CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

2026-02-05 Bijlage bij RIB Uitgaande brief Provincie Utrecht - Zienswijze ontwerpen UPLG POVI POV.pdf

BOB-avond beeld- en oordeelsvormende sessies 12 februari 2026, gemeente LeusdenBij agendapunt: 3: Zienswijzeprocedure UPLG, POVI en POV4.787 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bezoekadres ’t Erf 1 3831 NA Leusden

Postadres Postbus 150 3830 AD Leusden

Telefoon 14 033 gemeente@leusden.nl www.leusden.nl

Provincie Utrecht College van Gedeputeerde Staten Postbus 80300 3508 TH Utrecht

Uw brief van:

Zaaknummer:

294551

Behandeld door:

P. Leijenaar en D. Stolker

Uw kenmerk:

Telefoonnummer:

14033

Verzonden:

- februari 2026

Onderwerp: Zienswijze ontwerpen Utrechts Programma Landelijk Gebied, Provinciale Omgevingsvisie en Provinciale Omgevingsverordening. Geachte college, Wij reageren met deze zienswijze op de ontwerpen voor POVI, POV en UPLG van de Provincie Utrecht. Het is van groot maatschappelijk belang om de provincie Utrecht van het slot te halen. Het initiatief van de Provincie Utrecht om dit met het ontwerp-UPLG te doen wordt zeker door ons gewaardeerd. Er is veel onduidelijk en daarmee bestaat er veel onzekerheid onder partijen. Dit vormt een grote rem op het ondernemend en innoverend vermogen van de samenleving waardoor grote vraagstukken niet tot een oplossing komen. Doelen op basis van de (Europese) wet- en regelgeving voor onder andere stikstof en de Kaderrichtlijn Water (KRW) worden niet gerealiseerd. Dit vormt een rem op het realiseren van woningbouw en infrastructuur en de vergunningverlening voor PAS-melders (veehouders die buiten hun schuld om niet over een adequate vergunning beschikken vanwege de stikstofproblematiek) komt niet van de grond. Een situatie die de samenleving ontwricht en al veel te lang duurt. Grote zorgen over het draagvlak en de haalbaarheid van het onrtwerp-UPLG. Om de provincie van het slot te halen wil de Provincie Utrecht voortvarend aan de slag met de groenblauwe versterking van het buitengebied en de transitie van de landbouw.

Wij onderschrijven dit belang. De provincie stelt dat de maatregelen daarvoor concreet zijn uitgewerkt en perspectief bieden voor een vitaal en toekomstbestendig buitengebied. Wij moeten helaas onze grote zorgen over het draagvlak voor en de haalbaarheid van de ontwerpen aan u voorleggen, en in het verlengde daarvan de betekenis van de ontwerpen voor een daadwerkelijk vitaal en toekomstbestendig buitengebied. Die zorgen worden hierna onderbouwd.

De centrale boodschap van het college Leusden aan de Provincie Utrecht. Het is cruciaal dat de Provincie Utrecht de periode tot de vaststelling van de definitieve plannen (tweede helft 2026) benut om in afstemming met het Rijk en in samenwerking met de stakeholders (onder andere de agrarische organisaties), het waterschap en de gemeenten te werken aan herstel van vertrouwen via gezamenlijke planvorming, dit met als inzet plannen die op draagvlak, financiële haalbaarheid en rechtszekerheid kunnen rekenen. Dit gaat dus verder dan het opstellen van een commentaarnota voor de ingediende zienswijzen over het ontwerp-UPLG. De haalbaarheid van de uitvoering van het ontwerp-UPLG voor de periode 2026-2035 is kwetsbaar en onzeker. De beschikbare financiële middelen schieten zwaar tekort, zijn maar tot 2028 gegarandeerd waardoor ambities en middelen niet in balans zijn. Daarnaast stelt de provincie dat de uitvoering sterk afhankelijk is van de medewerking van het Rijk en die is niet gegarandeerd/onzeker. De agrarische organisaties stellen dat het ontwerp-UPLG geen toekomstbestendig economisch perspectief biedt voor de landbouw. Wij moeten helaas constateren dat er geen sprake is van draagvlak onder de landbouw. LTO Noord wijst op de mentale impact op boeren en hun gezinnen van plannen die veel op het spel zetten zonder voldoende zekerheden/perspectief te bieden.

Wij onderkennen dat de impact hiervan groot is en nadrukkelijk aandacht vraagt van de overheid bij het maken van plannen. Wij willen benadrukken dat de negatieve sociaaleconomische gevolgen van bovenstaand groot kunnen zijn. Daarom onze oproep de komende periode te benutten voor het maken van een UPLG dat wel kan bogen op daadwerkelijk toekomstperspectief met voldoende draagvlak. En actief te blijven toezien op de sociaal economische gevolgen en waar nodig bij te sturen in actief overleg met betrokken partijen. Draagvlak voor gebiedsgerichte aanpak ontbreekt. Wij betreuren dat dit ontwerp-UPLG niet bijdraagt aan het benodigde draagvlak om via een gebiedsgerichte aanpak en op basis van vrijwilligheid te werken aan de groenblauwe versterking en omslag van de landbouw. De provincie stelt zelf dat draagvlak onder de landbouw cruciaal is om ambities en doelen te realiseren. En dus is het van belang dat het UPLG de basis legt voor samenwerking tussen de landbouw en de partijen die zich inzetten voor de groenblauwe versterking. In de gemeente Leusden hebben we laten zien dat het kan! De Gelderse Vallei gemeenten delen dezelfde grote zorgen. Wij hebben bestuurlijk overleg met andere gemeenten in de Gelderse Vallei en constateren dat deze gemeenten gelijkluidende zienswijzen zullen indienen.

De inhoud van de zienswijze van de Regio Amersfoort, waar de gemeente Leusden onderdeel van uitmaakt, zal op hoofdlijnen eenzelfde inhoud kennen als die van de gemeente Leusden. De Gelderse Vallei gemeenten overwegen een gezamenlijke aanpak in de richting van de Provincie Utrecht. Het vervolg van onze zienswijze bestaat uit de volgende onderdelen: • Zienswijze op ontwerp Utrechts Programma Landelijk Gebied; • Zienswijze op ontwerp Provinciale Omgevingsvisie; • Zienswijze op ontwerp Provinciale Omgevingsverordening; • Nadere duiding/toelichting op zienswijze ontwerp-UPLG.

Pagina 2

Zienswijze op ontwerp-UPLG. De provincie kent prioriteit toe aan het halen van de doelen voor stikstof en waterkwaliteit (Kader Richtlijn Water) en pakt dit langs twee sporen. Via het spoor van een groenblauwe versterking van het buitengebied en het spoor van een omslag van de landbouw naar circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en diervriendelijk via onder andere een generieke aanpak voor stikstof. De provincie stelt dat het ontwerp-UPLG een goed doordachte en integrale inhoud bevat die perspectief biedt voor de landbouw, een resultaat van drie jaar overleg met vertegenwoordigers van agrarische organisaties. Dit is van belang omdat de provincie onderkent dat het draagvlak onder de boeren essentieel is voor de uitvoering van het ontwerp-UPLG. De praktijk van de afgelopen twee maanden laat echter een heel ander beeld zien. De landbouw ziet nauwelijks perspectief in het ontwerp-UPLG. Het grote gebrek aan draagvlak onder de landbouw en de afhankelijkheid van het Rijk maken de haalbaarheid van het ontwerp-UPLG erg kwetsbaar. LTO Noord en LTO Gelderse Vallei stellen het door de provincie veronderstelde draagvlak nadrukkelijk ter discussie, zien in de plannen geen toekomstbestendig perspectief voor de landbouw en voelen zich niet serieus genomen.

Wij begrijpen dat er tot aan de 90% versie van het ontwerp-UPLG inderdaad overleg was tussen de provincie en de agrarische organisaties, maar daarna heeft de provincie zelfstandig gewerkt aan de 100% versie. Met de laatste 10% heeft het ontwerp-UPLG een inhoud gekregen die volgens de agrarische organisaties zeer nadelig uitpakt voor de landbouw, geen toekomstbestendig perspectief biedt. Dit terwijl de provincie zelf stelt dat een economisch rendabele en duurzame landbouw voor de lange termijn de basis vormt voor een gezond en leefbaar landelijk gebied. Daarnaast stelt de provincie dat de haalbaarheid van het ontwerp-UPLG sterk afhankelijk is van het Rijk, bijvoorbeeld voor: • Generiek beleid en maatregelen om emissies en depositie van stikstof op een geborgde wijze en juridisch houdbaar terug te dringen; • Voldoende instrumenten voor een goed en langjarig verdienvermogen van de agrarische sector bij hun ontwikkeling naar een meer natuurinclusieve en circulaire landbouw en voor de ecosysteemdiensten die zij daarbij kunnen vervullen; • Een nieuw transitiefonds voor het buitengebied (huidige demissionaire regering heeft dit geschrapt). Vormen de plannen een kans of bedreiging voor het Leusdense buitengebied? Er is meer duidelijkheid en zekerheid nodig.

De vitaliteit en toekomstbestendigheid van het prachtige kleinschalige agrarische cultuurlandschap in Leusden staat mogelijk op het spel. Wij kunnen niet goed overzien wat de consequenties van alle onduidelijkheid en onzekerheid kunnen/zullen zijn voor de plannen van de Provincie Utrecht met het beekdallandschap in Leusden, een van de vier door de provincie als prioritair aangemerkte gebieden. Het beekdallandschap beslaat bijna het hele agrarisch buitengebied van Leusden. De oplossingen die de provincie aandraagt en de haalbaarheid daarvan zullen sterk worden beïnvloed daar het nieuwe regeerakkoord. Het adaptief programmeren dat de provincie wil hanteren bij de uitvoering van het ontwerpUPLG, dus het gaandeweg inspelen op onder andere landelijke ontwikkelingen, kan het risico niet uitsluiten dat partijen onderweg onherstelbare schade oplopen wanneer de

Pagina 3

spelregels radicaal moeten worden bijgesteld. Bijvoorbeeld wanneer de kaders veranderen en er veel minder geld dan nodig beschikbaar komt. Wij maken ons zorgen over de grote stapeling van ambities en doelen uit het ontwerpUPLG en wat dat betekent voor het economisch perspectief en het behoud van een vitaal en toekomstbestendig buitengebied? De ruimte staat nu al zwaar onder druk. Wij zijn voorstander van het samengaan van een groenblauwe versterking met economisch perspectief voor de landbouw, waarbij de voedselproductie in Leusden toekomst heeft. De boeren in Leusden zijn samen met de grote landgoederen de beheerders van het buitengebied en dus moeten de plannen van de provincie hen toekomstperspectief bieden. Dit is essentieel voor een vitaal en toekomstbestendig buitengebied. Het beekdallandschap vormt reeds nu een prachtig buitengebied met veel groenblauwe waarden. Ondernemers en de gemeente Leusden werken actief mee aan de versterking van de groenblauwe dooradering in het belang van de basiskwaliteit natuur. Er zijn grote investeringen gedaan voor het Groene Valleilint waardoor het Natuurwerk Nederland stevig is gepositioneerd in Leusden. Leusden beschikt al over waterbergingsgebieden bij het Valleikanaal (wat tot langlopende juridische procedures heeft geleid).

Maar het is ook een gebied waarbinnen zo’n 60 veehouders (bijna allemaal melkveehouderijen) een inkomen moeten verdienen wat nu al een grote uitdaging vormt. De stellingname van de Provincie Utrecht over het niveau van samenwerking bij het maken van het ontwerp-UPLG komt niet overeen met de praktijk. Volgens de Provincie Utrecht is het ontwerp-UPLG tot stand gekomen na drie jaar intensieve samenwerking met agrariërs, natuurorganisaties, waterschappen, gemeenten, inwoners en deskundigen. Wij zijn van mening dat er niet over de volle breedte sprake is geweest van intensieve samenwerking, niet met de gemeenten en zeker niet met ondernemers en inwoners, bijvoorbeeld voor de aanwijzing van essentiële percelen natuur (met schadeloosstelling). Wij roepen de provincie op zich maximaal in te spannen om de “essentiële natuur (met schadeloosstelling)” op vrijwillige basis te realiseren en in goed overleg met de boeren tot acceptabele oplossingen te komen. Meerdere boeren in Leusden worden verplicht om weiland om te zetten/te laten omzetten naar natuur. Dit geldt voor smalle stroken bij de beken (Barneveldsebeek en Moorsterbeek) om te kunnen voldoen aan de eisen van de KRW. De provincie wil dit op basis van vrijwilligheid doen, desnoods met dwang (onteigening).

De boeren hebben de grond hard nodig om te kunnen extensiveren en zullen gecompenseerd willen worden voor het verlies hiervan (met grond). Wij betreuren het dat de aanpak van de provincie uit niet meer dan een brief aan de betreffende boeren bestond die veel vragen opriep. Na de brief heeft de provincie niet het initiatief genomen voor aanvullende communicatie richting die boeren. Daarom hebben wij de provincie opgeroepen tot gerichte actie, proactief in plaats van reactief handelen. De provincie lijkt hiervoor nu stappen te zetten.

Pagina 4

Wij verzoeken u toe te zien op het actueel zijn van gebruikte data en aannames en de door u aangehaalde monitoring actief te doen. Wij vinden het zorgelijk dat in de “opgavekaart duurzame landbouw” op pagina 66 van de ontwerp-POVI staat dat Leusden tussen de Moorster- en Modderbeek een cluster pluimveehouderij heeft. Daar is nauwelijks pluimvee aanwezig! Dit is een gebied met overwegend melkveehouderijen, wat voor heel Leusden geldt. Dit is zorgelijk omdat hiermee een verkeerd beeld van de veehouderij in Leusden wordt gegeven en dit vragen oproept. Kan Regionale Stuurgroep Oost haar rol en taken waarmaken? Op basis van de ervaring van de afgelopen jaren vragen wij ons af of de Regionale Stuurgroep Oost de rol en taken die aan haar worden toebedeeld kan waarmaken. Dit gelet op de omvang en samenstelling van deze stuurgroep.

Pagina 5

Zienswijze op ontwerp-POVI. Wij onderschrijven het belang van de provinciale ambities zoals verwoord in de ontwerp visie. Wij zien echter op enkele onderdelen aanleiding om nadere aandacht en verduidelijking te vragen. We constateren dat de omgevingsvisie een duidelijke stap heeft gemaakt: het verbreden naar thema's op het gebied van gezondheid, welzijn en (inwoners)vitaliteit krijgt meer aandacht, wat wij positief waarderen. Tegelijkertijd merken wij dat deze verbreding gepaard gaat met een stapeling van doelstellingen en eisen (waarover we ook zienswijze indienen in het kader van de ontwerp provinciale verordening). Dit leidt tot spanning in de uitvoerbaarheid en vraagt om een zorgvuldige afweging. In het vervolg van deze zienswijze lichten wij enkele punten toe waar wij verduidelijking of heroverweging noodzakelijk achten. 1. Bodemenergie en grondwaterbescherming Op kaart 6 (paragraaf ‘Duurzaam en robuust bodem- en watersysteem’) wordt aangegeven dat de provincie bevoegd gezag is voor open bodemenergiesystemen (WKO) en dat deze niet zijn toegestaan in grondwaterbeschermingsgebieden. Wij merken op dat op deze kaart uitsluitend zones binnen de provincie Utrecht zijn opgenomen. De provincie Gelderland heeft echter De Glind als zoekgebied voor drinkwatervoorziening aangewezen. Wij vragen of en hoe hier geen rekening mee moet worden gehouden. 2.

Huisvesting ouderen en aandachtsgroepen De provincie ziet voor zichzelf een toetsende rol bij huisvesting van ouderen en aandachtsgroepen en verwijst naar de provinciale behoefteraming. Wij constateren dat de opgave voor ouderen nu wordt gepresenteerd als een netto-uitbreidingsvraag. Dit achten wij te beperkt. Het moet ook mogelijk zijn om deze opgave te realiseren door aanpassingen in de bestaande voorraad, bijvoorbeeld door appartementencomplexen geschikt te maken voor geclusterd wonen. Wij verzoeken deze verbreding expliciet op te nemen in de omgevingsvisie. 3. Betaalbare woningbouw en sociale huur In paragraaf ‘4.6.1 Wonen en volkshuisvesting’ kan de huidige formulering de indruk wekken dat naast de eis van twee derde betaalbare woningen óók nog eens 30% sociale huur moet worden gerealiseerd (“twee derde in het betaalbare segment en 30% in de categorie sociale huur”). Wij adviseren duidelijk te maken dat sociale huur onderdeel is van de twee derde betaalbare woningbouw. 4. Haalbaarheid van ambities en prioritering De visie legt een combinatie van ambities neer: 2/3 betaalbare woningen (inclusief 30% sociale huur), toekomstbestendig, natuurinclusief, passend bij doelgroepen (zoals zorgwonen), en netbewust. Wij onderschrijven deze ambities, maar signaleren spanning in de haalbaarheid, met name door de betaalbaarheid en hoge grondprijzen.

Wij vragen hoe de provincie met deze spanning omgaat en welke prioriteiten worden gesteld wanneer ambities niet gelijktijdig haalbaar blijken. 5. Relatie tussen wonen en zorg Wij waarderen dat de provincie de koppeling legt tussen het fysieke en sociale domein. In de praktijk merken wij echter dat de dynamiek in de vraag naar wonen en zorg en de

Pagina 6

snelheid van aanpassing van de woningvoorraad niet synchroon lopen. Wij vragen aandacht voor hoe de provincie dit wil adresseren in planning, realisatie en afspraken. 6. Basisvoorzieningen bij toekomstbestendige woonwijken Bij ambities van paragraaf ‘4.6.1 Wonen en volkshuisvesting’ wordt gesproken over het realiseren van toekomstbestendige woningen en woonwijken met (basis)voorzieningen. Wij verzoeken om verduidelijking welke voorzieningen de provincie hierbij voor ogen heeft. 7. Opgaven voor windenergie Wij hebben moeten constateren dat in de uitwerking van de windenergieopgave niet langer wordt uitgegaan van het herkenbaar houden van bestaande ruimtelijke structuren. In plaats daarvan lijkt gekozen te worden voor clustering van windturbines. Wij verwachten dat deze benadering leidt tot een grote ruimtelijke en landschappelijke impact en een aanzienlijke belasting van de leefomgeving. Wij verzoeken de provincie deze keuze te heroverwegen en het uitgangspunt van herkenbaarheid van bestaande structuren opnieuw leidend te maken. Eén van de clusters van windturbines is het Moorsterbeekgebied in onze gemeente. Wij hebben u op 5 juli 2024 een brief gestuurd (zie bijlage) met het verzoek het Moorsterbeekgebied als meest kansrijk gebied voor windenergie te schrappen. Wij hebben op deze brief geen antwoord ontvangen.

En zijn dan ook onaangenaam verrast dat dit gebied alsnog in de POVI is opgenomen als één van de clusters voor windenergie. De rust, ruimte, stilte, de natuurwaarden, het mozaïeklandschap, de recreatieve potentie en de cultuurhistorische waarden worden zowel door de provincie als de gemeente als heel belangrijk aangemerkt voor dit gebied. Wij verzoeken de provincie het Moorsterbeekgebied niet op te nemen in de POVI. 8. WHO-advieswaarden geluid De ambities om te voldoen aan WHO-advieswaarden voor geluid zijn zeer streng en lijken niet haalbaar, met name voor bestaande woningen nabij ontsluitingswegen. De huidige formulering gaat uit van verplicht voldoen in bepaalde jaren, terwijl dit beter als streven kan worden geformuleerd. Wij vragen om heroverweging van: 2040: Maximaal 60 dB voor bestaande woningen is te laag; uitgangspunt zou moeten zijn ‘niet hoger dan nu’. 2050: Voldoen aan WHO-advieswaarden kan onnodige beperkingen opleveren voor ruimtelijke inrichting. 2030: WHO-advieswaarden voor nieuwbouw (53 dB(A) dag, 45 dB(A) nacht) zijn praktisch niet haalbaar nabij ontsluitingswegen. Wij zetten ons sowieso in voor het voldoen aan binnenwaarden geluid voor onze inwoners. 9.

Aandacht voor woningbouw en innovatielocaties In de opgavenkaart Wonen en volkshuisvesting zien wij – zoals verwacht op basis van het Provinciaal Programma Wonen Werken – de beoogde woningbouwlocaties van Leusden en Achterveld terug. Wat hier nog niet in is meegenomen is onze ambitie om binnen de bebouwingsenclave Stoutenburg een verdichting plaats te laten vinden (30 woningen binnen de bestaande woningbouwstructuur) en bij Achterveld Noordwest een woningbouwlocatie te ontwikkelen. Achterveld Noordwest is aangemeld in het kader van de PPWW. Zowel de uitbreiding van Achterveld Noordwest als de toevoeging in Stoutenburg

Pagina 7

zien wij als belangrijke ontwikkelingen in het kader van de vitaliteit van onze gemeente en willen deze daarom hier nogmaals onder de aandacht brengen. Tot slot willen wij nog de volgende opmerking maken. Een groei in woningen en inwoners vraagt ook een groei aan werkgelegenheid. In onze gemeente zien wij op verschillende plekken hoogwaardige ontwikkelingen op het gebied van innovatie, die noodzakelijk zijn voor een vitaal en toekomstbestendig ondernemingsklimaat. Dit vraagt flexibiliteit en ruimte voor (nieuwe) bedrijvigheid. Wij zijn dan ook blij met de aandacht voor innovatielocaties in de omgevingsvisie, en zetten graag met de provincie de gesprekken voort om hier invulling aan te geven. Afsluiting

Wij vragen de provincie om bovenstaande punten mee te nemen in de verdere uitwerking van de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening, zodat de ambities niet alleen richtinggevend zijn, maar ook uitvoerbaar en realistisch blijven. Verder brengen bij het milieuadvies van de Omgevingsdienst Utrecht onder uw aandacht. Dit advies is als bijlage opgenomen.

Pagina 8

Zienswijze op ontwerp-POV. Wij waarderen de inzet van de provincie om duidelijke kaders te stellen, maar constateren dat enkele bepalingen in de huidige vorm knelpunten kunnen opleveren voor ruimtelijke en mobiliteitsontwikkelingen. Hieronder lichten wij onze opmerkingen per hoofdstuk/artikel toe. Hoofdstuk 4 Bereikbaarheid en infrastructuur In de artikelen 4.1, 4.3, 4.5, 4.6 en 4.8 worden wijzigingen doorgevoerd in de artikel, mede vanuit het oogmerk het behoeden van de staat en een doelmatige en veilige werking van een provinciale weg voor nadelige gevolgen. Daarmee lijkt te worden geïmpliceerd dat elke extra auto of fietser als nadelig effect wordt gezien (bijvoorbeeld door het verwijderen van “mogelijk” in artikel 4.1 lid 3). Betekent dit dat groei op het provinciale wegennet niet meer mogelijk is? Wij verzoeken om verduidelijking. Afdeling 5.3 Energietoets De voorgestelde toets kan bijdragen aan een betere afstemming van nieuwbouwontwikkelingen op de beschikbare capaciteit van het elektriciteitsnetwerk. Wij onderschrijven het belang hiervan en zien dit als een noodzakelijk instrument om nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te blijven maken. Tegelijkertijd constateren wij dat onduidelijk is hoe de energietoets inhoudelijk wordt vormgegeven. Een nadere toelichting ontbreekt, waardoor het voor ons niet mogelijk is om hier inhoudelijk op te reageren.

Wij verzoeken de provincie om duidelijkheid te geven over de opzet, reikwijdte en beoordelingscriteria van deze toets. Daarnaast wordt de energietoets onderdeel gemaakt van de omgevingsvergunning. Dit roept vragen op over de wijze waarop deze toets door gemeenten moet worden ingebed in het vergunningproces, alsmede over de verantwoordelijkheden ten aanzien van toezicht en handhaving. Wij achten het wenselijk dat de provincie hierin een duidelijke rol vervult, zowel door gemeenten handelingsperspectief te bieden bij de toepassing van de toets als door de handhaving op zich te nemen. Voor de volledigheid merken wij op dat de invoering van deze toets extra capaciteit vraagt van gemeenten en netbeheerders. In de huidige context van beperkte personele en uitvoeringscapaciteit vormt dit een aandachtspunt bij de uitvoering van de regeling. Artikel 5.6 Instructieregel energie uit biomassa landelijk gebied De voorgestelde instructieregel beperkt in onze ogen ontwikkelingsruimte, waardoor het faciliteren van groen gasproductie niet langer mogelijk is. Terwijl hiervoor wel mogelijkheden liggen in het buitengebied van onze gemeente. Mede gelet op de ook in het Nationale Programma Groen Gas verwachte blijvende behoefte aan groen gas achten wij deze beperking onwenselijk.

Artikel 9.9 – Instructieregel bestaande stedelijke functie, anders dan wonen In het kader van de uitwerking van ons gemeentelijk beleid voor vrijkomende (agrarische) bebouwing (waarover o.a. afstemming met de provincie heeft plaatsgevonden) gaan wij ervan uit dat bestaande stedelijke functies in het landelijk gebied onder voorwaarden kunnen worden getransformeerd naar woningen. De huidige formulering van dit artikel lijkt hiervoor geen ruimte te bieden. Wij verzoeken om een aanpassing die aansluit bij de eerder met de provincie besproken beleidsuitgangspunten.

Pagina 9

Artikel 9.10 – Instructieregel kernrandzone Wij pleiten ervoor dat een kwaliteitsimpuls in het stedelijk gebied kan worden meegewogen in het kader van de ruimtelijke kwaliteit (en vanuit de gedachten van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties) bij toevoeging van beperkte stedelijke functies in de kernrandzone. De verhouding tussen de ambities en opgaven waarvoor we staan en compensatieopgaven moet proportioneel en werkbaar zijn. Artikel 9.15 en 9.17 – Instructieregel uitbreiding woningbouw en verstedelijking In beide artikelen wordt verwezen naar bijlage XXII en de thema’s van toekomstbestendig bouwen. Wij vragen hoe de provincie deze toetsing uitvoert: geldt een minimumvereiste? Dit moet vooraf duidelijk zijn. Daarnaast merken wij op dat artikel 9.17 stelt dat woningbouw in stedelijk gebied moet passen in het Programma Wonen en Werken (PPWW). Betekent dit dat alle binnenstedelijke locaties vooraf in het PPWW moeten zijn opgenomen? Aangezien het PPWW slechts eens per twee jaar wordt vastgesteld, belemmert dit mogelijk de voortgang van woningbouw. Wij verzoeken om flexibiliteit zodat binnenstedelijke woningbouw niet afhankelijk is van deze cyclus.

Afsluiting Wij vragen de provincie om bij de definitieve verordening ruimte te bieden voor maatwerk en flexibiliteit, zodat provinciale doelen hand in hand kunnen gaan met lokale opgaven op het gebied van mobiliteit, woningbouw en duurzaamheid. Verder brengen bij het milieuadvies van de Omgevingsdienst Utrecht onder uw aandacht. Dit advies is als bijlage opgenomen.

Pagina 10

Nadere duiding/toelichting op onze zienswijze voor het UPLG. De Provincie Utrecht stelt zelf: bij de uitvoering is de afhankelijkheid van het Rijk groot. De provincie verwacht van het Rijk een consistent en consequent beleid om langjarige zekerheid voor inwoners en ondernemers te bieden. Onder andere op de volgende thema’s is de inzet van het Rijk van groot belang voor de uitvoering van het ontwerp-UPLG. Deze inzet door het Rijk is dus niet gegarandeerd en dat maakt de uitvoering erg kwetsbaar. ▪ Stikstof: generiek beleid en maatregelen om emissies en depositie van stikstof op een geborgde wijze en juridisch houdbaar terug te dringen. ▪ Landbouw: voldoende instrumenten voor een goed en langjarig verdienvermogen van de agrarische sector bij hun ontwikkeling naar een meer natuurinclusieve en circulaire landbouw en voor de ecosysteemdiensten die zij daarbij kunnen vervullen. ▪ Natuur: een voldoende ambitieus Nationaal Natuurplan als uitwerking van de Europese Natuurherstel Verordening en instrumenteer dit adequaat. ▪ Nutriënten: adequaat mestbeleid, dit is van belang om aan de waterkwaliteitseisen te kunnen voldoen (KRW). Wat de Provincie Utrecht in het ontwerp-UPLG stelt over de landbouw wijkt sterk af van de reacties van de landbouw.

De Provincie Utrecht stelt: • Dat een centrale rol in het ontwerp-UPLG is weggelegd voor de landbouw, dat de landbouwsector de belangrijkste economische sector in het buitengebied is en van oudsher ook de drager van het landschap; • Dat een economisch rendabele en duurzame landbouw voor de lange termijn de basis voor een gezond en leefbaar landelijk gebied; • Dat het ontwerp-UPLG een goed doordachte en integrale inhoud bevat die perspectief biedt voor de landbouw, een resultaat van drie jaar overleg met vertegenwoordigers van agrarische organisaties; Op basis daarvan veronderstelt de provincie dat daarmee de achterbannen zijn vertegenwoordigd en geconsulteerd. • Dat zij tegemoet komt aan de oproep van de agrarische organisaties om zo snel met een oplossing voor de PAS-melders te komen; • Op basis van vrijwilligheid en via de gebiedsgerichte aanpak aan de uitvoering van het UPLG te willen werken. Helaas moeten wij constateren dat de stellingname van de provincie niet overeenkomt met de opstelling van de agrarische organisaties. De provincie en de agrarische organisaties lijken eerder verder uit elkaar te groeien dan nader tot elkaar te komen. Daarmee staat het draagvlak, de insteek op basis van vrijwilligheid en de haalbaarheid van het ontwerp-UPLG ter discussie.

Ter illustratie van bovenstaand het volgende: • Het college van Leusden heeft een brief van LTO Noord ontvangen (de inhoud van deze brief van 20 november 2025 is bij de provincie bekend). In deze brief wordt het college opgeroepen om bij de provincie aan te dringen om: 1. De bovenwettelijke onderdelen van het UPLG te heroverwegen, en te toetsen aan landelijke en Europese verplichtingen. 2. Geen verankering in de Omgevingsverordening voor onder andere de stikstofaanpak zolang daarover geen breed gedragen akkoord met de sector is. 3. De concept 100%-versie van het UPLG te delen en op basis daarvan een echt gesprek met de agrarische sector te starten, breed en representatief, zodat

Pagina 11

•

•

beleid kan worden gemaakt mét ons in plaats van óver ons. 4. Het UPLG tot een ambitiedocument te maken. ▪ De Provincie Utrecht heeft op de brief van LTO Noord gereageerd. Daarin stelt de provincie dat het ontwerp-UPLG niet bovenwettelijk is. De provincie is van mening met de doelvoorschriftvergunningen tegemoet te komen aan de oproep van de landbouw (ruimte bieden voor innovatie, doelsturing en stimuleren vakmanschap). LTO Gelderse Vallei heeft de gemeente Leusden verzocht de effecten van het ontwerp-UPLG bij de provincie onder de aandacht te brengen. LTO Gelderse Vallei stelt dat de huidige uitwerking van het ontwerp-UPLG ingrijpende gevolgen voor agrarische bedrijven heeft en zorgt voor grote onzekerheid. LTO Noord heeft de gemeenten op 14 januari 2026 een brief gestuurd met het verzoek om in het UPLG proces niet alleen oog voor beleid maar ook voor de mens achter de ondernemer te hebben. Er wordt aandacht gevraagd voor de mentale impact op boeren en hun gezinnen, er is sprake van een erg zorgelijke situatie.

De gemeenten worden met klem verzocht om bij toekomstige besluitvorming: • De mentale en maatschappelijke impact op boeren en tuinders en hun gezinnen expliciet mee te wegen in beleidskeuzes; • Voldoende sectorkennis te borgen in gebiedsprocessen en te zorgen voor continuïteit in projectteams; • Boeren en tuinders vanaf het begin te betrekken en hen te waarderen voor de tijd en kennis die zij inbrengen; • Te werken vanuit vertrouwen, met heldere doelen en ruimte voor agrarisch ondernemers om zelf te bepalen hoe zij die doelen bereiken. Wij zijn hierover in gesprek met LTO Gelderse Vallei. Deze oproep is aan de gemeenten gericht, maar omdat de provincie aan het UPLG trekt brengen wij deze oproep ook bij de provincie onder de aandacht.

Wij zijn het eens met de inzet van de Provincie Utrecht op het combineren van functies. De druk op de ruimte is nu al groot. Het ontwerp-UPLG verhoogt die ruimtedruk met ambities en opgaven. Is dit nog passend te maken met als inzet een vitaal en toekomstbestendig buitengebied? Ter illustratie het volgende. In het prioritaire beekdallandschap van Leusden komen veel groenblauwe opgaven en ambities uit het ontwerp-UPLG samen, zoals: • Aanpassingen bij de beken om aan de KRW te voldoen; • Klimaataanpak in de vorm van meerdere gebieden van totaal honderden hectare voor de berging van overtollig regenwater bij bijna alle grote beken in Leusden; • Ambitie voor meer bos in het kader van het strategisch bosbeleid; • Ambitie voor meer agroforestry; • Ambitie om het areaal biologisch landbouwgrond uit te breiden; • Inzet op het beter functioneren van het Natuurnetwerk Nederland, het versterken van het tussengelegen landschap en het oplossen van fysieke barrières (zoals infrastructuur) voor het realiseren van een robuuste ecologische verbindingszone tussen de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe (Groene Vallei in Leusden);

Pagina 12

•

De basiskwaliteit natuur moet voor de algemene soorten die op agrarische gronden voorkomen in orde zijn wat eisen stelt aan de condities (abiotiek, inrichting en beheer).

Tegelijk wordt door de provincie ingezet op een landbouw die circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en diervriendelijk is en tevens dicht bij de inwoners staat en wordt er een generieke aanpak voor stikstof uitgerold waaraan boeren moeten gaan voldoen. Wij wensen u succes met het vervolg en zijn graag bereid om een mondelinge toelichting te geven op onze zienswijze. Er staat veel op het spel waar wij ons graag gezamenlijk met de Provincie Utrecht voor in willen zetten. Met vriendelijke groet, Het college van burgemeester en wethouders,

R.B. van den Brink directeur secretaris

G.J. Bouwmeester burgemeester

Bijlage(n):

• •

Brief aan de Provincie Utrecht over windturbines en Moorsterbeekgebied. Milieuadvies van Omgevingsdienst Utrecht.

Deze brief is automatisch aangemaakt en derhalve niet ondertekend.

Pagina 13

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/4408/documents/50715