CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

240116 Ruimtelijke onderbouwing (147378) (1.0).pdf

Informatieavond 29 februari 2024, gemeente LeusdenBij agendapunt: 4b: RV Vvgb omgevingsvergunning uitbreiding kinderopvang en ontmoetingscentrum Hamersveldseweg 10530.643 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Ruimtelijke onderbouwing

Hamersveldseweg 105 Gemeente Leusden

Algemene gegevens Omschrijving Ruimtelijke onderbouwing voor het afwijken van het bestemmingsplan Buitengebied 2009 voor de realisatie van een nieuw ontmoetingscentrum aan de Hamersveldseweg 105 in Leusden. Opdrachtgever Rudi Herder agrarisch ontwerp en advies R. Herder Hamersveldseweg 129 3833 GN Leusden T 06-12061072 E rudi@rudiherder.nl W www.rudiherder.nl Opsteller Teus' Advies Dave Anbeek Verlooplaan 6 3771 HG Barneveld T 06-15658065 E dave@teusadvies.nl W www.teusadvies.nl Datum | status | versie 16 januari 2024 | definitief | 1.2

2

Inhoudsopgave 1.

Inleiding ....................................................................................................................................4 1.1 Aanleiding .................................................................................................................................4 1.2 Ligging en begrenzing ...............................................................................................................4 1.3 Geldend bestemmingsplan ........................................................................................................4 1.4 Leeswijzer.................................................................................................................................5

2.

Beschrijvend initiatief...............................................................................................................6 2.1 Bestaande situatie ....................................................................................................................6 2.2 Nieuwe situatie .........................................................................................................................8

3.

Beleidskader ........................................................................................................................... 12 3.1 Rijksbeleid .............................................................................................................................. 12 3.2 Provinciaal beleid .................................................................................................................... 13 3.3 Gemeentelijk beleid................................................................................................................. 15

4.

Uitvoerbaarheid en overige aspecten .................................................................................... 17 4.1 Milieuaspecten ........................................................................................................................ 17 4.2 Erfgoed ................................................................................................................................... 19 4.2 Ecologie .................................................................................................................................. 19 4.4 Verkeer en parkeren ............................................................................................................. 20 4.5 Waterparagraaf .................................................................................................................... 21 4.5 Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................. 22 4.6 Participatie .............................................................................................................................. 22

5.

Conclusie ................................................................................................................................ 24

Bijlagen ........................................................................................................................................... 25

3

1. Inleiding 1.1 Aanleiding Aan de Hamersveldseweg 105 in Leusden is een kinderdagverblijf gevestigd op een voormalig gemeentewerf. Verder is op het perceel, naast het kinderdagverblijf, een centrum voor natuur en milieu (De Groene Belevenis) gevestigd. Dit centrum is op het perceel Hamersveldseweg 107 gevestigd. Initiatiefnemer, eigenaresse van het kinderdagverblijf, wil van de oude gemeentewerf een ontmoetingsplek maken waar jong en oud elkaar ontmoeten in een natuurlijke omgeving. De medewerksters van het natuur- en milieucentrum delen deze wens. Inmiddels is dit plan voor een groot deel gerealiseerd door de realisatie van een kinderdagverblijf in het gebouw van de gemeentewerf en de herinrichting van het omliggende terrein. Om de functiewijziging van de voormalige gemeentewerf af te ronden is het voornemen nu om op het terrein een nieuw gebouw realiseren met daarin een ontmoetingscentrum en een kinderdagverblijf. Dit past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Daarom is voor het nieuwe gebouw een omgevingsvergunning nodig waarmee afgeweken wordt van het geldende bestemmingsplan. Om aan te tonen dat dit in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is, is deze ruimtelijke onderbouwing opgesteld.

1.2 Ligging en begrenzing Het besluitgebied is gelegen aan de Hamersveldseweg 105 en 107 in Leusden. Kadastraal staan deze percelen bekend als gemeente Leusden, sectie I, nummers 129, 2087 en 2108. Het besluitgebied bevindt zich ten zuiden van het centrum van Leusden en wordt omsloten door de Hamersveldseweg en de Schoolsteeg.

Ligging in de omgeving Het besluitgebied wordt gevormd door het perceel Hamersveldseweg 105 en 107.

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor het besluitgebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009', vastgesteld door de gemeenteraad op 2 december 2010. Voor het besluitgebied geldt de bestemming 'maatschappelijke voorzieningen', met de code M4.1. Deze code houdt de nadere bestemming 'gemeentewerf met kantoor; milieueducatief centrum met tuin' in. Met het natuur- en milieucentrum wordt in het kinderdagverblijf voorzien. Het bestemmingsvlak bestaat uit twee delen: op nummer 105 de 4

voormalige locatie van de gemeentewerf en, aan de overzijde van de Schoolsteeg, het perceel Hamersveldseweg 107.

Uitsnede plankaart met het besluitgebied globaal in rood omkaderd. Het huidige bestemmingsplan maakt het initiatief niet mogelijk. In het bestemmingsplan is namelijk geregeld dat de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen op de bestemming niet meer mag bedragen dan 1250 m2. Met dit plan zal de totale oppervlakte van de gezamenlijke gebouwen ruimschoots meer bedragen dan 1250 m2. Om aan te tonen dat dit toch in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is, is deze ruimtelijke onderbouwing opgesteld.

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het initiatief beschreven aan de hand van de bestaande en nieuwe situatie. In het derde hoofdstuk wordt dit initiatief getoetst aan het relevante beleidskader. In het vierde hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid aangetoond en worden enkele andere planologische aspecten beschreven. Er wordt afgesloten met de conclusie.

5

2. Beschrijvend initiatief 2.1 Bestaande situatie Hieronder wordt de bestaande situatie beschreven. Allereerst wordt ingegaan op de omgeving van het besluitgebied en vervolgens het specifieke besluitgebied zelf. Omgeving Het besluitgebied is gelegen tegen de rand van het dorp Leusden. Die rand wordt hier bepaald door de Hamersveldseweg. Ten oosten van de Hamersveldseweg ligt het landelijk gebied. Dit betreft een slagenlandschap. Dit is een vrij grootschalig landschap met een regelmatige rechthoekige verkaveling en rechte wegen. Het landschap heeft een half-open karakter. Beplanting is voornamelijk aanwezig langs de wegen, langs de perceelsranden enrond de erven. Het grondgebruik is overwegend agrarisch. De bebouwde erven staan langs de Hamersveldseweg. Ten noorden en westen van het besluitgebied is de dorpskern van Leusden aanwezig. Ter hoogte van het besluitgebied gaat het om een woonwijk met grondgebonden woningen.

Luchtfoto van de omgeving Besluitgebied De Hamersveldseweg 105 (en 107) is direct aan de openbare weg gelegen. Het besluitgebied wordt begrensd door de Hamersveldseweg en de Schoolsteeg. In het besluitgebied bevinden zich meerdere organisaties. Allereerst is er het kinderdagverblijf en de buitenschoolse opvang. Verder bevindt het natuur- en milieucentrum zich ook binnen het besluitgebied. Ten oosten binnen het besluitgebied bevindt zich een (natuur)speeltuin, welke hoort bij het natuur- en milieucentrum. Ten zuiden van het grootste deel van het besluitgebied, aan de overzijde van de Schoolsteeg, bevindt zich nog een relatief klein rechthoekig perceel, welke eigendom is van het natuur- en milieucentrum. Dit is te zien op de afbeelding hieronder. Ten zuiden van het besluitgebied is een woonperceel aanwezig met een vrijstaande woning. Ten noorden, oosten en zuiden wordt het besluitgebied verder omgeven door agrarische grond. Ten westen van het besluitgebied is een woonwijk aanwezig.

6

Luchtfoto besluitgebied

Aanzicht vanaf de Schoolsteeg

7

Aanzicht vanaf de Hamersveldseweg

2.2 Nieuwe situatie Het voornemen is om op het besluitgebied een nieuw bedrijfsgebouw te realiseren. Dit gebouw is onderdeel van het ontwikkelingsplan voor het perceel. De kern van dit ontwikkelingsplan is om van de oude gemeentewerf een ontmoetingsplek te maken waar jong en oud elkaar ontmoeten in een natuurlijke omgeving. Inmiddels is dit plan grotendeels gerealiseerd. Deze herinrichting bestond onder andere uit de aanleg van meerdere pluktuintjes, een moestuin, dierenweide en voldoende parkeerplaatsen. Om het ontwikkelingsplan af te ronden is het voornemen om een nieuw gebouw te realiseren waarin een ontmoetingscentrum en een (uitbreiding van het) kinderdagverblijf gevestigd worden. Het nieuwe gebouw krijgt een omvang van 235 m2. Onder het nieuwe gebouw wordt een kelder aangelegd. Daarnaast krijgt het gebouw een verdieping. De kelder, verdieping en een deel van de begane grond dienen als uitbreiding van het kinderdagverblijf. Het ontmoetingscentrum neemt circa 100 m2 van de begane grond in beslag. Het pand wordt gerealiseerd ten noordoosten van de bestaande bebouwing en ten noorden van de dierenweide. Aan de westzijde van het nieuwe gebouw grenst het natuur- en milieucentrum. Het nieuwe gebouw krijgt drie bouwlagen. In de kelder wordt voorzien in onder andere een gymzaal, kantoor, spreekkamers en een kantine.

Op de begane grond komt het ontmoetingscentrum en een babygroep voor het kinderdagverblijf. Op de verdieping wordt een peutergroep voor het kinderdagverblijf gerealiseerd. Het ontmoetingscentrum wordt een onderdeel van een verbreding van het zorgaanbod om het perceel. De wens is namelijk om op het terrein ook dagopvang aan te bieden voor ouderen, in de vorm dan de moestuin, een ontmoetingsruimte en een ontmoetingscentrum. In het ontmoetingscentrum kan men maaltijden bereiden van de producten uit de moestuin en de streek. Het ontmoetingscentrum moet een win-win situatie gaan worden voor de doelgroepen die van het perceel gebruik maken en gaan maken. Samen koken verbindt en daarnaast worden de bereide maaltijden aangeboden aan ouders van het kinderdagverblijf en de cliënten van de dagbesteding. In de beoogde situatie zal een unieke situatie ontstaan waar ouderen en kinderen in elkaars directe nabijheid of samen de dag doorbrengen. De aanwezigheid van kinderen is een belangrijke bijdrage van het doorbreken van het isolement waarin veel ouderen verkeren. Het contact met de kinderen stimuleert onder meer de alertheid en communicatiebereidheid van de ouderen en biedt hen een vreugdevolle ervaring.

8

Inrichtingsplan Met de reeds uitgevoerde herinrichting is de situatie op het terrein zo ontwikkeld dat het bijdraagt aan het behoud en de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van het landschap. Het nieuwe gebouw wordt passend gemaakt ten opzichte van de andere bebouwing en de omgeving. Zo is de aanwezige loods in hoevestijl gebracht door middel van potdekselwerk. Het nieuw te realiseren gebouw zal ook door middel van potdekselwerk in hoevestijl gebracht worden. Ook krijgt het gebouw dakpannen. Hierdoor passen zowel de bestaande als het nieuwe gebouw goed in de landelijke omgeving. Openheid en zichtlijnen naar achterliggende landerijen zullen intact blijven. In de bestaande situatie is er te veel zicht vanaf de Hamersveldseweg op de parkeerplaatsen van het kinderdagverblijf. Ondanks dat er in de afgelopen jaren al enige aanplant gedaan is, is dit onvoldoende gebleken. Een inventarisatie van de houtwal levert het beeld dat over een strook van 70 meter met een breedte van 2 tot 3 meter extra aanplant nodig is. Hierbij wordt rekening gehouden met een groene vrijblijvende strook vanaf de verharde parkeerplaats. Dit is inmiddels aangebracht. In totaal zijn er 150 stuks bosplantsoen aangelegd worden. De beplanting bestaat uit onder andere: kardinaalsmuts, lijsterbes, vlier, roosachtige (bottelroos), vogelkers, sleedoorn en meidoorn.

Kortom zorgt de nieuwe beplanting dat de zichtlijnen vanaf de Hamersveldseweg op het parkeerterrein aanzienlijk verminderd worden.

9

Voorgevel

Achtergevel

Linker zijgevel

10

Rechter zijgevel

11

3. Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is vastgesteld op 11 september 2020. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies; uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. In totaal zijn er 21 nationale belangen gevormd: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties. 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving. 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. 10. Beperken van klimaatverandering. 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen. 13.

Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie. 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit). 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit. 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie. 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Om ook daadwerkelijk uitvoering te geven aan de NOVI, is de Uitvoeringsagenda 2021-2024 opgesteld. Hierin zijn vier prioriteiten benoemd: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel. 3. Sterke en gezonde steden en regio's. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI is een permanent en aanpasbaar proces. Er wordt uitgegaan van een terugkerende cyclus van vier jaar. Jaarlijks, in het voorjaar, is er een nationale NOVI-conferentie over de voortgang van de uitvoering, nieuwe ontwikkelingen en inzichten.

Ook wordt een tweejaarlijkse monitor uitgevoerd door het Planbureau voor de Leefomgeving. Elke vier jaar vindt een uitgebreide beleidsevaluatie plaats, evenals een onderzoek naar de mening van burgers en wordt de NOVI zo nodig aangepast. Toetsing Uit de NOVI volgen geen uitgangspunten en/of randvoorwaarden voor de realisatie van een nieuw bedrijfsgebouw. Met deze ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Met het vastgestelde Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (30 december 2011), ook wel Barro

12

genoemd, geeft het Rijk algemene regels voor bestemmingsplannen en wordt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen uit de voormalige Nota Ruimte gewaarborgd. Doel van dit besluit is bepaalde onderwerpen uit de SVIR te verwezenlijken, dan wel te beschermen. Het gaat hierbij om de volgende onderwerpen: • rijksvaarwegen; • hoofdwegen en hoofdspoorwegen; elektriciteitsvoorzieningen; • buisleidingen van nationaal belang van gevaarlijke stoffen; ecologische hoofdstructuur; • primaire waterkeringen buiten het kustfundament, en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), Toetsing Gelet op de ligging van het besluitgebied, alsmede de aard en omvang van de beoogde planontwikkeling dat in het voorliggende plan mogelijk wordt gemaakt, wordt geconcludeerd dat er geen strijdigheid is met het nationaal ruimtelijk belang, zoals neergelegd in het Barro. Voornoemde onderwerpen hebben geen betrekking op het besluitgebied.

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt sinds 1 juli 2017 als volgt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." De 'nieuwe ladder' vergt niet meer dat de 'actuele regionale behoefte' wordt beschreven, volstaan kan worden met de 'behoefte'. Relevant is of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. Artikel 1.1.1, lid 1 Bro geeft de volgende definitie aan stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Voor woningbouwlocaties geldt volgens jurisprudentie (zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zaaknummer 201608869/1 d.d. 28 juni 2017) dat er 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling indien er meer dan 11 woningen worden gerealiseerd. Voor 'wonen' is het daarom de lijn, dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

Toetsing Met dit plan wordt een nieuw ontmoetingscentrum annex kinderdagverblijf van totaal 235 m2 gerealiseerd. Daarmee is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Provincie Utrecht De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht is vastgesteld door de Provinciale Staten op 10 maart 2021. De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) is opgesteld om te zorgen voor een blijvend aantrekkelijke provincie. Via haar ruimtelijk beleid draagt de provincie bij aan een kwalitatief hoogwaardige fysieke leefomgeving, waarin het ook in de toekomst plezierig wonen, werken en recreëren is. De Omgevingsvisie is uitgewerkt aan de hand van 7 thema's en 3 regio's. De thema's zijn als volgt: 1. Stad en land gezond. 2. Klimaatbestendig en waterrobuust. 3. Duurzame energie. 4. Vitale steden en dorpen. 5. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar. 6. Levend landschap, erfgoed en cultuur. 7. Toekomstbestendige natuur en landbouw.

13

De drie regio's zijn U16, Amersfoort en Foodvalley. De Omgevingsvisie geeft de ruimtelijke ambities weer van de provincie Utrecht. Hierin staat welke doelstellingen de provincie van provinciaal belang acht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort én hoe dit beleid uitgevoerd wordt. Deels loopt deze uitvoering via de Interim Omgevingsverordening, die tegelijk met de Omgevingsvisie is vastgesteld. Op grond van de Wro heeft de Omgevingsvisie alleen een zelfbindende werking. Het is bindend voor de provincie, niet voor andere partijen. De Interim Omgevingsverordening zorgt voor doorwerking van het beleid en is bindend voor de gemeenten. 3.2.2 Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht De Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht is vastgesteld door de Provinciale Staten op 10 maart 2021. De omgevingsverordening bevat algemene regels die gemeenten in acht moeten nemen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen. In de omgevingsverordening staan geen regels die direct doorwerken naar de burgers. In de omgevingsverordening zijn alleen de algemene regels opgenomen, die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de provinciale belangen. De omgevingsverordening geeft soms harde ruimtelijke grenzen aan. Soms wordt volstaan met de verplichting om een ruimtelijke keuze voor een bepaald beleidsaspect goed te onderbouwen.

Daarnaast bevat de omgevingsverordening ook regels die voortvloeien uit het Barro. Bij de verordening zijn verschillende kaarten opgenomen. Navolgend worden de voor het besluitgebied relevante bepalingen besproken. Watersysteem Op de kaart 'watersysteem' is het besluitgebied gelegen binnen een overstroombaar gebied. Artikel 2.10 bepaalt hierover het volgende: 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Overstroombaar gebied bevat bestemmingen en regels die rekening houden met overstromingsrisico’s. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinen. Buitendijks is dit ook van toepassing op individuele woningen en bedrijven. 2. De motivering op een bestemmingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met het overstromingsrisico is omgegaan. Toetsing Het besluitgebied is binnendijks gelegen en het initiatief voorziet in een nieuw gebouw voor een ontmoetingscentrum. Hiervoor hoeft geen rekening gehouden te worden met overstromingsrisico's. Cultuurhistorie en landschap kaart Op de kaart 'cultuurhistorie en landschap' is het besluitgebied ook gelegen binnen het landschap Gelderse Vallei. Artikel 7.9 bepaalt hierover het volgende: 1.

Landschap bestaat uit Landschap Eemland, Landschap Gelderse Vallei, Landschap Groene Hart, Landschap Rivierengebied en Landschap Utrechtse Heuvelrug. 2. De kernkwaliteiten zijn per gebied vastgelegd in de Bijlage 15 Kernkwaliteiten Landschap bij deze verordening. 3. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in Landschap bevat: a. bestemmingen en regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten; en b. geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten. 4. De motivering van een bestemmingsplan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan. De kernkwaliteiten voor het landschap Gelderse Vallei zijn als volgt: 1. rijk gevarieerde kleinschaligheid; 2. Stelsel van beken, griften en kanalen; 3. Grebbelinie; 4. overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank). Toetsing De kleinschaligheid van het landschap wordt in het besluitgebied en de omgeving vooral gevormd

14

door de verkaveling en de perceelsrandbeplantingen. Dit bestemmingsplan leidt op beide aspecten niet tot veranderingen. De hoeveelheid bebouwing neemt niet significant toe en de landschapsstructuur blijft verder ongewijzigd. Beken, griften en kanalen zijn in en direct om het besluitgebied niet aanwezig. Dit plan doet geen afbreuk aan de landschappelijke kwaliteiten die samenhangen met de Grebbelinie. Wonen, werken en recreëren Op de kaart ‘wonen, werken en recreëren’ is het besluitgebied gelegen binnen het landelijk gebied. Artikel 9.7 bepaalt hierover het volgende: 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten die toestaan dat: a. percelen voor specifieke stedelijke functies bestemmingen een andere stedelijke functie krijgen, niet zijnde permanente bewoning van een recreatiewoning, kantoor of detailhandel, onder de voorwaarde dat de functiewijziging naar aard en omvang, op basis van een integrale afweging, niet leidt tot vergroting van de locatie en tot een toename van de invloed op de omgeving, dat bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden worden behouden en dat omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd; b. stedelijke functies worden uitgebreid met maximaal 20% van de bebouwingsmogelijkheden onder het vigerende planologisch regime.

Van deze maximale uitbreiding kan afgeweken worden mits er sprake is van een economische noodzaak. Ook het bestemmingsvlak kan worden uitgebreid indien er sprake is van een economische noodzaak. 2. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing, waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Toetsing Met dit plan wordt een bestaande stedelijke functie uitgebreid, namelijk door de komst van het ontmoetingscentrum. Volgens artikel 9.7 is een uitbreiding van de bestaande bebouwingsmogelijkheden toegestaan. In het bestemmingsplan is geregeld dat de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen op de bestemming niet meer mag bedragen dan 1250 m2. Vermeerderd met 20% mag dit uitgebreid worden tot 1500 m2. Het nieuwe gebouw krijgt een oppervlakte van 235 m2 (inclusief overdekt terras). Dit past binnen de genoemde uitbreidingsruimte van 20%. De uitbreiding is ook op dit punt in lijn met de Interim Omgevingsverordening. Conclusie Deze ontwikkeling is in overeenstemming met de Interim Omgevingsverordening.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie landelijk gebied Op 1 februari 2018 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie landelijk gebied vastgesteld. Deze visie geeft tussen alle ruimtelijke aspecten van het gemeentelijk beleid (inclusief die uit het sociaal domein). De visie biedt tevens een kader voor het opstellen van omgevingsplannen en uitwerking in beleid op deelterreinen. De visie wordt beschreven voor zowel verschillende thema's als gebieden. Navolgend worden beide besproken. Visie op thema's De thema's uit de omgevingsvisie zijn als volgt: 1. Duurzame economische dragers van een vitaal platteland. 2. Herkenbare cultuurlandschappen. 3. Recreatieve kracht. 4. Gezond en duurzaam.

15

Toetsing De relevante thema's voor dit plan zijn recreatieve kracht en gezond en duurzaam. Met het thema recreatieve kracht wil de gemeente ervoor zorgen dat de (toenemende) recreatieve druk wordt opgevangen, dat er meer te doen is en het versterken van de toegankelijkheid van het landelijke gebied. Dit plan voorziet niet alleen voor een kinderdagverblijf, maar biedt ook de mogelijkheid tot recreatie voor andere doelgroepen, waaronder mensen met een beperking of dementie en vereenzaamde ouderen. Met het thema gezond en duurzaam is de visie om in 2040 energieneutraal te zijn en de gemiddelde gezondheid van de inwoners te verhogen. Dit plan zal zo veel mogelijk energieneutraal gerealiseerd worden en met de moestuin kunnen de verbouwde gewassen vervolgens in het ontmoetingscentrum als gerecht geserveerd worden. Dit draagt zowel bij aan het energieneutraal zijn als het verhogen van de gezondheid van de inwoners. Visie op gebieden Het besluitgebied is gelegen in het deelgebied 'randzone met slagenlandschap'. De doelen voor dit gebied zijn als volgt: • •

Behoud van zichtlijnen. Herkenbaar houden van de langgerekte (smalle) verkaveling, die kenmerkend is voor het slagenlandschap. Behoud en versterken van de ecologische kwaliteiten en het leggen van ecologische verbindingen d.m.v. het Groene Valleilint.

• • •

Ruimte reserveren voor vasthouden van water en waterberging. Behoud grondgebonden veehouderij als drager van het landschap. Versterken van de toegankelijkheid om recreatief medegebruik te faciliteren en verhogen van de maatschappelijke betrokkenheid bij het in stand houden van het landschap.

• •

Bekender maken van het verhaal van de Grebbelinie. Verstevigen van de groene basis van het gebied, waar dit niet contrasteert met de typische kenmerken van het slagenlandschap (bv. in het deel langs het Valleikanaal waar sprake is van een kampenlandschap en ten zuiden van de Tabaksteeg waar het slagenlandschap opvallend herkenbaar is. Toetsing Met dit plan wordt enkel in een nieuw ontmoetingscentrum annex kinderdagverblijf voorzien, als uitbreiding van een bestaand kinderdagverblijf. Dit zorgt niet voor een belemmering van de zichtlijnen. Verder is het voornemen om een ontmoetingsplek te realiseren. Verder zijn er geen doelen uit de omgevingsvisie in het geding met dit plan. Conclusie Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie landelijk gebied van de gemeente Leusden. 3.3.2 Dynamische duurzaamheidsagenda 2016-2030 De gemeenteraad heeft de Dynamische Duurzaamheidsagenda Leusden 2016 – 2030 vastgesteld. Doel is om uiterlijk in 2040 energieneutraal te zijn. Inzet vanuit de gemeente is om te komen tot energieneutrale gebouwen. Dus bijvoorbeeld uitgaan van all-electric (zonder gasaansluiting). Toetsing In voorliggend plan wordt een nieuw gebouw gerealiseerd voor het ontmoetingscentrum. Dit gebouw wordt energieneutraal gerealiseerd volgens energielabel A++++. Conclusie Dit plan is in overeenstemming met de Dynamische Duurzaamheidsagenda 2016-2030.

16

4. Uitvoerbaarheid en overige aspecten 4.1 Milieuaspecten Bodem Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het besluitgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde nieuwe functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone gronden te worden gerealiseerd. Door PJ Milieu B.V. is in 2016 een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd voor het besluitgebied. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 1. Uit dit onderzoek blijkt dat in het grondwater xylenen en in de vaste bodem minerale olie is aangetoond in een gehalte waarbij in lichte mate sprake is van verontreiniging. De bodemkwaliteit is hiermee voldoende voor de realisatie van het ontmoetingscentrum en de uitbreiding van het kinderdagverblijf. Daarom is een verder onderzoek niet nodig. Bodemkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van dit plan niet in de weg. Milieuzoneringen In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming wordt gebruik gemaakt worden van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering (2009)’.

Deze ontwikkeling voorziet in de vestiging van een milieubelastende functies: het ontmoetingscentrum en de kinderopvang. Daarom is alleen sprake van uitwaartse zonering. In de richtafstandenlijst van de VNG heeft de kinderopvang milieucategorie 2, met een bijbehorende richtafstand van 30 meter. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. De dichtstbijzijnde bebouwing is namelijk gelegen binnen het besluitgebied op ruim 35 meter afstand van het nieuwe gebouw. Milieuzoneringen vormen geen belemmering voor dit plan. Geluid Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de planologische medewerking aan nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het besluitgebied is alleen gelegen binnen de invloedssfeer van verkeersweg: de Zuiderinslag en de Hamersveldseweg. Daarom wordt alleen wegverkeerslawaai beschouwd. Het besluitgebied is gelegen binnen de invloedsfeer van de Hamersveldseweg en de Schoolsteeg. Beide wegen zijn 30 km/u wegen. Volgens de Wgh hoeft in principe geen akoestisch onderzoek plaats te vinden bij geluidsgevoelige functies langs woonerven en 30 km/u wegen, tenzij er sprake is van een weg met relatief veel verkeer. Dit plan introduceert een gebouw met daarin een kinderdagverblijf als geluidsgevoelige functie.

Deze komt aan de oostzijde van de perceelgrens te staan, op ruime afstand van de openbare wegen. Daarom is een akoestisch onderzoek niet nodig. Wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor dit plan. Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn eigen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu voldaan moet worden en waaraan in de toekomst voldaan moet worden. De belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving zijn fijnstof en stikstofdioxide. Een (luchtvervuilend) project is alleen toelaatbaar wanneer aannemelijk is gemaakt dat het project aan ten minste één van de volgende voorwaarden voldoet: - Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

17

-

Een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt alleen ‘niet in betekende mate (NIBM)’ bij aan de luchtverontreiniging; Een project is opgenomen in, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Dit plan voorziet in de realisatie van een ontmoetingscentrum annex kinderdagverblijf. De verkeersaantrekkende werking hiervan is dusdanig beperkt dat bij voorbaat worden aangenomen dat de effecten op de luchtkwaliteit daarvan lager zijn dan de projecten die per definitie niet in betekende mate bijdragen aan het verslechteren van de lucht kwaliteit, zoals een woningbouwlocatie met 1500 woningen en één ontsluitingsweg. Daarom kan redelijkerwijs worden geconcludeerd dat dit plan niet in betekende mate bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit en dat luchtkwaliteitsonderzoek daarom niet nodig is. Met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland van het RIVM is de luchtkwaliteit in beeld gebracht om te bepalen of ter plaatse van het nieuwe gebouw sprake is van een goed verblijfsklimaat. Op de kaart van 2020 blijkt dat voor fijnstof PM2,5 een concentratie is van 10-12 μg/m3. Op de kaart voor 2030 is dat <10 μg/m3. Voor fijnstof PM10 in 2020 is de concentratie <18 μg/m3 en voor 2030 blijft dat gelijk. Voor stikstofoxide was de concentratie in 2020 15-20 μg/m3. Voor 2030 is dat 10-15 μg/m3. Hiermee wordt (ruimschoots) aan de grenswaarden voldaan en is duidelijk dat de luchtkwaliteit in de toekomst zal verbeteren en niet zal verslechteren. Zowel in de huidige als toekomstige situatie is er sprake van een goed verblijfsklimaat.

Luchtkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van dit plan niet in de weg. Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Uitsnede risicokaart met het besluitgebied in rood aangeduid Het besluitgebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van Bevi-bedrijven en transportassen van

18

gevaarlijke stoffen. Externe veiligheidsrisico’s staan de uitvoerbaarheid van dit plan niet in de weg. Elektromagnetische velden In de nabijheid van het besluitgebied bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen. Zendmasten voor telecommunicatie zijn eveneens niet aanwezig. De dichtstbijzijnde mast staat op een afstand van meer dan 100 meter. Onderzoek naar elektromagnetische velden is niet nodig. Milieueffectrapportage Dit plan bevat geen activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel C of D van de bijlage in het Besluit milieueffectrapportage. Verder zijn milieueffecten in deze paragraaf onderzocht. Hieruit volgt geen aanleiding om tot een vormvrije m.e.r.-beoordeling over te gaan.

4.2 Erfgoed De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden, rekening te houden met de in de bodem aanwezige, dan wel te verwachten archeologische waarden. Dit is in lijn met het Europese Verdrag van Malta. Archeologie Door Synthegra B.V. is een bureau- en inventariserend veldonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 2. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het besluitgebied. Voor het besluitgebied gold op basis van het bureauonderzoek een middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum en mesolithicum en een lage verwachting voor nederzettingsresten uit het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen. Voor de late middeleeuwen en de nieuwe tijd gold een hoge verwachting. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van deze verwachting. Uit het veldonderzoek is gebleken dat door diepgaande verstoring de kans klein wordt geacht dat er binnen het besluitgebied een archeologische vindplaats aanwezig is. De verwachting is dat binnen het besluitgebied geen archeologische resten in situ aanwezig zijn, waardoor ook geen archeologische resten worden bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied.

Op grond van de resultaten uit het veldonderzoek kunnen de hoge archeologische verwachtingswaarden uit het bureauonderzoek naar laag worden bijgesteld. Op basis van de resultaten van het onderzoek adviseert Synthegra B.V. dat een nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is voor de uitvoering van dit plan. Cultuurhistorie De Modernisering van de Monumentenzorg (MoMo) heeft erin geresulteerd dat per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening is aangepast. Met deze aanpassing is cultureel erfgoed ingebed in de ruimtelijke ordening. Het is verplicht om in bestemmingsplannen aandacht te geven aan cultuurhistorie en de effecten van het initiatief op cultuurhistorische waarden die in het besluitgebied voorkomen. Daar waar nodig dient de bescherming van deze waarden ook te worden vastgelegd in het bestemmingsplan. Binnen het besluitgebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig.

4.2 Ecologie Door adviesbureau EcoTierra is een quickscan flora en fauna uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze quickscan is opgenomen als bijlage 3. Hieronder worden in het kort de bevindingen van dit onderzoek beschreven. Gebiedsbescherming Het besluitgebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De provincie hanteert geen externe werking als het gaat om het NNN, de Nee-tenzij toets is daarom niet aan de orde. Het besluitgebied is niet gelegen nabij een Natura 2000-gebied. Er zal daarom geen

19

rechtstreekse aantasting (veroorzaakt door bijvoorbeeld licht, trillingen, geluid of menselijke aanwezigheid) of indirecte aantasting (door bijvoorbeeld verdroging) plaatsvinden op beschermde gebieden plaatsvinden. Soortenbescherming Flora Tijdens het veldbezoek zijn er binnen het besluitgebied geen beschermde wilde vaatplanten aangetroffen. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten aangaande deze soortgroep. Fauna Voor vogels zijn er geen jaarrond beschermde nesten waargenomen binnen of nabij het besluitgebied. Vogelsoorten zonder jaarrond beschermd nest zullen waarschijnlijk broeden in de nabijgelegen opstallen, bomen en struiken. De ingrepen dienen daarom buiten het broedseizoen plaats te vinden (broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met augustus, afhankelijk van soort en weersomstandigheden). Het gaat erom of een broedgeval wordt verstoord of niet. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, dient voorafgaande aan de werkzaamheden onderzocht te worden of er geen broedgevallen significant worden verstoord door de werkzaamheden. Indien aan genoemde voorwaarden wordt voldaan zijn er geen negatieve effecten op vogels te verwachten. Voor vleermuizen, grondgebonden zoogdieren en amfibieën, reptielen en vissen zijn er geen negatieve effecten te verwachten, mits de zorgplicht wordt nageleefd.

De zorgplicht (artikel 1.11 Wnb) houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Naar alle verwachting zullen gebieds- en soortenbescherming de uitvoering van dit plan niet in de weg staan. Door adviesbureau Teus’ Advies is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 4. Uit de berekeningen voor zowel de aanleg- als gebruiksfase volgen geen toenames hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Natuurregelgeving staat de uitvoerbaarheid van dit plan niet in de weg.

4.4 Verkeer en parkeren Op basis van de parkeerkencijfers en verkeersgeneratie uit CROW-publicatie 381 is een inschatting te maken over de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie. Parkeren Dit plan voorziet in een nieuw ontmoetingscentrum en een uitbreiding van het kinderdagverblijf. Op basis van de parkeerkencijfers CROW-publicatie 381 is een inschatting gemaakt van de parkeerbehoefte De locatie is aan te merken als ‘matig stedelijk’ en ‘rest bebouwde kom’. Het nieuwe pand krijgt een totaal bvo van 600 m2. Hiervan is ongeveer 100 m2 het ontmoetingscentrum. Voor het ontmoetingscentrum (en daarmee de dagbesteding) zijn geen geschikte kengetallen beschikbaar. Daarom is daarvoor uitgegaan van de verwachte, feitelijke verkeersgeneratie: maximaal 2 bestelbusjes per dag. Voor het kinderdagverblijf is het kengetal van 1,5 parkeerplaats per 100 m2 bvo aangehouden. De totale toename van de parkeerbehoefte komt daarmee neer op 9,5 parkeerplaatsen. Het bestaande deel van het kinderdagverblijf heeft een bvo van 1200 m2, en kent daarmee een parkeerbehoefte van 18 parkeerplaatsen. Op het terrein zijn 52 parkeerplaatsen aanwezig. Dit is ruimschoots voldoende om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen. Verkeersgeneratie In de huidige situatie wordt het besluitgebied ontsloten via de Hamersveldseweg. Dit is geen rustige weg, maar knelpunten in de capaciteit zijn er niet.

Bezien over de hele dag is de verkeersgeneratie van het kinderdagverblijf beperkt. Alleen op werkdagen, in de ochtend tussen half 8 en half 9, is er een piek in de verkeersgeneratie, vanwege het brengen van de kinderen voor de dagopvang (de brengtijden zijn van 7:00 tot 9:00 uur). Het halen van de kinderen voor de dagopvang leidt tot een piek 20

aan het einde van de middag, vanaf ongeveer 5 uur tot half 6 (de haaltijden zijn van 16:30 tot 18:15 uur). Tijdens de haal- en brengtijden gaat het dan om het halen en brengen van maximaal 130 kinderen, die verdeeld zijn over 11 groepen. Buiten de pieken is de verkeersgeneratie beperkt: • • •

De groep voor de voorschoolse opvang wordt opgehaald met 1 of 2 bestelbusjes De groepen voor de buitenschoolse opvang worden, ’s middags tussen 2 en 4, opgehaald met twee bestelbussen en drie stints. Per dag zijn er hooguit 15 personeelsleden die per auto komen.

Ook voor de verkeersgeneratie is op basis van CROW-publicatie 381 inschatting gemaakt van de verkeersgeneratie. Voor het ontmoetingscentrum zijn geen geschikte kengetallen beschikbaar, maar wel is bekend dat deze functie straks per dag maximaal 4 verkeersbewegingen genereert. De cliënten van de dagbestedingen zullen met 1 of 2 bestelbusjes worden gehaald en gebracht, buiten de ‘piektijden’ van de dagopvang. Voor de uitbreiding van het kinderdagverblijf geldt het kengetal van 37,7 verkeersbewegingen per 100 m2 bvo. In totaal zouden de verkeersbewegingen daarmee toenemen met 192,5 verkeersbewegingen per etmaal. De Hamerveldseweg heeft voldoende capaciteit om deze extra verkeersbewegingen op te vangen. Feitelijk zal de verkeersgeneratie van het kinderdagverblijf in het nieuwe gebouw veel lager zijn dan de kengetallen aangeven. Het nieuwe gebouw lost in de eerste plaats een ruimteprobleem op in het bestaande gebouw. Daar is nu te weinig kantoorruimte en pauzeruimte aanwezig. Door groepen van de dagopvang naar het nieuwe gebouw te verplaatsen, kan dat probleem worden opgelost. Dat komt de kwaliteit van de dagopvang sterk ten goede. Per saldo biedt het nieuwe gebouw ruimte aan niet meer dan één groep (10 kinderen) extra. Dat zijn dan op zijn hoogst 26 verkeersbewegingen (10 kinderen die per auto worden gebracht en gehaald en 3 personeelsleden die per auto komen).

Bezien op de hele capaciteit van de Hamersveldseweg leidt het nieuwe gebouw tot een kleine en aanvaardbare toename van de verkeersintensiteit op die weg. Ten aanzien van verkeersveiligheid op het terrein zijn bij de inrit en op de parkeerplaats verkeersdrempels aangelegd. Daarnaast is een bord met daarop de maximumsnelheid geplaatst.

4.5 Waterparagraaf Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Voor dit plan is via www.dewatertoets.nl een digitale watertoets uitgevoerd. Het resultaat is opgenomen als bijlage 5. Hieruit is gebleken dat in het besluitgebied geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging liggen. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het deze plan een positief wateradvies gegeven. Met dit plan neemt de bebouwing toe door de realisatie van het ontmoetingscentrum. Het gebouw komt op een onverhard deel te staan. Er geldt dat een watercompensatie van 10% nodig is wanneer het verharde oppervlak met 1500 m2 binnen de bebouwde kom en 4600 m2 buiten de bebouwde kom toeneemt. Het plangebied is gelegen in het buitengebied, en door dit initiatief neemt het verhard oppervlak met circa 450 m2 toe tot circa 3965 m2.

Daarmee worden de genoemde ondergrenzen niet overschreden, en is watercompensatie niet noodzakelijk. Met de reeds uitgevoerde herinrichting is tevens de hoeveelheid bestrating op het besluitgebied aanzienlijk verminderd. Het verhard oppervlak op de voormalige gemeentewerf bedroeg namelijk circa 5600 m2.

21

Overzicht verhard oppervlak bestaande en nieuwe situatie Het hemelwater wat op de daken van de gebouwen valt wordt opgevangen en zal onder andere gebruikt worden voor de besproeiing van de tuinen. Verder zal, waar nodig en waar mogelijk, het hemelwater afgevoerd worden via de onverharde gronden richting de omliggende watergangen/bodems. De vuilwaterafvoer van het ontmoetingscentrum zal worden aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel.

4.5 Economische uitvoerbaarheid Dit plan leidt tot de bouw van een ontmoetingscentrum annex kinderdagverblijf. Het betreft een particulier initiatief waaraan geen kosten voor de gemeentelijke overheid verbonden zijn. Het is aannemelijk dat dit initiatief financieel-economisch uitvoerbaar is. Op basis van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), dient een exploitatieplan te worden vastgesteld op gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. In dit geval is er geen sprake van een bouwplan, zoals aangegeven in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor er ook geen sprake is van te verhalen kosten. Een exploitatieplan is niet noodzakelijk. Wel wordt er een planschadeverhaalovereenkomst afgesloten. Dit plan is een particulier initiatief en wordt door de initiatiefnemer voor eigen rekening en risico ontwikkeld. Voor de gemeente zijn daar verder geen kosten aan verbonden, afgezien van de ambtelijke kosten voor het in behandeling nemen. Die kosten worden op grond van artikel 2.8.1 van de Legesverordening 2021 door middel van leges gedekt. Met de initiatiefnemer is een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten. Eventuele planschade wordt hiermee afgewenteld op de initiatiefnemer. Gezien het voorgaande wordt geconcludeerd dat de economische uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan is verzekerd.

4.6 Participatie Bij de koop van de voormalige gemeentewerf en de komst van het kinderdagverblijf is het ontwikkelingsplan voor het besluitgebied getoond aan gemeente en omwonenden. De omwonenden zijn dus enkele jaren geleden reeds geïnformeerd over de komst van het ontmoetingscentrum. Voor aanvang van de procedure voor de omgevingsvergunning voor de realisatie van het ontmoetingscentrum zijn de buurtbewoners, via de overbuurvrouw als tussenpersoon, hierover recentelijk geïnformeerd. Hieruit zijn toen geen bezwaren, opmerkingen of vragen naar voren gekomen.

22

Tijdens de terinzagelegging van het ontwerpbesluit voor de omgevingsvergunning werd duidelijk dat er bij omwonenden toch zorgen en vragen leven over de ontwikkeling van het nieuwe gebouw. Ook werden zienswijzen ingediend. Naar aanleiding hiervan is overleg gevoerd met de diverse omwonenden. Alle bewoners binnen een straal van 150 meter tot het nieuwe gebouw zijn daarvoor toen uitgenodigd. De beide verslagen zijn toegevoegd als bijlage 6 en bijlage 7. Deze ruimtelijke onderbouwing is vervolgens ook aangepast en aangevuld naar aanleiding van de extra participatie. Zo wordt de ruimte voor de dagbesteding nu niet langer ‘kookstudio’ genoemd. Ook is overleg gevoerd met stichting De Boom. Naar aanleiding van het overleg met stichting De Boom is onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van de bouw van de geplande kelder, voor de waterhuishouding. Hieruit is gebleken dat die bouw mogelijk is zonder te grote, negatieve gevolgen voor de waterhuishouding, mits de nodige maatregelen getroffen worden. Verder is overleg gevoerd met stichting De Groene Belevenis. Zij zijn op de hoogte gebracht van de plannen en de aanpassingen daarin. Het plan was het bestuur van de stichting helder en zij hadden hier geen verdere vragen over. Het verslag is bijgevoegd als bijlage 8.

23

5. Conclusie Aan de Hamersveldseweg 105 in Leusden is momenteel een kinderdagverblijf gevestigd op een voormalig gemeentewerf. Initiatiefnemer is voornemens om een nieuw bedrijfsgebouw te realiseren, met daarin een ontmoetingscentrum en een kinderdagverblijf. Dit past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Om aan te tonen dat het initiatief wel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is, is deze ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Uit deze onderbouwing is gebleken dat het nieuwe gebouw landschappelijk goed ingepast kan worden. Het gebouw wordt passend gemaakt ten opzichte van de andere bebouwing en de omgeving. Zo is de aanwezige loods in hoevestijl gebracht door middel van potdekselwerk. Het nieuw te realiseren gebouw zal ook door middel van potdekselwerk in hoevestijl gebracht worden. Ook krijgt het gebouw dakpannen. Hierdoor passen zowel de bestaande als het nieuwe gebouw goed in de landelijke omgeving. Uit de beschrijving van het beleidskader is naar voren gekomen dat het initiatief in overeenstemming c.q. niet in strijd is met zowel het provinciale als gemeentelijke beleid. Artikel 9.7 van de Interim Omgevingsverordening stelt dat een uitbreiding van de bestaande bebouwingsmogelijkheden met 20% is toegestaan. Hieraan wordt aan voldaan. Ook uit de uitvoerende beschouwing blijkt dat er geen aspecten zijn die de uitvoerbaarheid van dit plan in de weg staan.

Daarmee is dit plan in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.

24

Bijlagen

25

Bijlage 1 Bodemonderzoek

VERKENNEND BODEMONDERZOEK Hamersveldseweg 105 Leusden

kenmerk PJ Milieu BV: 1662101A

opdrachtgever:

Gemeente Leusden te Leusden

datum rapport:

9 november 2016

kenmerk:

1662101A

status:

Definitief

uitgevoerd door:

PJ Milieu BV

projectleider:

ing. M.J. Gorter | gorter@pjmilieu.nl

rapporteur:

ing. M.J. Gorter

autorisatie:

ir. H.J.R. van Dasselaar

PJ Milieu BV | Nijverheidsstraat 21 | 3861 RJ Nijkerk | 033-2458511 | info@pjmilieu.nl | www.pjmilieu.nl

INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING ........................................................................................................ 3 1

INLEIDING ........................................................................................................... 4

2

VOORONDERZOEK ................................................................................................ 5 2.1 Werkwijze ................................................................................................... 5 2.2 Resultaten vooronderzoek ............................................................................. 5 2.2.1 Onderzoekslocatie .............................................................................. 5 2.2.2 Omgeving.......................................................................................... 6 2.3 Hypothese en onderzoeksopzet ...................................................................... 6

3

VELDONDERZOEK ................................................................................................. 9 3.1 Uitvoering ................................................................................................... 9 3.2 Resultaten .................................................................................................. 9

4

LABORATORIUMONDERZOEK ................................................................................ 11 4.1 Uitvoering .................................................................................................. 11 4.2 Analyseresultaten ....................................................................................... 11

5

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ......................................................................... 13 5.1 Conclusies.................................................................................................. 13 5.2 Aanbevelingen ............................................................................................ 13

BIJLAGEN 1 | Boorprofielen met legenda en verklaring onafhankelijkheid uitvoering veldwerk 2 | Analysecertificaten 3 | Toetsing analyseresultaten 4 | Algemene achtergrondinformatie 5 | Toetsingskader 6 | Kadastrale kaart, topografisch overzicht en tekening

Verkennend bodemonderzoek

SAMENVATTING1 In oktober 2016 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie bevindt zich ter plaatse van de Hamersveldseweg 105 te Leusden. Aanleiding tot het uitvoeren van het onderzoek is een voorgenomen onroerende zaak transactie (verkoop). De onderzoeksresultaten worden tevens geïnterpreteerd met het oog op het mogelijk toekomstige gebruik (wonen). In tabel 1 zijn de uitvoering en de resultaten van het onderzoek schematisch weergegeven. Tabel 1

Onderzoeksopzet, resultaten voor- en bodemonderzoek

Onderzoeksopzet Vooronderzoek uitgevoerd

NEN 5725, standaard vooronderzoek

Strategie bodemonderzoek

NEN 5740, verdachte locatie

Vooronderzoek Oppervlakte onderzoekslocatie

Circa 6700 m²

Gebruik locatie

Voormalige gemeentewerf met o.a. een voormalige gemeenteloods, een kapschuur voor de stalling van zoutstrooimachines, een kleine kapschuur en een kantoorgebouw.

Bijzonderheden

Nabij de voormalige gemeenteloods bevindt zich een spoelplaats met olie-afscheider

Bodemonderzoek Bodemopbouw tot 2,6 m-mv

Zand en veen met een humeuze bovenlaag

Grondwaterstand

Circa 0,96 m-mv

Bijmengingen of bijzonderheden

Bijmengingen met baksteen, puin en kolen

Analyseresultaten

bovengrond

Geen verhoogde gehalten

ondergrond

Licht: minerale olie (55)

grondwater

Licht: xylenen (1,8)

Eindconclusie Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' ten aanzien van deellocatie A stand houdt. Xylenen zijn in het grondwater aangetoond in een gehalte waarbij in lichte mate sprake is van verontreiniging. Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'onverdachte locatie' tenzien van deellocatie B geen stand houdt. In de vaste bodem is minerale olie aangetoond in een gehalte waarbij in lichte mate sprake is van verontreiniging. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor een voorgenomen onroerende zaak transactie (verkoop). Aanbevelingen De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om aanvullend of nader bodemonderzoek te adviseren. Bij afvoer van grond of verhardingsmaterialen van de locatie kan een aanvullend onderzoek verlangd worden.

1

Voor een juiste interpretatie van de uitvoering en resultaten van het onderzoek dient de gehele rapportage te worden gelezen

1662101A | Hamersveldseweg 105 Leusden

3

Verkennend bodemonderzoek

1

INLEIDING

In opdracht van Gemeente Leusden te Leusden is door PJ Milieu BV in oktober 2016 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie bevindt zich ter plaatse van de Hamersveldseweg 105 te Leusden. Aanleiding Aanleiding tot het uitvoeren van het onderzoek is een voorgenomen onroerende zaak transactie (verkoop). De onderzoeksresultaten worden eveneens geïnterpreteerd met het oog op het mogelijke toekomstige gebruik (wonen). Doelstelling Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit. Een nadere uitwerking van de doelstelling is omschreven in paragraaf 2.3. Normering en verantwoording Voor een adequate invulling van veld- en laboratoriumonderzoek is locatiespecifieke informatie verzameld. De te hanteren werkwijze voor uitvoering van dit historisch onderzoek is gebaseerd op de NEN 57252. Het aansluitend uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is gebaseerd op de NEN 57403. Indeling rapport In de rapportage worden de wijze van uitvoering en de resultaten van het onderzoek besproken. Op de volgende pagina’s geven wij de resultaten van het vooronderzoek en het veld- en laboratoriumonderzoek weer. Het rapport sluit af met conclusies en aanbevelingen. Dit onderzoek is uitgevoerd met de grootst mogelijke nauwkeurigheid en conform de daarvoor opgestelde normen en richtlijnen.

Desondanks dient opgemerkt te worden dat een bodemonderzoek slechts bestaat uit een steekproef, waarbij een relatief gering aantal boringen en analyses uitgevoerd worden. Het kan niet geheel uitgesloten worden dat op de locatie een verontreiniging aanwezig is, die bij dit onderzoek niet aangetroffen is. Tenslotte wordt opgemerkt dat PJ Milieu BV geen financieel of zakelijk belang heeft bij de kwaliteit van de onderzochte locatie.

2

3

NEN 5725, Bodem. Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek, Delft 2009 NEN 5740, Bodem. Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, Delft 2009

1662101A | Hamersveldseweg 105 Leusden

4

Verkennend bodemonderzoek

2

VOORONDERZOEK

2.1

Werkwijze

Het vooronderzoek heeft betrekking op de onderzoekslocatie en de omgeving. De volgende bronnen zijn geraadpleegd:  het Kadaster;  de opdrachtgever/ de gemeente;  het Bodemloket en andere websites;  de Grondwaterkaart van Nederland. Voorafgaand aan de uitvoering van het bodemonderzoek zijn de onderzoekslocatie en de omgeving geïnspecteerd. Onder bijlage 6 zijn opgenomen:  een kadastrale kaart;  het topografisch overzicht;  een situatietekening. In paragraaf 2.2 wordt het één en ander beknopt verwoord en geïnterpreteerd weergegeven. Daarnaast wordt relevante aanvullende informatie verstrekt. 2.2

Resultaten vooronderzoek

2.2.1 Onderzoekslocatie Topografische en algemene gegevens Enkele (topografische) gegevens van de onderzoekslocatie zijn weergegeven in tabel 2. Tabel 2

Topografische en algemene gegevens locatie

Algemeen Adres onderzoekslocatie

Hamersveldseweg 105 Leusden

Gemeente

Leusden

Kadastrale aanduiding

Gemeente Leusden, sectie I, perceel 104

Artikel 55

Ten aanzien van dit perceel zijn geen aantekeningen in het kader van het artikel 55 Wet bodembescherming opgenomen. Dit houdt in dat bij het Kadaster geen bodeminformatie geregistreerd is

Oppervlakte perceel

28.130 m²

Oppervlakte onderzoekslocatie

Circa 6.700 m²

X-coördinaat

157.839

Y-coördinaat

459.491

Huidig gebruik Op Hamersveldseweg 105 is een voormalige gemeentewerf gesitueerd. Het overige deel van het perceel, welke niet zal worden onderzocht, is in gebruik door de Stichting ‘De Groene Belevenis’. Voormalige gemeentewerf bestaat o.a. uit een voormalige gemeenteloods, een kapschuur voor de stalling van zoutstrooimachines, een kleine kapschuur en een kantoorgebouw. Nabij de voormalige gemeenteloods bevindt zich een spoelplaats met olieafscheider. De locatie is voorzien van een klinker- en asfaltverharding. Tijdens de visuele inspectie van de locatie zijn geen andere bodembedreigende activiteiten aangetroffen. Te denken valt hierbij aan (ondergrondse) brandstoftanks of een relevante opslag van vloeistoffen. De locatie maakt een verzorgde indruk. In bijlage 6 is een situatietekening opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/3703/documents/40241