Tussenuitspraak Raad van State 2aug23 (geanonimiseerd)
Tekst van het document
De raad stelt ten onrechte dat het voer mengen een uiterst belastende activiteit is, onder andere wat geur, fijnstof en geluid betreft, aldus [appellante sub 3]. Zij betoogt dat zij ruimtelijk heeft onderbouwd dat de effecten van het voer mengen in de te realiseren loods geen onaanvaardbaar woon- en leefklimaat met zich brengen. Zij voert aan dat het lossen, de opslag en het transport van de grondstoffen naar de menginstallatie, en het wegen, het mengen en het transport van het voer naar de zeugen plaatsvindt in een gesloten systeem en in zijn geheel binnen de te bouwen loods en gesloten leidingen plaatsvindt. Bovendien gaat het om het mengen van maximaal 5.000 ton per jaar. [appellante sub 3] betoogt dat de raad haar niet heeft verzocht nadere rapporten te overleggen over geur, fijnstof, verkeersbewegingen en cumulatie met omgevingseffecten van omliggende bedrijven, wat volgens haar onzorgvuldig is. Zij wijst erop dat zij bij het beroepschrift de nadere notitie "Aspect geur bij
mengen van enkelvoudige grondstoffen" van Buro Blauw van 20 februari 2020, de "Notitie fijnstof- en stikstofoxidenbelasting [locatie] te Roggel" van Van Dun Advies BV van 7 oktober 2016, en het akoestisch onderzoek van Greten Raadgevende Ingenieurs heeft overgelegd. 24.1. De raad stelt dat het mengen van voer een industrieel karakter heeft. Weliswaar is het met de voorgenomen capaciteit van 5.000 ton per jaar niet haalbaar ook voor derden voeder te produceren. Installaties voor het mengen van voer zijn echter duur en normaliter worden deze ingezet voor de productie van (tien)duizenden tonnen voer. Het is daarbij van belang dat het zeer lastig is te controleren hoeveel ton voer wordt gemengd. Een dergelijke activiteit zal daarom veelvuldig onderwerp van handhaving kunnen zijn. De raad stelt dat industrieel mengen binnen een agrarische bestemming niet is toegestaan. Onder een agrarisch bedrijf wordt verstaan een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren. Vervolgens wordt onder een intensieve veehouderij verstaan: het bedrijfsmatig houden van dieren zonder dat het bedrijf hoeft te beschikken over grond bestemd voor de voerproductie van deze dieren. Binnen de agrarische bestemmingen worden voedersilo's toegestaan.
Dit is echter iets anders dan de activiteiten produceren of mengen van voer, aldus de raad. De raad stelt dat bij het toestaan van het mengen van voer geen sprake zou zijn van een goede ruimtelijke ordening. Volgens de raad wordt niet voldaan aan de Structuurvisie Leudal die inzet op: 'Een groene parel met dynamiek, een gemeente waarin het voor iedereen goed wonen, goed leven en goed werken is, nu en in de toekomst'. De raad stelt dat hij gedurende de procedure aanvullende gegevens heeft gevraagd en nader onderzoek heeft gedaan. De onderbouwing in de rapporten voor deze activiteit toont niet aan dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het mengen van voer is een uiterst belastende activiteit (onder andere wat betreft geur, fijnstof, geluid). Ook is de activiteit boven op de overige activiteiten niet aanvaardbaar, omdat de locatie [locatie] een overbelaste situatie is. Door het mengen van voer vindt een verdere industrialisatie plaats van het gebied, dat al een aantal zeer grote agrarische bedrijven kent, met daarnaast zorg- en woonfuncties. Dit betekent dat zorgvuldigheid is geboden bij het toestaan van nieuwe activiteiten op deze plek, aldus de raad. 24.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich, gezien de aard en omvang van het beoogde mengen, niet op het standpunt mogen stellen dat er sprake van is van industrieel mengen van veevoer.
Hierbij betrekt de Afdeling dat [appellante sub 3] voornemens is alleen voor eigen vee en niet voor derden voer te mengen. De raad erkent ook dat mengen van voer voor derden met de voorgenomen capaciteit van 5.000 ton per jaar niet haalbaar is. Voorts stelt de raad ten onrechte dat het mengen van voer zoals beoogd door [appellante sub 3] niet onder de agrarische bestemming valt. Het mengen van voer zoals [appellante sub 3] dat beoogt valt, als ondergeschikte activiteit, onder "de uitoefening van aan intensieve veehouderij gekoppelde bedrijfsactiviteiten" als bedoeld in artikel 3.1.1, onder c, van de planregels. Het vorenstaande brengt mee dat de raad het strijdig gebruik in artikel 3.5.4, aanhef en onder l, van de planregels ten onrechte heeft gemotiveerd met de overweging dat het door [appellante sub 3] beoogde mengen industrieel is en niet onder de agrarische bestemming valt. Gezien de rol die het volgens de raad industriële karakter van het door [appellante sub 3] beoogde mengen verder in zijn motivering speelt, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling alleen al daarom evenmin voldoende onderbouwd dat de effecten daarvan een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat met zich brengen.
Gelet hierop heeft de raad ook niet voldoende onderbouwd dat zijn ruimtelijke argumenten, ondanks de anterieure overeenkomst, zwaarder mochten wegen dan de belangen van [appellante sub 3] bij de vaststelling van het plan. Naast wat is overwogen in 23.3, is het plan ook gelet hierop in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb, wat betreft het plandeel met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden uitgesloten - mengen van voer". Het betoog slaagt. Conclusie 25. Gelet op wat in 5.1, 11.3, 14.2, 23.3 en 24.2 is overwogen, is het plan in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
26. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 20 weken na verzending van deze tussenuitspraak alsnog: - met inachtneming van wat is overwogen onder 5.1, het beoogde bouwvlak op te nemen op de verbeelding; - met inachtneming van wat is overwogen onder 11.3 en 14.2, over de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - geen dieren" een planregel op te nemen; - met inachtneming van wat is overwogen onder 23.3 en 24.2, het plandeel met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden uitgesloten - mengen van voer" toereikend te onderbouwen en motiveren, dan wel een gewijzigd of nieuw besluit te nemen; - de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Afdeling 3.4 van de Awb hoeft niet opnieuw te worden toegepast. 27. In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: draagt de raad van de gemeente Leudal op om binnen 20 weken na verzending van deze tussenuitspraak: - met inachtneming van de overwegingen 5.1, 11.3, 14.2, 23.3, 24.2 en 26 de daar omschreven gebreken in het besluit van de raad van de gemeente Leudal van 26 september 2017, kenmerk 2017/1163, te herstellen en - de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier. w.g. Daalder voorzitter w.g. Kuipers griffier Uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2023