CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-09-17 RIB Algemene Plaatselijke Verordening 2025.pdf

Raadsvergadering 25 september 2025, gemeente LeusdenBij agendapunt: 14: RV Herziening Algemene Plaatselijke Verordening Leusden 20254.621 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bezoekadres ’t Erf 1 3831 NA Leusden

Postadres Postbus 150 3830 AD Leusden

Telefoon 14 033 gemeente@leusden.nl www.leusden.nl

Aan de gemeenteraad

Uw brief van:

Zaaknummer:

216831

Behandeld door:

Uw kenmerk:

Telefoonnummer:

14033

Verzonden:

L. Vosman

Onderwerp: Raadsinformatiebrief Algemene Plaatselijke Verordening 2025 Geachte leden van de raad, Naar aanleiding van de beeldvormende sessie van 11 september 2025 met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen van de APV, geven wij door middel van deze informatiebrief graag een uitgebreide toelichting over de besproken onderwerpen tijdens de beeldvormende markt en sessie. Om de leesbaarheid te behouden is een bijlage aangehecht met de in deze brief aangehaalde (wets)artikelen en verwijzingen. Artikel 2:14 Winkelwagens Tijdens de beeldvormende sessie kwam de vraag aan de orde of de verantwoordelijkheid voor het opruimen van winkelwagens moet worden neergelegd bij de ondernemer in kwestie. De achterliggende gedachte hierbij was dat het ongewenst zou zijn om ondernemers aan te spreken die proactief zijn ten opzichte van het opgeruimd houden van hun inrichting en de omgeving. Het beoogde doel van het artikel is om juist die ondernemers aan te spreken die zich niet inzetten om de omgeving op orde te houden en overlast (in deze de: ‘rommel’) te voorkomen. Uiteraard is het niet de bedoeling dat direct wordt gehandhaafd bij deze ondernemers. Door dit artikel echter op te laten nemen in de APV, kan je juist de ondernemer aanspreken die zich niet houdt aan een dergelijke verplichting.

Daarnaast wordt door middel van dit artikel niet alleen de ondernemer aangesproken (lid 1), maar ook de consument (lid 2). Het uitgangspunt is dat de consument zelf verantwoordelijk is voor het netjes terugbrengen van de winkelwagen, maar dat wanneer dit niet gebeurt de ondernemer wel verantwoordelijk blijft voor de terugkeer van diens winkelwagens om zo overlast te voorkomen.

Zonder dit artikel op te nemen als grondslag voor handhaving is het niet mogelijk om, buiten de betrapping op heterdaad om, de consument of de ondernemer aan te spreken wanneer één van beide de winkelwagens in de openbare ruimte laat staan. Dit heeft tot gevolg dat de gemeente in een dergelijke situatie zelf de winkelwagens dient op te ruimen. Voorts bestaan er dan geen mogelijkheden om gedragsverandering bij de inwoner mee af proberen te dwingen. Artikel 2:24 lid 2, onder f '’straatfeest en buurtbarbecue’’ en artikel 2:25 evenementenvergunning Er zijn veel vragen gesteld over de toevoeging van de definitie een straatfeest en buurbarbecue aan het onderdeel van evenementen. Voor de beoordeling of iets kan worden aangemerkt als een evenement wordt gekeken naar de definitie: ''elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak''. In het artikel (lid 2) wordt vervolgens aangegeven: ''Onder evenementen wordt mede verstaan (...)''. Een straatfeest of een buurtbarbecue is over het algemeen publiek toegankelijk, waardoor deze kan worden gekwalificeerd als een evenement. Dat een straatfeest of buurtbarbecue wordt aangemerkt als evenement, betekent echter niet dat hiervoor een vergunning hoeft te worden aangevraagd. In artikel 2:25 APV is namelijk te lezen dat geen vergunning is vereist voor een klein evenement.

Een straatfeest of buurtbarbecue zal snel onder een klein evenement vallen. Dit betekent dat de inwoner slechts een melding hoeft te doen bij de gemeente. Deze melding kan worden ingediend door middel van het invullen van een formulier op de website. Na het ontvangen van de melding zullen de vergunningverleners telefonisch contact opnemen met de indiener om één en ander te verifiëren. Er zal vervolgens telefonisch getoetst worden of wordt voldaan aan de voorwaarden voor een ‘melding klein evenement’. Zo mag een klein evenement bijvoorbeeld geen belemmering voor het verkeer vormen en mag in dat kader dus geen gedeelte van de weg worden afgesloten. Het is namelijk van belang om zeker te weten dat hulpdiensten te allen tijde ter plaatse kunnen komen en een eventueel straatfeest daartoe geen belemmering vormt. Wanneer vooraf bekend is dat wel degelijk dergelijke belemmeringen plaatsvinden, dan kan de gemeente hier tijdig op anticiperen. Wanneer blijkt dat niet aan de voorwaarden voor een ‘melding klein evenement’ wordt voldaan (stel er komen meer dan 150 gasten, de weg wordt afgezet voor (bijvoorbeeld) een partytent en/of er zijn meer belemmeringen op de weg aanwezig), dan kan de burgemeester besluiten dat alsnog een vergunning vereist is of dat het (klein) evenement niet wordt toegestaan. Eventuele risico's ter plaatse kunnen hiermee worden voorkomen.

Het blijft uiteindelijk immers de verantwoordelijkheid van de gemeente om de veiligheid voor eenieder in de openbare ruimte te waarborgen. Dit onderstreept meteen het belang van het op de hoogte zijn. Kortom, het beoogde doel van dit artikel is niet het tegengaan van straatfeesten of buurtbarbecues, maar het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen van overlast wanneer blijkt dat wel sprake is van een gro(o)t(er) evenement waarbij een vergunning vereist was. Ook schept het artikel duidelijkheid waar nu vaak onduidelijkheid of onwetendheid bestaat over de vraag of een straatfeest en buurtbarbecue nu wel of niet een evenement is. Daarnaast is het juist de bedoeling om het op deze manier makkelijker te maken, zowel voor

de gemeente (minder administratieve last) als voor de aanvrager. Door goede toepassing van het artikel is het mogelijk om passend te handelen naar gelang van de aard en omvang van het evenement. Artikel 2:25a Termijnen aanvragen evenementenvergunning Voorts zijn meerdere vragen gesteld met betrekking tot de categorisering van A-, B- en Cevenementen. Dit is begrijpelijk, omdat dit onderscheid niet eerder in de APV is gemaakt. Deze classificatie heeft te maken met een risicoanalyse. De categorisering staat los van de definities van een klein of groot evenement, maar ziet op de mate van risico's die zich voor kunnen doen tijdens het evenement. Wanneer men spreekt van een A-evenement, dan is dat een evenement waar weinig risico's worden verwacht. Dit betekent dat het onderzoek vooraf (politie, brandweer e.d.) kleiner is dan bij een C-evenement. Wanneer sprake is van een Cevenement, dan betekent dat namelijk dat een groter risico bestaat en dus uitvoeriger/zorgvuldiger onderzoek moet worden gedaan en er mogelijk ook (meer) moet worden ingezet op het waarborgen van de veiligheid. Door rekening te houden met het bovenstaande in de termijnen voor de aanvraag, kan je als gemeente beter faciliteren. Zo is het bij een langere aanvraagtermijn mogelijk om tijdig alle ketenpartners te benaderen om zo goed mogelijk de aanvraag te beoordelen en te behandelen.

Op deze wijze wordt voorkomen dat, vanwege het gebrek aan tijd en de onmogelijkheid om tot een goede beoordeling te komen, de aanvraag moet worden afgewezen. Tenslotte is er op deze manier ook voldoende tijd voor bezwaar en beroep, omdat tijdig kan worden vergund. Zo kunnen voorlopige voorzieningen bij de rechtbank beter worden voorkomen. Kortom, door opname van dit artikel geven wij de vergunningsverleners de tijd die zij nodig hebben om een aanvraag zo goed mogelijk te behandelen en daardoor nemen zij tegelijkertijd een meer faciliterende rol aan ten opzichte van de aanvrager. Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke Tijdens de beeldvormende sessie rees de vraag of dit artikel onnodig was. Dit had onder meer te maken met het feit dat voertuigen die wel voorzien zijn van rubberen banden ook de genoemde schade zouden kunnen veroorzaken. De beperking van het verbod tot voertuigen, die niet zijn voorzien van rubberbanden, blijkt in de praktijk vragen op te roepen. Deze beperking is echter in het VNG-model opgenomen, omdat juist die voertuigen schade kunnen aanrichten. Daarnaast wordt op deze wijze voorkomen dat het domein van de Wegenverkeerswet 1994 wordt betreden. Het beoogde doel van het artikel is het voorkomen schade en het kunnen optreden wanneer noodzakelijk. Rubberbanden zorgen over het algemeen niet direct voor (grote) schade.

Dit is slechts anders bij nat weer en modderige bermen. Uiteraard geldt hoe zwaarder het voertuig, hoe groter de mogelijke schade. Stalen (of andersoortig materiaal) rupsbanden (tracks), zoals bijvoorbeeld een minigraver of ander werkvoertuig, zullen sneller schade aanrichten aan de bermen. Ook daar waar geen sprake is van nat weer en modderige bermen. Om het doel van het voorkomen van schade te kunnen waarborgen, is het, mits gewenst, eventueel ook nog

een mogelijkheid om het artikel dusdanig aan te passen dat geen onderscheid meer wordt gemaakt en daarmee alle voertuigen worden opgenomen in het artikel. Artikel 2:51 en 5:12 Neerzetten en overlast van fietsen(wrakken) of bromfietsen In het afgelopen jaar zijn veel meldingen binnengekomen over fietsenrekken en –stallingen die vol waren. Probleemlocaties zijn voornamelijk bij bushaltes en appartementencomplexen. Door overvolle fietsenrekken worden fietsen op verschillende plekken neergezet, waardoor verloedering van de omgeving ontstaat. Ook schijnt het dat veel fietsen niet worden opgehaald en hebben de boa's veelal te maken met fietswrakken. In de huidige APV is dit onderwerp al opgenomen. Echter, gebleken is dat het betreffende artikel onvolledig is, waardoor een correcte manier van handhaven niet mogelijk is. Dit heeft al reeds eerder geleid tot klachten van inwoners. Door het huidige artikel te wijzigen zoals voorgesteld, kan een correcte vorm van handhaving plaatsvinden. Daarnaast is een concept beleidsregel opgesteld met nadere voorwaarden, niet alleen voor de inwoner, maar ook voor de gemeente. Denk hierbij aan, onder meer, het werkproces vanaf het moment van constatering en termijnen die door de handhavers moeten worden gewaarborgd.

De termijn van 28 dagen, waarover uitgebreid is gesproken tijdens de beeldvormende sessie, voor het verwijderen van een fiets is zorgvuldig overwogen. Los van dat het een standaard periode is binnen gemeenten, hangt het samen met de controle voor het daadwerkelijk bestaan van een zogenoemde ‘weesfiets'. Fietsen die langer dan 28 dagen ongebruikt staan, worden immers gezien als weesfietsen en kunnen daarmee worden verwijderd vanwege het bezetten van stallingsplekken. Wanneer een fiets onterecht als weesfiets wordt bestempeld, verwijderd en misschien zelfs wel vernietigd, dan is de gemeente aansprakelijk en gehouden tot het vergoeden van een nieuwe fiets. Vorenstaande komt landelijk regelmatig voor, helemaal in gemeenten die een kortere termijn van beoordeling aanhouden. Om dat risico te voorkomen, wordt een termijn van 28 dagen geadviseerd. De eigenaar van de fiets moet immers de mogelijkheid worden geboden om hun fiets weer te gebruiken, ook wanneer deze een langere tijd heeft stilgestaan. Het is daarom belangrijk om een redelijke termijn, in dit geval de genormaliseerde termijn van 28 dagen, aan te houden en niet in te korten. Artikel 2:54 (Slaap)verblijf op de openbare plaats Dit onderwerp kwam tijdens de beeldvormende avond vooral ter sprake ten opzichte van het gebruiken van de openbare plaats als slaapverblijf voor daklozen.

Zoals te lezen in de toelichting in de was/wordt-tabel heeft het verbod op zichzelf het doel om hinder en overlast tegen te gaan, maar ook brandgevaar en verontreiniging van de openbare ruimte. Dit artikel kan deels los worden gezien van de tevens besproken vrachtwagenchauffeurs (waarvoor artikel 5:12a geldt), maar ziet echt op het buiten slapen en kamperen op plekken waar geen ontheffing voor is verleend dan wel die niet onder de uitzonderingsgronden vallen in lid 3 (woonwagens met een woonbestemming en kampeerterreinen die als zodanig zijn bestempeld). Door het opnemen van dit artikel worden juist mogelijkheden gecreëerd om, in het specifieke geval van daklozen, iemand aan te spreken en wellicht te helpen bij het doorverwijzen naar de juiste plaats om te kunnen worden opgevangen. Daarbij biedt lid 3 de mogelijkheid om plekken aan te wijzen waar het verbod niet van toepassing is. Op deze wijze kan mits

gewenst ook een afweging worden gemaakt om enkele locaties aan te wijzen waar het verbod niet geldt. Om de terechte vraag op dit punt te waarborgen, wordt intern onderzocht welke route het beste kan worden bewandeld om deze gang van zaken op te (laten) nemen in bijvoorbeeld een uitvoeringsregeling, werkproces of sociaal beleid. De APV is namelijk niet de aangewezen plaats om voorwaarden in op te nemen over het eventueel kunnen begeleiden van een dakloze en de wijze waarop de gemeente hierin kan faciliteren. Uiteraard zijn hier mogelijk wel andere mogelijkheden voor die nu worden onderzocht, waardoor het voorgestelde artikel naar onze mening ongewijzigd kan blijven. Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen Dit artikel is onderdeel van de huidige APV en voorgesteld wordt om deze ook in de gewijzigde APV op te nemen. De vraag rees echter waarom een inwoner op basis van dit artikel niet diens eigen voertuig zou mogen verkopen door middel van een ‘Te koop’ bord in of op de auto te plaatsen. Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de openbare weg. In de basis, wanneer dit om een enkel voertuig gaat, is dit geen probleem. Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is op dat moment namelijk niet of nauwelijks sprake.

Overlast voor omwonenden blijft in dat geval beperkt en gebruik van de beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden. Anders ligt het wanneer voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de omwonenden aanzienlijke overlast mee. Een dergelijke uitstalling van voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt er een aanmerkelijk beslag op de (beperkte) beschikbare parkeerruimte gelegd. Dit is niet wenselijk en dan ook een reden om het artikel in de APV te houden. N.B.: op basis van lid 3 kan ontheffing worden verleend van het verbod. Indien gewenst kan eventueel ook nog worden gekeken naar het laten opnemen van een uitzonderingsmogelijkheid. Naar onze mening is dit echter niet noodzakelijk en volstaat het huidige artikel op basis van het bovenstaande. Artikel 5:8 Grote voertuigen Ook over dit artikel zijn veel vragen gesteld nu de termijn van het laten plaatsen en houden van een voertuig is teruggebracht van zeven naar drie dagen. Er komen regelmatig meldingen binnen van inwoners die klagen over dergelijke voertuigen rondom hun woning. Daarnaast is gebleken dat veelal wordt ‘voldaan’ aan de voorwaarde van zeven dagen door middel van het, elke zeven dagen, verplaatsen van het betreffende voertuig om zo de APV te omzeilen.

In een situatie als deze is het niet mogelijk om de inwoner te handhaven, omdat die officieel niets verkeerds doet. Uiteraard is dit echter niet de bedoeling. Door de termijn terug te brengen van zeven naar drie dagen wordt beoogd om te voorkomen dat de voorwaarde omzeild wordt en wordt getracht om de inwoner het grote voertuig te laten houden daar waar het wel is toegestaan. Daarnaast is het uiteraard tevens van belang om rekening te houden met de beperkte parkeercapaciteit binnen de gemeente in combinatie met het uiterlijk aanzien. In de praktijk zal het uiteraard niet zo zijn dat een inwoner na drie dagen meteen beboet wordt. Wanneer iemand melding maakt van een groot voertuig, dan zal één van de boa's

eerst langs moeten gaan voor een eigen waarneming. Op dat moment wordt het voertuig bestickerd en zal na de termijn van drie dagen opnieuw worden bekeken of het voertuig al dan niet is verplaatst. Wanneer het voertuig niet is verplaatst, dan zal het handhavingsproces in gang worden gezet. Dit laat meteen zien dat wanneer in de praktijk een termijn van zeven dagen wordt gehanteerd, het voertuig aanzienlijk langer zal blijven staan wat langdurige overlast met zich mee kan brengen. Het is overigens wel toegestaan om het voertuig op eigen terrein (oprit) te plaatsen nu het verbod slechts ziet op de openbare weg. Voor de volledigheid is in de bijlage opgenomen wat volgens de Wegenverkeerswet 1994 valt onder ‘weg’. Artikel 5:30 Verbod op beklimmen van bruggen en springen in water Dit artikel verbiedt het om te klimmen op en af te springen van bruggen en andere waterstaatwerken te springen die in beheer, eigendom of bedieningsverantwoordelijkheid van het college zijn. Het doel van dit artikel is het voorkomen van gevaarlijke situaties (en daarmee het waarborgen van de veiligheid) en schade aan eigendommen. In het verlengde daarvan is het doel tevens om enige vorm van aansprakelijkheid van de gemeente bij schade te voorkomen.

Hoewel de inwoner in beginsel verantwoordelijk is voor het risico in een dergelijke situatie, zijn er situaties denkbaar waarbij deze verantwoordelijkheid kan worden overgeheveld naar de gemeente. Dit is echter niet de voornaamste reden om het artikel op te laten nemen, dat heeft simpelweg te maken met het waarborgen van de veiligheid van de inwoner. Zo zijn er wateren binnen de gemeente die niet erg schoon zijn om in te zwemmen, maar zijn er ook locaties waar kano's varen op plekken waar inwoners van de brug kunnen springen. Om de vraag te beantwoorden waarom een dergelijk verbod dan niet wordt ingezet op overige locaties binnen de gemeente waar bijvoorbeeld kan worden geskeelerd of iets dergelijks, heeft simpelweg te maken met dat de verantwoordelijkheid uiteindelijk bij de gemeente wordt neergelegd. Het verschil ten opzichte van bruggen of waterstaatswerken is daarbij tevens dat bij het springen in het water er oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van de betreffende objecten. Dit is niet per definitie het geval bij bijvoorbeeld drempels binnen in het centrumgebied. Door deels vooraf de verantwoordelijkheid te nemen door de inwoner te waarschuwen voor gevaarlijke situaties (door bijvoorbeeld het neerzetten van waarschuwingsborden), verklein je de kans op het ontstaan van een risico.

Houd er uiteraard rekening mee dat, ook wanneer dit artikel niet zou worden opgenomen, een gevaarlijke situatie zoals deze simpelweg risico's met zich mee kan brengen, ook voor de gemeente.

Afsluiting Wij hopen door middel van het bovenstaande enige verduidelijking te hebben kunnen geven voor de besproken onderwerpen tijdens de beeldvormende sessie. Met vriendelijke groet, Het college van burgemeester en wethouders, Digitaal ondertekend door Bjørn van den Brink op 17-09-2025

Digitaal ondertekend door Gerolf Bouwmeester op 17-09-2025

R.B. van den Brink directeur secretaris

G.J. Bouwmeester burgemeester

Bijlage Voorgestelde tekst Algemene Plaatselijke Verordening Leusden 2025 Artikel 2:14 APV Winkelwagens 1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze: a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet. Artikel 2:24 lid 2, onder f '’straatfeest en buurtbarbecue’’ In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder g. 1. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c.

een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een snuffelmarkt, zijnde een markt in een voor publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats; f. een straatfeest of buurtbarbecue; g. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of gala’s. 2. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen; b. de activiteiten plaatsvinden tussen 09.00 en 24.00 uur; c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00 uur. d. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom-)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten, tenzij het evenement wordt gehouden op slechts één weg (of weggedeelte), welke weg hoofdzakelijk een verblijfsfunctie heeft en onder de voorwaarde dat: i. gehandicaptenparkeerplaatsen worden vrijgehouden en bereikbaar blijven;

ii. iii.

de toegankelijkheid voor hulpdiensten wordt gewaarborgd. Voor de hulpdiensten dient een vrije rijstrook van 3,50 meter breed en 4,20 meter hoog beschikbaar te zijn; direct belanghebbenden door de organisator uiterlijk een week voor het evenement schriftelijk worden geïnformeerd; en e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 vierkante meter per object.

Artikel 2:25 evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste 15 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan schriftelijk melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4. De burgemeester kan binnen 10 dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 6. Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 7.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 8. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een evenementenvergunning weigeren indien: a. onevenredig veel beslag wordt gelegd op de hulpdiensten; b. de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement; of c. de aanvraag minder dan 12 weken voor de datum van het evenement wordt ingediend en een redelijke beoordeling niet meer mogelijk is. 9. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:25a Termijnen aanvragen evenementenvergunning 1. Een volledige en complete aanvraag om een vergunning voor een A-evenement moet uiterlijk acht weken voor de aanvang daarvan zijn ontvangen door de burgemeester. 2. Een volledige en complete aanvraag om een vergunning voor een B- en C-evenement moet uiterlijk twaalf weken voor de aanvang daarvan zijn ontvangen door de burgemeester.

3. Als een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid en het tweede lid niet compleet en volledig is ontvangen binnen de daarvoor genoemde termijn en daardoor een behoorlijke behandeling niet mogelijk is, kan de burgemeester besluiten om de aanvraag voor een vergunning te weigeren. Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. 1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist. 2. Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening. Artikel 2:51 en 5:12 Neerzetten en overlast van fietsen(wrakken) of bromfietsen Artikel 2:51 Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt. Artikel 5:12 1.

Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 2. Het is verboden op door het college ter voorkoming van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, fietsen of bromfietsen langer dan 28 dagen onbeheerd en ongebruikt binnen de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 3. Het is verboden een fietswrak op of aan de weg te plaatsen of te hebben. 4. Onder een fietswrak als bedoeld in het derde lid wordt verstaan een fiets of gedeelten daarvan die: a. in onvoldoende staat van onderhoud verkeert; b. in verwaarloosde toestand verkeert; en c. een geringe economische waarde heeft. 5. Het college kan nadere regels stellen over het plaatsen en laten staan van fiets(enwrakk)en en bromfietsen. Artikel 2:54 (Slaap)verblijf op de openbare plaats 1. Het is verboden de weg of een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op of aan de weg of een openbare plaats een voertuig, woonwagen, tent of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3.

Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen en in het geval van: a. woonwagens met een woonbestemming; en b. op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.

4. Op de ontheffing bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen 1. Het is verboden op een weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het voertuig te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5:8 Grote voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een weg gelegen binnen de bebouwde kom. 2. Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing op: a. campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden; b. werkdagen van maandag tot en met zaterdag, dagelijks van 07.00 tot 19.00 uur; c. door het college aangewezen wegen binnen de bebouwde kom. 3.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5:30 Verbod op beklimmen van bruggen en springen in water 1. Het is verboden op bruggen en andere waterstaatwerken, die in beheer, eigendom of bedieningsverantwoordelijkheid van het college zijn, te klimmen dan wel om hiervan af te springen in openbaar water. 2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar dit verbod niet van toepassing is. 3. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement en de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Wegenverkeerswet 1994 Artikel 1 lid 1 onder b WVW 1994 (...) wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten; (...)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/4087/documents/48201