CConstaterende datLeusden
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-05-13 Bijlage bij Raadsinformatiebrief Rapportage onderzoeken Milieu Ruimte 1e fase OER project A28 AU (kennisnemen).pdf

Raadsvergadering 27 juni 2024, gemeente LeusdenBij agendapunt: 19: RV Strategische keuze grootschalige windenergie11.027 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Halve rotordiameter-afstand

Risicocontouren Ten behoeve van het berekenen van de externe veiligheidseffecten van de onderzoeksopstellingen zijn de werpafstanden en risicocontouren berekend van een aantal windturbinetypes, waarvan de afmetingen in de buurt liggen van de afmetingen van het kleine, middelgrote en grote formaat windturbine. De berekeningen zijn uitgevoerd met berekeningsmodule Save-W. De resultaten van de berekeningen zijn in Tabel 14 weergegeven.

Tabel 14

Risicocontouren windturbinetypes passend bij de drie doorgerekende formaten Formaat Klein

Middel

Groot

Type SG SWT-2.5-120 N117/3675 V117-4.2 V150-4.2 N149 5.X SG 5.0-145 SG 6.0-155 SG 6.6-170 N175/6.X E-175 EP5

Rotordiameter (m) 120 116,8 117 150 149 145 155 170 175 175

Ashoogte (m) 120 121,6 121,5 135 135,5 137,5 132,5 145 142,5 142,5

Tiphoogte (m) 180 180 180 210 210 210 210 230 230 230

PR-contour* 10-5 10-6 (m) (m) 34 136 38 125 39 125 50 157 48 155 41 155 49 162 40 172 41 179 38 179

Max. werpafstand Nominaal Overtoeren (m) (m) 135 339 115 276 108 258 125 299 127 304 154 384 136 331 156 369 140 324 160 380

* PR betekent; plaatsgebonden risico. Met het plaatsgebonden risico wordt de kans aangegeven dat een persoon die zich op een gegeven afstand van de windturbines bevindt, komt te overlijden als gevolg van falen van de windturbines. Een persoon die zich onafgebroken op de PR 10-6 contour bevindt heeft een kans op overlijden van één op de 1.000.000 per jaar. Een persoon die zich onafgebroken op de PR 10-5 contour bevindt heeft een kans op overlijden van één op de 100.000 per jaar.

Ter verbeelding van de externe veiligheidseffecten van de onderzoeksopstellingen is voor de drie formaten windturbines uit Tabel 14 telkens een windturbinetype Externe veiligheid

45 45

Eerste fase technisch onderzoek OER A28 Leusderheide en Vlasakkers

gekozen dat representatief is voor de te verwachten externe veiligheidseffecten bij dat formaat windturbine. Dit type is aangegeven in rood. Dat is gekozen voor een representatief windturbinetype wil zeggen dat voor die afmeting zowel windturbinetypen met grotere als kleinere werpafstanden en risicocontouren mogelijk zijn.

4.4

Externe veiligheidseffecten op kaart In onderstaande figuren zijn voor de onderzoeksopstellingen de relevante risicocontouren weergegeven. Op de kaarten zijn ook de gebieden weergegeven waarbinnen momenteel bekend is dat daar in de toekomst ontwikkelingen van Defensieterreinen zullen plaatsvinden. De windturbines hebben externe veiligheidseffecten tot gevolg voor omliggende personen en objecten die zich binnen de maximale werpafstand bij overtoeren bevinden. Buiten de tiphoogte-afstand zijn deze effecten echter zeer klein, waardoor de externe veiligheidseffecten voor personen en objecten die zich buiten de tiphoogte-afstand bevinden al vrijwel altijd toelaatbaar zullen zijn. De veiligheidseffecten zijn groter voor objecten die binnen de tiphoogte-afstand gelegen zijn. Voor deze objecten is daarom doorgaans passend een verdiepende externe veiligheidsanalyse uit te voeren. Zo’n verdiepende analyse valt buiten het doel van voorliggend onderzoek. Voor (zeer) kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt dat deze mogelijk niet binnen de PR 10-6 contour van de windturbines mogen komen te liggen. Of ligging binnen de PR 10-6 contour is toegestaan, is afhankelijk van de vraag of de gebouwen/locaties een zogenaamde functionele binding met het windpark hebben en van de exacte normen die ten aanzien van het plaatsgebonden risico zullen worden gehandhaafd.

46 Externe veiligheid

46

Eerste fase technisch onderzoek OER A28 Leusderheide en Vlasakkers

Figuur 43

Risicocontouren voor de onderzoeksopstelling klein – Leusderheide oost

Figuur 44

Risicocontouren voor de onderzoeksopstelling middel – Leusderheide oost

47 Externe veiligheid

47

Eerste fase technisch onderzoek OER A28 Leusderheide en Vlasakkers

Figuur 45

Risicocontouren voor de onderzoeksopstelling groot – Leusderheide oost

Figuur 46

Risicocontouren voor de onderzoeksopstelling klein – Leusderheide west

48 Externe veiligheid

48

Eerste fase technisch onderzoek OER A28 Leusderheide en Vlasakkers

Figuur 47

Risicocontouren voor de onderzoeksopstelling middel – Leusderheide west

Figuur 48

Risicocontouren voor de onderzoeksopstelling groot – Leusderheide west

49 Externe veiligheid

49

Eerste fase technisch onderzoek OER A28 Leusderheide en Vlasakkers

Figuur 49

Risicocontouren voor de onderzoeksopstelling klein – Vlasakkers

Figuur 50

Risicocontouren voor de onderzoeksopstelling middel – Vlasakkers

50 Externe veiligheid

50

Eerste fase technisch onderzoek OER A28 Leusderheide en Vlasakkers

Figuur 51

Risicocontouren voor de onderzoeksopstelling groot – Vlasakkers

51 Externe veiligheid

51

Eerste fase technisch onderzoek OER A28 Leusderheide en Vlasakkers

Hoofdstuk 5 Opbrengst 5.1

Inleiding In dit hoofdstuk wordt een vroegtijdige berekening van de elektriciteitsproductie van de onderzoeksopstellingen gegeven door rekening te houden met: het lokale windaanbod; het vermogen van de windturbines om vanuit dit windaanbod elektriciteit te genereren, aangeduid met de vermogenscurve; ➢ de elektriciteitsverliezen; ➢ ➢

5.2

Windaanbod Windturbines genereren elektriciteit uit windenergie. Hoe harder het waait, hoe meer stroom er wordt geproduceerd. Daarom is het belangrijk goed te weten wat het windaanbod is ter hoogte van de windturbines. Op grotere hoogte waait het gemiddeld harder, met meer productie tot gevolg. Figuur 52 toont de verwachte windsnelheidsverdeling op ashoogte voor de drie verschillende afmetingsvarianten die in dit onderzoek aan bod komen. De windsnelheidsverdeling laat zien hoe vaak verschillende windsnelheden op de Leusderheide en Vlasakkers te verwachten zijn. Voor de bepaling van de windsnelheidsverdeling baseren wij ons op het KNMI-KNW model, die op basis van langjarige meetgegevens tot stand zijn gekomen8. De verschillen in windaanbod op verschillende locaties binnen de Vlasakkers en Leusderheide zijn relatief klein. Daarom is in dit onderzoek voor alle windturbines van één representatief windaanbod uitgegaan.

8

Opbrengst

Voor een beschrijving van de dataset uit de KNMI-KNW atlas, zie: https://www.knmiprojects.nl/projects/knw-atlas/knw-data

52 52

Eerste fase technisch onderzoek OER A28 Leusderheide en Vlasakkers

Figuur 52

Windsnelheidsverdeling op een ashoogte van 120, 135 en 145 meter voor een representatieve locatie binnen de Vlasakkers en Leusderheide. 18% 16%

Frequentie

14% 120m ashoogte

12%

135m ashoogte

10%

145m ashoogte

8% 6% 4% 2% 0%

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25

Windsnelheid (m/s)

5.3

Vermogenscurve De hoeveelheid elektriciteit die een bepaald type windturbine bij verschillende windsnelheden kan produceren, wordt weergegeven met diens vermogenscurve. Voor de vermogenscurve is met name de rotordiameter van de windturbine van belang. Omdat windturbines met een grotere rotordiameter meer wind vangen, kunnen zij bij eenzelfde gemiddelde windsnelheid meer elektriciteit genereren. Figuur 53 toont de vermogenscurves van drie windturbinetypes die representatief zijn bij de onderzochte afmetingsvarianten. Bij de vermogenscurve van bij beide Siemens windturbines is aan het einde van de curve een scherpe daling te zien. Een dergelijke daling zien we terug bij bepaalde windturbinetypes waarbij het vermogen wordt afgeschaald ter bescherming van de turbine. In de praktijk blijkt dat deze windsnelheden nauwelijks voorkomen (Figuur 52) en dit een zeer beperkte tot geen invloed heeft op de elektriciteitsproductie.

53 Opbrengst

53

Eerste fase technisch onderzoek OER A28 Leusderheide en Vlasakkers

Figuur 53

Vermogenscurves van de onderzochte windturbinetypen

5.4

Energieverliezen Uit vermenigvuldiging van het windaanbod op ashoogte met de vermogenscurve volgt de bruto elektriciteitsproductie van een windturbine. De netto elektriciteitsproductie zal lager liggen omdat verschillende factoren energieverliezen als gevolg zullen hebben (verstoring van het windaanbod door omliggende windturbines en bebouwing, mitigatie voor geluid, slagschaduw en ecologie, stilstand door onderhoud, elektrische verliezen, ijsopbouw, etc.). Passend bij de verkennende fase van dit onderzoek zijn deze verliezen niet voor een specifieke windturbine opstelling berekend, maar wordt een totaal van 13% elektriciteitsverliezen als uitgangspunt genomen.

5.5

Resultaten De resulterende netto elektriciteitsproductie is in Tabel 15 weergegeven. De totale netto elektriciteitsproductie per onderzoeksopstelling is in Tabel 16 weergegeven.

Tabel 15

Verwachte netto elektriciteitsproductie van de doorgerekende windturbineopstellingen AsGem. windsnelVerwachte netto jaarForRepresentatief hoogte heid op ashoogte productie per windturmaat windturbinetype (m) (m/s) bine (MWh / jaar) Klein Siemens SWT-2.5-120 120 6,80 8.378 Middel Vestas V150-4.5 135 7,08 15.123 Groot Siemens Gamesa SG6.6-170 145 7,25 21.447

Tabel 16

Verwachte totale netto elektriciteitsproductie van de doorgerekende onderzoeksopstellingen Verwachte netto jaarproductie Onderzoeksopstelling Variant Aantal windturbines onderzoeksopstelling (GWh / jaar) Groot 2 42,9 (0,0429 TWh / jaar) Leusderheide Oost Middel 3 45,4 (0,0454 TWh / jaar) Klein 4 33,5 (0,0335 TWh / jaar) Groot 3 64,3 (0,0643 TWh / jaar) Leusderheide West Middel 3 45,4 (0,0454 TWh / jaar) Klein 4 33,5 (0,0335 TWh / jaar)

Opbrengst

54 54

Eerste fase technisch onderzoek OER A28 Leusderheide en Vlasakkers

Vlasakkers

Groot Middel Klein

3 4 5

64,3 (0,0643 TWh / jaar) 60,5 (0,0605 TWh / jaar) 41,9 (0,0419 TWh / jaar)

55 Opbrengst

55

Eerste fase technisch onderzoek OER A28 Leusderheide en Vlasakkers

Hoofdstuk 6 Conclusie eerste fase deelonderzoek Dit onderzoek betreft de eerste fase van de verkenning waarin de onderzoeksopstellingen zijn onderzocht op de milieueffecten geluid, slagschaduw en externe veiligheid. Met de resultaten van dit onderzoek wordt met stakeholders en input van defensie en luchtvaart gekeken naar mogelijke optimalisaties van de opstellingen. In de volgende fase van het onderzoek wordt daarnaast ook aandacht besteed aan ecologische aspecten, effecten op radar en visualisaties. Uit het geluidsonderzoek volgt dat er bij elke opstelling aan de conceptnorm van 45 dB Lden (en 39 dB Lnight) op bestaande woningen wordt voldaan. Over het algemeen geldt dat alle opstellingen relatief ver van de woningen af liggen waardoor (ruimschoots) aan de conceptnormen wordt voldaan. Uit het slagschaduwonderzoek volgt dat opbrengstderving uitgaande een norm van 6-uur slagschaduw per jaar is laag vanwege de geringe hoeveelheid woningen in de nabijheid van de onderzoeksopstellingen. De opbrengstderving uitgaande van een 0-uur norm waarbij alle slagschaduw op de omgeving wordt voorkomen is voor alle onderzoeksopstellingen onder de 0,6%. Daarmee is de verwachting dat stilstand ter vermindering van slagschaduw geen belemmering vormt voor de economische uitvoerbaarheid van het windpark.

De derving die gepaard gaat met stilstand om alle slagschaduw op het dierenpark te voorkomen bedraagt 0,3% voor het grote formaat, 0,2% voor het middelgrote formaat van 0,1% voor het kleine formaat. Het externe veiligheidsonderzoek laat zien dat de onderzoeksopstellingen geen veiligheidsrisico’s bij omliggende woningen zullen opleveren, omdat hiervoor de afstand tot de windturbines te groot is. Wel bestaat de kans dat delen van een falende windturbine omliggende infrastructuur (wegen, spoorwegen en hoogspanningsleidingen) kunnen treffen. In de ruimtelijke analyse die aan dit onderzoek vooraf is gegaan is al rekening is gehouden met adviesafstanden die tot deze infrastructuur gelden. Hieruit volgt dat de overblijvende veiligheidsrisico’s bij omliggende infrastructuur als toelaatbaar mogen worden beschouwd. De beoordeling van externe veiligheidsrisico’s is daarom uitsluitend relevant voor de gebouwen en terreinen van Defensie. Uit de figuren bij het externe veiligheidsonderzoek volgt dat toekomstig externe veiligheidsonderzoek met name bij het raccordement op de Vlasakkers en de Berhardkazerne zal moeten aantonen of sprake van een toelaatbare situatie is. Tot slot is de te verwachte energieopbrengst berekend voor de onderzoeksopstellingen.

De onderzoeksopstelling die de laagste energieopbrengst oplevert, bestaat uit 4 kleine windturbines met een jaarlijkse energieopbrengst van 33,5 GWh (0,0335 TWh). De hoogste opbrengst bedraagt 64,3 GWh (0,0643 TWh) per jaar en wordt behaald door de opstelling van 3 grote windturbines. Conclusie eerste fase deelonderzoek

56 56

Eerste fase technisch onderzoek OER A28 Leusderheide en Vlasakkers

Uit het onderzoek blijkt dat op het gebied van milieuaspecten geluid, slagschaduw en externe veiligheid de onderzoeksopstellingen op deze locaties haalbaar zijn.

57 Conclusie eerste fase deelonderzoek

57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.leusden.nl/api/v1/meetings/3716/documents/41843