CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

A.1 Memo brief d.d. 22 juli 2021 van het ministerie van VWS inzake het interbestuurlijk toezicht Wmo.pdf

Raadsvergadering 16 december 2021, gemeente LeusdenBij agendapunt: 4: RV/RB Afhandeling ingekomen stukken1.384 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

MEMO Aan Cc Van Datum Betreft

: Raad : : College : 16 september : Brief d.d. 22 juli 2021 van het ministerie van VWS inzake het interbestuurlijk toezicht Wmo

Doel Informeren over de brief d.d. 22 juli 2021 van het ministerie van VWS inzake het interbestuurlijk toezicht Wmo Inleiding: waarom dit onderwerp? Dinsdag 9 februari 2021 nam het college het besluit om, in navolging op de oproep van de VNG en onze adviesraden, opdracht te geven aan Lariks om het eigen (draag)kracht en zelfredzaamheidscriterium uit de verordening en beleidsregels Wmo verscherpt toe te passen om zo te voorkomen dat inwoners die voldoende draagkracht hebben om een voorziening zelf te bekostigen (en dit soms ook al eerder zelf gedaan hebben) alsnog gebruik maken van gemeentelijke voorzieningen. In het kort betekent dit dat we vanaf 1 april het inkomen meewegen bij een vraag naar hulp in het huishouden (Algemene Voorziening) en een dringend beroep op financieel draagkrachtige inwoners doen om op eigen kosten huishoudelijke hulp in te schakelen. Daarmee willen wij de Wmo-voorziening voor Leusden betaalbaar te houden. De betaalbaarheid staat namelijk onder druk: we zien de aanvragen, toekenningen en uitgaven voor huishoudelijke hulp binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) fors toenemen. Dat komt voor een groot deel door de gelijkgetrokken eigen bijdrage, met als gevolg dat inwoners die voorheen de huishoudelijke hulp zelf betaalden nu een beroep doen op de Wmo. Iedereen die via de Wmo huishoudelijke hulp krijgt, betaalt daarvoor een eigen bijdrage.

Dat bedrag was voor 2019 inkomensafhankelijk, maar is nu een standaard abonnementstarief van 19 euro per maand. De uitgaven zijn sindsdien met ruim 700.000 euro gestegen. Vier op de tien aanvragers is naar schatting financieel draagkrachtig genoeg om zelf iemand te betalen om het huis schoon te maken en is ook goed in staat om die hulp zonder de gemeente te regelen. Met deze mensen gaat Lariks het gesprek aan om, in redelijkheid, eigen verantwoordelijkheid te nemen. Met het laten meewegen van de financiële mogelijkheden van inwoners zoekt de gemeente noodgedwongen de grenzen op. Dit is in lijn met de oproep en voorgestelde maatregelen van onze koepelorganisatie de VNG om meer recht te doen aan de financiële zelfredzaamheid van mensen. Daarmee zullen uiteindelijk minder aanvragen voor hulp bij het huishouden worden toegekend waardoor deze ondersteuning beschikbaar blijft voor mensen die dit zo hard nodig hebben. Deze beslissing wordt gesteund door de Participatieraad Leusden en de Raad voor Cliëntenparticipatie Leusden.

We stuurden u hierover direct een memo en in maart een aanvullende raadsinformatiebrief. Naast deze informatievoorziening richting de raad hebben wij ook onze inwoners actief geïnformeerd. Dit heeft er toe geleid dat onze toepassing landelijk is opgepakt door de pers. Deze aandacht is ook de minister en het ministerie van VWS niet ontgaan. Zij hebben (ambtelijk) contact gezocht om te onderzoeken op welke manier wij in Leusden deze “check op draagkracht” toepassen. Zij zijn van mening dat wij een “inkomenstoets” toepassen en dat dit niet conform de wet is. Daarom heeft er op 15 juli 2021 een bestuurlijk gesprek plaatsgevonden met portefeuillehouder Van Beurden en Directeur-generaal Langdurige Zorg Van Koesveld namens minister De Jonge. In aansluiting op dit gesprek heeft de heer Van Koesveld op 22 juli 2021 een brief gestuurd (zie bijlage) waarin uitleg wordt gegeven over de zienswijze van het ministerie van VWS en de vervolgstappen die zij voornemens zijn te zetten. De brief sluit af met een tweetal verzoeken. Het college van B&W Leusden wordt in de gelegenheid gesteld om de beleidsregels in overeenstemming te brengen met de uitgangspunten van de Wmo 2015 en er wordt verzocht om het ministerie voor 15 oktober 2021 te informeren of het college inderdaad van plan is het collegebesluit van 9 februari 2021 ongedaan te maken (aan te passen).

Inhoudelijke beoordeling In de brief d.d. 22 juli 2021 wordt een drietal inhoudelijke argumenten genoemd waarop gebaseerd wordt dat het meewegen van het inkomen niet zou kunnen. Als eerste wordt verwezen naar een passage uit de memorie van toelichting: "Uitgangspunt van dit wetsvoorstel is dat maatschappelijke ondersteuning beschikbaar is voor degenen die daarop zijn aangewezen, ongeacht de hoogte van het inkomen of vermogen. De regering kiest niet voor het hanteren van een inkomens- dan wel vermogensgrens of toets die bepaalt of iemand in aanmerking komt voor ondersteuning uit hoofde van dit wetsvoorstel. Inkomensbeleid blijft de verantwoordelijkheid van het Rijk en de regering is niet voornemens de systematiek van de eigen bijdrageregeling te wijzigen." Het klopt dat in de eerste deel van de passage wordt aangegeven dat de regering er voor kiest om geen inkomensgrens te hanteren om te bepalen of iemand in aanmerking komt voor ondersteuning. In de Leusdense toepassingspraktijk is er ook geen sprake van een harde inkomensgrens waarop wordt getoetst of iemand wel of niet in aanmerking komt. In de toepassing wordt het inkomen meegenomen bij de individuele beoordeling van de eigen kracht. Het is hierbij één van de beoordelingselementen maar is niet in alle gevallen doorslaggevend om geen voorziening toe te kennen.

Ook wordt in deze passage de inkomensgrens tegelijkertijd gekoppeld aan de systematiek van de eigen bijdrageregeling. In het tweede deel van de passage wordt immers expliciet mededeling gedaan dat het Rijk niet voornemens is de eigen bijdrage regeling (waarbij het inkomen wordt meegewogen) te wijzigen. Met de invoering van het abonnementstarief in de Wmo per 1 januari 2019 is dit laatste nu net wat het Rijk wel heeft gedaan, en dat is volgens ons de reden dat er nu wel ruimte ontstaat om dit inkomen mee te wegen in de beoordeling.

Pagina 2

Het tweede argument dat wordt genoemd is een verwijzing naar jurisprudentie. Deze jurisprudentie is echter gedateerd. De zaken waarnaar verwezen worden hebben géén betrekking op de situatie waarbij het abonnementstarief is ingevoerd. Jurisprudentie over een vergelijkbare situatie als in Leusden ontbreekt. Bovendien gaan alle uitspraken over maatwerk, waar het bij ons enkel gaat over de algemene voorziening huishoudelijke hulp. Vervolgens stelt VWS in haar brief dat Rijk en VNG in een gezamenlijk proces werken aan mogelijke beleidsopties voor zowel de korte als de lange termijn. Dit proces zou volgens het ministerie een reden kunnen zijn om “de besluitvorming alsnog niet in werking te laten treden en/of op te schorten”. Dit verzoek wordt door de VNG niet gedeeld. De VNG heeft verzocht aan ons standpunt vast te blijven houden en steun toegezegd. Het aantal gemeenten dat de strijd tegen de ongewenste effecten van het abonnementstarief heeft aangebonden, waar onder de gemeente Amsterdam, loopt inmiddels fors op. Zowel ambtelijk als bestuurlijk wordt er onderling afgestemd. De VNG faciliteert waar nodig. Conclusie, hoe verder Het college is op basis van de gesprekken en brief niet van standpunt gewijzigd.

Er zijn geen nieuwe inzichten die ter voorbereiding op de beleidsvorming van 9 februari niet bekend waren en de door de minister aangekondigde stappen zijn geen reden voor het college om voor de gestelde deadline (15/10) ons besluit te herroepen. De huidige ‘interventieladder’ zal mogelijk leiden tot het vernietigen van het besluit van 9 februari en de daarop gebaseerde uitvoeringsregels (werkinstructie Lariks), maar dit betekent niet direct een juridisch, financieel, organisatorisch of politiek probleem. Er is geen boete aan verbonden en een vernietigingsbesluit staat open voor beroep. Dit heeft als voordeel dat er desgewenst een inhoudelijke rechterlijke toets wordt uitgevoerd over de kwestie, anderzijds nemen we daar nu nog geen besluit over; we hebben altijd ook nog de mogelijkheid om niet in beroep te gaan, indien dit bijvoorbeeld een te belastend of duur traject zou zijn, waarvoor er binnen onze organisatie te weinig beschikbaarheid en expertise beschikbaar zou zijn en/of in onvoldoende mate vanuit de VNG en andere gemeenten ter beschikking wordt gesteld. Wij beraden ons nu in overleg met de VNG en collega gemeenten op juridisch verweer, publiciteit en politieke lobby. Aanvullend zullen wij in oktober de eerste 6 maanden van de nieuwe werkwijze/toepassing evalueren en de resultaten delen met uw raad.

Wij zullen de raad dan om een zienswijze over de continuering van de werkwijze vragen. Hangende dit proces met het ministerie en vooruitlopend op de evaluatie, is het nu niet verstandig om ook de eerder aangekondigde aanpassing van de WMO verordening voor wat betreft de aangepaste werkwijze/toepassing, te gaan voorbereiden. Bijlage: 1. Brief d.d. 22 juli 2021 van het ministerie van VWS inzake het interbestuurlijk toezicht.

Pagina 3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/2966/documents/30386