 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; e. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of f. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt. 4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 5.

Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura of het ten onrechte genoten pgb. 6. Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. Artikel 22: Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d, of e, of van de wet.

13

2.

3.

Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 20, derde lid, onder d. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 23: Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgbs en fraude 1. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en rechten doelmatigheid daarvan. 2. Fraude of vermoedens van fraude worden afgehandeld volgens het wettelijke kader (Informatie knooppunt zorgfraude). 3. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet 4. Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder.

HOOFDSTUK 6: Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten Artikel 24. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat. Artikel 25. Tegemoetkoming meerkosten 1. Er kan op aanvraag een financiële tegemoetkoming worden verstrekt aan personen met een beperking of chronische of psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. Het college bepaalt bij nadere regelgeving de financiële tegemoetkoming meerkosten beperking of chronische problemen. 2. Er kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt aan personen met een inkomen lager dan 130% van de bijstandsnorm, voor: • verhuiskosten; • kilometerkostenvergoeding; • (mantelzorg)toelage Voor een financiële tegemoetkoming t.b.v. jeugdigen onder 18 zal het inkomen van de ouders/verzorgers als grondslag dienen. 3. Er kan een inkomensonafhankelijke financiële tegemoetkoming worden verstrekt voor sportvoorzieningen.

Deze kan uitsluitend worden verstrekt na doorlopen van een adviestraject met het beweegloket van Lariks (waarbij de noodzaak van de voorziening en de mogelijkheden van leen/huur worden uitgewerkt), voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die niet al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling, deze niet al verstrekt is in de vorm van maatwerk en/of pas wanneer de normale afschrijvingstermijn van deze voorziening, conform de afschrijvingssystematiek uit Artikel 17 en het financieel besluit, verstreken is. 4. De kilometervergoeding, als bedoeld in lid 2 kan uitsluitend worden toegekend wanneer de voorliggende vervoersvoorzieningen geen oplossing bieden voor het vervoersprobleem. 5. Het college stelt de maximale hoogte van de financiële tegemoetkoming vast in het financieel besluit maatschappelijke ondersteuning en Jeugdwet Leusden

14

HOOFDSTUK 7: Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 26. Klachtregeling 1. Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 27. Medezeggenschap 1. Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college op de naleving van nadere regels door periodieke overleggen met de aanbieders en de cliëntenraden, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 28. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.

Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

HOOFDSTUK 8: Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 29. Nadere regels en hardheidsclausule 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist de door het college gemandateerde functionaris. 2. Het college kan beleidsregels en nadere regels vaststellen ter uitvoering van deze verordening. 3. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 30. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Leusden 2024 wordt ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Leusden 2024, tot het moment dat de beschikking is verlopen of het college een nieuw besluit heeft genomen. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Leusden 2024 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze nieuwe verordening.

15

4.

5.

Beslissing op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Leusden 2024, geschiedt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Leusden 2024 die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Van het in lid 3 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.

Artikel 31. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Leusden 2025.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Leusden op 12 december 2024. de raad van de gemeente Leusden,

Mevrouw G.J. Schutte,

De heer G.J. Bouwmeester,

griffier

voorzitter

16

TOELICHTING OP DE VERORDENING Artikelsgewijze toelichting op de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2025 HOOFDSTUK 1: Begrippen Artikel 1. Begripsbepalingen Ad. a Algemeen gebruikelijke voorziening Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen (diensten, activiteiten of andere maatregelen) verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken. Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling, zo blijkt uit de jurisprudentie, moet het college daarbij de volgende criteria toepassen: - het middel is niet speciaal bedoeld voor mensen met een beperking (zoals een elektrische fiets of een boodschappendienst), - het middel is algemeen en direct verkrijgbaar (mandjes en spiegels voor scootmobielen, turners en draaischijven als transferhulpmiddelen), - het middel levert een passende bijdrage aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie, - het middel kan financieel gedragen worden met een inkomen op minimumniveau.

Wat in een concrete situatie algemeen gebruikelijk is, hangt vaak af van de geldende maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag. Wanneer een algemeen gebruikelijke voorzieningen beschikbaar is hoeft er geen maatwerkvoorziening te worden ingezet. Uitgangspunt voor de algemeen gebruikelijk/toegankelijke voorzieningen is dat we bij deze middelen uitgaan van zowel koop (dan wel nieuw of gebruikt) als leen/lease of renovatiemogelijkheden. In de “Beleidsregels Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Leusden” is een (niet limitatieve) lijst met voorzieningen opgenomen die de gemeente in elk geval algemeen gebruikelijk acht. Inwoners zijn dus zelf verantwoordelijk om deze aan te schaffen. In uitzonderlijke gevallen kan er een uitzondering worden gemaakt als de omstandigheden daar aanleiding toe geven. Ad. f Bijdrage in de kosten Uit artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de wet vloeit de bevoegdheid voort tot het vragen van een bijdrage in de kosten. Cliënten zullen voor hun ondersteuning, als de gemeente daarvoor kiest, een bijdrage moeten betalen. Op grond van artikel 2.1.4 lid 4 van de wet zijn bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere regels (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015) gesteld. Daarin is bepaald wat de ruimte is die de gemeenteraad heeft voor het bepalen van de omvang van de eigen bijdrage.

Ook voor een algemene voorziening kan eventueel een bijdrage van de cliënt in de kosten worden gevraagd (m.u.v. cliëntondersteuning). Ad. j College Opgenomen is het begrip “College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leusden” conform de Wmo 2015 waarin staat dat het college het wettelijke verantwoordelijk orgaan is. In de Leusdense praktijk worden deze taken veelal uitgevoerd door; en zijn verantwoordelijkheden door het college van de gemeente Leusden gemandateerd aan Lariks . Dit is ook als zodanig opgenomen in ons mandaatbesluit;

17

Ad. k Ingezetene De cliënt kan als hij ingezetene is van een gemeente in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1 Wmo). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet persé van de gemeente. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22‐09‐2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in het Brp belangrijk is maar niet doorslaggevend. Ad. q Melding Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Indien een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Ad. r Onverwijld De wet en deze verordening spreken op verschillende momenten van ‘onverwijld’.

Het ligt altijd aan de concrete omstandigheden van een zaak wat daaronder moet worden verstaan. Het is echter ook van belang voor de cliënt dat hij een indruk heeft waar hij vanuit kan gaan. Ad. t Persoonlijk plan In het plan kan de cliënt – al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk ‐ de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 onderdelen a tot en met e van de wet, en de maatschappelijke ondersteuning die door hem wordt gewenst, beschrijven. De omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 onderdelen a tot en met e Wmo, worden onderzocht door het college. Doordat de cliënt hieromtrent voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Door de cliënt een persoonlijk plan te laten opstellen, wordt de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten in de Wmo versterkt. Ad. aa Zorgarrangement Om zo goed mogelijk maatwerk te bieden wordt de indicatie voor beschermd wonen gesteld in de vorm van een arrangement. Er zijn drie arrangementen en de inzet van het arrangement is mede afhankelijk van de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt zoals die door het college zijn vastgesteld tijdens het onderzoek (art. 2.3.2 van de wet).

Een arrangement kan noodzakelijkerwijs worden aangevuld met een maatwerkvoorziening (zie ook de beleidsregels Beschermd Wonen Leusden). HOOFDSTUK 2: Melding, onderzoek en aanvraag Artikel 2. Melding De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, de hulpvraag. De melding is, zo blijkt uit de Memorie van Toelichting, niet gebonden aan een vorm of locatie. De melding kan elektronisch of telefonisch worden gedaan en zowel bij team triage, het lokaalteam of een andere organisatie die als toegang dient. In het eerste lid van artikel 2 is nog eens benadrukt dat de melding het middel is van een cliënt om zijn hulpvraag bij het college neer te leggen en dat deze vorm vrij is. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden.

18

Lid 4: voor beschermd wonen en (maatschappelijke) opvang geldt dat iedere ingezetene van Nederland zich voor deze ondersteuning tot het college van de gemeente Leusden kan wenden. De gemeente Amersfoort heeft de centrumfunctie ten aanzien van opvang en beschermd wonen voor gemeenten in de regio die onder de werking van de centrumgemeente Amersfoort vallen. Daar kan een directe melding worden gedaan, of anders zal het college de melding doorzetten. De centrale toegang voorziet (gemandateerd) in de toegang. Artikel 3. Cliëntondersteuning De verplichtingen die in dit artikel genoemd worden, zijn ook neergelegd in de artikelen 2.2.4, lid 1 onderdeel a en 2.3.2 lid 3 van de wet. Met name het wijzen op de beschikbare cliëntondersteuning heeft een belangrijke plek in de procedure na de melding. Cliëntondersteuning is gedefinieerd in artikel 1.1.1 van de wet. De cliëntondersteuning moet gratis zijn en er kan dan ook geen bijdrage in de kosten voor worden gevraagd. Artikel 4. Persoonlijk plan De verplichtingen voor het college die hier genoemd worden, zijn ook opgenomen in artikel 2.3.2 van de wet. Omdat het een specifieke plaats inneemt in de volgorde van de procedure, is het hier op de plaats in de procedure nogmaals ingevoegd. Het persoonlijk plan is in de wet opgenomen door middel van een amendement (TK 2013‐2014, 33841 nr. 70).

Doordat de cliënt voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Hiermee komt de regie bij de cliënt te liggen. Artikel 5. Informatie en identificatie Ook voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet, concreet de artikelen 2.3.2 lid 7 en 2.3.4 lid 1. Analoog aan artikel 4:2 Awb, dat voor de aanvraagfase van een besluit regelt dat de aanvrager de nodige gegevens moet verstrekken, is met lid 1 van artikel 4 geregeld dat de cliënt daartoe ook in de voorafgaande onderzoeksfase gehouden is. In de Memorie van Toelichting op artikel 2.3.4. lid 1 Wmo is beschreven welke documenten onder artikel 1 Wet op de identificatieplicht vallen, zoals bedoeld in lid 2 van artikel 4. Artikel 6. Onderzoek Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2 lid 4 de zaken die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Het gesprek wordt in de wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt er vanuit gegaan dat persoonlijk contact tussen gemeente en cliënt plaatsvindt.

In artikel 6 wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat het past in het stelsel van deze Wmo dat daar de omgeving van de cliënt zoveel mogelijk bij betrokken wordt. In lid 5 is bepaald dat de weergave van het onderzoek ook een verslag van het gesprek bevat. Dit kan een beknopte weergave zijn van hetgeen besproken is. Als de cliënt aangeeft geen prijs te stellen op het ontvangen van de weergave van het onderzoeksresultaat en/of het verslag kan verzending daarvan achterwege blijven. In het kader van de zorgvuldigheid dient het college hier niet te snel vanuit te gaan. De cliënt zal ondubbelzinnig en schriftelijk moeten verklaren geen prijs te stellen op het ontvangen van de genoemde bescheiden. Lid 4 en 6 slaat een brug tussen de melding en de aanvraag. Het zorgt ervoor dat de cliënt vrijwel drempelvrij doorstroomt van de onderzoeksfase naar de aanvraagfase en voorkomt onnodige handelingen en juridisering. Artikel 7. Advisering Lid 1 van dit artikel in de verordening bepaalt dat het college bevoegd is de degene door of namens wie een melding is gedaan of door of namens wie een aanvraag is ingediend, alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe 19

aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de beoordeling van de aanspraak op een voorziening. Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een aantal artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. In de wet is niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter vaak onontbeerlijk zijn. Het college dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties hebben, wat een eenduidige vermelding onmogelijk maakt. Artikel 8. Aanvraag In het kader van de volgorde van de procedure herhaalt artikel 8 de wet: de aanvraag kan pas worden ingediend na het onderzoek of na het verstrijken van de zes wekentermijn.. De elektronische aanvraag is als optie opgenomen, omdat het college op grond van artikel 2:15 lid 1 Awb kenbaar moet maken dat deze weg is geopend.

Onder lid 3 wordt de mogelijkheid geboden dat ook een ondertekend verslag als aanvraagformulier kan dienen. HOOFDSTUK 3: Algemene en maatwerkvoorzieningen Artikel 9 De gemeente vindt het belangrijk dat voor iedereen duidelijk is welke vormen van voorzieningen in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn: de ‘algemene voorzieningen’ (toegankelijk na een lichte beoordeling waaruit blijkt dat de cliënt tot de Wmo-doelgroep behoort). Daarom zijn in dit artikel de vormen van algemene voorzieningen die door de gemeente worden geboden opgesomd. Artikel 10. Criteria voor maatwerkvoorziening In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning. In artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013‐2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/3938/documents/43929