CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

2026-02-05 Bijlage bij RIB Milieuadvies ontwerp wijziging provinciale omgevingsvisie en -verordening.pdf

BOB-avond beeld- en oordeelsvormende sessies 12 februari 2026, gemeente LeusdenBij agendapunt: 3: Zienswijzeprocedure UPLG, POVI en POV5.630 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

MILIEUADVIES Aan T.a.v. Onderwerp Adviseur ROM Telefoon Datum Kenmerk

Gemeenten Regievoerders ODU-gemeenten Milieuadvies wijzigingen provinciale omgevingsvisie en omgevingsverordening K. van Oldenbeek / M. Both 030-7023200 20-01-2026 Z/26/2000164 / 613239

Inleiding De provincie Utrecht gaat haar omgevingsvisie- en verordening herzien en momenteel liggen de Ontwerp wijziging Omgevingsvisie (versie 16 december 2025) en de Ontwerp wijziging Omgevingsverordening ter inzage. Gemeenten kunnen hierop een zienswijze indienen tot 16 februari 2026. In december 2024 adviseerden we al over de Startnotitie wijzigen Omgevingsvisie en Omgevingsverordening provincie Utrecht (Milieuadvies startnotitie door ODRU, kenmerk Z-2024120876 / D2024- 00135195). Vervolgens adviseerden we ook op de concept ontwerp wijziging omgevingsverordening (Milieuadvies ODRU-gemeentes van 12 september 2025 met kenmerk Z-2025116905 / D2025-00114638 en Reactie RUD van 30 september 2025 met kenmerk Z/25/2010969 / D2025-227111 ). In dit advies geven wij een inhoudelijke reactie op de voorgestelde wijzigingen van de provinciale omgevingsvisie en de -verordening. Deze reactie kan elke ODU-gemeente gebruiken bij het indienen van een zienswijze. Elke gemeente kan uiteraard ook zelf punten aanvullen die voortvloeien uit specifieke gemeentelijke beleidsregels. De ODU dient zelf geen zienswijze in. Korte conclusie Thema Bodem Archeologie

Blz. 2 5

Geluid Externe veiligheid

6 9

Luchtkwaliteit

-

Gezondheid Milieuzonering Milieuvergunningen en meldingen Ecologie

10 11 13

Mer

16

14

Beoordeling We adviseren om een zienswijze in te dienen voor het aspect bodem. Wij zien geen aanleiding om een zienswijze in te dienen voor het aspect archeologie. We adviseren om een zienswijze in te dienen voor het aspect geluid. Wij zien geen aanleiding om een zienswijze in te dienen voor het aspect externe veiligheid. Wij zien geen aanleiding om een zienswijze in te dienen voor het aspect luchtkwaliteit. We adviseren om een zienswijze in te dienen voor het aspect gezondheid. We adviseren om een zienswijze in te dienen voor het aspect milieuzonering. We adviseren om een zienswijze in te dienen voor het aspect milieuvergunningen en meldingen. Wij zien geen aanleiding om een zienswijze in te dienen voor het aspect ecologie. We adviseren om een zienswijze in te dienen voor het aspect milieueffectrapportage.

Bodem Advies: 1. We adviseren om een zienswijze in te dienen voor het aspect bodem. Inhoudelijke onderbouwing: 1.1 Bergingsgebieden en Bal-activiteiten. In de nieuwe omgevingsverordening van de provincie Utrecht zijn (instructie)regels (artikelen 2.15 en 2.15a) opgenomen voor bergingsgebieden. Hierbij valt het op dat in aangewezen bergingsgebieden activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) niet verboden zijn. Voor zoekgebieden waterberging geldt dat nieuwe activiteiten of ontwikkelingen toegestaan zijn als blijkt dat de activiteit of ontwikkeling verenigbaar is met de waterbergende functie danwel de locatie niet nodig is voor waterberging. Dit betekent dat, zolang in het gemeentelijke omgevingsplan geen aanvullende beperkingen of verbodsregels zijn opgenomen, het toepassen van grond — ook in het kader van grootschalige bodemtoepassingen — binnen deze gebiedsaanwijzingen in principe gewoon is toegestaan. Omdat gemeenten tot 2032 de tijd hebben om hun omgevingsplan aan te passen, kan dit ertoe leiden dat er tot die tijd feitelijk geen effectieve regels bestaan om het ongewenst toepassen van grond in bergings- of zoekgebieden te voorkomen.

Daarnaast betekent dit dat voor de afhandeling van de Bal-activiteiten ‘graven in de bodem’ en ‘het toepassen van grond en baggerspecie’ binnen een bergingsgebied met de nieuwe instructieregels in de omgevingsverordening een extra toetsingsgrond ontstaat en voorafgaand overleg noodzakelijk wordt. De tijd die hiermee gemoeid gaat, komt ten laste van het bevoegd gezag dat deze regel in zijn omgevingsverordening of omgevingsplan heeft opgenomen. Een regel is echter alleen effectief wanneer ook de uitvoering, het toezicht en de handhaving (VTH) voldoende zijn geregeld. -

We adviseren een zienswijze in te dienen en de provincie om verduidelijking of aanpassingen te vragen op deze punten.

1.2 Activiteiten in waterwingebieden. In artikel 3.20c van de Ontwerp wijziging Omgevingsverordening wordt ingegaan op de meldplicht voor bodemonderzoek en bodemsanering in waterwingebieden. Van de activiteit ‘saneren van de bodem’ is echter alleen sprake wanneer het doel van de activiteit daadwerkelijk het saneren van de bodem is. Het Bal kent daarnaast de activiteit ‘graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit’, een activiteit die in de praktijk veel vaker voorkomt. De huidige formulering van artikel 3.20c lijkt te betekenen dat voor het graven in bodem boven de interventiewaarde géén meldplicht op grond van de omgevingsverordening geldt. Wij vragen ons af of dit inderdaad de bedoeling is. Daarnaast is onduidelijk wat de meerwaarde is van een meldplicht op grond van de omgevingsverordening naast de bestaande meldplicht uit het Bal. -

We adviseren een zienswijze in te dienen en de provincie om verduidelijking of aanpassingen te vragen op deze punten.

1.3 Vergunningplicht op bodemenergiesysteem (Artikel 3.54 lid 3 uit de omgevingsverordening van de provincie Utrecht). In de boringvrije zone Veenendaal is de maximale diepte waarop een open bodemenergiesysteem mag worden aangelegd niet dieper dan 30 meter. Met de gemeente Veenendaal zijn in het verleden afspraken gemaakt om de winning naar de diepte te verplaatsen, waarmee open

pagina 2 van 17

bodemenergiesystemen op een grotere diepte gerealiseerd kunnen worden. De diepte van de boringvrije zone zou daarom worden aangepast. In de praktijk blijkt ook dat de meest ondiepe winput (bepalend voor de dieptebeperking) niet wordt gebruikt. Wij adviseren de gemeente Veenendaal op dit punt een zienswijze in te dienen en de provincie te vragen de omgevingsverordening op dit punt aan te passen. 1.4 Warmtetransitie en het beroep op de ondergrond. Voor de warmtetransitie wordt in te toekomst een groot beroep gedaan op de ondergrond. Het is daarbij niet uit te sluiten dat het ook nodig is om voor warmtenetten (ook buiten de bebouwde kom) gebruik te maken van excentrisch geplaatste WKO-systemen. De aangewezen strategische grondwatervoorraad kan hierin beperkend zijn. -

Wij adviseren een zienswijze in te dienen en de provincie te verzoeken met gemeentes en omgevingsdienst in gesprek te gaan over de mogelijke aanpassing van de begrenzing van de strategische grondwatervoorraad.

1.5 Onttrekkingen en beschermingszones. Eerder adviseerden we vooruit te kunnen lopen op formele intrekking van grondwaterbeschermingszones bij een drinkwaterwinning die wordt beëindigd. Het is nog niet duidelijk gemaakt welk proces wordt gevolgd bij het beëindigen van een onttrekking en aanpassing van beschermingszones voor drinkwaterwinningen. Wel wordt de beschermingszone voor de beëindigde winning Doorn opgeheven. -

Wij adviseren een zienswijze in te dienen en de provincie te vragen duidelijkheid te geven op dit punt.

De voorgestelde aanpassingen voor een procedure voor het beëindigen van een omvangrijke en langdurige onttrekking en voor het anticiperend aanpassen van beschermingszones bij structurele vermindering of stoppen van de winningsomvang, zijn wijzigingen met een forse beleidsmatige impact. Wij hebben er begrip voor dat het tijd kost om dit goed en doordacht uit te werken. Wij denken als omgevingsdienst graag mee in de uitwerking van deze punten voor een toekomstige aanpassing van de verordening. 1.6 Verbod op toepassing secundaire bouwstoffen. Eerder adviseerden we over het voorgenomen verbod op het toepassen van thermisch gereinigde grond en risicovolle secundaire bouwstoffen in met name grondwaterbeschermingsgebieden. We gaven aan dat veel grondwaterbeschermingsgebieden in stedelijk gebied liggen, waar gemeenten werkzaamheden moeten uitvoeren in het openbaar gebied. En dat gemeenten en bouwers veelvuldig gebruik maken van secundaire bouwstoffen zoals gebroken puin voor wegfunderingen. Dit past bij de gemeentelijke doelen om hergebruik van materialen te bevorderen. We benadrukten het belang dat dit mogelijk blijft. In de nieuwe versie van de omgevingsverordening is de lijst met verboden secundaire bouwstoffen beperkt, waardoor gemeenten voldoende mogelijkheden hebben om andere (secundaire) bouwstoffen toe te passen in grondwaterbeschermingsgebieden.

We zien geen aanleiding om op dit punt een zienswijze in te dienen. 1.7 Wetswijziging lozings- en onttrekkingsvergunningen. Eerder gaven we al aan dat het ministerie van I&W een wetswijziging bereidt voor over lozings- en onttrekkingsvergunningen. Deze regels worden met name aangepast om te kunnen voldoen aan de Kader Richtlijn Water (KRW). We adviseren om bij de wijzigingen van de omgevingsverordening rekening te houden en zo nodig in te gaan op deze wijzigingen van rijksregels voor onttrekkingen en

pagina 3 van 17

lozingen. Het is niet duidelijk hoe rekening wordt gehouden met een aanstaande wijziging van rijksregels voor onttrekkingen en lozingen. -

We adviseren dan ook een zienswijze in te dienen en de provincie te vragen om verduidelijking of aanpassingen op dit punt.

1.8 Chemisch-synthetische gewasbeschermingsmiddelen. Eerder adviseerden we in aanvulling op het verbod op omschakeling naar sierteelt draagvlak te zoeken voor het instellen van een laagdrempelige informatieplicht voor het gebruik van chemischsynthetische gewasbeschermingsmiddelen en deze informatieplicht in een toekomstige wijziging van de omgevingsverordening mee te nemen. In de omgevingsvisie wordt op pagina 40 vermeld dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen maximaal wordt teruggedrongen. Op pagina 67 wordt vermeld dat omschakeling naar sierteelt op volle grond wordt verboden en dat hiervoor een integraal provinciaal uitvoeringsprogramma voor gewasbeschermingsmiddelen wordt uitgewerkt. -

Wij adviseren een zienswijze in te dienen en de provincie te vragen om hiervoor een laagdrempelige informatieplicht voor het gebruik van chemisch-synthetische gewasbeschermingsmiddelen in mee te nemen.

pagina 4 van 17

Archeologie Advies: 1. Wij zien geen aanleiding om een zienswijze in te dienen voor het aspect archeologie. Inhoudelijke onderbouwing: 1.1 Opmerkingen over maritiem erfgoed. In een eerdere reactie benoemden we dat het maritiem erfgoed in de cultuurhistorische hoofdstructuur onvoldoende duidelijk was. Dit is in de ontwerp omgevingsverordening van 16 december 2025 concreet gemaakt: er zijn nu verschillende locaties benoemd waar sprake is van maritiem erfgoed. We zien geen aanleiding om voor het aspect archeologie een zienswijze in te dienen.

pagina 5 van 17

Geluid Advies: 1. We adviseren om een zienswijze in te dienen voor het aspect geluid. Inhoudelijke onderbouwing: 1.1 Onrealistische ambitie voor nieuwbouw van geluidgevoelige gebouwen. Voor het verminderen van geluid geeft de provincie in de Ontwerp wijziging Omgevingsvisie aan dat nieuwbouw van geluidgevoelige gebouwen vooral plaatsvindt op locaties die voldoen aan de WHOadvieswaarden. Alhoewel dit een goed streven is, zijn deze locaties helaas reeds vergeven en is het met de huidige woningbouwopgave noodzakelijk woningen op korte afstand van drukke (rijks)infrastructuur te realiseren, waar de WHO-advieswaarden ruim worden overschreden. Naar onze mening hoeft dit geen probleem te zijn, mits de woningen beschikken over een geluidluwe gevel, die op ‘natuurlijke’ wijze wordt gerealiseerd, zonder gebouwgebonden afschermende maatregelen. Wij zien daarom meer waarde in een provinciale inzet die dit mogelijk maakt en stimuleert. -

Wij adviseren in een zienswijze de provincie te verzoeken de verordening op dit punt aan te passen.

1.2 Onduidelijke definitie geluidgevoelig gebouw. In de Ontwerp wijziging Omgevingsvisie definieert de provincie (op pagina 225) geluidgevoelige gebouwen. Deze definitie wijkt af van die van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Zo ontbreken bijvoorbeeld scholen en kinderopvang, en wordt in het Bkl rekening gehouden met bedgebieden. Onduidelijk is waarom de provincie hier een andere definitie hanteert. -

Wij adviseren een zienswijze in te dienen en de provincie te verzoeken de term ‘geluidgevoelig gebouw’ te wijzigen en in overeenstemming te brengen met de definitie uit het Bkl, zodat verwarring met de geldende wet- en regelgeving wordt voorkomen.

1.3 Geluidcontour provinciale wegen. Bij het bepalen van de geluidcontour voor provinciale wegen lijkt rekening te zijn gehouden met de afschermende werking van bestaande bebouwing. Hierdoor ontstaat een grillige contour, zoals bijvoorbeeld zichtbaar ter hoogte van Mijdrechtse Zuwe 5 in Mijdrecht (zie afbeelding). Aan deze contour worden in de Ontwerp Omgevingsverordening (art. 4.71) vervolgens voorwaarden verbonden voor nieuw te realiseren geluidgevoelige gebouwen. Daardoor kunnen factoren waar de provincie geen invloed op heeft — zoals de sloop van een nu afschermend gebouw — direct gevolgen hebben voor de verplichtingen die worden opgelegd. -

Wij adviseren daarom een zienswijze in te dienen en de provincie te verzoeken de contouren als vrije veldcontouren vast te stellen, in lijn met bijlage IVc van de Omgevingsregeling, waarbij uitsluitend geluidschermen (en eventueel andere relevante objecten) die in beheer zijn van de provincie worden meegenomen.

pagina 6 van 17

Figuur 1: Voorbeeld grillige geluidcontour provinciale wegen (bron: Viewer Gewijzigde werkingsgebieden 2e wijziging omgevingsverordening (GS, 15 december 2025).

1.4 Motiveringsverplichting provinciale wegen. In de Ontwerp Omgevingsverordening geeft de provincie in artikel 4.48 lid 3 aan dat een omgevingsplan binnen het beperkingengebied lokaal spoor een motivering moet bevatten waaruit blijkt dat maatregelen worden genomen om de hinder van geluid (…) nu en in de toekomst wordt voorkomen. Opmerkelijk is dat de provincie dit niet vraagt voor een ontwikkeling binnen de geluidcontour van provinciale wegen (artikel 4.71). -

Wij adviseren daarom in een zienswijze de provincie te verzoeken om hierover opheldering te geven en, indien nodig, deze verplichting ook voor provinciale wegen op te nemen.

1.5 Definitie gevel ten aanzien van geluid. In de Omgevingsverordening worden eisen gesteld aan het maximale geluid op de gevel. In het Bkl zijn niet-geluidgevoelige gevels en niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen echter uitgezonderd van deze toetsing. -

Voor een correcte beoordeling van ontwikkelingen binnen de geluidcontour van provinciale wegen adviseren wij een zienswijze in te dienen en de provincie te verzoeken deze uitzondering uit het Bkl ook in de Omgevingsverordening op te nemen.

1.6 Beperken omvang aandachtsgebieden stiltegebieden. De aandachtsgebieden rond de stiltegebieden zijn naar onze mening te ruim vastgesteld. Dit leidt tot onnodig hoge onderzoekslasten. Zowel rijks- als provinciale infrastructuur doorsnijden deze aandachtsgebieden, waardoor de provincie zichzelf, maar ook Rijkswaterstaat en ProRail, zou verplichten om activiteiten langs deze wegen te toetsen aan de geluidseisen uit de Omgevingsverordening. Daarbij komt dat deze infrastructuurbronnen vaak zo dominant zijn dat de geluidsbijdrage van andere activiteiten in de omgeving verwaarloosbaar is. Daarnaast liggen diverse kernen geheel of gedeeltelijk binnen de aandachtsgebieden. Het is naar ons oordeel niet realistisch om te veronderstellen dat activiteiten binnen deze kernen invloed hebben op de stilte in de stiltegebieden. Toch verlangt de provincie dat voor nieuwe geluidbronnen een grenswaarde van 35 dB(A) op 50 meter van de grens van het stiltegebied wordt opgenomen in het omgevingsplan. Eerder hebben wij al opmerkingen gemaakt over het opnemen van deze norm. Wij

pagina 7 van 17

willen hieraan toevoegen dat er voldoende geluidbronnen zijn die, zelfs op relatief korte afstand van een stiltegebied, ruimschoots aan deze eis voldoen. Het is daarom niet redelijk om hiervoor aanvullende onderzoekslasten op te leggen. -

Wij adviseren om een zienswijze in te dienen de provincie te vragen de omvang en begrenzing van de aandachtsgebieden rond de stiltegebieden te heroverwegen.

pagina 8 van 17

Externe veiligheid Advies: 1. Wij zien geen aanleiding om een zienswijze in te dienen voor het aspect externe veiligheid. Inhoudelijke onderbouwing: 1.1 Kaders basisnet. In ons eerdere reactie op de startnotitie gaven we aan dat in de omgevingsvisie het belang van duidelijke kaders ontbrak rondom het basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De visie is hierop voldoende aangevuld. We zien geen aanleiding om hierover een zienswijze in te dienen.

pagina 9 van 17

Gezondheid Advies: 1. We adviseren een zienswijze in te dienen voor het aspect gezondheid. Inhoudelijke onderbouwing: 1.1 Extra instructieregel gezondheid In onze reactie op de concept ontwerp omgevingsverordening adviseerden we de extra instructieregel over gezondheid (o.a. voor externe veiligheid, geluid en luchtkwaliteit) te heroverwegen. In de ontwerp omgevingsverordening is dit advies ter harte genomen en is de extra instructieregel niet opgenomen. We zien geen aanleiding om hierover een zienswijze in te dienen. 1.2 Doelstellingen gezondheid De doelstellingen voor een gezonde leefomgeving zijn vaak onvoldoende meetbaar uitgewerkt. Een helder monitoringskader met concrete KPI’s (kritieke prestatie-indicatoren) ontbreekt regelmatig. Daarnaast bevatten verschillende doelstellingen vage begrippen zoals “beheersbaar” of “de kwaliteit is goed”, zonder dat wordt toegelicht wat hiermee precies wordt bedoeld. Daardoor is het lastig om de voortgang in het behalen van de doelstellingen te beoordelen. -

We adviseren daarom in een zienswijze de provincie te verzoeken deze doelen verder te concretiseren en meetbaar te maken.

1.3 Cumulatieve belasting Er is naar onze mening onvoldoende aandacht voor de cumulatieve belasting. Op sommige locaties komen meerdere vormen van overlast samen, zoals door geluid, slechte luchtkwaliteit, geurhinder, hittestress en verkeer. Het wordt niet ingegaan hoe deze plekken integraal kunnen worden verbeterd. -

We adviseren daarom in een zienswijze de provincie te vragen deze cumulatie én de mogelijke verbetermogelijkheden in beeld te brengen.

pagina 10 van 17

Milieuzonering Advies: 1. We adviseren een zienswijze in te dienen voor het aspect milieuzonering. Inhoudelijke onderbouwing: 1.1 Wijzigingen voor de veehouderij. De Ontwerp wijziging Omgevingsvisie en de Ontwerp wijziging Omgevingsverordening zijn een ondersteuning voor het behalen van de gestelde doelen in het UPLG (Utrechts Programma Landelijk Gebied). De provincie zet in om een ammoniak plafond te halen in 2035. In afdeling 8.3 Stikstofemissie van de Ontwerp wijziging Omgevingsverordening worden, in afwijking van het Bal, eisen gesteld aan de emissie per dier voor de melkveehouderij en de intensieve veehouderij (kalveren, kippen en varkens). Om te voldoen aan de instandhoudingsdoelen voor Natura-2000-gebieden moeten bedrijven maatregelen nemen om hun ammoniakuitstoot te verminderen. Mogelijke maatregelen zijn innovatieve huisvestingssystemen, beweiden, voermanagement en het toepassen van doelvoorschriften in vergunningen. Deze vergunningen kunnen gebaseerd zijn op real-time metingen of op het inzichtelijk maken van de nutriëntencyclus. De inzet van deze maatregelen kent de nodige risico’s. Wij hebben de volgende opmerkingen hierover:  Is er een impactanalyse gedaan waarbij de gevolgen van de maatregelen voor de veehouderijen in kaart zijn gebracht?  Voor melkveehouderijen is in paragraaf 8.3.2 een emissie gesteld van 40 kg/ hectare.

Deze wordt in de regels berekend met een emissiefactor van 13 kg/dier/jaar. Wat zijn de gevolgen van deze benadering? Gaan de boerderijen groter worden in grond oppervlak of kleiner in aantal dieren?  De gestelde emissiefactoren in deze afdeling en bijbehorende bijlage XXI zijn 25 tot 98 procent lager dan de gestelde emissiefactoren voor ammoniak in het Bal (zie tabel Vergelijking emissiefactoren in de kanttekening). Dit terwijl de werking van huisvestingsystemen ter discussie wordt gesteld. o Is de technische haalbaarheid van deze emissiefactoren in kaart gebracht? o Wat betekent dit voor de bestaande stallen en de impact op de veehouderijen?  Vergunningen op basis van doelvoorschriften zijn in ontwikkeling. Of het nu gaat om de nutriëntencyclus of real-time meten betreft het hier nieuwe ontwikkelingen waarbij het nog onzeker is dat een vergunning met doelvoorschriften bij een rechter stand houdt.  Het wijzigen van een bedrijfssituatie moet ook in het kader van milieu worden getoetst en vergunbaar zijn. Een wijziging voor ammoniak betekent niet automatisch een vergunbare situatie in het kader van geluid, fijnstof, geur en gezondheid.  Deze maatregelen moeten ook milieukundig worden getoetst. -

We adviseren een zienswijze in te dienen en de provincie te vragen om een reactie op de bovengenoemde punten.

pagina 11 van 17

1.2 Gewasbeschermingsmiddelen in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. In Bijlage VI A Aanwijzing niet-toelaatbare stoffen worden specifiek de gewasbeschermingsmiddelen genoemd onder de stoffen die een gezondheidsrisico vormen. Dit betekent dat in alle gebieden waarvoor Bijlage VI geldt, gewasbeschermingsmiddelen niet meer mogen worden gebruikt. Dit geldt in ieder geval voor de waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. Dit heeft effect op de bedrijfsvoering van ondernemingen binnen die gebieden. Uit het rapport Impactanalyse blijkt dat stoppen met bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden (rapportnr. 2025-014; Maart 2025 van Wageningen Social & Economic Research) de landbouwsector ongeveer 120 miljoen euro gaat kosten. Dit geldt voor alle soorten landbouw welke in deze gebieden gebruik maken van de specifieke gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bedrijven met meerjarige gewassen worden hierdoor geraakt. De bedrijven met eenjarige gewassen en biologische landbouw kunnen zich waarschijnlijk beter aanpassen. -

We adviseren een zienswijze in te dienen waarin de provincie wordt verzocht het voorgestelde verbod op gewasbeschermingsmiddelen nader te onderbouwen en duidelijk te maken hoe zij omgaat met de gevolgen voor landbouwbedrijven in waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden.

Kanttekening In afdeling 8.3 Stikstofemissie worden emissies opgenomen voor: melk- en kalfkoeien 2 jaar en ouder inclusief kalveren, vleeskalveren, varkens en kippen. De gestelde emissiefactoren in deze afdeling en bijbehorende bijlage XXI zijn 25 tot 98 procent lager dan de gestelde emissiefactoren voor ammoniak in het Bal.

Varkens Gespeende biggen van minder dan 25 kg Kraamzeugen Guste en dragende zeugen Vleesvarkens van 25 kilogram en meer, opfokberen van 25 kilogram en meer en jonger dan 7 maanden en opfokzeugen van 25 kilogram en meer

Omgevingsverordening Bijlage XXI 0,0345 0,415 0,21

B Dierenverblijf: C A – opgericht in de periode van 1 Dierenverblijf Dierenverblijf juli 2015 tot 1 januari 2020, opgericht op of na opgericht voor – opgericht op of na 1 januari 1 januari 2020 en 1 juli 2015 2020 en geen ippc-installatie ippc-installatie 0,21 0,21 0,21 2,9 2,9 2,5 2,6 2,6 1,3

0,15

% verschil verordening tov C 84 83 84

1,6

1,5

1,1

86

0,006

0,006 0,11 0,068 0,15

0,006 0,051 0,068 0,15

25 67 95 98

0,183

0,183

86

0,435 0,035

0,25 0,024

77 72

Kippen Opfok hennen en hanen van legk ippen jonger dan 18 wek en Batterijhuisvesting niet-batterijhuisvesting Legkippen van 18 weken en ouder Ouderdieren van legkippen van 18 weken en ouder Ouder dieren van vleeskuiken in opfok, jonger dan 19 weken Ouder dieren van vleeskuiken in opfok van 19 weken en ouder Vleeskuikens

0,0045 0,017 0,00315 0,00315

nvt 0,125 0,15

0,025 0,058 0,0068

0,435 0,045

Tabel: Vergelijking emissiefactoren kg NH3/ dierplaats/jaar

pagina 12 van 17

Milieuvergunningen en meldingen Advies: 1. We adviseren om een zienswijze in te dienen voor het aspect milieuvergunningen en meldingen. Inhoudelijke onderbouwing: 1.1 Consequenties voor bestaande activiteiten binnen grondwaterbeschermingsgebied. In de Omgevingsverordening worden de bijlage V en VI van de planregels gewijzigd. Het is onduidelijk wat dit betekent voor de bestaande activiteiten binnen grondwaterbeschermingsgebieden die op grond van de vigerende verordening eerder niet verboden waren. Er is niet aangeven of hier onderzoek naar is uitgevoerd en hoe omgegaan wordt met vergunde rechten voor bestaande bedrijven/activiteiten. Zowel voor ondernemers als voor gemeenten en omgevingsdiensten is duidelijkheid hierover van belang. -

We adviseren daarom om in een zienswijze de provincie te vragen om duidelijkheid te geven over de consequenties van aangepaste bijlagen V en VI voor bestaande (vergunde) activiteiten binnen grondwaterbeschermingsgebieden.

1.2 Tekstuele wijzigingen - We adviseren om een zienswijze in te dienen en daarin de provincie te verzoeken de volgende tekstuele wijzigingen door te voeren. Omgevingsvisie:  Verbeter de schrijffout op pagina 79 van de visie: “oplsag van elektriciteit”.  Ga in het hoofdstuk over circulair beleid in op het Landelijk Afvalstoffen Plan (LAP) en Circulair Materialen Plan en benoem dat omgevingsdiensten hier een rol in hebben via vergunningverlening en toezicht. Omgevingsverordening:  Bijlage V Lijst met verboden activiteiten in grondwaterbeschermingsgebied: De activiteit ‘Opslagtank voor gassen artikel 3.21 van het Bal’ wordt in het Bal niet als bodembedreigend aangewezen en kan uit deze lijst verwijderd worden.  Bijlage VI Stoffenlijst: Geef aan dat brandblusschuim niet per definitie altijd PFAS bevat.

pagina 13 van 17

Ecologie Advies: 1. Wij zien geen aanleiding om een zienswijze in te dienen voor het aspect ecologie. Inhoudelijke onderbouwing: 1.1 Natuur in de omgevingsvisie.  In de visie geeft de provincie aan dat de natuur wordt versterkt en dat de randvoorwaarden voor natuurherstel worden gerealiseerd. De omgevingsvisie verwerkt de Europese Natuurherstelverordening, de enige nieuwe relevante wetgeving op het gebied van natuur. De provincie breidt haar natuurtaken uit van het alleen wettelijk noodzakelijke naar een bredere basiskwaliteit natuur.  De provincie erkent het belang van de natuur en voelt zich hiervoor als bevoegd gezag ook verantwoordelijk voor. De provincie signaleert kansen om ook andere omgevingsthema’s als gezondheid, klimaatverandering en adaptatie en waterkwaliteit te verbeteren door op een hogere natuurkwaliteit in te zetten. Dit leidt niet direct tot allerlei wettelijke verplichtingen, maar krijgt aandacht via de voorbeeldrol van de provinciale organisatie en de rol van subsidieverstrekker. Ook wil de provincie inzetten op kennisdeling, -verspreiding en -ontwikkeling over natuur. Dit wordt onder meer vormgegeven door het convenant toekomstgericht bouwen, waarin natuurinclusief bouwen een belangrijk onderdeel is.

Hierdoor wordt niet alleen de wettelijk beschermde natuur binnen de provincie versterkt, maar wordt ook gewerkt aan de zorgplicht en de basiskwaliteit natuur. Dit gaat namelijk ook over de meer algemene soorten die soms ook in hun voortbestaan worden bedreigd doordat leefgebied verdwijnt.  De provincie werkt in de nieuwe omgevingsvisie meer integraal. De natuur in de provincie profiteert ook als wordt gewerkt volgens het principe dat water en bodem sturend zijn. Betere (grond)waterkwaliteit en bodemgesteldheid zijn randvoorwaarden om de natuur te kunnen behouden en te laten herstellen.  Er blijft aandacht voor de wettelijke taken voor gebiedsbescherming (Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland -NNN- en overige natuurgebieden). Er is een doel om natuurherstel te realiseren en stikstofdepositie terug te brengen. Dit wordt ook uitgewerkt in een apart programma: het Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG). Er is budget om extra NNN-gebieden aan te leggen.  De concrete doelen voor natuur zijn SMART opgenomen. De einddoelen zijn opgenomen voor 2050. Daarmee zijn voldoende scenario’s denkbaar die kunnen onderbouwen dat de doelen ook haalbaar zijn, omdat er voldoende tijd is om de benodigde projecten te plannen en te financieren. In 2030 zijn belangrijke tussenmijlpalen voorzien. Wij zien geen aanleiding om voor het aspect ecologie een zienswijze in te dienen op de omgevingsvisie.

1.2 Natuur in de Omgevingsverordening  In de omgevingsverordening zijn instructieregels opgenomen voor bescherming van Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000-gebieden, Groene contour gebieden, weidevogelkerngebieden en waardevolle houtopstanden oude bosgroeiplaatsen.  De aanwijzing van beschermde natuurgebieden wordt beschreven in de omgevingsverordening. De begrenzing van de gebieden is beperkt aangepast. Er zijn in vergelijking met de vorige verordening enkele groene contouren verwerkt in het Natuur Netwerk Nederland. Daarnaast zijn enkele gebieden aan de groene contouren toegevoegd. Dit zijn echter zeer kleine wijzigingen.  De manier van bescherming via instructieregels voor gemeentelijke omgevingsplannen wijzigt niet. Ook de manier van afwegen of een Natuurnetwerk Nederland gebied van bestemming kan wijzigen is niet veranderd. Er moet nog zoals voorheen worden getoetst aan de wezenlijke

pagina 14 van 17

waarden en kenmerken van de al aanwezige natuurwaarden, maar ook de potentieel aanwezige natuurwaarden opgenomen in het provinciaal Natuurbeheerplan. Een andere wijziging is een nadere uitwerking hoe een eventueel verlies aan weidevogelkerngebieden moet worden gecompenseerd. Alle mogelijk te bebouwen weidevogelterreinen moet in de vorm van grutto-eenheden worden gecompenseerd. Dat kan in terrein elders anders te gaan beheren of de kwaliteit van bestaande weidevogelterreinen te verhogen door extra beheerpakketten toe te passen, waardoor meer grutto’s of andere weidevogels daar kunnen broeden. Dit is nader uitgewerkt in een provinciale handreiking. Er zijn enkele wijzigingen doorgevoerd in de ganzenrustgebieden, die ervoor zorgen dat de internationaal beschermde ganzenpopulaties in Utrecht in de winter voldoende rust en voedsel kunnen vinden. In de zomer verblijven deze ganzen doorgaans in het buitenland. Er zijn geen ecologische gronden om hier een zienswijze op in te dienen. Het is niet zo dat internationaal gezien de ganzenstand enorm is verbeterd. Het blijft mogelijk om ganzenvraat/overlast in het groeiseizoen te bestrijden. Er zijn in de ontwerp omgevingsverordening enkele regels geschrapt ten aanzien van invasieve exoten. Er is geen aanleiding om in Utrecht specifiek gebiedseigen beleid boven op het landelijke beleid vast te stellen voor invasieve exoten.

Wij zien geen aanleiding om voor het aspect ecologie een zienswijze in te dienen op de omgevingsverordening. 1.3 Nieuwe doelen natuurherstelverordening en het ULPG. De natuurherstelverordening (NHV) introduceert nieuwe natuurdoelen. Met name voor stedelijke ecosystemen, herstel van bestuiverpopulaties en landbouwecosystemen zijn er opgaven in de NHV opgenomen die bestaand beleid aanvullen. Dit leidt voor een deel ook tot nieuwe regelgeving die deels in de omgevingsverordening is verwerkt. Voor stedelijke ecosystemen geldt dat ingezet wordt op het stimuleren van de basiskwaliteit natuur in de stad. Er komen subsidies voor natuurinclusief bouwen in de stad. Daarnaast worden bestaande groen blauwe dooradering van de provincie en de ecologische verbindingszones versterkt. Er komen geen nieuwe verplichtingen voor gemeenten. De bestuivers (voornamelijk bijen) worden wel extra beschermd door nieuwe regels. Zo wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen verder beperkt. De gevolgen voor landbouwers zijn vooral uitgewerkt in het UPLG (Utrechts Programma Landelijke Gebied). Landbouwactiviteiten binnen Natura 2000-gebieden worden aan banden gelegd, evenals in een bufferzone om Natura 2000-gebieden heen. Intensieve landbouw met kunstmest wordt verder beperkt en er wordt ingezet op grondgebonden kringlooplandbouw.

In 2050 moet de landbouw in de provincie duurzaam zijn, waarbij (grond)water, bodem en natuur geen schade ondervinden van landbouwmethoden. Landbouwers krijgen veel meer subsidies tot hun beschikking om ook ecosysteemdiensten en natuurbeheer op hun gronden uit te kunnen voeren. De maatregelen worden per deelgebied onderzocht en afgesproken, waarbij zeer belangrijk is dat er ook draagvlak onder de bedrijven wordt gecreëerd. Uitgangspunt blijft dat landbouwbedrijven over een verdienmodel beschikken. Landbouwbedrijven krijgen ook een grotere rol en verantwoordelijkheid voor de boerenlandvogels op hun gronden, zoals de grutto. Een belangrijke wijziging betreft de striktere stikstofregels opgenomen in het UPLG, waar in een eerder advies door de ODU is aangegeven dat hiervoor een zienswijze kan worden ingediend.

pagina 15 van 17

Mer Advies: 1. We adviseren om een zienswijze in te dienen voor het aspect milieueffectrapportage (mer). Inhoudelijke onderbouwing 1.1 Onderbouwing planMER nodig is. In de wijziging van de omgevingsverordening wordt niet duidelijk hoe de provincie is omgegaan met de eventuele verplichting tot het opstellen van een planMER. Omdat de wijziging van de omgevingsverordening direct verband houdt (en zijn oorsprong vindt in) de wijziging van de omgevingsvisie hanteert de provincie hierin één lijn (zie ook bijlage 1 van de Startnotitie wijzigen Omgevingsvisie en Omgevingsverordening provincie Utrecht UTPS-1036666348-814). Daarom mag verondersteld worden dat het gestelde in paragraaf 7.5 van de wijziging omgevingsvisie ook opgaat voor de wijziging van de omgevingsverordening. De provincie stelt in paragraaf 7.5 van de Ontwerp wijziging Omgevingsvisie dat de voorliggende wijziging geen nieuwe planMER-plicht met zich meebrengt. De argumentatie daarbij is dat de wijzigingen geen kaders stellen voor nieuwe activiteiten uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit, of dat de effecten al zijn afgedekt door het planMER uit 2020 in combinatie met inzichten verkregen uit recentere planMER-en. Wij twijfelen aan dit laatste argument. Als de Ontwerp omgevingsvisie nieuwe locaties aanwijst (voor bijvoorbeeld windparken), intensiveringen voorstelt (bijv.

hogere dichtheden in Rijnenburg) of andere prioriteiten stelt die in 2020 niet of minder concreet waren onderzocht, dan volstaat het oude planMER niet. Zo lijkt de gebiedsontwikkeling Rijnenburg (stedelijk ontwikkelingsproject, nr. J11 in bijlage V van het Omgevingsbesluit) in de ontwerp omgevingsvisie (pagina 232 en 233) in ieder geval een stuk concreter te zijn uitgewerkt en intensiever te zijn dan in de omgevingsvisie van 10 maart 2021. Daar komt bij dat het planMER (van 17 maart 2020) dat is opgesteld ten behoeve van de huidige omgevingsvisie ten aanzien van de verstedelijking van Rijnenburg verwijst naar een nóg ouder planMER. Namelijk het planMER behorende bij de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (zie hiervoor pag. 39 van het planMER 17 maart 2020). Hierdoor betwijfelen we of de gehanteerde uitgangspunten nog wel toereikend zijn en of de beoordelingen nog wel in overeenstemming zijn met de huidige inzichten. Zo is onder andere de berekenwijze en beoordeling van stikstofdepositie (AERIUS Calculator) in de tussentijds vele malen aangepast. Voor zover de provincie hiervoor een beroep doet op het recente planMER voor het Utrechts Programma Landelijk Gebied, wordt opgemerkt dat dat planMER niet in gaat op het stedelijk ontwikkelingsproject ‘Rijnenburg’.

Ditzelfde lijkt van toepassing in het kader van het Programma Wonen en Werken van de provincie Utrecht (zie de kolom ‘strijdigheid doelen/opgaven UPLG’ ten aanzien van NOVEX, op pag. 116 van het planMER UPLG 11 november 2025). Door deze beperkte en deels verouderde onderbouwing bestaat het risico dat zowel de wijziging van de omgevingsvisie als de wijziging van de omgevingsverordening juridisch kwetsbaar is. Wanneer de provincie niet overtuigend aantoont dat eerdere MER-onderzoeken nog actueel en toereikend zijn, kan dit leiden tot een onvoldoende gemotiveerd besluit. Omdat de omgevingsverordening rechtstreeks uitvoering geeft aan de beleidskeuzes uit de omgevingsvisie, betekent een ontoereikende MER-onderbouwing in de visie dat ook de juridische houdbaarheid van de verordening onder druk komt te staan. -

We adviseren een zienswijze in te dienen en de provincie te vragen om verduidelijking op dit punt.

pagina 16 van 17

1.2 Doorlopen plan-mer-beoordelingsprocedure. Uit paragraaf 7.5 van de Ontwerp wijziging Omgevingsvisie valt in ieder geval af te leiden dat de provincie van mening is dat de wijziging van de omgevingsvisie relatief beperkt is. De provincie concludeert dat de beleidswijzigingen van de bestaande kaders geen aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben die nog niet onderzocht zijn in de planMER van 17 maart 2020 of in een planMER bij één van de programma’s. Ook stelt de provincie dat geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden worden verwacht die nog niet onderzocht zijn in de bij de planMER voor de Omgevingsvisie opgestelde Passende Beoordeling voor N2000gebieden. Deze conclusies worden echter niet (nader) onderbouwd en zijn dan ook voor derden niet tot nauwelijks navolgbaar/verifieerbaar. Gelet op artikel 16.36, derde lid van de Omgevingswet dient voor een relatief kleine wijziging omgevingsvisie (in ieder geval) een plan-mer-beoordelingsprocedure doorlopen te worden. Hoewel de hierboven aangehaalde conclusies van de provincie, conclusies zouden kunnen zijn die uit een planmer-beoordelingsprocedure kunnen volgen, lijkt zo’n procedure niet te zijn doorlopen.

Althans, geen blijk wordt gegeven dat voldaan wordt aan artikel 16.36, vijfde lid, van de Omgevingswet in relatie tot artikel 11.1, eerste lid, van het Omgevingsbesluit (raadpleging diverse bestuursorganen waaronder diverse ministers en het opnemen van de toetsing aan beoordelingscriteria bijlage II van de SMBrichtlijn in de omgevingsvisie). -

We adviseren een zienswijze in te dienen en de provincie te vragen waarom er geen merbeoordelingsprocedure doorlopen is.

1.3 Commissie mer Uit de stukken valt af te leiden dat de provincie de Commissie mer niet in de gelegenheid zal stellen om advies uit te brengen, omdat zij van mening zijn dat er geen plan-mer-(beoordelings)procedure doorlopen hoeft te worden. Gelet op adviespunten 1.1 en 1.2 zou een dergelijk advies echter wel bijdragen aan het beheersen van de juridische afbreukrisico’s. -

We adviseren een zienswijze in te dienen en de provincie te vragen de Commissie mer te laten adviseren.

pagina 17 van 17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/4408/documents/50714