Toelichting (versie 2, van 22nov23)
Tekst van het document
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
59
Beekdalen
afbeelding 9, Uitsnede kaart 9 Regionale watersystemen POL 2014
De gemeente Leudal heeft dat voor haar grondgebied gedaan. In een onderzoek is een beekdalprofiel opgesteld bestaande uit drie zones, te weten: zone A - de beekloop, zone B - het fysieke en zichtbare beekdal en zone C - de invloedssfeer van de beek. Zone A en B vormen het feitelijke beekdal. Zone C is een belangrijk hydrologisch en/of landschappelijk aandachtsgebied. Enerzijds betreft deze zone het hydrologisch invloedsgebied en anderzijds draagt de zone bij aan het behoud van de landschappelijke structuur, en de (cultuurhistorische) beleving en zichtbaarheid van het beekdal. Binnen zone C zijn ruimtelijke ontwikkelingen toegestaan mits deze geen afbreuk doen aan de natuurlijke waterhuishouding of de landschappelijke structuur van het beekdal. Voor zone A en B geldt een algemeen bouwverbod. De beekdalzonering heeft geen betrekking op bestaande legale bouwvlakken. Toetsing Het plangebied is geheel aangemerkt als bouwvlak. Het beleid inzake de beekdalzonering is niet van belang voor het de voorgestelde planwijziging. Natuur en landschap De verspreid binnen de gemeente Leudal liggen diverse waardevolle natuurgebieden, gebieden zoals het gebied rond de Uffelse beek en het Leudal vragen om een hogere graad van (natuur)bescherming.
Het plangebied kent op grond van lokaal beleid zoals verwoord in de structuurvisie en het provinciaal beleid zoals verwoord in het POL 2014 geen specifieke natuur of landschappelijke waarden. Landschappelijke elementen In het plangebied zijn diverse landschappelijke elementen aanwezig. Deze elementen hebben een zodanige landschappelijke waarde, dat deze beschermt dienen te worden. De landschappelijke
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
60
elementen bestaan uit de volgende elementen: groep bomen, poel, bomenrij, knotbomenrij, gemengd bos, graft, houtsingel, houtwal, loofbos, naaldbos, populierenopslag en steilrand. Het plangebied is voorzien van de gebiedsaanduiding “overige zone - landschappelijke elementen”.
afbeelding 10, Uitsnede bijlage 1 kaart landschappelijke elementen behorende bij het vastgestelde reparatie- en veegplan buitengebied Leudal.
Zoals uit afbeelding 10 blijkt zijn er binnen het plangebied geen van belang zijnde landschappelijke elementen. 3.4.7.
Toetsing gemeentelijk beleid
2009 – 2012 Voorbereidingsfase Het college van Burgemeester en Wethouders heeft in 2009 haar principe goedkeuring gegeven aan het voorliggende verzoek tot wijziging van het bestemmingsplan. Ten tijde van dit principe besluit voldeed het plan aan de voorwaarden die hiervoor in het bestemmingsplan werden gesteld. Er was sprake van een binnenplanse wijzigingsbevoegdheid.
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
61
2012-2014 Ontwerpplan Het plan is strijdig met het (voor)ontwerp van het bestemmingsplan buitengebied. Het college van burgemeester en wethouders heeft toestemming gevraagd aan de gemeenteraad voor medewerking aan het planvoornemen. Het toekomstig bouwvlak heeft een omvang heeft van ca. 3,26 hectare, terwijl bepaald is dat een agrarisch bouwblok maximaal 2,5 hectare groot mag zijn. Het is vanuit bedrijfseconomisch, verkeerstechnisch en vanuit milieuoogpunt niet mogelijk om de geplande loods op een andere locatie te realiseren. De mestopslag is noodzakelijk voor de opslag van de eigen drijfmest. Opslag elders zou een sterke verhoging van de transportkosten met zich mee brengen. Ook is het wettelijk noodzakelijk om de mest 9 maanden op het eigen bedrijf te kunnen opslaan. Opslag elders is dus niet alleen uit kostenoogpunt maar ook uit het oogpunt van wet- en regelgeving niet mogelijk. De uitbreiding van het bouwblok is niet bedoeld voor een toename van het aantal dieren op de locatie. De locatie is aangewezen als duurzame locatie voor intensieve veehouderij. De gemeenteraad van de gemeente Leudal heeft op 26 juni 2012 besloten medewerking te verlenen aan het planvoornemen op voorwaarde dat een procedure ex art. 3.1 van de Wro wordt gevolgd, zie bijlage 5. 2014 2016 Vigerend bestemmingsplan Het nu voorliggende wijzigingsplan voldoet aan de bouwregels van het dit plan.
Een uitbreiding van het bouwvlak tot een grotere oppervlakte als 2,5 ha. is conform dit plan niet mogelijk. De Raad van State heeft in haar uitspraak haar goedkeuring op dit punt, zie paragraaf 1.5.1 haar goedkeuring aan het plan onthouden. Zij is van mening dat een grotere oppervlakte voor het bouwvlak ter plaatse mogelijk is. De Raad onderbouwd dit onder andere door een verwijzing naar het raadsbesluit van 26 juni 2012. Daarnaast was een vormverandering van een bouwvlak ten behoeve van een intensieve veehouder om andere redenen dan natuur en dieren welzijn niet mogelijk. Ook hieraan heeft de Raad van State haar goedkeuring onthouden. Het bestemmingsplan was op dat onderdeel niet in overeenstemming met het rechtstreeks doorwerkende beleid van de provincie Limburg. Een verandering is conform dat beleid in de onderhavige situatie wel toegestaan. 2016 Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal Het plangebied is buiten het plangebied van het reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal gehouden. Belangrijkste wijziging is het schrappen van het extensiveringsgebied rond het plangebied. Ook wordt een vormverandering mogelijk gemaakt vanwege bedrijfseconomische reden. Conclusie Het voorliggende wijzigingsplan voldoet aan het gemeentelijke beleid.
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
62
4.
Milieu planologische aspecten
Het plan is in februari 2014 ter inzage gelegd. In dit hoofdstuk zijn, net als in de vorige hoofdstukken, diverse wijzigingen doorgevoerd als gevolg van wijzigingen in wet- en regelgeving of beleid. Daarnaast zijn een aantal onderdelen nader uitgewerkt als gevolg van de ingebrachte zienswijzen.
4.1.
Bestaande situatie
Voor de onderneming is op 2 december 2010 een milieuvergunning verleend. Op 1 augustus 2015 is er een wijziging van de “Regeling ammoniak en veehouderij” in werking getreden. Deze wijziging is in het onderstaande overzicht van de vergunning meegenomen.
Tabel 3, Vigerende milieuvergunning. NH3. Emissie is gecorrigeerd naar aanleiding van de wijzigingen in de “Regeling ammoniak en veehouderij” zoals deze van kracht zijn geworden op 1 augustus 2015.
Per 1 oktober 2010 zijn de bestaande vergunning voor het in werking hebben van het bedrijf opgegaan in een omgevingsvergunning. Het bedrijf beschikt aldus over een omgevingsvergunning voor de gebouwde stallen, de activiteiten in deze stallen, en het in werking hebben van de inrichting. Na het doorlopen van de procedure ex. art. 3.1 van de Wro zal de onderneming een nieuwe omgevingsvergunning ex art. 2.1 lid 1 onder aanhef a en e van de wabo aanvragen. De bestaande omgevingsvergunning omvat een vergunning; • • •
voor de huidige bebouwing conform onderstaande plattegrond, de planologische afwijking van het vigerende bestemmingsplan ex. art. 19 lid1 uit 2007 Het in werking hebben van de inrichting
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
63
4.2.
Beoogde ontwikkeling
De onderhavige procedure heeft tot doel om het bouwvlak van vorm te veranderen en te vergroten om het in overeenstemming te brengen met de vergunde bebouwing en de realisatie van 2 mestsilo’s en een loods conform de navolgende tekening. De loods wordt gebruikt voor de stalling van agrarische werktuigen. Na het doorlopen van deze procedure zal een omgevingsvergunning aangevraagd worden voor; • • •
Het bouwen van een loods en 2 mestsilo’s Het in werking hebben van een inrichting conform de wet milieubeheer. Het betreft hier een uitbreiding met de 2 mestsilo’s, de apparatuur in de loods. Een aanlegvergunning voor het realiseren van de infiltratievoorziening.
Zie hiervoor ook de navolgende tekening met de diverse installaties in de te realiseren loods. In de bijlage is een situatieschets opgenomen van de nieuwe situatie, zie bijlage 6.
kaart 13. Plattegrond nieuwe loods
4.3.
Milieu
4.3.1.
Bodem
De Wet bodembescherming is op 3 juli 1986 inwerking getreden en bevat het wettelijk kader voor het bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering). De grote hoeveelheid verontreinigde locaties maakte dit noodzakelijk. Met de voortzetting van het toenmalige beleid zou het nog zeker honderd jaar duren voordat de Nederlandse bodem ‘schoon’ is. De nieuwe regels moeten er voor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst. Dit door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke dynamiek. Het doel is zo te komen tot een effectiever bodembeleid.
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
64
De Wet bodembescherming (Wbb) bevat de voorwaarden die (kunnen) worden verbonden aan het verrichten van handelingen in of op de bodem. Primair komt bescherming en sanering in de wet aan bod. De wet heeft alleen betrekking op landbodems. De belangrijkste basis vormt het 'zorgplicht' artikel 13.Ieder die op of in de bodem handelingen verricht en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen. Vrijwel alle gebruiksvormen kennen in meerdere of mindere mate interactie met de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Daarmee is het aspect bodemkwaliteit ook van invloed op de uitvoerbaarheid van het plan.
Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijziging. De opslag van dierlijke mest is een potentieel bodembedreigende bedrijfsmatige activiteit binnen de inrichting als bedoeld in de Wet Milieubeheer. Om bodembedreigende omstandigheden te voorkomen wordt de silo verwaardigd onder de condities van de Bouwtechnische richtlijn mestbassins 1992. Bodemkwaliteit De bestemmingen van de gronden zullen niet wijzigen door de nieuwe regelingen, onderzoek naar de bodemgesteldheid en eventuele bodemverontreiniging kan daardoor in de meeste gevallen achterwege blijven. In het onderhavige plangebied wordt de bestemming weliswaar niet gewijzigd maar krijgt zij de aanduiding agrarisch bouwvlak. Bodemonderzoek bij bestemmingswijzigingen agrarische bouwkavels2 Bij het wijzigen van de bestemming Agrarisch gebied of Agrarisch gebied met waarde (Aln) of andere specifieke waarden (voor het overige kortweg aangeduid met A of Aln) in Agrarisch bouwblok (Ab) ten behoeve van de uitbreiding van een agrarische bouwkavel, kan in eerste instantie worden volstaan met een vooronderzoek conform NVN 5725 en NEN 5707.
Alleen indien blijkt dat delen van de locatie verdacht zijn voor het voorkomen van bodemverontreiniging, dient hiervoor het vooronderzoek te worden aangevuld met verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740. Deze aanpak is gebaseerd op het gegeven dat: •
2
deze gebruiksvorm (agrarische bedrijfsgebouwen) redelijk ongevoelig is voor bodemverontreiniging en daarom een bodemkwaliteitseis kent waarbij de toegestane gehalten (over het algemeen) vrij hoog zijn;
Bron; Handreiking ruimtelijke ontwikkeling provincie Limburg, deel 2.
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
65
•
•
uit de uitgevoerde onderzoeken binnen de bestemming A en A met waarde blijkt dat de bodem van de onverdachte gebieden, een enkele uitzondering daargelaten, schoon, dan wel licht verontreinigd is. Het komt slechts zeer zelden voor dat de bodemkwaliteit slechter is dan de bodemkwaliteitseis die wij inmiddels voor deze gebruiksvorm hanteren; anders dan bij veel andere projecten, er bij het uitbreiden van een agrarisch bouwblok vaak geen ander kader is waarvoor tevens een bodemonderzoek wordt verlangd. Voor het wijzigen van de bestemming Ab in een andere bestemming is er alle aanleiding om een vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek te verlangen. In de specifieke situatie waarbij de bestemming Ab wordt gewijzigd in de bestemming A of Aln worden geen nieuwe gebruiksvormen toegekend, maar wordt er enkel een gebruiksvorm vanaf gehaald; het oprichten van gebouwen is niet langer mogelijk. Er is derhalve geen sprake van het toekennen van nieuwe functies. Om die reden stelt de provincie een bodemonderzoek in deze situatie niet verplicht.
Voor de uitbreiding van het bouwblok is ,conform de eisen in de handreiking ruimtelijke ontwikkeling van de provincie Limburg, een bodemonderzoek vereist. Vossen Leudal Onroerend Goed BV heeft daarom op de genoemde locatie een onderzoek conform NVN 5725 en NEN 5707 uit laten voeren, zie bijlage 10 voor de resultaten van het onderzoek. Conclusie Econsultancy heeft in opdracht van Vossen Leudal Onroerend Goed B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd aan Karreveld 10 te Heibloem in de gemeente Leudal. Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De bovengrond bestaat voornamelijk uit zwak humeus, zwak siltig, matig fijn zand. De ondergrond bestaat voornamelijk uit zwak siltig, plaatselijk zeer fijn tot matig fijn zand. De ondergrond is bovendien plaatselijk zwak humeus, matig tot sterk siltig, zwak tot matig gleyhoudend en zwak roesthoudend. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.
In de bovengrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. In de ondergrond zijn eveneens geen verontreinigingen geconstateerd. Het grondwater ter plaatse van peilbuis 2 (stroomopwaarts) is licht verontreinigd met barium en koper. Het grondwater ter plaatse van peilbuis 19 (stroomafwaarts) is licht verontreinigd met barium, kobalt, koper en nikkel. Verder blijkt het grondwater matig verontreinigd met cadmium en zink. Deze metaalverontreinigingen zijn hoogstwaarschijnlijk, in combinatie met de verlaagde pH en de verhoogde geleidbaarheid ter plaatse van peilbuis 19, te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Gelet op het regionale karakter van de lichte en matige metaalverontreinigingen in het grondwater en het ontbreken van verontreinigingen in de grond kan de onderzoekslocatie als "onverdacht" ten opzichte van haar omgeving worden beschouwd.
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
66
Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing. Er bestaan volgens Econsultancy met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem dan ook géén belemmeringen voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie. 4.3.2.
Ammoniak
4.3.2.1.
Wet ammoniak en veehouderij
De Wet ammoniak en veehouderij (WAV) uit 2002 en gewijzigd in 2007 bevat regels met betrekking tot de ammoniakemissie uit dierverblijven. Deze regels moeten worden toegepast bij de verlening van omgevingsvergunningen voor veehouderijen. De regels zijn bedoeld ter bescherming van zogeheten "zeer kwetsbare gebieden" tegen de effecten van ammoniakdepositie. De WAV geeft regels ten aanzien van veehouderijen gelegen in zo’n zeer kwetsbare gebied of in een zone van 250 meter daaromheen. De wet bepaalt dat Provinciale Staten de zeer kwetsbare gebieden aanwijzen. Provinciale Staten van de provincie Limburg hebben het besluit zeer kwetsbare gebieden op 18 april 2008 vastgesteld. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft het besluit op 11 juli 2008 goedgekeurd. De uitbreiding van het bouwvlak wordt niet voorzien van de aanduiding i.v. Binnen dit deel van het bouwvlak is niet alleen geen intensieve veehouderij mogelijk maar ook geen andere vorm van veehouderij. De gevraagde ontwikkeling is niet van invloed is op het aantal te houden dieren, de uitstoot van ammoniak, en de emissiepunten, Het huisvestingssysteem niet gewijzigd. De beoogde situatie en de beoogde ontwikkeling is geheel in overeenstemming op dit onderdeel met de vigerende omgevingsvergunning. Het onderhavige plan zal daarom niet verder getoetst worden op dit onderdeel. 4.3.2.2.
het besluit emissiearme huisvestingssystemen landbouwhuisdieren
Op 1 Augustus 2015 is het besluit emissiearme huisvestingssystemen landbouwhuisdieren in werking getreden. In het besluit zijn naast maximale emissiewaarden voor ammoniak ook maximale emissiewaarden voor fijnstof opgenomen. Die eisen gelden voor huisvestingsystemen in nieuwe stallen. Voor stallen die voor 1 januari 2015 zijn gebouwd, blijven de eisen uit het oude “besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij” van kracht. Voor stallen die na 1 januari 2015 worden gebouwd, gelden strengere eisen. De eisen worden voor sommige diercategorieën verder aangescherpt. Nieuwe stallen voor melkkoeien en vleeskalveren krijgen vanaf 1 januari 2018 met verder aangescherpte normen te maken. Voor nieuwe varkensen pluimveestallen gelden de verscherpte eisen vanaf 1 januari 2020, als die stallen onderdeel uitmaken van een IPPC-bedrijf. Het onderhavige planvoornemen voorziet niet in een wijziging van de huisvesting van de dieren. De huisvesting voldoet aan het onderhavige besluit.
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
67
4.3.3.
Luchtkwaliteit
De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Met name hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: • •
negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit
De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. 3 % is gedefinieerd als 3 % van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het NSL is per 1 augustus 2014. Een vergunning voor een oprichting of uitbreiding van een veehouderij kan in principe verleend worden indien er geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt. Is er toch sprake van een overschrijding, dan kan de vergunning alleen verleend worden indien de luchtkwaliteit door het project niet of niet in betekenende mate verslechtert. Wanneer een uitbreiding 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de concentratie fijn stof kan een vergunning alsnog verleend worden. Dit volgt uit art. 5.16 Wm en het Besluit NIBM.
Voor fijn stof houdt dit in een toename van 1,2 microgram (3% van de grenswaarde) op het beoordelingspunt. Met behulp van ISL3a kan berekend worden of de bijdrage NIBM is. In de Handreiking Fijn stof en veehouderijen zijn vuistregels te vinden. Als uit de vuistregels blijkt dat een bijdrage NIBM is, hoeft niet meer gerekend te worden met ISL3a. De luchtkwaliteit wordt alleen beoordeeld op plaatsen waar significante blootstelling van mensen plaatsvindt. Een plaats met significante blootstelling kan bijvoorbeeld een woning, school of sportterrein zijn. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit wordt vastgesteld op plaatsen waar mensen worden blootgesteld, en wel zodanig dat een goed beeld wordt verkregen van de luchtkwaliteit ter plaatse. De bijdrage van de intensieve veehouderij aan de concentraties fijn stof in Nederland is meegenomen bij de bepaling van de achtergrondconcentratie. Indien de bijdrage van een individueel bedrijf aan de fijn stof concentraties wordt berekend en deze wordt opgeteld bij de achtergrondconcentratie, treedt daarmee een dubbeltelling op. Het fijn stof afkomstig uit stallen is veruit de grootste bron van fijn stof binnen een landbouwinrichting. Andere bronnen, zoals stof afkomstig van een opslag van landbouwproducten of een tractor vallen daarbij in het niet. Het primair stof uit landbouwbedrijven komt voor 95% uit
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
68
stallen3 (zie de rapporten ASG, Activiteiten aan hotspots en het rapport van Chardon en Van der Hoek. Toetsing Voor de ruimtelijke onderbouwing is een toelichting (berekening) nodig in het kader van fijnstof en stikstofoxiden, zie bijlage 13. Dit onderzoek brengt de invloed, van het agrarische bedrijf aan de Karreveld 10 te Heibloem, op de luchtkwaliteit in de omgeving van het bedrijf in kaart welke getoetst is aan de Wet Luchtkwaliteit. •
• •
•
4.3.4.
In de agrarische sector is voornamelijk de emissie van fijnstof en NO2 bepalend voor de luchtkwaliteit op de omgeving. Emissies van overige stoffen, waaraan volgens de Wet Luchtkwaliteit aan getoetst moet worden, zijn verwaarloosbaar en leiden niet tot overschrijdingen van de grenswaarden zoals opgenomen in de Wet Luchtkwaliteit; De jaargemiddelde concentratie fijnstof voldoet aan de grenswaarde voor het jaargemiddelde (40 μg/m3 conform Wet Luchtkwaliteit bij PM10 (fijnstof) en NO2; Het aantal overschrijdingsdagen voldoet aan de grenswaarde voor het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurgemiddelde (35 dagen conform Wet Luchtkwaliteit bij PM10 fijnstof; De bedrijfssituatie voldoet ruimschoots aan de grenswaarden zoals opgenomen in de Wet Luchtkwaliteit.
Geur en Veehouderij
Per 1 januari 2007 jl. is de nieuwe Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv) in werking getreden. De Wgv vormt het toetsingskader bij vergunningverlening veroorzaakt door dierverblijven van veehouderijen. Op grond van de Wgv kunnen gemeenten een geurverordening opstellen waarin zij, binnen bepaalde wettelijke marges, hun eigen geurnormen stellen. Voor de gemeente Leudal is een verordening vastgesteld of in ontwikkeling. De gevraagde wijziging van het plan heeft geen gevolgen voor de geurhinder en de ammoniakemissie naar de omgeving. Het aantal dieren, de huisvesting en het ventilatie systeem blijft gelijk, wel worden er 2 mestsilo’s geplaatst. Het doel van het plaatsen van een mestsilo is het uitbreiden van de huidige opslagcapaciteit van dierlijke mest. De geplande mestsilo heeft een zodanig omvang dat hij niet voldoet aan de voorwaarden uit het besluit Landbouw Milieubeheer en/of de voorwaarde uit het besluit mestbassins. Dit betekend dat de gevraagde ontwikkeling getoetst dient te worden aan de wet milieubeheer. In de wet milieubeheer zijn voor afgesloten mestbassins geen geurwaarden opgenomen. In relatie tot veehouderijen is de geuremissie van een afgesloten mestsilo verwaarloosbaar, zie ook hierna. Dit betekend dat voldaan moet worden aan de minimumafstanden zoals deze opgenomen zijn opgenomen in de wet milieubeheer.
De mestsilo wordt uitgevoerd met een gesloten dakconstructie. De dakconstructie wordt verwaardigd van een polyesterdoek welke, voor een goede dichting, aan beide zijden is voorzien van een PVC - coating. Een gesloten dakconstructie draagt zorg voor het tot een minimum beperken 3
Bron; Handreiking veehouderij en fijnstof (infomil)
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
69
van emissies zoals ammoniak en geur. Het vullen van de mestsilo gebeurt van onderaf. Deze uitvoering draagt ook bij tot het een minimum beperken van emissies. De opslag van de mest vormt een geheel gesloten systeem. De locatie is gelegen op een afstand van ca. 100 meter van de meest naburige niet agrarische woonbebouwing. De dierverblijven zijn allen gelegen op een afstand van meer dan 150 m. van geurgevoelige objecten. De minimale afstand tussen een mestopslag en een geurgevoelig object bedraagt op grond van de wet milieubeheer 50 m. Uit een door de installateur van het bassin te verstrekken verklaring moet blijken dat het geleverde bassin daarnaast voldoet aan Richtlijnen Mestbassins 1992 (RM 1992)(zie verder bijlage 1 en 2 van het besluit mestbassins milieubeheer). De geuremissie als gevolg van de gevraagde planwijziging vanuit de dierverblijven wijzigt niet. De vergroting van het bouwvlak voor de realisatie van de loods houdt immers geen wijziging in voor wat betreft de dierenverblijven. Dit is verzekerd door het opnemen van een aanduiding op de verbeelding en een planregel in de regels, waaruit volgt dat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – geen dieren’ geen dieren mogen worden gehouden. Dit betekent dat de vergroting van het bouwvlak niet van invloed is op de geuremissie, die ontstaat door het (intensief) houden van dieren (varkens).
4.3.5.
Omgekeerde werking
In de praktijk is een uitbreiding van een intensieve veehouderij alleen mogelijk indien een goed woon- en leefklimaat voor de omliggende bewoners gegarandeerd wordt. Hierbij moet ook rekening gehouden met de gevolgen andere bedrijven in de nabijheid van het plangebied. Het wettelijke kader hiervoor wordt gevormd bepaald door de wet milieubeheer en de wet geurhinder en veehouderij. In de onderhavige situatie is een behoordeling van de volgende aspecten met betrekking tot het woon- en leefklimaat van omwonende van belang. 1. 2. 3. 4. 5.
Geurhinder Geluidshinder Fijnstof Licht Verkeer
De gevraagde herziening van het bestemmingsplan heeft tot doel om het bedrijf uit te breiden met een loods en 2 mestsilo’s. Ter verduidelijking is hierna een overzicht opgenomen de nieuwe situatie.
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
70
foto 2, Luchtfoto met geplande uitbreiding
De meest nabijgelegen woning ligt op een afstand van 100 m. van het nieuwe bouwvlak. De vormverandering van het bouwvlak in zuid - oostelijke richting is niet van invloed op het woonen leefklimaat in de omgeving. Voor deze ontwikkeling is inmiddels een omgevingsvergunning verstrekt. Deze wijziging zal daarom niet verder in deze paragraaf worden besproken. In het vervolg van deze paragraaf worden de gevolgen van deze ontwikkeling voor het woon- en leefklimaat van de omwonende in beeld gebracht. handreiking bedrijven en milieuzonering In paragraaf 4.5 wordt ingegaan op de handreiking bedrijven en milieuzonering. Conform deze handleiding zijn de te hanteren richtafstanden in de onderhavige situatie; • • •
•
100 m. voor het onderdeel geur, 30 meter voor het onderdeel stof, 100(c) voor het onderdeel geluid. De aanduiding (c ) betekend dat er in de handreiking vanuit gegaan wordt dat het een activiteit betreft met een sterke verkeer aantrekkende werking. en, 10 meter voor het onderdeel gevaar.
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
71
Dit betekend dat in onderhavige voorziening voldaan wordt aan de richtlijnen uit de handreiking bedrijven en milieuzonering met betrekking tot het woon- en leefklimaat in de omgeving. Geluid. De zijde (noord) van de loods richting de meest nabij gelegen woningen is geheel gesloten. Het aantal verkeersbewegingen wijzigt niet als gevolg van gevraagde ontwikkeling. Doordat daarnaast het transport van het gereed product via een buisleiding gaat wordt de mogelijke geluidsoverlast voor de omgeving nog verder beperkt. beperkt. In de mestsilo’s wordt alleen mest van het eigen bedrijf opgeslagen. Er wordt géén mest van andere locaties opgeslagen. De mest wordt vanuit de stallen middels pijpleidingen naar de silo’s getransporteerd. De silo’s worden jaarrond ook maximaal 2 maal benut. Het laden van de mest vind plaats in de dag periode. Licht Het erf wordt ’s nachts gedempt verlicht vanuit veiligheidsoogpunt. Dit is ook in de bestaande situatie het geval. De verlichting wordt gemoderniseerd maar de intensiteit blijft gelijk. De gevraagde ontwikkeling heeft, met betrekking tot het onderdeel licht, geen negatieve invloed op het nabij gelegen woon- en leefklimaat. Verkeer Het plangebied is gelegen aan het Karreveld te Heibloem. De locatie is via de provinciale weg N279, aan de Heibloem en het Karreveld prima bereikbaar. Tussen de afslag van de N279 en het Karreveld is een woning gelegen.
Het aantal verkeersbewegingen veranderd als gevolg van de gevraagde ontwikkeling niet. Er zijn daarom op dit onderdeel géén gevolgen voor het woon- en leefklimaat. Conclusie De gevraagde ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied.
4.4.
Geluid en Trillingen
De Wet geluidhinder dateert van 16 februari 1979. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door onder meer industrie, wegverkeer en spoorwegverkeer. De wet richt zich vooral op de bescherming van de burger in zijn woonomgeving enbevat bijvoorbeeld normen voor de maximale geluidsbelasting op de gevel van een huis. Per individuele situatie dient te worden beoordeeld of een akoestisch onderzoek noodzakelijk is. Voor een aantal regelingen geldt dat er geluidsgevoelige functies bij zijn betrokken. Hierdoor kan toetsing van het binnenklimaat noodzakelijk zijn om aan te tonen dat de geluidsbelasting onder de maximaal toegestane waarden blijft bij het toestaan van nieuwe geluidsgevoelige functies. Voor de noodzaak tot het doen van een akoestisch onderzoek is het belangrijk om de gevolgen van de gevraagde wijzing van het bestemmingsplan in beeld te brengen. Wijzigingen in het gebruik van de inrichting als gevolg van de gevraagde plan wijziging;
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
72
•
•
Verkeersbewegingen; Het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting wijzigt als gevolg van het onderhavige plan niet. De productie van de hoeveelheid mest blijft gelijk. Hierdoor wijzigt het aantal transportbewegingen niet. Het aantal verkeersbewegingen blijft gelijk. Mestsilo’s; Het vullen van de silo’s vind plaats middels een vaste ondergrondse leiding die voorzien is van een elektrische pomp. Het lossen gebeurt middels vrachtwagens of middels een vaste leiding naar de overbuurman die de mest afneemt en verder verwerkt in haar (co)vergistingsinstallatie. De mestsilo’s krijgen een capaciteit van 3.000 m3 elk (2 maal). De losplaats wordt gesitueerd aan de zuid zijde van de silo’s. De silo’s worden op jaarbasis een maal gevuld en een maal geleegd. De locatie van de wagens voor het mesttransport wijzigt. Dit betekend dat de geluidsbelasting op de woningen aan de noord zijde licht toe zal nemen. De geluidsbelasting op de overige woningen zal daardoor dalen. In het akoestisch onderzoek zijn de gevolgen hiervan in beeld gebracht.
Toetsing Ten behoeve van de planontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage11. In de dagperiode bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) maximaal 43 dB(A) ter plaatse van de Aan de Heibloem 21 en maximaal 38 dB(A) ter plaatse van de overige woningen. De grenswaarde en de normwaarde van respectievelijk 43 dB(A) en 40 dB(A) worden derhalve gerespecteerd. In de avondperiode en nachtperiode is het LAr,LT zodanig dat op alle punten de normwaarden van 35 dB(A), gesteld in het wettelijk kader, gerespecteerd worden. In de dag-, avond- en nachtperiode is het maximaal geluiddrukniveau (LA,max) zodanig dat op alle punten het wettelijk kader wordt gerespecteerd. De indirecte hinder vanwege wegverkeer van en naar de inrichting bedraagt maximaal 45 dB(A) etmaalwaarde ter plaatse van Aan de Heibloem 21. De voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt derhalve niet overschreden. Het bevoegd gezag wordt in overweging gegeven naar aanleiding van de berekende waarden deze te vergunnen, gezien het feit dat: • • • • • •
voor Aan de Heibloem 21 reeds een afwijking bepaald is welke geldt voor de LAr,LT in de rbs, waaraan in onderhavig onderzoek voldaan wordt; de overschrijdingen worden veroorzaakt door bestaande en vergunde activiteiten; bij alle overige bedrijfssituaties, te weten: LA,max rbs en indirecte hinder, het huidige wettelijke kader gerespecteerd wordt; andere bronmaatregelen, technische en organisatorische maatregelen niet wenselijk worden geacht; een binnenniveau van 35 dB(A), gezien de opbouw van de betreffende woning gegarandeerd kan worden2; voor alle overige woningen het wettelijk kader te allen tijde gerespecteerd wordt.
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
73
4.5.
Milieuzonering/ Bedrijvigheid
De handreiking Bedrijven en milieuzonering is een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke inrichting. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. De handreiking Bedrijven en milieuzonering is ingrijpend herzien in 2007 en in 2009 licht gewijzigd. De mestsilo’s worden opgericht conform de daarvoor gestelde eisen, zie ook paragraaf 4.3.4. Er vind geen geuremissie plaats. Zij hebben daarom op dit onderdeel geen invloed op het woon- en leefklimaat. De beoogde activiteit is in de handreiking vermeld onder code 0146. Hierbij worden richtafstanden aangeven van; • Geur 200 m. • Stof 30 m. • Geluid 50 m. • Gevaar 0 m. De grootste afstand is 200.m. De activiteit is ingedeeld in categorie 4.1. In de onderhavige situatie is duidelijk sprake van een aantal punten die een verkleining van de richtafstand met minimaal 1 stap rechtvaardigen; • •
Er is sprake van een gemengd gebied met veel agrarische bedrijvigheid. In de gevraagde inrichting is geen sprake van een sterke verkeer aantrekkende werking
Een vermindering van de richtafstanden met minimaal 1 stap tot 100 m. is daarom juist. Dit betekend dat in onderhavige situatie voldaan wordt aan de richtlijnen uit de handreiking bedrijven en milieuzonering. Deze afstanden zijn indicatief van aard. In de handreiking wordt vermeld dat bij agrarische bedrijven vaak andere wetgeving bepalend is voor de te hanteren afstand normen. Zie o.a. paragraaf 4.3. In de onderhavige situatie betekend dit dat er diverse onderzoeken zijn uitgevoerd om een goed beeld te krijgen van de invloed van de gevraagde ontwikkeling op de omgeving. Om ieder risico uit te sluiten zijn er o.a. een fijnstof-, geur- en akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie paragraaf 4.3.3, 4.3.4 en 4.4..
4.6.
Externe veiligheid
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is in 2004 in werking getreden. Hiermee zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. In 2004 is ook de Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen (REVI) in werking getreden. Deze regeling strekt tot uitvoering van het BEVI. Het BEVI heeft als doel zowel individuele als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
74
In verband met de uitbreiding van de intensieve veehouderij aan het Karreveld dient inzicht te worden verschaft in de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen. Het Bevi is van toepassing op Wm-vergunningplichtige risicovolle inrichtingen en/of nabijgelegen beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten. Het bedrijf van de Vossen Leudal Onroerend Goed B.V. is een inrichting die niet onder de definitie van risicovolle inrichting (ex art. 2 Bevi) valt. Groepsrisico: Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep van een bepaalde omvang dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval. Bij dit risico wordt rekening gehouden met het aantal personen dat zich rond de inrichting of langs de transport as kunnen bevinden. Hoe meer mensen in de omgeving, hoe groter het groepsrisico. Plaatsgebonden risico De externe risico’s worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico wordt beoordeeld voor kwetsbare objecten (woonwijken, winkelcentra, ziekenhuizen etc.) en beperkt kwetsbare objecten (verspreid liggende woningen, bedrijfsgebouwen, sport en kampeerterreinen) en wordt zichtbaar gemaakt via een risicocontour. Toetsing
afbeelding 11, Risicokaart provincie Limburg
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
75
Binnen de inrichting worden gevaarlijke stoffen opgeslagen (diesel, zuuropslag enz.). Deze opslag dient te voldoen aan de richtlijn PGS 15. Deze verplichting wordt in de omgevingsvergunning opgenomen. De inrichting wordt uitgevoerd conform deze voorwaarden. De gevraagde ontwikkeling heeft geen invloed op de externe veiligheid. Groepsrisico: Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep van een bepaalde omvang dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval. Bij dit risico wordt rekening gehouden met het aantal personen dat zich rond de inrichting of langs de transport as kunnen bevinden. Hoe meer mensen in de omgeving, hoe groter het groepsrisico. Het bedrijf verricht geen activiteiten die een groepsrisico met zich meebrengen. Plaatsgebonden risico De externe risico’s worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico wordt beoordeeld voor kwetsbare objecten (woonwijken, winkelcentra, ziekenhuizen etc.) en beperkt kwetsbare objecten (verspreid liggende woningen, bedrijfsgebouwen, sport en kampeerterreinen) en wordt zichtbaar gemaakt via een risicocontour. Het bedrijf verricht geen activiteiten die een plaatsgebonden risico met zich meebrengen. Geen van de voorziene bouwwerken en activiteiten in dit bestemmingsplan, zoals de aanvullende opslag van dierlijke mest, leidt tot risicovolle activiteiten en/of situaties.
Overige risico’s worden zoveel mogelijk voorkomen door te voldoen aan alle brandveiligheidsvoorschriften die bij de bouw zullen worden opgelegd door de brandweer en worden vastgelegd in de bouwvergunning.
4.7.
Waterparagraaf
Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Een achttal wetten is samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan de vermindering van regels, vergunningenstelsels en administratieve lasten. De provincie Limburg heeft die beleid vertaalt in het provinciaal waterplan. 4.7.1.
Provinciaal beleid
De locatie is gedeeltelijk gelegen in een gebied dat op de provinciale waterkaart is aangeduid als beekdal en laagte. Uitbreiding bouwkavel De uitbreiding van de bouwkavel vind geheel plaats buiten de voornoemde gebieden. De uitbreiding is niet in strijd met het beleid zoals verwoord in het provinciaal waterplan..
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
76
Vormverandering. De vormverandering vind plaats binnen het als beekdal aangeduide gebied. De totale bebouwing neemt als gevolg van de gevraagde vormverandering niet toe. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor hydrologische waarden in het gebied. Daarnaast blijkt ook uit de vrijstellingsverklaring ex art. 19 lid 1 van de WRO uit 2007 dat hierbij geen provinciale belangen worden geschaadt. 4.7.2.
Watertoets
Sinds 1 november 2003 zijn overheden wettelijk verplicht om de watertoetsprocedure toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is een instrument waarmee waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze worden meegewogen in de belangenafweging. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de Vossen Leudal Onroerend Goed B.V. van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek brengt. Alle ruimtelijke plannen die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding worden voor advies voorgelegd aan de waterbeheerders. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. De waterhuishoudkundige aspecten die in de watertoetsprocedure worden betrokken zijn de veiligheid, wateroverlast, watervoorziening, verdroging en riolering. Er wordt aandacht besteed aan zowel grondwater als oppervlaktewater en aan zowel waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het watertoetsproces loopt van de locatiekeuze tot en met de inrichting en is van toepassing zowel in de stad als in landelijk gebied. De watertoetsprocedure is verplicht voor alle bestemmingsplannen en projectbesluiten, inclusief uitwerkings- en wijzigingsplannen (zie het Besluit ruimtelijke ordening artikel 3.1.1).
Voor plannen waarbij door de aard of omvang van het plan geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn, hoeft geen (pre)wateradvies te worden aangevraagd bij het watertoetsloket en bepaalt de gemeente zelf aan welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden het plan moet voldoen. Conform het paraplu – bestemmingsplan dient voor de voorgenomen ontwikkeling een watertoets te worden uitgevoerd door het waterschap “peel en Maasvallei”. Conform het stroomschema van het waterschap is voor de beoogde planwijziging een “Watertoets” uitgevoerd. 4.7.2.1.
Beleid waterschap
Plaats voor water De nieuwe regelingen hebben voor een deel tot gevolg dat het aandeel verhard oppervlak zal toenemen en oefenen daarmee invloed uit op het totale waterbergende vermogen van de gronden. In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de volgende afwegingsstappen doorlopen: hergebruik, infiltratie, berging, lozing op het oppervlaktewater, lozing op de riolering. Hergebruik van hemelwater wordt met name overwogen bij grootschalige voorzieningen als scholen, kantoorgebouwen e.d. Waar sprake zal zijn van nieuwe ontwikkelingen die tot gevolg hebben dat maatregelen voor waterberging nodig zijn, zal als voorwaarde gesteld worden dat vooraf de gevolgen voor de waterhuishouding en eventuele noodzakelijke maatregelen in beeld worden gebracht. Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
77
Het waterschap heeft in een handboek de criteria opgenomen waaraan een watertoets dient te voldoen. •
•
•
•
Mate waarin wordt afgekoppeld; Beleid van het waterschap is om te proberen 100% van het verhard oppervlak af te koppelen en het schone regenwater te infiltreren in de bodem. De volgende stap is het bergen van water. Pas wanneer vasthouden en bergen niet mogelijk is kan gekozen worden voor afvoeren. Keuze van voorziening; De voorziening moet afgestemd zijn op de kenmerken van de ondergrond. Kijk voor de bodemeigenschappen op de pagina van uw gemeente. Als er goed kan worden geïnfiltreerd heeft een infiltratievoorziening de voorkeur. Een bovengrondse infiltratievoorziening heeft de voorkeur boven een ondergrondse in verband met onderhoud en beheersbaarheid van de voorziening. Als de infiltratiecapaciteit van de bodem slecht is of de gemiddeld hoogste grondwaterstand zich dicht bij het maaiveld bevindt, beveelt het waterschap aan om een opvang voor het regenwater te realiseren die langzaam leegloopt (dynamische buffer) naar het oppervlaktewater. Ontwerp van voorziening Bij het ontwerp moet u op de volgende zaken letten: o Aanlegdiepte U moet een infiltratievoorziening boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand aanleggen, om te voorkomen dat grondwater in de voorziening stroomt. o Leegloopconstructie U moet de leegloop constructie boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand aanleggen. U moet de uitstroom beperken tot 1 l/s/ha.
De hiervoor benodigde uitstroomdiameter kunt u bepalen uit de grafiek. o Afmetingen (inhoud) Als de constructie een noodoverloop heeft op het riool, gelden voor de bergingscapaciteit van de voorziening de eisen van de gemeente (vaak afhankelijk van de capaciteit van het riool). Voor een infiltratievoorziening met overloop op eigen terrein adviseren wij de voorziening te dimensioneren op basis van de T=10mmkaarten van uw gemeente. En 84 mm moet u op eigen terrein kunnen bergen. Een infiltratievoorziening met overloop op openwater moet voldoen aan de eisen van het waterschap: boven de infiltratie voorziening moet u een dynamische buffer realiseren waarin een bui van 50 mm (T=10) kan worden geborgen. Daarboven vragen wij een waakhoogte van ongeveer 0,5 meter te hanteren. Bij een bui van 62,5mm (T=100) mag de voorziening tot aan de rand gevuld zijn. o Noodoverloopconstructie Een Noodoverloopconstructie zorgt ervoor dat het water op gecontroleerde wijze wegstroomt als de voorziening door extreme omstandigheden vol is en gaat overlopen. Het overtollige water moet stromen naar een plek waar het geen overlast kan veroorzaken. Dit kan zijn: - naar een laagte op eigen perceel - naar aangrenzend openwater - naar het riool
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
78
Het waterschap heeft de voorkeur dat u een noodoverloop over het maaiveld aanlegt (geen ondergrondse aansluiting op het riool). Vanuit een infiltratievoorziening kan dit plaatsvinden via de blad- en zandvang. •
Toepassing van duurzame bouwmaterialen Om bodemverontreiniging te voorkomen moet u het gebruik van uitlogende materialen voorkomen. Uitlogende bouwmaterialen zijn: o Koper o Zink o Bitumen o lood
Beschrijving locatie De beoogde locatie is aan de rand van het beekdal gelegen en ligt circa 1 m hoger dan het beekdal. Er is sprake van droge zandgronden. De gemiddelde doorlaatbaarheid van de bodem ter plekke is goed te noemen. De stallen zijn momenteel voorzien van goten. Dit water wordt afgevoerd naar een infiltratiesloot, met overloop voorziening, aan de zuid - oostzijde van het bedrijf. Het water van de erfverharding wordt niet afgevangen en infiltreert aan de randen van de erfverharding in de bodem. In de onderhavige situatie is sprake van een procedure conform art. 3.6 van de nWro.. De verharde oppervlakte neemt met meer dan 2000 m2 toe. Er is daarom een watertoets noodzakelijk. De hemelwaterafvoer van het bestaande bedrijf is geheel losgekoppeld van de gemeentelijke sloot en het riool. Het water infiltreert middels een zaksloot aan de zuidelijke zijde van de bestaande bebouwing. Ten behoeve van de uitbreiding wordt een nieuwe infiltratie voorziening aangelegd aan de noordzijde van het bouwvlak direct aansluitend aan de uitbreiding, zie het landschapsinrichtingsplan, paragraaf 3.4.5. De K-waarde (bodemdoorlaatbaarheid) ter plaatse van de uitbreiding bedraagt 0,75 – 1,5 (m/dag). Om wateroverlast te voorkomen wordt ook de nieuwe loods en de mestsilo’s voorzien van goten. De totale uitbreiding van het bouwvlak bedraagt ca. 6.650 m2.
Het totale dakoppervlak bedraagt 3.400 m2. Het totale oppervlak van de erfverharding bedraagt 2.112 m2. Dit betekend dat er een infiltratievoorziening gecreëerd wordt voor 5.512 m2. Rond de mestsilo’s wordt geen verharding aangebracht. Ten noorden van de uitbreiding wordt een nieuwe zaksloot gerealiseerd. Deze zaksloot maakt deel uit van het landschapsinrichtingsplan. Bij een maatgevende bui van T=10 van 50 mm dient een aanvullende infiltratievoorziening met een inhoud van ca. 276 m3 gerealiseerd te worden. De lengte van de infiltratiesloot is 140 m. De grondwaterstand is gemiddeld 1,50 – 2,00 m onder het maaiveld. Het waterschap adviseert een waakhoogte van 50 cm. De maximale diepte is 1,50 m. De voorziening wordt 4,00 m. breed met een diepte van 1,50 m. Bij een helling van 50 % betekend dit een netto capaciteit van ca. 280 m3. Bij een T = 100 bui van 84 mm. wordt het overtollige water opgevangen binnen de waakhoogte. Indien dit niet voldoende is kan het water uitstromen over het eigen land. Er bestaat dan geen risico op overlast voor omwonende.
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
79
Kaart 14, Landschapsinpassingsplan met tweede infiltratiesloot
Afvalwater De locatie is aangesloten op een persriool. Het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd op de riolering. De watertoets is ter goedkeuring voorgelegd aan het waterschap Peel en Maas. Na goedkeuring zal een kopie van de goedkeuringsbeschikking aan de gemeente ter beschikking worden gesteld. Er vinden geen lozingen op het oppervlaktewater plaats. Een vergunning in het kader van de Wet verontreiniging oppervlaktewater (Wvo.) is niet vereist. Bij de bouw van de mestsilo’s en de opslagloods zullen geen uitloogbare materialen worden gebruikt. De laad en lospunten van de mestsilo’s worden zodanig uitgevoerd dat geen “gemorste” mest in de bodem kan komen. Deze mest wordt opgevangen en teruggevoerd naar de mestsilo. Op is de tekst van deze paragraaf ter beoordeling aangeboden aan het “ Waterschap Peel en Maas”. Uit dit eerste overleg blijkt dat er in of langs het plan inderdaad geen directe waterbelangen aanwezig zijn. De waterhuishouding dient nog met de gemeente besproken te worden maar het waterschap verwacht geen moeilijkheden. Wat haar betreft kan het plan in procedure worden gebracht, zie bijlage 9.
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
80
4.7.3.
Verbruik
Verreweg het grootste deel van het waterverbruik is toe te schrijven aan het gebruik als drinkwater voor vee. Ook de luchtwassers dragen behoorlijk bij aan het waterverbruik. Andere verbruiksposten zijn relatief laag; bij het reinigen van de stallen en in de hygiënesluis en kantine worden respectievelijk 800 en 120 m3 per jaar verbruikt . Het waterverbruik per fokzeugenplaats bedraagt 8 m³ per jaar, per gespeende biggenplaats 0,5 m3. Het waterverbruik per opfokzeugenplaats is ongeveer 2 m³ per jaar. Het waterverbruik per vleesvarkensplaats bedraagt 1,5 m³ per jaar. Het totale waterverbruik ten behoeve van drinkwater komt hiermee op 40.500 m3. In de luchtwassers wordt water gebruikt als was medium: de stallucht wordt in contact gebracht met water, en zo worden stoffen uit de stallucht verwijderd. In de vorm van spuiwater komt dit water vervolgens weer vrij. Dit spuiwater wordt afgezet via de leverancier van de luchtwasinstallatie. Daarnaast wordt bij het intensieve contact tussen water en lucht veel water in de lucht opgenomen. Dit water verlaat de luchtwasser in de vorm van waterdamp. De hoeveelheden zijn afhankelijk van het ventilatiedebiet, de contacttijd tussen water en lucht en de relatieve luchtvochtigheid van de stallucht. In de regel wordt per liter vrijkomend spuiwater ongeveer 5 liter water in de stallucht opgenomen.
Voor de luchtwassers is op jaarbasis tussen de 2.000 en 3.000 m3 water nodig. Een verdere beperking van het waterverbruik is niet mogelijk. Bij het reinigen wordt een hogedrukreiniger toegepast. De materialen die in de stallen zijn toegepast zijn glad, ook de muren zijn voorzien van een coating en hierdoor gemakkelijk te reinigen. De sanitaire voorzieningen zijn uitgevoerd met waterbesparende voorzieningen. Een beperking van de drinkwatergift aan de dieren is geen reële besparingsoptie, aangezien dit tot welzijnsproblemen kan leiden. 4.7.4.
grondwaterbescherming
Het bedrijf en haar omgeving is, net als nagenoeg geheel Midden-Limburg, aangemerkt als boringsvrije zone. In een boringsvrije zone is het slaan, boren en spuiten van putten ten behoeve van het oppompen van grondwater slechts beperkt toegestaan en aan voorschriften gebonden. Binnen de inrichting is reeds een grondwaterbron aanwezig. De capaciteit van deze bron bedraagt 10 m3 per uur. Deze capaciteit is ook na de uitbreiding ruimschoots voldoende. Het slaan van een nieuwe put is derhalve niet nodig.
4.8.
Dierziekten en volksgezondheid
Zeer recent is heeft de rechtbank Oost-Brabant bepaald dat in de vergunning voorwaarden en de nodige garanties dienen te worden opgenomen inzake de risico’s voor de omgeving. De gemeente Leudal, de provincie Limburg en de Rijksoverheid hebben geen beleid in de vorm van een toetsingskader waarin in dit kader aan getoetst kan worden.
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
81
4.8.1.
Bedrijfsmaatregelen
Op het bedrijf worden diverse maatregelen genomen waardoor de risico’s voor de volksgezondheid en de risico’s op de verspreiding van dierziekten aanmerkelijk worden teruggebracht.
•
•
•
•
Hygiënesluis; Er is een hygiëne protocol waar bezoekers en personeelsleden zich aan moeten voldoen. Alle personen die de stallen betreden dienen zich te douchen en gebruik te maken van bedrijfskleding. Hiervoor is op het bedrijf een zogenaamde “hygiënesluis” aanwezig. Gesloten bedrijfsstructuur; Doordat alle zeugen op het bedrijf zelf worden gefokt worden er geen dieren van buiten getransporteerd naar het bedrijf. Het risico van ziekte insleep wordt hierdoor tot een minimum teruggebracht. Luchtwassers; Door het gebruik van luchtwassers wordt een deel van het stof uit de lucht gewassen. Hierdoor wordt niet alleen de uitstoot van fijnstof verder gereduceerd maar worden ook de risico’s voor de overdracht van ziekten verder gereduceerd. Buitenuitloop of weidegang. Door de dieren binnen te houden wordt het risico tot ziekteoverdracht beperkt. Er vind geen contact plaats met buiten levende dieren of bezoekers die niet via de hygiënesluis het bedrijf hebben betreden.
Voor de varkenshouderij zijn diverse voorschriften opgesteld door het bevoegd gezag.
•
•
4.8.2.
Dierlijke mest; De dierlijke mest wordt bewaart in kelders onder de stallen en een tweetal afgesloten mestsilo’s. De mest wordt met gesloten vrachtwagens vervoerd naar de afnemers/gebruikers. De aanwending van de mest gebeurd dit volgens de voorschriften die hiervoor gelden en wordt deze met moderne apparatuur geïnjecteerd in de bodem. Het risico van ziekteoverdracht is hierbij minimaal. Certificaten Het bedrijf voldoet aan de voorwaarden voor de navolgende certificaten; o IKB varken o Milieukeur o MDV (Maatlat Duurzame Veehouderij) o Ziektevrijcertificaten GvD (Gezondheidsdienst voor Dieren)
Veehouderij en gezondheid omwonenden.
Recentelijk, 5 juli 2016 is het rapport Veehouderij en gezondheid omwonenden gepubliceerd4. Onderzocht is of het wonen in de buurt van veehouderijen effect kan hebben op de gezondheid van de omwonenden. Hieruit komen een aantal positieve en een aantal negatieve gezondheidseffecten naar voren. Een eenduidig antwoord is dan ook niet te geven. Aangetoond is dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Dicht bij veehouderijen wonen minder mensen met COPD, een chronische ziekte aan de longen. 4
RIVM Rapport 2016-0058
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
82
Daar staat tegenover dat de mensen in deze omgeving die wel COPD hebben, daar vaker en/of ernstigere complicaties van hebben. Verder is er een verband gevonden tussen wonen nabij veehouderijen en een verlaagde longfunctie. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door stoffen die afkomstig zijn van de veehouderij. Niet alleen dichtbij veel veehouderijen wonen zorgt voor een lagere longfunctie. De longfunctie wordt in het hele onderzoeksgebied lager op momenten dat de concentratie van ammoniak (een stof die afkomstig is van mest) in de lucht hoog is. Deze effecten zijn vergelijkbaar met de schadelijke gezondheidseffecten van verkeer in een stad. In het onderzoek is ook gekeken of bepaalde zoönoseverwekkers vaker voorkomen in de omgeving van veehouderijen ten opzichte van de rest van het land. Bij het hepatitis E-virus, de bacterie Clostridium difficile en ESBL-producerende bacteriën is dat niet het geval. Wel lijken mensen iets vaker drager te zijn van de vee gerelateerde MRSA-bacterie. Of deze verhoging komt door uitstoot vanuit veehouderijen is nog onduidelijk. In dit onderzoek is ervoor gekozen om metingen te verrichten in en rondom pluimvee- en varkensbedrijven omdat bekend is dat deze bedrijfstypes de grootste uitstoot veroorzaken. Voor andere typen veehouderijen dan pluimvee zijn geen associaties met afstanden gevonden.
Met betrekking tot micro-organisme blijkt dat er een sterke afname is in de concentratie er gemeten wordt buiten de stallen bij het toenemen van de afstand. Bij varkensbedrijven was de afname over de afstand veel sterker dan bij pluimveebedrijven. Bij de vleesvarkens was de concentraties al na 25 meter gedaald tot achtergrondniveau. De gevraagde wijziging van het bestemmingsplan is niet van invloed op de gezondheid van omwonenden.
4.9.
Archeologie
Inmiddels is het bestemmingsplan voor het buitengebied Leudal (2014) vastgesteld. Het beleid inzake de archeologische waarden is ongewijzigd overgenomen in dit bestemmingsplan. Conform het paraplu – bestemmingsplan dient de voorgenomen ontwikkeling getoetst te worden op de aanwezigheid van archeologische waarden. In het betreffende plan is de volgende toelichting opgenomen aangaande de toetsing op archeologische waarden. Er vinden geen wijzigingen plaats in de bestemmingen van de gronden. Een aantal regelingen gaat echter uit van het uitbreiden van bebouwing. Indien in die gevallen bij eerdere planvorming nog niet is komen vast te staan dat op de betreffende locatie geen archeologische waarden in het geding zijn, dient een (verkennend) archeologisch onderzoek plaats te vinden om aan te tonen dat de voorgenomen bouwactiviteiten geen belemmering vormen. De gegevens op de cultuurhistorische waardekaart over de archeologie zijn onderverdeeld in: •
•
Archeologische monumenten Deze bevatten de rijksmonumenten en de te beschermen archeologische monumenten en terreinen, die van hoge archeologische waarde of betekenis zijn. Grens Via Belgica Deze grens geeft globaal de breedte aan waar het tracé van deze Romeinse weg is aangelegd.
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
83
• •
Historische dorpskernen Dit bevat de beschermende dorpsgezichten en historische buitenplaatsen. IKAW (indicatieve archeologische waarden). Deze zogenaamde archeologische verwachtingskaart geeft een gebiedsindeling in drie categorieën, op basis van de verwachting van archeologische vondsten (gebieden met een lage, midden, dan wel een hoge archeologische verwachting). De archeologische informatie wijzigt voortdurend als gevolg van nieuwe vondsten en als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen, zoals aanleg wegen en bedrijventerreinen, landinrichting en ruilverkavelingprojecten.
kaart 15, Uitsnede archeologische verwachtingskaart provincie Limburg
kaart 16, Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Leudal
Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | toelichting
84
kaart 17, Archeologische vindplaatsen, onderzoeksmeldingen en ontgrondingen van de gemeente Leudal
In het verleden is het bouwvlak onderzocht direct ten zuidwesten van de nu gewenste uitbreiding, zie de voorgaande tekening. De gegevens hiervan zijn geregistreerd onder CIS code 21128. Tijdens dit onderzoek zijn geen vondsten gedaan met een archeologische waarde. Conform de archeologische verwachtingskaart en de totale omvang van de uitbreiding van het bouwvlak is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het archeologisch onderzoek is opgenomen in de bijlage, zie bijlage 12. Het bureau Econsultancy heeft in opdracht van Vossen Leudal Onroerend Goed B.V. een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting kunnen in het hele plangebied archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van archeologische resten uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum is hoog. De kans op het voorkomen van archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd is laag. De archeologische resten worden direct aan of onder het maaiveld verwacht. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat het bodemprofiel in het plangebied sterk is verstoord.