CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Wetsvoorstel onderwijshuisvesting in primair en voortgezet onderwijs

Raadsvergadering 26 september 2023, gemeente LeudalBij agendapunt: Vaststellen visie op onderwijshuisvesting 'Integraal huisvestingsplan 2024-2039 (tussendocument visie) gemeente Leudal'17.935 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Voorstel van Wet tot wijziging van diverse onderwijswetten om te komen tot een meer planmatige en doelmatige aanpak van de onderwijshuisvesting in het primair en voortgezet onderwijs

Voorstel van wet

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen over diverse maatregelen inzake onderwijshuisvesting ten behoeve van een meer planmatige en doelmatige aanpak van bouw en onderhoud van schoolgebouwen in het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs ter verbetering van de kwaliteit van en verduidelijking van de verantwoordelijkheid voor de onderwijshuisvesting; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel I. Wijziging Wet op het primair onderwijs De Wet op het primair onderwijs wordt als volgt gewijzigd: A Na artikel 4c wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 4d. Zorg gezond binnenklimaat leerlingen 1. Het bevoegd gezag draagt zorg voor een gezond binnenklimaat voor leerlingen op school, waarbij het bevoegd gezag in ieder geval beleid met betrekking tot een gezond binnenklimaat voor leerlingen vaststelt en uitvoert. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over hetgeen wordt verstaan onder gezond binnenklimaat. B Artikel 92, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

W8129.K-1

1

1. In onderdeel a, onder 2°, vervalt “, en”. 2. In onderdeel a, onder 3°, wordt de puntkomma vervangen door “, en”. 3. In onderdeel a, wordt na het derde onderdeel een nieuw onderdeel ingevoegd, luidend: 4°. renovatie bestaande uit vernieuwing of grootschalige verandering van een gebouw of een gedeelte daarvan door een geheel van maatregelen, dat erop is gericht de levensduur en geschiktheid van het gebouw of het gedeelte daarvan, voor het onderwijs met ten minste 25 jaar te verlengen;. C Na artikel 92 worden nieuwe artikelen ingevoegd, luidende: Artikel 92a. Inhoud integraal huisvestingsplan 1. De gemeenteraad stelt ten minste eenmaal in de vier jaar een integraal huisvestingsplan vast voor de bekostiging van de voorzieningen in de huisvesting in de gemeente voor scholen als bedoeld in artikel 93. 2. Het integraal huisvestingsplan vermeldt de voorzieningen in de huisvesting, bedoeld in artikel 92, voor een periode van vier kalenderjaren en vermeldt op welke kalenderjaren het plan betrekking heeft. 3. Het integraal huisvestingsplan vermeldt in ieder geval de beoogde beleidsdoelen voor de onderwijshuisvesting in relatie tot de prognose van het aantal leerlingen in de gemeente in de periode waarop het plan betrekking heeft en de beslissing over nieuwbouw of renovatie van een voorziening in de huisvesting ouder dan 40 jaar. 4.

In het integraal huisvestingsplan wordt elke voorziening in de huisvesting op het grondgebied van de gemeente aangeduid met vermelding van: a. de voorziening in de huisvesting, bedoeld in artikel 92, eerste lid, de kadastrale gegevens, het bouwjaar, het bruto vloeroppervlak, de inpandige sportvoorzieningen voor zover aanwezig, de bouwtechnische staat, de functionaliteit van het gebouw in relatie tot de onderwijsvorm, het energieverbruik en de overige exploitatielasten, de verwachte levensduur en duurzaamheid van het gebouw; b. het geraamde investeringsbedrag; c. de wijze waarop de voorziening in de huisvesting is afgestemd op het meerjarenonderhoudsplan, bedoeld in artikel 92c; d. de voornemens voor de voorziening in de huisvesting in de periode van 12 jaar volgend op de periode van vier jaar waarvoor het plan geldt. 5. Indien door de gemeenteraad een besluit is genomen als bedoeld in artikel 111, wordt in het integraal huisvestingsplan vermeld voor welk bevoegd gezag, voor welke huisvestingsvoorzieningen en voor welke termijn dit besluit is genomen. Het betreffende bevoegd gezag verstrekt de informatie, genoemd in het vierde lid, onderdelen a tot en met d, ter vermelding in het integraal huisvestingsplan. 6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de gegevens in het integraal huisvestingsplan. Artikel 92b. Procedure integraal huisvestingsplan 1.

De gemeenteraad stelt het integraal huisvestingsplan, bedoeld in artikel 92a, of een wijziging daarvan, niet vast dan nadat daarover op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met door het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente aan te wijzen vertegenwoordigers. De gemeenteraad stelt daartoe na overleg met deze vertegenwoordigers een procedure vast. 2. Tijdens het op overeenstemming gericht overleg kan de gemeenteraad op verzoek van een bevoegd gezag of ambtshalve aan de Onderwijsraad advies vragen over de vaststelling of wijziging van het integraal huisvestingsplan in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt gevraagd. De Onderwijsraad brengt binnen acht weken na ontvangst van het verzoek advies uit aan de gemeenteraad. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen met het integraal huisvestingsplan of de wijziging daarvan.

W8129.K-1

2

3. Het college van burgemeester en wethouders brengt het integraal huisvestingsplan of wijziging daarvan ter kennis van Onze Minister. 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop de kennisgeving, bedoeld in het derde lid, plaatsvindt. Artikel 92c. Meerjarenonderhoudsplan 1. Het bevoegd gezag stelt ten minste eenmaal in de vier jaar, op basis van een bouwkundige inspectie, een meerjarenonderhoudsplan vast voor het onderhoud van het gebouw of de gebouwen. 2. Het meerjarenonderhoudsplan bestrijkt een periode van vier kalenderjaren en vermeldt in ieder geval op welke kalenderjaren het onderhoudsplan betrekking heeft, welke onderhoudswerkzaamheden in welk jaar plaatsvinden en de daarvoor beschikbare middelen en de voornemens voor onderhoudswerkzaamheden in de periode van 12 jaar volgend op de periode van vier jaar waarvoor het meerjarenonderhoudsplan geldt. 3. Voorafgaand aan het op overeenstemming gericht overleg over het integraal huisvestingsplan, bedoeld in artikel 92b, brengt het bevoegd gezag het meerjarenonderhoudsplan ter kennis van de deelnemers aan dit overleg. 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de bouwkundige inspectie, bedoeld in het eerste lid, en de inhoud van het meerjarenonderhoudsplan. D Artikel 95 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het opschrift komt te luiden: Artikel 95.

Jaarprogramma huisvestingsvoorzieningen 2. In het derde lid wordt na ‘college van burgemeester en wethouders’ ingevoegd: handelt bij de vaststelling van het programma overeenkomstig het integraal huisvestingsplan, bedoeld in artikel 92a, en. E Artikel 115 wordt als volgt gewijzigd: Onder vernummering van het vierde tot en met het zevende lid tot het vijfde tot en met het achtste lid, wordt na het derde lid een lid ingevoegd, luidende: 4. In geval van een overschot op de aanwending van de bekostiging voor de kosten, bedoeld in het tweede lid, kan dat overschot worden aangewend voor de kosten van de voorzieningen in de huisvesting, bedoeld in artikel 92. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter waarborging van de continuïteit van het onderwijsproces.

Artikel II. Wijziging Wet op de expertisecentra De Wet op de expertisecentra wordt als volgt gewijzigd: A Na artikel 5b wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 5c. Zorg gezond binnenklimaat leerlingen 1. Het bevoegd gezag draagt zorg voor een gezond binnenklimaat voor leerlingen op school, waarbij het bevoegd gezag in ieder geval beleid met betrekking tot een gezond binnenklimaat voor leerlingen vaststelt en uitvoert. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over hetgeen wordt verstaand onder gezond binnenklimaat. B

W8129.K-1

3

Artikel 90, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd: 1. In onderdeel a, onder 2°, vervalt “, en”. 2. In onderdeel a, onder 3°, wordt de puntkomma vervangen door “, en”. 3. In onderdeel a, wordt na het derde onderdeel een nieuw onderdeel ingevoegd, luidend: 4°. renovatie bestaande uit vernieuwing of grootschalige verandering van een gebouw of een gedeelte daarvan door middel van een geheel van maatregelen, dat erop is gericht de levensduur en geschiktheid van het gebouw of het gedeelte daarvan, voor het onderwijs met ten minste 25 jaar te verlengen;. C Na artikel 90 worden nieuwe artikelen ingevoegd, luidende: Artikel 90a. Inhoud integraal huisvestingsplan 1. De gemeenteraad stelt ten minste eenmaal in de vier jaar een integraal huisvestingsplan vast voor de bekostiging van de voorzieningen in de huisvesting in de gemeente voor scholen als bedoeld in artikel 91. 2. Het integraal huisvestingsplan vermeldt de voorzieningen in de huisvesting, bedoeld in artikel 90, voor een periode van vier kalenderjaren en vermeldt op welke kalenderjaren het plan betrekking heeft. 3.

Het integraal huisvestingsplan vermeldt in ieder geval de beoogde beleidsdoelen voor de onderwijshuisvesting in relatie tot de prognose van het aantal leerlingen in de gemeente in de periode waarop het plan betrekking heeft en de beslissing over nieuwbouw of renovatie van een voorziening in de huisvesting ouder dan 40 jaar. 4. In het integraal huisvestingsplan wordt elke voorziening in de huisvesting op het grondgebied van de gemeente aangeduid met vermelding van: a. de voorziening in de huisvesting, bedoeld in artikel 90, eerste lid, de kadastrale gegevens, het bouwjaar, het bruto vloeroppervlak, de inpandige sportvoorzieningen voor zover aanwezig, de bouwtechnische staat, de functionaliteit van het gebouw in relatie tot de onderwijsvorm, het energieverbruik en de overige exploitatielasten, de verwachte levensduur en duurzaamheid van het gebouw; b. het geraamde investeringsbedrag; c. de wijze waarop de voorziening in de huisvesting is afgestemd op het meerjarenonderhoudsplan, bedoeld in artikel 90c; d. de voornemens voor de voorziening in de huisvesting in de periode van 12 jaar volgend op de periode van vier jaar waarvoor het plan geldt. 5. Indien door de gemeenteraad een besluit is genomen als bedoeld in artikel 109, wordt in het integraal huisvestingsplan vermeld voor welk bevoegd gezag, voor welke huisvestingsvoorzieningen en voor welke termijn dit besluit is genomen.

Het betreffende bevoegd gezag verstrekt de informatie, genoemd in het vierde lid, onderdelen a tot en met d, ter vermelding in het integraal huisvestingsplan. 6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de gegevens in het integraal huisvestingsplan en de informatie die bij het opstellen van het plan in ieder geval wordt betrokken. Artikel 90b. Procedure integraal huisvestingsplan 1. De gemeenteraad stelt het integraal huisvestingsplan, bedoeld in artikel 90a, of een wijziging daarvan, niet vast dan nadat daarover op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met door het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente aan te wijzen vertegenwoordigers. De gemeenteraad stelt daartoe na overleg met deze vertegenwoordigers een procedure vast. 2. Tijdens het op overeenstemming gericht overleg kan de gemeenteraad op verzoek van een bevoegd gezag of ambtshalve aan de Onderwijsraad advies vragen over de vaststelling of wijziging van het integraal huisvestingsplan in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek bevat een omschrijving van de

W8129.K-1

4

onderwerpen waarover advies wordt gevraagd. De Onderwijsraad brengt binnen acht weken na ontvangst van het verzoek advies uit aan de gemeenteraad. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen met het integraal huisvestingsplan of de wijziging daarvan. 3. Het college van burgemeester en wethouders brengt het integraal huisvestingsplan of wijziging daarvan ter kennis van Onze Minister. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop dit plaatsvindt. Artikel 90c. Meerjarenonderhoudsplan 1. Het bevoegd gezag stelt ten minste eenmaal in de vier jaar, op basis van een bouwkundige inspectie, een meerjarenonderhoudsplan vast voor het onderhoud van het gebouw of de gebouwen. 2. Het meerjarenonderhoudsplan bestrijkt een periode van vier kalenderjaren en vermeldt in ieder geval op welke kalenderjaren het onderhoudsplan betrekking heeft, welke onderhoudswerkzaamheden in welk jaar plaatsvinden en de daarvoor beschikbare middelen en de voornemens voor onderhoudswerkzaamheden in de periode van 12 jaar volgend op de periode van vier jaar waarvoor het meerjarenonderhoudsplan geldt. 3. Voorafgaand aan het op overeenstemming gericht overleg over het integraal huisvestingsplan, bedoeld in artikel 90b, brengt het bevoegd gezag het meerjarenonderhoudsplan ter kennis van de deelnemers aan dit overleg. 4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de bouwkundige inspectie, bedoeld in het eerste lid, en de inhoud van het meerjarenonderhoudsplan. D Artikel 93 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het opschrift komt te luiden: Artikel 93. Jaarprogramma huisvestingsvoorzieningen 2. In het derde lid wordt ‘Burgemeester en wethouders nemen’ vervangen door: Het college van burgemeester en wethouders handelt bij de vaststelling van het programma overeenkomstig het integraal huisvestingsplan, bedoeld in artikel 90a, en neemt. E Artikel 113 wordt als volgt gewijzigd: Onder vernummering van het vierde tot en met het zevende lid tot het vijfde tot en met het achtste lid, wordt na het derde lid een lid ingevoegd, luidende: 4. In geval van een overschot op de aanwending van de bekostiging voor de kosten, bedoeld in het tweede lid, kan dat overschot worden aangewend voor de kosten van de voorzieningen in de huisvesting, bedoeld in artikel 90. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter waarborging van de continuïteit van het onderwijsproces.

Artikel III. Wijziging Wet voortgezet onderwijs 2020 De Wet voortgezet onderwijs 2020 wordt als volgt gewijzigd: A Na artikel 3.41. wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 3.41a. Zorg gezond binnenklimaat leerlingen 1. Het bevoegd gezag draagt zorg voor een gezond binnenklimaat voor leerlingen op school, waarbij het bevoegd gezag in ieder geval beleid voor een gezond binnenklimaat voor leerlingen vaststelt en uitvoert. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over hetgeen wordt verstaan onder gezond binnenklimaat.

W8129.K-1

5

B Aan artikel 5.39, derde lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter waarborging van de continuïteit van het onderwijsproces. C Artikel 6.2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd: 1. In onderdeel a, onder 2°, vervalt ‘, en’. 2. In onderdeel a, onder 3°, wordt na de puntkomma toegevoegd: en. 3. In onderdeel a, wordt na het derde onderdeel een nieuw onderdeel toegevoegd, luidend: 4°. renovatie bestaande uit vernieuwing of grootschalige verandering van een gebouw of een gedeelte daarvan door middel van een geheel van maatregelen, dat erop is gericht de levensduur en geschiktheid van het gebouw of het gedeelte daarvan, voor het onderwijs met ten minste 25 jaar te verlengen;. D Na artikel 6.2. worden nieuwe artikelen ingevoegd, luidende: Artikel 6.2a. Inhoud integraal huisvestingsplan 1. De gemeenteraad stelt ten minste eenmaal in de vier jaar een integraal huisvestingsplan vast voor de bekostiging van de voorzieningen in de huisvesting in de gemeente voor scholen als bedoeld in artikel 6.3. 2. Het integraal huisvestingsplan vermeldt de voorzieningen in de huisvesting, bedoeld in artikel 6.2, voor een periode van vier kalenderjaren en vermeldt op welke kalenderjaren het plan betrekking heeft. 3.

Het integraal huisvestingsplan vermeldt in ieder geval de beoogde beleidsdoelen voor de onderwijshuisvesting in relatie tot de prognose van het aantal leerlingen in de gemeente in de periode waarop het plan betrekking heeft en de beslissing over nieuwbouw of renovatie van een voorziening in de huisvesting ouder dan 40 jaar. 4. In het integraal huisvestingsplan wordt elke voorziening in de huisvesting op het grondgebied van de gemeente aangeduid met vermelding van: a. de voorziening in de huisvesting, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, de kadastrale gegevens, het bouwjaar, het bruto vloeroppervlak, de inpandige sportvoorzieningen voor zover aanwezig, de bouwtechnische staat, de functionaliteit van het gebouw in relatie tot de onderwijsvorm, het energieverbruik en de overige exploitatielasten, de verwachte levensduur en duurzaamheid van het gebouw; b. het geraamde investeringsbedrag; c. de wijze waarop de voorziening in de huisvesting is afgestemd op het meerjarenonderhoudsplan, bedoeld in artikel 6.2c; d. de voornemens voor de voorziening in de huisvesting in de periode van 12 jaar volgend op de periode van vier jaar waarvoor het plan geldt. 5. Indien door de gemeenteraad een besluit is genomen als bedoeld in artikel 6.21, wordt in het integraal huisvestingsplan vermeld voor welk bevoegd gezag, voor welke huisvestingsvoorzieningen en voor welke termijn dit besluit is genomen.

Het betreffende bevoegd gezag verstrekt de informatie, genoemd in het vierde lid, onderdelen a tot en met d, ter vermelding in het integraal huisvestingsplan. 6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de gegevens in het integraal huisvestingsplan en de informatie die bij het opstellen van het plan in ieder geval wordt betrokken. Artikel 6.2b. Procedure integraal huisvestingsplan

W8129.K-1

6

1. De gemeenteraad stelt het integraal huisvestingsplan, bedoeld in artikel 6.2a, of een wijziging daarvan, niet vast dan nadat daarover op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met door het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente aan te wijzen vertegenwoordigers. De gemeenteraad stelt daartoe na overleg met deze vertegenwoordigers een procedure vast. 2. Tijdens het op overeenstemming gericht overleg kan de gemeenteraad op verzoek van een bevoegd gezag of ambtshalve aan de Onderwijsraad advies vragen over de vaststelling of wijziging van het integraal huisvestingsplan in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt gevraagd. De Onderwijsraad brengt binnen acht weken na ontvangst van het verzoek advies uit aan de gemeenteraad. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen met het integraal huisvestingsplan of de wijziging daarvan. 3. Het college van burgemeester en wethouders brengt het integraal huisvestingsplan of wijziging daarvan ter kennis van Onze Minister. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop dit plaatsvindt. Artikel 6.2c. Meerjarenonderhoudsplan 1.

Het bevoegd gezag stelt ten minste eenmaal in de vier jaar, op basis van een bouwkundige inspectie, een meerjarenonderhoudsplan vast voor het onderhoud van het gebouw of de gebouwen. 2. Het meerjarenonderhoudsplan bestrijkt een periode van vier kalenderjaren en vermeldt in ieder geval op welke kalenderjaren het onderhoudsplan betrekking heeft, welke onderhoudswerkzaamheden in welk jaar plaatsvinden en de daarvoor beschikbare middelen en de voornemens voor onderhoudswerkzaamheden in de periode van 12 jaar volgend op de periode van vier jaar waarvoor het meerjarenonderhoudsplan geldt. 3. Voorafgaand aan het op overeenstemming gericht overleg over het integraal huisvestingsplan, bedoeld in artikel 6.2a, brengt het bevoegd gezag het meerjarenonderhoudsplan ter kennis van de deelnemers aan dit overleg. 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de bouwkundige inspectie, bedoeld in het eerste lid, en de inhoud van het meerjarenonderhoudsplan. E Artikel 6.5. wordt als volgt gewijzigd: 1. Het opschrift komt te luiden: Artikel 6.5. Jaarprogramma huisvestingsvoorzieningen 2. In het derde lid wordt na “college van burgemeester en wethouders” ingevoegd: handelt bij de vaststelling van het programma overeenkomstig het integraal huisvestingsplan, bedoeld in artikel 6.2a, en. F In artikel 11.57.

wordt, onder vernummering van het eerste en tweede lid tot tweede respectievelijk derde lid, een nieuw eerste lid toegevoegd, luidende: 1. Artikel 5.39, derde lid, tweede volzin, is van toepassing op de voorzieningen in de huisvesting, bedoeld in artikel 11.63. G Artikel 11.63, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd: 1. In onderdeel a, onder 2°, vervalt ‘ ; en’. 2. In onderdeel a, onder 3°, wordt de puntkomma vervangen door: ;en. 3. In onderdeel a, wordt na het derde onderdeel een nieuw onderdeel toegevoegd, luidend: 4°. renovatie bestaande uit vernieuwing of grootschalige verandering van een gebouw of een gedeelte daarvan door middel van een geheel van maatregelen, dat erop is gericht

W8129.K-1

7

de levensduur en geschiktheid van het gebouw of het gedeelte daarvan, voor het onderwijs met ten minste 25 jaar te verlengen;. H Na artikel 11.63 worden nieuwe artikelen ingevoegd, luidende: Artikel 11.63a. Inhoud integraal huisvestingsplan 1. De eilandsraad stelt ten minste eenmaal in de vier jaar een integraal huisvestingsplan vast voor de bekostiging van de voorzieningen in de huisvesting voor scholen als bedoeld in artikel 11.64 op het grondgebied van het openbaar lichaam. 2. Het integraal huisvestingsplan vermeldt de voorzieningen in de huisvesting, bedoeld in artikel 11.63, voor een periode van vier kalenderjaren en vermeldt op welke kalenderjaren het plan betrekking heeft. 3. Het integraal huisvestingsplan omvat in ieder geval de beoogde beleidsdoelen voor de onderwijshuisvesting in relatie tot de prognose van het aantal leerlingen in het openbaar lichaam in de periode waarop het plan betrekking heeft en de beslissing over nieuwbouw of renovatie van een voorziening in de huisvesting ouder dan 40 jaar. 4. In het integraal huisvestingsplan wordt elke voorziening in de huisvesting op het grondgebied van het openbaar lichaam aangeduid met vermelding van: a.

de soort voorziening in de huisvesting, de kadastrale gegevens, het bouwjaar, het bruto vloeroppervlak, de inpandige sportvoorzieningen voor zover aanwezig, de bouwtechnische staat, de functionaliteit van het gebouw in relatie tot de onderwijsvorm, het energieverbruik en de overige exploitatielasten, de verwachte levensduur en duurzaamheid van het gebouw; b. het geraamde investeringsbedrag; c. de wijze waarop de voorziening in de huisvesting is afgestemd op het meerjarenonderhoudsplan, bedoeld in artikel 11.63c; d. de voornemens voor de voorziening in de huisvesting in de periode van 12 jaar volgend op de periode van vier jaar waarvoor het plan geldt. 5. Indien door de eilandsraad een besluit is genomen als bedoeld in artikel 11.79, wordt in het integraal huisvestingsplan vermeld voor welk bevoegd gezag, voor welke huisvestingsvoorzieningen en voor welke termijn dit besluit is genomen. Het betreffende bevoegd gezag verstrekt de informatie, genoemd in het vierde lid, onderdelen a tot en met d, ter vermelding in het integraal huisvestingsplan. 6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de gegevens in het integraal huisvestingsplan en de informatie die bij het opstellen van het plan in ieder geval wordt betrokken. Artikel 11.63b. Procedure integraal huisvestingsplan 1.

De eilandsraad stelt het integraal huisvestingsplan, bedoeld in artikel 79a, of een wijziging daarvan, niet vast dan nadat daarover op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met door het bevoegd gezag van de niet door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen aan te wijzen vertegenwoordigers. De eilandsraad stelt daartoe na overleg met deze vertegenwoordigers een procedure vast. 2. Tijdens het op overeenstemming gericht overleg kan de eilandsraad op verzoek van een bevoegd gezag of ambtshalve aan de Onderwijsraad advies vragen over de vaststelling of wijziging van het integraal huisvestingsplan in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt gevraagd. De Onderwijsraad brengt binnen acht weken na ontvangst van het verzoek advies uit aan de eilandsraad. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen met het integraal huisvestingsplan of de wijziging daarvan. 3. Het bestuurscollege brengt het integraal huisvestingsplan of wijziging daarvan ter kennis van Onze Minister. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop dit plaatsvindt. Artikel 11.63c. Meerjarenonderhoudsplan

W8129.K-1

8

1. Het bevoegd gezag stelt ten minste eenmaal in de vier jaar, op basis van een bouwkundige inspectie, een meerjarenonderhoudsplan vast voor het onderhoud van het gebouw of de gebouwen. 2. Het meerjarenonderhoudsplan bestrijkt een periode van vier kalenderjaren en vermeldt in ieder geval op welke kalenderjaren het onderhoudsplan betrekking heeft, welke onderhoudswerkzaamheden in welk jaar plaatsvinden en de daarvoor beschikbare middelen, en de voornemens voor onderhoudswerkzaamheden in de periode van 12 jaar volgend op de periode van vier jaar waarvoor het meerjarenonderhoudsplan geldt. 3. Voorafgaand aan het op overeenstemming gericht overleg over het integraal huisvestingsplan, bedoeld in artikel 11.63a, brengt het bevoegd gezag het meerjarenonderhoudsplan ter kennis van de deelnemers aan dit overleg. 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de bouwkundige inspectie, bedoeld in het eerste lid, en de inhoud van het meerjarenonderhoudsplan.

Artikel IV. Wijziging Wet primair onderwijs BES De Wet primair onderwijs BES wordt als volgt gewijzigd:

A Na artikel 6a wordt een artikel ingevoegd, luidende: Artikel 6b. Zorg gezond binnenklimaat leerlingen 1. Het bevoegd gezag draagt zorg voor een gezond binnenklimaat voor leerlingen op school, waarbij het bevoegd gezag in ieder geval beleid met betrekking tot een gezond binnenklimaat voor leerlingen vaststelt en uitvoert. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over hetgeen wordt verstaand onder gezond binnenklimaat. B Artikel 79, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd: 1. In onderdeel a, onder 2°, vervalt “, en”. 2. In onderdeel a, onder 3°, wordt de puntkomma vervangen door “, en”. 3. In onderdeel a, wordt na het derde onderdeel een nieuw onderdeel toegevoegd, luidend: 4°. renovatie bestaande uit vernieuwing of grootschalige verandering van een gebouw of een gedeelte daarvan door middel van een geheel van maatregelen, dat erop is gericht de levensduur en geschiktheid van het gebouw of het gedeelte daarvan, voor het onderwijs met ten minste 25 jaar te verlengen;. C Na artikel 79 worden artikelen ingevoegd, luidende: Artikel 79a. Inhoud integraal huisvestingsplan 1. De eilandsraad stelt ten minste eenmaal in de vier jaar een integraal huisvestingsplan vast voor de bekostiging van de voorzieningen in de huisvesting voor scholen als bedoeld in artikel 80 op het grondgebied van het openbaar lichaam. 2.

Het integraal huisvestingsplan vermeldt de voorzieningen in de huisvesting, bedoeld in artikel 79, voor een periode van vier kalenderjaren en vermeldt op welke kalenderjaren het plan betrekking heeft. 3. Het integraal huisvestingsplan omvat in ieder geval de beoogde beleidsdoelen voor de onderwijshuisvesting in relatie tot de prognose van het aantal leerlingen in het openbaar

W8129.K-1

9

lichaam in de periode waarop het plan betrekking heeft en de beslissing over nieuwbouw of renovatie van een voorziening in de huisvesting ouder dan 40 jaar. 4. In het integraal huisvestingsplan wordt elke voorziening in de huisvesting op het grondgebied van het openbaar lichaam aangeduid met vermelding van: a. de voorziening in de huisvesting, bedoeld in artikel 79, eerste lid, de kadastrale gegevens, het bouwjaar, het bruto vloeroppervlak, de inpandige sportvoorzieningen voor zover aanwezig, de bouwtechnische staat, de functionaliteit van het gebouw in relatie tot de onderwijsvorm, het energieverbruik en de overige exploitatielasten, de verwachte levensduur en duurzaamheid van het gebouw; b. het geraamde investeringsbedrag; c. de wijze waarop de voorziening in de huisvesting is afgestemd op het meerjarenonderhoudsplan, bedoeld in artikel 79c; d. de voornemens voor de voorziening in de huisvesting in de periode van 12 jaar volgend op de periode van vier jaar waarvoor het plan geldt. 5. Indien door de eilandsraad een besluit is genomen als bedoeld in artikel 95, wordt in het integraal huisvestingsplan vermeld voor welk bevoegd gezag, voor welke huisvestingsvoorzieningen en voor welke termijn dit besluit is genomen. Het betreffende bevoegd gezag verstrekt de informatie, genoemd in het vierde lid, onderdelen a tot en met d, ter vermelding in het integraal huisvestingsplan. 6.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de gegevens in het integraal huisvestingsplan en de informatie die bij het opstellen van het plan in ieder geval wordt betrokken. Artikel 79b. Procedure integraal huisvestingsplan 1. De eilandsraad stelt het integraal huisvestingsplan, bedoeld in artikel 79a, of een wijziging daarvan, niet vast dan nadat daarover op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met door het bevoegd gezag van de niet door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen aan te wijzen vertegenwoordigers. De eilandsraad stelt daartoe na overleg met deze vertegenwoordigers een procedure vast. 2. Tijdens het op overeenstemming gericht overleg kan de eilandsraad op verzoek van een bevoegd gezag of ambtshalve aan de Onderwijsraad advies vragen over de vaststelling of wijziging van het integraal huisvestingsplan in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt gevraagd. De Onderwijsraad brengt binnen acht weken na ontvangst van het verzoek advies uit aan de eilandsraad. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen met het integraal huisvestingsplan of de wijziging daarvan. 3. Het bestuurscollege brengt het integraal huisvestingsplan of wijziging daarvan ter kennis van Onze Minister.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop dit plaatsvindt. Artikel 79c. Meerjarenonderhoudsplan 1. Het bevoegd gezag stelt ten minste eenmaal in de vier jaar, op basis van een bouwkundige inspectie, een meerjarenonderhoudsplan vast voor het onderhoud van het gebouw of de gebouwen. 2. Het meerjarenonderhoudsplan bestrijkt een periode van vier kalenderjaren en vermeldt in ieder geval op welke kalenderjaren het onderhoudsplan betrekking heeft, welke onderhoudswerkzaamheden in welk jaar plaatsvinden en de daarvoor beschikbare middelen, en de voornemens voor onderhoudswerkzaamheden in de periode van 12 jaar volgend op de periode van vier jaar waarvoor het meerjarenonderhoudsplan geldt. 3. Voorafgaand aan het op overeenstemming gericht overleg over het integraal huisvestingsplan, bedoeld in artikel 79a, brengt het bevoegd gezag het meerjarenonderhoudsplan ter kennis van de deelnemers aan dit overleg. 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de bouwkundige inspectie, bedoeld in het eerste lid, en de inhoud van het meerjarenonderhoudsplan. D

W8129.K-1

10

Artikel 99 wordt als volgt gewijzigd: Onder vernummering van het vierde tot en met het zevende lid tot het vijfde tot en met het achtste lid, wordt na het derde lid wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende: 4. In geval van een overschot op de aanwending van de bekostiging voor de kosten, bedoeld in het tweede lid, kan dat overschot worden aangewend voor de kosten van de voorzieningen in de huisvesting, bedoeld in artikel 79. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter waarborging van de continuïteit van het onderwijsproces.

Artikel V. Inwerkingtreding 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. Bij koninklijk besluit wordt bepaald voor welk tijdstip het integraal huisvestingsplan en het meerjarenonderhoudsplan, bedoeld in de artikelen 92a en 92c van de Wet op het primair onderwijs, 90a en 90c van de Wet op de expertisecentra, 6.2a, 6.2c, 11.63a en 11.63c van de Wet voortgezet onderwijs 2020, en 79a en 79c van de Wet primair onderwijs BES, voor de eerste maal worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Gegeven

De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs,

Dennis Wiersma

W8129.K-1

11

Memorie van toelichting

A. Algemeen 1. Inleiding 2. Aanleiding 2.1 Onderzoek verband binnenklimaat-onderwijskwaliteit 2.2 Onderzoek ARK en huisvestingsvoorstellen sectorraden en VNG 2.3 Leerlingenaantallen 3. Problematiek: nut en noodzaak wetsvoorstel 3.1 Huidig stelsel van onderwijshuisvesting 3.2 Knelpunten in het bestaande stelsel 3.2.1 Ontbreken integrale, planmatige aanpak 3.2.2 Kwaliteit schoolgebouwen blijft achter 3.2.3 Renovatie niet gedefinieerd 3.2.4 Investeren in huisvesting 3.2.5 Objectieve sturingsinformatie ontbreekt 4. Bredere ontwikkelingen op het terrein van onderwijshuisvesting 4.1 Ventilatie 4.2 Interdepartementaal beleidsonderzoek onderwijshuisvesting 4.3 Klimaat 4.4 Relatie met het wetsvoorstel 5. Inhoud wetsvoorstel 5.1 Verplichting gezond binnenklimaat 5.2 Wettelijke verankering integraal huisvestingsplan en meerjarenonderhoudsplan 5.2.1 Integraal huisvestingsplan: inhoud 5.2.2 Integraal huisvestingsplan: procedure 5.2.3 Doordecentralisatie 5.2.4 Meerjarenonderhoudsplan 5.3 Wettelijke verankering begrip renovatie 5.4 Opheffen investeringsverbod primair onderwijs 5.5 Caribisch Nederland 6. Verhouding tot hoger recht en nationale wetgeving 6.1 Hoger recht 6.2 Nationale wetgeving 7. Gevolgen 8. Uitvoering 9. Toezicht en handhaving 10. Financiële gevolgen 11. Advies en consultatie 12.Overgangsrecht en inwerkingtreding

1. Inleiding In Nederland is de zorg voor de onderwijshuisvesting van het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs, zoals geregeld in de onderwijswetgeving, gedecentraliseerd. De verantwoordelijkheid om te voorzien in kwalitatief goede, inclusieve en toekomstbestendige huisvesting voor scholen in het funderend onderwijs ligt bij gemeenten en het bevoegd gezag van onderwijsinstelling (hierna: schoolbestuur)1 is verantwoordelijk voor de instandhouding. Het stelsel voor onderwijshuisvesting kent echter enkele knelpunten. Dit heeft erin geresulteerd dat het binnenklimaat van veel schoolgebouwen niet op orde is. Dat gaat ten koste van de onderwijskwaliteit. Op

1

In het vervolg wordt gesproken over ‘schoolbestuur’ waar het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling wordt bedoeld.

W8129.K-1

12

sommige punten is de bevoegdheidsverdeling in de betreffende onderwijswetten niet helder en op andere punten leidt het stelsel niet altijd tot een planmatige aanpak. In het rapport van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Onderwijshuisvesting funderend onderwijs (hierna: IBO) zijn aanbevelingen gedaan om het stelsel beter te laten werken.2 Met dit wetsvoorstel wordt het stelsel van onderwijshuisvesting, zoals geregeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet op de expertisecentra, geoptimaliseerd. Het wetsvoorstel bestaat uit verschillende onderdelen: (1) gemeenten zullen worden verplicht om een integraal huisvestingsplan (hierna: IHP) vast te stellen en het schoolbestuur wordt verplicht een meerjarenonderhoudsplan (hierna: MJOP) vast te stellen, (2) het begrip renovatie zal worden toegevoegd aan de voorzieningen in de huisvesting waar de gemeente voor verantwoordelijk is, (3) het investeringsverbod in het primair onderwijs wordt opgeheven en (4) na nieuwbouw en renovatie van een schoolgebouw rust de verdere zorg voor een gezond binnenklimaat bij het schoolbestuur. Een aantal aanbevelingen uit het rapport IBO onderwijshuisvesting vraagt om meer doordenking en overleg met betrokkenen. Die aanbevelingen zijn daarom niet meegenomen in dit wetsvoorstel. Dit wordt in paragraaf 4.2 nader toegelicht.

Het overkoepelende doel van dit wetsvoorstel is dat gemeenten en het schoolbestuur tot een meer planmatige en doelmatige aanpak van bouw, beheer en onderhoud van schoolgebouwen in het funderend onderwijs komen. Dit wetsvoorstel kan op die manier de werking van het gedecentraliseerde stelsel verbeteren. Het verplichte overleg tussen gemeenten en het schoolbestuur over het IHP van de gemeenten, MJOP van het schoolbestuur en de exploitatielasten van de school, beoogt besluitvorming op basis van total-cost-of-ownerschip te bevorderen. Daarmee wordt bedoeld dat de beslissing wordt genomen met inachtneming van de totale kosten van bouw, onderhoud en exploitatie gedurende de gehele gebruiksperiode van het gebouw. 2. Aanleiding Verschillende ontwikkelingen hebben tot dit wetsvoorstel geleid. Deze komen achtereenvolgens aan de orde. 2.1 Onderzoek verband binnenklimaat-onderwijskwaliteit De regering vindt dat kinderen niet alleen sociaal, psychisch en fysiek veilig moeten zijn op school, maar ook dat de omgeving waarin zij zich bevinden gezond moet zijn. Alleen dan zijn zij in staat zijn om te leren en zich te ontwikkelen. Met dit wetsvoorstel wordt het schoolbestuur van scholen in het primair en het voortgezet onderwijs, verplicht zorg te dragen voor een gezond binnenklimaat.

Uit onderzoek blijkt dat ventilatie en temperatuur invloed hebben op de leerprestaties.3 Ventileren en een goede temperatuur op scholen leiden niet alleen tot een vermindering van het ziekteverzuim, maar ook tot betere cognitieve prestaties. Leerlingen behalen betere toets-resultaten als zij les krijgen in lokalen met een gezond binnenklimaat. Bij een gezond binnenklimaat gaat het om de combinatie van frisse schone lucht, goed licht, een goede temperatuur en goed geluid. Daarom wordt voorgesteld de zorg voor een gezond binnenklimaat bij wet te regelen. 2.2 Onderzoek ARK en huisvestingsvoorstellen sectorraden en VNG In 2016 heeft de Algemene Rekenkamer (ARK) onderzoek gedaan naar het stelsel van onderwijshuisvesting.4 In dat onderzoek heeft de ARK de werking van het stelsel van

2

IBO Onderwijshuisvesting funderend onderwijs, Een vak apart, Een toekomstbestendig onderwijshuisvestingsstelsel, 12-

03-2021 Kamerstukken II, 2020/2021, 35570-VIII, nr. 213. 3

Bakó-Biró et al. (2012), Currie et al. (2009), Duran et al. (2022), Ebenstein et al. (2016), Ervasi et al. (2012),

Haverinen-Shaughnessy et al. (2011), Haverinen-Shaughnessy et al. (2015), Park et al. (2020), Shendell et al. (2004). 4

Algemene Rekenkamer (2016), Schoolgebouwen primair en voortgezet onderwijs: de praktijk gecheckt.

W8129.K-1

13

onderwijshuisvesting in de praktijk vergeleken met hoe het stelsel is bedoeld. Hoewel het onderzoek niet leidde tot een landelijk representatief beeld, ontstond wel een weergave van de praktijk en van de verschillen die bestaan tussen gemeenten. De ARK concludeert dat er veel variatie bestaat binnen de praktijk van onderwijshuisvesting. Dat geldt voor de kwaliteit van gebouwen en voor de financiële middelen die aan huisvesting worden besteed, maar ook voor de mate waarin de schoolbesturen en gemeenten elkaar weten te vinden in het realiseren en in stand houden van onderwijshuisvesting. De ARK doet in het rapport verschillende aanbevelingen, zoals: (1) het hervormen van de procedure voor nieuwbouw van onderwijshuisvesting in de onderwijswetten en deze laten aansluiten bij de vierjarige raadsperiode van gemeenten, waarbij de integrale huisvestingsplannen als voorbeeld kunnen dienen; (2) het regelen wie wettelijk verantwoordelijk is voor renovatie van schoolgebouwen; (3) het verstevigen van de lokale checks and balances; (4) het verbeteren van bestaande data omtrent onderwijshuisvesting en deze vrij toegankelijk maken. In 2015 is de verantwoordelijkheid voor het buitenonderhoud en aanpassingen aan het gebouw in het primair onderwijs overgeheveld van gemeenten naar de schoolbesturen.

De gedachte was dat deze overheveling enkele knelpunten uit het stelsel van onderwijshuisvesting zou verhelpen, namelijk het verschil in belangen tussen gemeenten en scholen, de trage procedures, de aanzienlijke administratieve lasten en de beperkte autonomie van de schoolbesturen van basisscholen voor het buitenonderhoud.5 In het voortgezet onderwijs was de verantwoordelijkheid voor het buitenonderhoud al in 2005 overgeheveld naar de schoolbesturen van deze scholen en daar speelden deze knelpunten minder.6 Met de overheveling van de verantwoordelijkheid voor het buitenonderhoud en aanpassingen aan het gebouw naar de schoolbesturen in het primair onderwijs werd de verantwoordelijkheid voor renovatie niet uitdrukkelijk belegd bij gemeenten of een schoolbestuur. Daarmee ontstond de vraag wanneer sprake is van onderhoud en wanneer van renovatie. In reactie op deze ontwikkelingen hebben de PO-Raad en de VOraad (hierna: de sectorraden) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) een huisvestingsvoorstel gemaakt ter verbetering van de governance in onderwijshuisvesting.7 Het voorstel omvat het opnemen van het IHP, een MJOP en het begrip renovatie in weten regelgeving.

Het IHP wordt gezien als het richtinggevend kader; alle gemeentebesturen zijn verantwoordelijk om samen met het bestuur van een school binnen hun gemeente zo’n plan op te stellen voor ten minste vier jaar, met een doorkijk voor de twaalf jaren daarna. Het schoolbestuur wordt verplicht om een MJOP vast te stellen. Renovatie wordt in dat voorstel gedefinieerd als een grootschalige en integrale aanpak van een bestaand schoolgebouw met een levensduurverlenging van ten minste 25 jaar. De sectorraden en de VNG hebben een nadere concretisering van hun voorstellen vastgesteld in het najaar van 2018 via de Concretisering Huisvestingvoorstel PO-Raad, VO-raad en VNG.8 In de concretisering wordt benadrukt dat het investeringsverbod zoals dat geldt voor het primair onderwijs zou moeten worden versoepeld.

5

Kamerstukken II, 2012/2013, 33 663, nr. 2.

6

Kamerstukken II, 2012/2013, 33 663, nr. 2.

7

Concretisering Huisvestingsvoorstel PO-Raad, VO-Raad en VNG 13 april 2018

W8129.K-1

14

2.3 Leerlingenaantallen Ook de veranderingen in de leerlingenaantallen in het funderend onderwijs spelen een rol. De afgelopen jaren is het aantal leerlingen in het primair onderwijs aanzienlijk afgenomen. Ook het voortgezet onderwijs blijft de komende jaren in grote delen van het land te maken hebben met leerlingendaling. Het is van groot belang daar tijdig op te anticiperen. Het leerlingenaantal op een school beïnvloedt de hoogte van de bekostiging en daarmee de beschikbare middelen voor onderhoud en beheer van schoolgebouwen. Schommelingen in leerlingenaantallen treden echter op een kortere termijn op dan de periode waarvoor schoolgebouwen worden gebouwd. Wanneer leerlingaantallen in een gebied teruglopen, bestaat dus het risico dat het lastiger wordt om een voorziening in stand te houden. 3. Problematiek: nut en noodzaak wetsvoorstel 3.1. Huidig stelsel van onderwijshuisvesting Het huidige systeem voor onderwijshuisvesting gaat uit van een gedeelde verantwoordelijkheid van het schoolbestuur en gemeente. Het Rijk is stelselverantwoordelijk, dat wil zeggen verantwoordelijk voor de werking van het wettelijk stelsel voor de onderwijshuisvesting. De schoolbesturen in het primair en voortgezet onderwijs zijn verantwoordelijk voor behoorlijk gebruik van schoolgebouwen en voor het binnen- en buitenonderhoud, aanpassingen aan het gebouw en de exploitatiekosten.

Voor de huisvesting krijgt een schoolbestuur middelen van het Rijk via de lumpsumbekostiging in de vorm van een bedrag per leerling en per school. Het schoolbestuur is vervolgens vrij in de besteding van die bedragen aan onderwijsdoeleinden, met inachtneming van de sectorwetten. Gemeenten dragen de wettelijke zorgplicht voor huisvesting van scholen. Die zorgplicht lag tot 1997 bij het Rijk, maar is destijds overgedragen, omdat de gemeente beter in staat werd geacht om die verantwoordelijkheid in te vullen. Gemeenten krijgen voor huisvesting geld via de algemene uitkering uit het Gemeentefonds. De hoogte van de uitkering verschilt per gemeente en hangt af van een aantal factoren. Binnen de algemene uitkering worden verschillende clusters onderscheiden als hulpmiddel voor de verdeling. Eén daarvan is het cluster onderwijs.9 Gemeenten zijn niet gebonden aan de verdeling binnen de algemene uitkering; de middelen zijn vrij besteedbaar. Het Rijk is verantwoordelijk voor het stelsel: de kwaliteit en toegankelijkheid van het funderend onderwijs in het algemeen. Ook is het Rijk verantwoordelijk voor de vastgestelde wettelijke kaders. Door de vrije besteedbaarheid van de middelen uit de lumpsumbekostiging en het Gemeentefonds is een schoolbestuur noch een gemeente verplicht een bepaald bedrag per jaar aan huisvesting te besteden.

Zij bekijken de uitgaven aan onderwijshuisvesting in relatie tot respectievelijk hun bredere onderwijs- en maatschappelijke opgaven. Dit gedecentraliseerde stelsel bestaat sinds 1997. Hoewel de uitgangspunten overeind blijven staan, zijn het gebruik van schoolgebouwen en de eisen die daaraan worden gesteld veranderd. Bovendien vragen externe ontwikkelingen, zoals het toenemende belang van verduurzaming en een gezond binnenklimaat, om een herijking van de bestaande kaders. In de praktijk blijkt dat niet altijd duidelijk is hoe de verantwoordelijkheden tussen gemeenten en schoolbesturen zijn verdeeld. Met een heldere, onderbouwde verantwoordelijkheidsverdeling kan een eerste stap worden gezet naar een betere samenwerking voor en verduurzaming van onderwijshuisvesting. In dit wetsvoorstel wordt die verantwoordelijkheidsverdeling beschreven.

9

Interdepartementaal Beleidsonderzoek onderwijshuisvesting

W8129.K-1

15

3.2 Knelpunten in het bestaande stelsel Het huidige stelsel van onderwijshuisvesting kent enkele knelpunten. Deze worden in de volgende paragrafen nader toegelicht. 3.2.1 Ontbreken integrale, planmatige aanpak De geldende wetgeving voor onderwijshuisvesting bevat te weinig prikkels die planmatig en doelmatig opereren op lange termijn bevorderen. Hierdoor komt de gezamenlijke besluitvorming door het schoolbestuur en de gemeente, gericht op duurzaamheid en kwaliteit van schoolgebouwen, onvoldoende van de grond. Dit komt onder andere door de zogenoemde split incentive. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor nieuwbouw, maar het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het onderhoud. De baten van investeringen komen hoofdzakelijk terecht bij de gebruiker en in mindere mate bij degene die investeert. Deze verdeling kan tot gevolg hebben dat een schoolbestuur maar in beperkte mate aan onderhoud doet en wacht tot de gemeente aan zet is voor nieuwbouw. Uit de praktijk zijn ook voorbeelden bekend waarin gemeenten goedkope nieuwbouw realiseren, waarvan het onderhoud duur is (bijvoorbeeld goedkope sanitaire voorzieningen met hoge schoonmaakkosten). Op deze manier blijven verduurzamingsmaatregelen vaak maar beperkt van omvang, terwijl het juist kan lonen om aan de voorkant grotere investeringen te doen die zich op termijn terugverdienen in de exploitatie.

Het is daarom noodzakelijk om het total-cost-ofownership principe sterker te borgen: het schoolbestuur en de gemeente zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor goede onderwijshuisvesting tegen de laagste totale kosten van bouw, onderhoud en exploitatie gedurende de gehele gebruiksperiode. Daarnaast wordt op dit moment op verschillende manieren omgegaan met aanvragen voor onderwijshuisvesting. Soms worden aanvragen voor onderwijshuisvesting bij een gemeente individueel behandeld binnen de systematiek van de wettelijk geregelde jaarcyclus van het huisvestingsprogramma. Dan kan niet altijd adequaat rekening worden gehouden met de benodigde langdurige investeringen in het schoolgebouwenbestand. De bevoegde gezagsinstanties in een gemeente maken in de praktijk immers niet op hetzelfde moment aanspraak op middelen voor de onderwijshuisvesting. Een jaarlijkse beoordeling van de noodzakelijke investeringen in huisvesting is dan te beperkt. Dit kan in de gemeenten waarin niet wordt gewerkt met een meerjarenplan mogelijk leiden tot een gefragmenteerde aanpak. Bovendien kan in de gemeenten waarin wel met een dergelijk plan wordt gewerkt, daar alsnog op heel verschillende manieren invulling aan worden gegeven.

Het is de wens van het Rijk, de sectorraden en de VNG om tot een integrale en meerjarige aanpak te komen voor de gemeentelijke onderwijshuisvesting, waarbij de samenwerking tussen schoolbesturen en gemeenten goed tot zijn recht kan komen. Om te komen tot een meer planmatige aanpak van de onderwijshuisvesting voor de langere termijn kan worden gewerkt met een IHP. Een substantieel deel van de gemeenten werkt daar in de praktijk al mee. Binnen het huidige wettelijk kader is dit mogelijk, maar het is geen verplichting voor gemeenten en er is geen helderheid over wat er in het plan moet staan, hoe dit zich verhoudt tot het jaarlijkse huisvestingsprogramma van de gemeente en op welke wijze een schoolbestuur betrokken wordt bij de totstandkoming van het IHP. Duidelijke en uniforme regels over de inhoud en de totstandkoming van het IHP leiden ertoe dat alle betrokken partijen weten waar ze nu en in de toekomst aan toe zijn en daarnaar kunnen handelen. 3.2.2 Kwaliteit schoolgebouwen blijft achter De kwaliteit van schoolgebouwen blijft vaak achter bij de maatschappelijke verwachting van wat een goed schoolgebouw is. In 2017 bleek uit de Monitor onderwijshuisvesting po-vo, die een landelijk beeld geeft van de tevredenheid van gebouwgebruikers, dat een

W8129.K-1

16

derde van de ruim 2400 respondenten vindt dat het gebouw niet past bij de omvang van de school of bij het onderwijsconcept dat de school hanteert.10 Bijna 40% van de respondenten geeft aan dat grootschalig onderhoud of levensverlengende renovatie van het betreffende schoolgebouw nodig is. Respondenten zijn het minst tevreden over de flexibiliteit, energiezuinigheid en het binnenklimaat. Ten slotte zegt 74% van de respondenten in het primair onderwijs en 79% van de respondenten in het voortgezet onderwijs dat zij scholen hebben waar urgente aanpassingen nodig zijn in verband met milieu, energieverbruik en binnenklimaat. Een meer planmatige en doelmatige aanpak van de onderwijshuisvesting kan de kwaliteit daarvan ten goede komen. 3.2.3 Renovatie niet gedefinieerd Met het toenemende belang van duurzaamheid wordt steeds vaker gekozen voor renovatie in plaats van nieuwbouw. Ook beeldbepalende oudbouw of de sentimentele waarde van een school voor de buurt kunnen redenen zijn om te kiezen voor renovatie. Renovatie is op dit moment niet gedefinieerd in de huisvestingsbepalingen van de onderwijswetten. De gedachte was dat een gemeente en een schoolbestuur onderling wel tot een redelijk vergelijk komen over de verdeling van kosten bij renovatie.

Het is noodzakelijk om daarover het gesprek met elkaar te voeren, maar in de praktijk komen partijen in dat gesprek regelmatig niet tot overeenstemming. Zij kijken vaak naar elkaar als het gebouw toe is aan renovatie. Doordat men er onderling niet uitkomt, kan de kwaliteit van schoolgebouwen achteruitgaan. 3.2.4 Beperkt investeren in huisvesting Anders dan voor een schoolbestuur in het voortgezet onderwijs, geldt dat een schoolbestuur in het primair onderwijs niet mag investeren in nieuwbouw of uitbreiding van de onderwijshuisvesting. In het primair en het voortgezet onderwijs is dit een taak van de gemeente, maar alleen in het voortgezet onderwijs mag het schoolbestuur uit overschotten op de exploitatie meebetalen aan huisvesting. Het komt voor dat een schoolbestuur in het primair onderwijs met grote reserves zou willen investeren in de nieuwbouw of uitbreiding, terwijl dit wettelijk niet is toegestaan. Hierdoor wordt op sommige plekken een verbetering of een verduurzaming van de huisvesting tegengehouden. 3.2.5 Objectieve sturingsinformatie ontbreekt Zowel op lokaal als op nationaal niveau is informatie over onderwijshuisvesting vaak gefragmenteerd of onvolledig.

Dit bemoeilijkt de besluitvorming op lokaal niveau, maar leidt er ook toe dat er op nationaal niveau onvoldoende beeld is van hoe het stelsel functioneert en of het stelsel adequaat is voor de gewenste kwaliteit van de onderwijshuisvesting. Op nationaal niveau ontbreekt bijvoorbeeld een objectief beeld van de meetbare kwaliteit van schoolgebouwen en wat nog nodig is om een bepaalde kwaliteit of mate van verduurzaming te bereiken. Een dergelijk beeld van de kwaliteit van schoolgebouwen is nodig om te kunnen bepalen wat de investeringsomvang voor de komende decennia wordt. 4. Bredere ontwikkelingen op het terrein van onderwijshuisvesting De afgelopen jaren heeft de onderwijshuisvesting veel in de belangstelling gestaan. Er hebben zich verschillende ontwikkelingen voorgedaan die daartoe hebben geleid: de grotere aandacht voor ventilatie en binnenklimaat, het interdepartementaal beleidsonderzoek naar onderwijshuisvesting funderend onderwijs, klimaatverandering en de ontwikkelingen rondom inclusief onderwijs. Deze ontwikkelingen worden hier afzonderlijk besproken, waarna wordt ingegaan op hoe het wetsvoorstel zich hiertoe verhoudt. 4.1 Ventilatie en binnenklimaat

10

Monitor onderwijshuisvesting po-vo (regioplan.nl)

W8129.K-1

17

Niet in elk schoolgebouw is goede ventilatie vanzelfsprekend, terwijl het binnenklimaat op scholen van belang is voor leerprestaties. De afgelopen jaren is de aandacht voor ventilatie en binnenklimaat op scholen toegenomen. De coronapandemie heeft het belang van goede ventilatie onderstreept, omdat voldoende frisse lucht de verspreiding van ziekteverwekkers kan verkleinen. Het Rijk heeft daarom op verschillende manieren ingezet op betere ventilatie op scholen. Met de Specifieke uitkering ventilatie in scholen (SUVIS) konden gemeenten een uitkering aanvragen om het binnenklimaat van bestaande schoolgebouwen te verbeteren. Deze regeling is opgevolgd door de Maatwerkregeling ventilatie op scholen. Met deze subsidieregeling is beoogd de knelpunten die werden waargenomen bij de SUViS-regeling op te lossen en schoolgebouwen met de meest urgente ventilatiesituatie, zo snel als mogelijk (binnen uiterlijk drie jaar) te laten voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Met een bredere aanpak voor ventilatie is een hulplijn opgezet, een team van experts aangewezen en zijn er middelen beschikbaar gesteld voor CO2-meters. Het ministerie van OCW en BZK zijn momenteel bezig met het uitwerken van de verplichting van CO2-meters in het funderend onderwijs. Deze verplichting loopt via het Besluit Bouwwerken leefomgeving (bbl).

Het voornemen bestaat om de geldende verplichting voor CO2-meters voor basisscholen, waarvoor de aanvraag van een bouwvergunning is gedaan in of na 2015, in het Bouwbesluit 2012, zodanig uit te breiden dat alle bestaande gebouwen met een onderwijsfuncties voor primair (speciaal) onderwijs en voorgezet (speciaal) onderwijs hieronder gaan vallen. Het Bbl staat twee keer per jaar open voor het doorvoeren van wijzigingen. De verplichting van CO2-meters wordt gebundeld met andere wijzigingen die ook in het Bbl worden opgenomen en moeten formeel ook goedkeuring krijgen van de Tweede Kamer. Het voornemen is om de verplichting op 1 juli 2024 in te laten gaan. De afspraken en maatregelen zijn belangrijke stappen om op korte termijn de situatie te verbeteren, maar daarmee zijn de problemen niet volledig opgelost. Er is een integrale aanpak nodig om de onderwijshuisvesting gezond en duurzaam te maken. 4.2 Interdepartementaal beleidsonderzoek Onderwijshuisvesting funderend onderwijs In maart 2021 is het rapport van het Interdepartementaal beleidsonderzoek Onderwijshuisvesting funderend onderwijs aan de Tweede Kamer aangeboden.11 De opdracht aan de werkgroep was om te onderzoeken hoe het stelsel van onderwijshuisvesting in het funderend onderwijs werkt en om te beoordelen of die werking toekomstbestendig is.

Deze opdracht kwam voort uit het voornoemde rapport van de ARK en uit het rapport van McKinsey over de doelmatigheid en de toereikendheid van het funderend onderwijs, waarin de onder-investering in onderwijshuisvesting als een belangrijke uitdaging wordt aangemerkt.12 Het rapport identificeert een aantal knelpunten. Het huidige stelsel van onderwijshuisvesting stimuleert bijvoorbeeld onvoldoende een total-cost-of-ownershipbenadering. Onder dat begrip wordt in deze context verstaan dat gemeenten en een schoolbestuur zich samen verantwoordelijk weten voor goede onderwijshuisvesting, inclusief de nieuwbouw- of renovatievraag en de exploitatie van de school. Er bestaan daarnaast geen eenduidige (kwaliteits)eisen waar onderwijshuisvesting aan moet voldoen en de beleidscyclus is niet gesloten: ambities van het Rijk, monitoring en toezicht zijn onvoldoende ingeregeld. Ook benoemt het rapport een gebrek aan goede koppeling tussen eisen, kosten en beschikbare budgetten en een gebrek aan expertise met betrekking tot ontwikkeling, realisatie en beheer van onderwijshuisvesting bij schoolbesturen en gemeenten.

11

Kamerstukken II, 2020/2021, 35570-VIII, nr. 213.

12

McKinsey & Company: een verstevigd fundament voor iedereen

W8129.K-1

18

Aansluitend op de knelpunten wordt in het IBO een aantal aanbevelingen gedaan. Er wordt allereerst geadviseerd om het stelsel te optimaliseren: maak het stelsel meer inzichtelijk en overzichtelijk. Dat kan worden bereikt met verschillende maatregelen, zoals het gebruiken van het integraal huisvestingsplan om een total-cost-of-ownershipbenadering te stimuleren en het in beeld brengen van beleidsdoelstellingen en wettelijke eisen voor onderwijshuisvesting. Om het bereiken van de klimaatdoelstellingen voor 2050 mogelijk te maken wordt er gepleit voor een hoger tempo van nieuwbouw en renovatie. Andere aanbevelingen van het IBO gaan een stap verder en vereisen voor volledige implementatie een wijziging van het stelsel. Deze adviezen gaan over het aanpakken van de verouderde voorraad van schoolgebouwen, het stroomlijnen van budgetten door deze te oormerken, het realiseren van een centrale bouwcatalogus, het versterken van de kennisfunctie en het versterken van de ondersteuning vanuit het Rijk. 4.3 Klimaat en energie De klimaatdoelstellingen hebben grote consequenties voor publieke gebouwen. In 2030 moeten alle utiliteitsgebouwen, waaronder schoolgebouwen, aan strengere klimaatnormen voldoen. Dat betekent dat bestaande gebouwen waar nodig grotendeels energetisch gerenoveerd moeten worden en dat nieuwe gebouwen aan strengere eisen moeten voldoen.

Die normen zullen in de toekomst bovendien nog verder worden aangescherpt. Het belang van tijdige renovatie of nieuwbouw wordt daardoor vergroot. Op dit moment ligt het vervangingstempo voor schoolgebouwen te laag: met het huidige tempo lijkt het niet haalbaar om de klimaatdoelstellingen op tijd te halen. Het is van groot belang om te blijven werken aan de verouderde voorraad en het vervangingstempo. De sectorraden en de VNG hebben in het kader van het in 2019 gepresenteerde Klimaatakkoord voorstellen gedaan voor CO2-arme schoolgebouwen in 2050 in de vorm van een sectorale routekaart.13,14 In de Routekaart Onderwijs hebben de sectorraden opgenomen hoe scholen de klimaatdoelstellingen voor onderwijshuisvesting in 2050 kunnen bereiken. De sectorraden en de VNG hebben onder meer aangegeven dat het realiseren van de duurzaamheidseisen uit het Klimaatakkoord niet haalbaar is zonder de wet op een aantal punten te wijzigen.15 Dit wetsvoorstel beoogt een betere gezamenlijke besluitvorming door gemeenten en het bevoegd gezag over de onderwijshuisvesting. Tegelijk met de uitwerking van dit wetsvoorstel wordt de Energy Performance of Building Directive IV (EPBD IV) geïmplementeerd door het ministerie van BZK. De eisen die in deze richtlijn worden geïntroduceerd zullen ook een effect hebben op schoolgebouwen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=3797273e-dab5-448f-8182-e3fd47bed005