Was-wordt-tabel
Tekst van het document
Bijlage Wijziging Algemene verordening (Titel 2 Openbare orde en Veiligheid) Was-wordt-tabel met toelichting per artikel I.
Artikel 2.6.6 Verboden gebruik lachgas wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2.6.6 Verboden gebruik lachgas
Nieuwe tekst Artikel 2.6.6 Verboden gebruik lachgas
Het is verboden in het openbaar gebied lachgas te gebruiken als daardoor hinder ontstaat voor personen of de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
Het is verboden in het openbaar gebied lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, als daardoor hinder ontstaat voor personen of de openbare orde , de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
Toelichting: Per 1 januari 2023 staat lachgas op lijst II van de van de Opiumwet en wordt daardoor gekwalificeerd als een softdrug. Op grond van artikel 3 van de Opiumwet is het voor eenieder verboden om stoffen die op lijst II staan, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen, te bereiden, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren, aanwezig te hebben of te vervaardigen. Deze verboden zijn ook op oneigenlijke toepassing van lachgas als (recreatieve) softdrug van toepassing. Het doel van het verbod is om de brede beschikbaarheid van lachgas voor recreatief gebruik terug te dringen en daarbij het aanbod te beperken. Het (enkele) gebruik van lachgas (recreatief als roesmiddel) valt niet onder het verbod. Een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en is vanuit het oogpunt van proportionaliteit ook niet te verdedigen. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd zijn met artikel 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom beperkt het verbod zich tot concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik, die gepaard gaan met verstoring van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of waarbij het milieu in gevaar komt.
Bij de handhaving moet de gemeente kunnen aantonen dat genoemde situaties de oorzaak zijn van de overlast en dergelijke. Dit vergt een goed gemotiveerd procesverbaal. Aanleiding: op advies van de VNG aangepast voor de Algemene verordening gemeente Leudal. II.
Aan artikel 2.6.17 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren wordt lid 2 gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2.6.17 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
Nieuwe tekst Artikel 2.6.17 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
1.Het is verboden zonder vergunning van het college op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de
1.Het is verboden zonder vergunning van het college op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de
1
openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
a. aanwezig te hebben;
a. aanwezig te hebben;
b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels, of
b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels, of
c. te voeren.
c. te voeren.
2. De eigenaar of houder van een dier zorgt ervoor dat het dier niet onredelijk hinderlijk is voor de omgeving.
2. De eigenaar of houder van een hond zorgt ervoor dat de hond niet onredelijk hinderlijk is voor de omgeving.
Toelichting: Hinderlijk gedrag van een hond was opgenomen in de Algemene plaatselijke verordening. Dit is niet overgenomen in de Algemene verordening. Het is in de Algemene verordening behoorlijk verruimd tot dieren in zijn algemeenheid. Dit artikel in de Algemene verordening blijkt in de praktijk een te ruim geformuleerd artikel te zijn. Dit geeft veel meer werk voor de behandelende ambtenaren. Allerlei soorten van overlast door dieren moeten nu behandeld worden bijvoorbeeld overlast door bijvoorbeeld katten, ezels, duiven, kraaiende hanen enzovoorts. Om het toenemende werk toch enigszins te beperken wordt voorgesteld in plaats van dieren dit artikel te beperken tot honden. Aanhoudende en ernstige overlast van andere dieren dan honden kan via de Wet woonoverlast aangepakt worden. Ook kan er een civiele procedure gevolgd worden. Aanleiding: Op advies van juristen van VTH. III.
Artikel 2.10.4 Gebiedsontzeggingen wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2.10.4 Gebiedsontzeggingen
Nieuwe tekst Artikel 2.10.4 Gebiedsontzeggingen
1.De burgemeester kan in het belang van:
1.De burgemeester kan in het belang van:
a.de openbare orde;
a.de openbare orde;
b.het voorkomen of beperken van overlast;
b.het voorkomen of beperken van overlast;
c.het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat;
c.het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat;
d.de veiligheid van personen of goederen;
d.de veiligheid van personen of goederen;
e.de gezondheid of de zedelijkheid,
e.de gezondheid of de zedelijkheid,
aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in één of meer delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste twaalf weken, niet anders dan in een openbaar middel van vervoer, in één of meer delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
2.Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die
2.De burgemeester beperkt de, op grond van het eerste lid, gegeven bevelen als hij dat in verband met de persoonlijke
2
opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in één of meer delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt.
3.Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling plaatsvindt binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid. 4.De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan vergunning verlenen om af te wijken van een bevel. Toelichting: In de praktijk is gebleken dat het verlenen van een gebiedsontzegging voor 24 uur en het verlengen met 8 weken te kort is. Vandaar dat wordt voorgesteld als termijn ten hoogste twaalf weken vast te stellen. Verlengen is mogelijk. Dit moet per casus specifiek bekeken worden en hiervoor dient door de burgemeester een gemotiveerd besluit genomen te worden. In lid 1 van artikel 2.10.4 wordt tevens voorgesteld toe te voegen: anders dan in een openbaar middel van vervoer. Dit is wenselijk want anders kan de betrokkene onnodig in zijn/haar zijn bewegingsvrijheid worden beperkt. Aanleiding: Op advies van de juristen VTH en de beleidsmedewerker Veiligheid.
3