Toelichting + Regels + Verbeelding
Tekst van het document
Bestemmingsplan - Toelichting -
Noenevershof Gemeente Leudal
Bestemmingsplan Noenevershof Gemeente Leudal
Onderdeel:
Toelichting
IDN-nummer:
NL.IMRO.1640.BP20BuNoenever-VG01
Projectnummer:
M155079
Status:
vastgesteld
Datum:
25 februari 2021
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding
5
Hoofdstuk 2 Plangebied en planontwikkeling
7
2.1 2.2 2.3
7 9 12
Ligging plangebied Beoogde planontwikkeling Ruimtelijke effecten
Hoofdstuk 3 Planologisch-juridische situatie
15
Hoofdstuk 4 Beleid
17
4.1 4.2 4.3 4.4
17 18 24 24
Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
Hoofdstuk 5 Milieutechnische aspecten
27
5.1
Besluit Milieueffectrapportage
27
5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
Bodem Geluid Milieuzonering Luchtkwaliteit Externe veiligheid
29 29 31 32 33
Hoofdstuk 6 Overige ruimtelijke aspecten
37
6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7
Archeologie Kabels en leidingen Verkeer en parkeren Waterhuishouding Natuurbescherming Flora en fauna Duurzaamheid
37 39 39 40 43 44 45
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid
47
7.1 7.2
Grondexploitatie Planschade
47 48
Hoofdstuk 8 Planstukken
49
8.1 8.2
49 49
Algemeen Opbouw bestemmingsplan
Hoofdstuk 9 Vooroverleg, inspraak en formele procedure
bestemmingsplanNoenevershof
53
3
9.1 9.2 9.3 9.4
Inleiding Vooroverleg Inspraak Formele procedure
53 53 53 53
Toelichting
4
bestemmingsplanNoenevershof
Hoofdstuk 1
Inleiding
De familie Verheggen (hierna: initiatiefnemer) is voornemens om op de gronden aan de 'Noenevershof' in Buggenum 16 nieuwe gasloze en levensloopbestendige woningen te realiseren. Van deze 16 woningen worden 6 woningen voor de verhuur gerealiseerd. Deze woningen zullen als nultredenwoningen worden uitgevoerd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat deze woningen van buitenaf zonder trappen bereikbaar zijn en de primaire verblijfsruimtes (keuken, sanitair, woonkamer en minimaal één slaapkamer) op dezelfde woonlaag (begane grond) aanwezig (kunnen) zijn. Met onderhavig project wordt beoogd om tegemoet te komen aan de toenemende vraag naar levensloopbestendige woningen en worden woningen gerealiseerd welke geschikt zijn voor meerdere doelgroepen. Initiatiefnemer beoogt deze levensloopbestendige woningen te situeren in de kern Buggenum aan de 'Noenevershof'; concreet tussen Noenever, de Bergstraat en de Holstraat. Kadastraal zijn deze percelen bekend als gemeente Buggenum – sectie A – nummers 2105, 2166, 196, 2185 267 (ged,.) en 268. Het totale oppervlak van het plangebied bedraagt circa 12.700 m2 . De kadastrale percelen 2105, 2166, 196 en 268 zijn momenteel onbebouwd en in gebruik als grasland/bouwland. Op het kadastrale perceel 2185 is momenteel de woning aan de Holstraat 11 gelegen.
Deze woning wordt gehandhaafd, maar de tuin van deze woning zal gedeeltelijk worden omgevormd tot een verbindingspad voor voetgangers en fietsers met naastgelegen groenstrook. Onderhavig plangebied wordt ontsloten via een nieuw aan te leggen weg welke, tussen de woning Holstraat 19 en Holstraat 23, aansluiting krijgt op de Holstraat. Daarmee ontstaat een goede en ruime entree voor onderhavig plangebied. Verder wordt voorzien in een langzame verkeersontsluiting (voetgangers en fietsers) aan de Bergstraat (ter plaatse van het huidige vluchtpad). Deze langzame verkeersontsluiting betreft eveneens een calamiteitenontsluiting aangezien deze wordt afgesloten middels een uitneembaar paaltje. Indien zich een calamiteit voordoet, kan de brandweer onderhavig plangebied niet alleen bereiken via de nieuw aan te leggen weg tussen Holstraat 19 en Holstraat 23, maar ook via de calamiteitenontsluiting aan de Bergstraat door het betreffende paaltje ter plaatse weg te halen. Daarmee is onderhavig plangebied meerzijdig bereikbaar. Tot slot wordt een nieuw fiets- en voetpad beoogd tussen Holstraat 11 en Holstraat 13.
Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied
bestemmingsplanNoenevershof
5
Omdat het geldende bestemmingsplan het realiseren van 16 levensloopbestendige woningen niet direct toelaat, is een principeverzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal. Naar aanleiding van het ingediende principeverzoek heeft het college van burgemeester en wethouders een positief standpunt ingenomen. Dit standpunt (eindadvies) is verwoord in de brief van 30 januari 2020, verzonden d.d. 31 januari 2020 (kenmerk: WABO-2016-383), bijgevoegd als Bijlage 1. De gemeente Leudal heeft initiatiefnemer aanbevolen om ten behoeve van het voornemen een bestemmingsplanprocedure te doorlopen. Voorliggend document voorziet in een toelichting op bijbehorende regels en verbeelding voor onderhavige bestemmingsplanwijziging.
6
bestemmingsplanNoenevershof
Hoofdstuk 2
Plangebied en planontwikkeling
In dit hoofdstuk worden het plangebied, de huidige situatie en het planvoornemen beschreven. Tevens wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de ruimtelijke effecten van het planvoornemen.
2.1
Ligging plangebied
Onderhavige ontwikkeling wordt beoogd op de gronden aan de 'Noenevershof', gelegen tussen Noenever, de Bergstraat en de Holstraat. De directe omgeving van onderhavig plangebied kenmerkt zich als een rustige woonwijk; een gebied met een overwegende woon- en verblijfsfunctie. Voorts zijn in de nabijheid van onderhavige locatie enkele horecavoorzieningen en detailhandelsvestigingen gelegen.
Uitsnede kadastrale kaart met aanduiding onderhavig plangebied (binnen rode stippellijn) Kadastraal is de locatie bekend als gemeente Buggenum – sectie A – nummers 2105, 2166, 196, 2185, 267 (gedeeltelijk) en 268.
bestemmingsplanNoenevershof
7
Kadastrale kaart met aanduiding plangebied Buggenum wordt aan de westzijde begrensd door Haelen, aan de zuidzijde door de gemeente Roermond, aan de oostzijde (ten oosten van de Maas) door Swalmen en aan de noordzijde door Neer. De nabije omgeving van onderhavig plangebied wordt gekenmerkt door vrijstaande en geschakelde woningen. Onderhavig plangebied is grotendeels onbebouwd en in gebruik als grasland/weiland. Daarnaast is aan de noordzijde van onderhavig plangebied een bestaande woning aanwezig, namelijk Holstraat 11 te Buggenum. Initiatiefnemer is voornemens om deze woning te behouden. In onderstaande foto's wordt de bestaande situatie ter plekke van onderhavig plangebied weergegeven.
8
bestemmingsplanNoenevershof
Foto's bestaande situatie
2.2
Beoogde planontwikkeling
Voorliggende planontwikkeling voorziet in het realiseren van 16 levensloopbestendige woningen op gronden aan de 'Noenevershof' te Buggenum. Om de betreffende woningen geschikt te maken voor meerdere doelgroepen zullen deze als nultredenwoningen worden uitgevoerd. Van deze 16 woningen worden 10 woningen ingezet voor de verkoop en 6 woningen voor de verhuur. De nieuw te realiseren woningen mogen maximaal uit anderhalve bouwlaag met kap bestaan, waarbij de woningen op kavel 1 tot en met 7, middels afwijken, mogen worden voorzien van een extra bouwlaag (twee bouwlagen met kap). Daarmee wordt ingespeeld op het dorpse karakter van de directe omgeving van onderhavig plangebied en ontstaat meer diversiteit. Ook ten aanzien van de maximum toegestane goot- en bouwhoogte is ruimte voor variatie. De kern Buggenum typeert zich namelijk door een grote variatie aan goot- en bouwhoogten. Bij de nieuw te realiseren woningen geldt in beginsel een maximale goot- en bouwhoogte van 5 meter respectievelijk 8 meter. Ten aanzien van de nieuw te realiseren huurwoningen aan de noordzijde van het plangebied gelden echter afwijkende maatvoeringseisen. Om de bewoners van omliggende woningen tegemoet te komen, dient ter plekke een maximale goothoogte van 3,5 meter en een maximale bouwhoogte van 5 meter in acht te worden genomen. Daarmee ontstaat een diverse en dorpse uitstraling.
De locatie aan de Noenevershof wordt al jaren aangemerkt als een inbreidingslocatie in de kern, zoals blijkt uit onderstaande figuur uit het Dorpsontwikkelingsplan (DOP) uit 2005. In het DOP is de locatie Noenevershof opgenomen als een locatie voor een goede aanvulling op het bestaande woonmilieu, die geen bestaande waarden aantast en stedenbouwkundig inpasbaar is.
bestemmingsplanNoenevershof
9
Uitsnede DOP Buggenum 2005 Daarnaast heeft het woningbouwplan geen effect op de belevingswaarde van de lintbebouwing aan de Dorpstraat. De eenzijdige benadering van de Dorpstraat wordt, mede doordat het plan vanuit de Dorpstraat niet waarneembaar is, niet aangetast en bovendien doet het plan geen afbreuk aan de ruimtelijke en stedenbouwkundige belevingswaarde van de Dorpstraat. Door de ruime verkaveling, met veel aandacht voor openbaar groen en openheid, wordt ruimtelijk-stedenbouwkundig op een goede wijze aangesloten bij het bestaande dorpse karakter.
Uitsnede luchtfoto vanaf de Dorpsstraat
Advies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio Limburg-Noord heeft in het kader van voorliggende planontwikkeling op 21 juli 2020 een advies uitgebracht omtrent de aspecten bereikbaarheid, bluswatervoorziening en brandweerzorgnorm. Dit advies is bijgevoegd als Bijlage 2. Onderstaand wordt nader ingegaan op deze aspecten. Het voornemen is om onderhavig plangebied te ontsluiten via een nieuw aan te leggen weg welke tussen de woning Holstraat 19 en Holstraat 23 aansluiting krijgt op de Holstraat. Daarmee wordt overlast voor nabijgelegen woningen voorkomen en ontstaat een goede en ruime entree voor onderhavig plangebied. Verder wordt voorzien in een langzame verkeersontsluiting (voetgangers en fietsers) aan de Bergstraat (ter plaatse
10
bestemmingsplanNoenevershof
van het huidige vluchtpad). Deze langzame verkeersontsluiting betreft eveneens een calamiteitenontsluiting aangezien deze wordt afgesloten middels een uitneembaar paaltje. Indien zich een calamiteit voordoet, kan de brandweer onderhavig plangebied niet alleen bereiken via de nieuw aan te leggen weg tussen Holstraat 19 en Holstraat 23, maar ook via de calamiteitenontsluiting aan de Bergstraat door het betreffende paaltje ter plaatse weg te halen. Daarmee is onderhavig plangebied meerzijdig bereikbaar. Tot slot wordt een nieuw fiets- en voetpad beoogd tussen Holstraat 11 en Holstraat 13. Tevens kan worden gewezen op het feit dat op basis van het 'Regionaal modelbeleid bluswater en bereikbaarheid' van de Veiligheidsregio Limburg-Noord sprake dient te zijn van voldoende primaire en secundaire bluswatervoorzieningen in onderhavig plangebied. Primaire voorzieningen zijn voorzieningen die door de eerste brandweereenheid zelfstandig opgebouwd en gebruikt kunnen worden. Secundaire voorzieningen kunnen binnen 30 minuten opgebouwd en gebruikt worden. In dit verband is van belang dat ter plaatse van onderhavig plangebied een aantal bestaande brandkranen aanwezig zijn waarmee het aspect brandveiligheid voldoende is gewaarborgd. De bluswatervoorzieningen in onderhavig plangebied zullen nader worden uitgewerkt in het wegontwerp.
Tot slot wordt in het 'Dekkingsplan, Werkexemplaar 1.06' van de gemeente Leudal nader ingegaan op verbetermaatregelen die genomen kunnen worden om de opkomsttijden van de brandweer te verbeteren. Daarmee wordt beoogd om de algehele brandweerzorg in Noord-Limburg te verbeteren. Centrale groenzone Daarnaast is relevant dat ter plekke van onderhavig plangebied een woongebied wordt beoogd met een centrale groenzone. Door de aanleg van deze centrale groenzone wordt bewerkstelligd dat vrijwel alle te realiseren woningen vanaf de voorzijde uitkijken op deze groenzone waardoor onderhavig plangebied een landelijk en natuurlijk karakter krijgt. Deze groenzone vormt als het ware het middelpunt van onderhavig woningbouwinitiatief, waarop omliggende paden en wegen aansluiten. Bovendien is relevant dat de wegen rondom de centrale groenzone eenrichtingswegen betreffen. Hieromtrent zal gemeente Leudal een verkeersbesluit nemen. Een situatietekening van de beoogde bebouwing (stedenbouwkundige invulling) en de wijze waarop onderhavige locatie landschappelijk zal worden ingepast, is weergegeven in de volgende figuur.
Situatietekening beoogde situering 16 levensloopbestendige woningen Momenteel geldt ter plekke van onderhavig plangebied het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017',
bestemmingsplanNoenevershof
11
vastgesteld door de gemeenteraad van Leudal op 14 november 2017. Op basis van dit bestemmingsplan is de locatie bestemd voor 'Wonen' (inclusief bijbehorend bouwvlak). Dit betekent concreet dat de gronden als tuin bij woningen mogen worden gebruikt. In artikel 23.2.2 sub a van de planregels van het geldende bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' wordt aangegeven dat het bouwen van nieuwe woningen in beginsel niet is toegestaan. Aanvullend op deze hoofdregel wordt in sub b van artikel 23.2.2 van de planregels aangegeven dat nieuwe woningen met bijbehorende bouwwerken uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' en met in acht name van het aangeduide maximum. Ter plekke van onderhavige locatie is de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' niet opgenomen waardoor onderhavig planvoornemen niet past binnen artikel 23.2.2 van het bestemmingsplan, waarin is bepaald dat het realiseren van nieuwe woningen, evenals een toename van het aantal wooneenheden, niet is toegestaan. Om onderhavige ontwikkeling mogelijk te maken is derhalve een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk.
2.3
Ruimtelijke effecten
Ieder ruimtelijk plan dat het mogelijk maakt om nieuwe bebouwing op te richten, gaat gepaard met het optreden van ruimtelijk-visuele effecten. De aanvaardbaarheid van deze effecten dient te worden beschouwd. Bij voorliggend plan worden 16 levensloopbestendige woningen mogelijk gemaakt ter plaatse van momenteel als grasland/bouwland in gebruik zijnde percelen, gelegen in de kern Buggenum. Onderhavige percelen waar onderhavig woningbouwplan wordt beoogd, vormen momenteel een open plek tussen de bestaande ruimtelijke bebouwingsstructuur binnen bebouwd gebied. Met de invulling van een open plek door middel van vrijstaande en vrijstaand geschakelde woningen wordt deze plek ingevuld met bebouwing passend in de ruimtelijke structuur ter plaatse. Daar komt bij dat de bebouwing grotendeels maximaal uit anderhalve bouwlaag met een kap bestaat, met dien verstande dat kavel 1 tot en met 7 met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid kunnen worden voorzien van een extra bouwlaag (twee bouwlagen met kap). Deze bebouwingsvoorschriften hebben tot gevolg dat wordt ingespeeld op het dorpse karakter van de omgeving van het plangebied, waardoor meer diversiteit in de uitstraling van het woningbouwproject ontstaat. Daarnaast kan hiermee worden ingespeeld op de behoeften van een grotere doelgroep.
Ondanks dat sprake is van het realiseren van diverse woningen, is bij de vormgeving van de voorgenomen ontwikkeling rekening gehouden met een goede landschappelijke inpassing. Om en nabij het plangebied zal worden voorzien in nieuwe aanplant, waarmee zorg wordt gedragen voor een inpassing van de te realiseren bebouwing. Vluchtpaden Tevens kan worden gewezen op het feit dat met de beoogde indeling van onderhavig plangebied recht wordt gedaan aan de historische elementen in het landschap aangezien een aantal bestaande vluchtpaden worden gehandhaafd. Het oorspronkelijke doel van vluchtpaden is er in gelegen dat bewoners aan de Dorpstraat bij hoog water via een aantal paden konden vluchten naar hoger gelegen gebied, gelegen aan de achterzijde van de percelen aan de Dorpstraat. Deze paden geven vluchtmogelijkheden richting de Bergstraat en de Holstraat. Het handhaven van deze elementen wordt in de planregels van onderhavig postzegelbestemmingsplan geborgd door de functieaanduiding 'specifieke vorm van verkeer – vluchtpad' over te nemen ten opzichte van het huidig planologisch kader. Deze op de verbeelding aangegeven historische vluchtpaden blijven behouden en krijgen een centraal thema in de groenzone. In onderstaande figuur worden de historische vluchtpaden ter plaatse van onderhavig plangebied gevisualiseerd aangegeven.
12
bestemmingsplanNoenevershof
Aanduiding historische vluchtpaden Ten opzichte van bovenstaande figuur worden met onderhavig planvoornemen twee nieuwe vluchtwegen toegevoegd richting de Holstraat. Dit betreffen de vluchtwegen langs de woningen Holstraat 11 en 13 en Holstraat 19 en 23. Deze vluchtwegen worden beoogd ter plaatse van de bestemming 'Verkeer'. Deze gronden zullen na realisatie van het woningbouwplan worden overgedragen aan de gemeente Leudal waardoor het behoud van deze wegen is gegarandeerd. Bovendien wordt het karakter van de historische vluchtpaden versterkt op het moment dat de nieuwe vluchtwegen worden gerealiseerd. In onderstaande figuur wordt een totaalbeeld verschaft van de vluchtpaden op onderhavige locatie.
bestemmingsplanNoenevershof
13
Aanduiding vluchtpaden
Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Verder is onderhavige ontwikkeling voorgelegd aan de commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Zij hebben geen schriftelijk advies uitgebracht. Het advies van de commissie Ruimtelijke Kwaliteit is verwerkt in het 'Eindadvies aangepast conceptplan van 30 januari 2020 (zie Bijlage 1). Deze commissie merkt op dat de inbreidingslocatie goed aansluit bij de bestaande bebouwde structuur en daarnaast recht wordt gedaan aan de bestaande vluchtpaden in het landschap. Bovendien stelt de commissie als voorwaarde dat de groene hagen in het openbare gebied aangelegd en in stand moeten worden gehouden. Een diversiteit aan schuttingen en hagen leidt namelijk tot een rommelig en onsamenhangend beeld waardoor de kwaliteit ter plaatse kan worden aangetast. Wat betreft het feit dat de woningen op kavel 1 tot en met 7 met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid kunnen worden voorzien van een extra bouwlaag (twee bouwlagen met kap), acht de welstandscommissie positief. Daarmee wordt de diversiteit vergroot en wordt een dorpse uitstraling gerealiseerd. Hierbij geldt wel als aandachtspunt dat dit maatwerk betreft en bij een concreet voornemen aan de commissie Ruimtelijke Kwaliteit moet worden voorgelegd. Ook de ontwerpprincipes van het openbare gebied dienen ter definitieve goedkeuring aan de commissie Ruimtelijke Kwaliteit te worden voorgelegd.
Tot slot adviseert de commissie om onderhavig plangebied welstandsplichtig te maken zodat bij de uitvoering van het plan sturing kan worden gegeven aan het beoogde kwaliteitsbeeld. Initiatiefnemer is bereid om aan onderhavig advies gehoor te geven en stemt in met het welstandsplichtig maken van het plangebied. Op die wijze wordt het beoogde kwalitatieve eindbeeld gewaarborgd. Op basis van het voorgaande worden de ruimtelijk-visuele effecten die te verwachten zijn naar aanleiding van de beoogde ontwikkeling, aanvaardbaar geacht.
14
bestemmingsplanNoenevershof
Hoofdstuk 3
Planologisch-juridische situatie
Ter plekke van onderhavig plangebied vigeert het onherroepelijke bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017', vastgesteld door de gemeenteraad van Leudal op 14 november 2017. Ter plekke van onderhavige locatie is de bestemming 'Wonen' van kracht, inclusief bijbehorend bouwvlak. De situatie wordt verduidelijkt aan de hand van de volgende figuur.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan met aanduiding plangebied (rood omlijnd) Op basis van artikel 23.2.2 sub a van de planregels heeft als uitgangspunt te gelden dat het realiseren van nieuwe woningen niet is toegestaan. In afwijking van het bepaalde in sub a zijn nieuwe woningen met bijbehorende bouwwerken wel toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' en met in acht name van het aangeduide maximum. Ter plaatse van onderhavig perceel is het planologisch-juridisch niet mogelijk om nieuwe woningen op te richten, aangezien het aantal woningen niet mag toenemen en ter plekke de aanduiding 'maximaal aantal wooneenheden' niet van toepassing is. Voorts gelden ter plekke van onderhavig plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie 4' en 'Waarde – Archeologie 5'. Het realiseren van 16 nieuwe levensloopbestendige woningen is niet toegestaan op basis van het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'. Het bestemmingsplan biedt geen binnenplanse afwijkingsdanwel wijzigingsbevoegdheden voor het college van burgemeester en wethouders om alsnog de betreffende woningen mogelijk te maken. De planontwikkeling is enkel mogelijk middels het doorlopen van een separate bestemmingsplanprocedure.
bestemmingsplanNoenevershof
15
16
bestemmingsplanNoenevershof
Hoofdstuk 4
Beleid
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. Het Rijksbeleid wordt besproken aan de hand van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Voor de beschrijving van het provinciale beleid is gebruik gemaakt van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL). Het gemeentelijke beleid is ontleend aan de 'Strategische Visie op Leudal 2020 ''Leven in Leudal'' en 'Structuurvisie Leudal'.
4.1
Rijksbeleid
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de nieuwe Omgevingswet, die per 1 januari 2022 in werking treedt, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze visie is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 wordt in de Nationale Omgevingsvisie de langetermijnvisie in beeld gebracht. Op nationale belangen wil het Rijk (net als nu) sturen en richting geven. Hiervoor worden vier prioriteiten onderscheiden: Ruimte voor klimaat adaptatie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om invulling te kunnen geven aan deze vier prioriteiten hanteert het rijk de volgende drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaat voor enkelvoudige functies. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Afwentelen wordt voorkomen. Bovendien worden hieronder de belangrijkste keuzes en bijbehorende doelen in de Nationale Omgevingsvisie toegelicht. Gestreefd wordt naar een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat Nederland zo wordt ingericht dat het de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) worden ingepast.
Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; Bovendien wordt een verandering van de energievoorziening beoogd. Bij de inpassing van duurzame energie bestaat oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat eerst wordt gekeken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsen; Overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; De ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland wordt nagestreefd. Hiermee wordt gestuurd op een goed bereikbaar netwerk van steden waarbij de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland zo goed mogelijk worden gebruikt. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; Het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een voorkeursvolgorde logistieke functies;
bestemmingsplanNoenevershof
17
Het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. Daarbij wordt gewerkt aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationale ruimtelijke beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Navolgende onderwerpen met nationaal belang zijn opgenomen in het Barro en de eerste aanvulling (Stb. 2012, nr. 388): project Mainportontwikkeling Rotterdam; kustfundament en de daarbuiten gelegen primaire waterkeringen; grote rivieren en rijksvaarwegen en de veiligheid daarom heen; toekomstige rivierverruiming van de Maastakken; Waddenzee en Waddengebied, en IJsselmeergebied; verstedelijking in het IJsselmeer; defensie; erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; hoofdwegen en landelijke spoorwegen; Elektriciteitsvoorziening; ecologische hoofdstructuur. 4.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) Naast het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) in werking getreden.
In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen, gebieden, objecten en zones worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. 4.1.4 Conclusie Rijksbeleid De beoogde planontwikkeling levert geen strijd op met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, het Barro en de Rarro. Het Rijksbeleid is niet aan de orde, omdat sprake is van een kleinschalige ontwikkeling en er geen onderwerpen vanuit de SVIR en Barro op het plangebied van toepassing zijn. Ook gelden er vanuit de Rarro geen beperkingen ten aanzien van het planvoornemen.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1 ProvinciaalOmgevingsplan Limburg 2014 Provinciale Staten van Limburg hebben op 12 december 2014 het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) vastgesteld. Dit betreft een integrale herziening van het (voorafgaande) POL2006. In het POL2014 is de provincie opgedeeld in zoneringen. Onderhavig plangebied is gelegen binnen de zonering 'Overig bebouwd gebied' met als thema's bedrijven, economie infrastructuur, verstedelijking en wonen.
18
bestemmingsplanNoenevershof
Uitsnede kaart 'zoneringen' POL2014 met ligging plangebied Overig bebouwd gebied Het 'overig bebouwd gebied' betreft gemengde woon-/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter. De provinciale beleidsaccenten binnen deze zone zijn gericht op de transformatie van de regionale woningvoorraad, bereikbaarheid, een balans in voorzieningen en detailhandel, stedelijk groen en water en de kwaliteit van de leefomgeving. 4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Naast de indeling in zoneringen is tevens sprake van diverse provinciale beschermingsgebieden, waartoe op grond van de Omgevingsverordening Limburg 2014 specifieke regelgeving geldt.
Uitsnede kaart 'milieubeschermings-gebieden' Omgevingsverordening Limburg 2014 met ligging plangebied Roerdalslenk zone III Onderhavige locatie is gelegen in de zone Roerdalslenk zone III op basis waarvan aanvullende regels gelden voor bescherming van de drinkwatervoorziening. Naast een verbod in de waterwingebieden en
bestemmingsplanNoenevershof
19
grondwaterbeschermingsgebieden is in de Omgevingsverordening een verbod opgenomen voor diepe boringen in de boringsvrije zones. Daartoe is de Roerdalslenk verdeeld in vier gebieden, waarbij per gebied de diepte van het boorverbod varieert. In de Omgevingsverordening wordt aangegeven dat boringen tot de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei zijn toegestaan en dat een melding moet worden verricht indien een boring dieper dan 80 meter onder maaiveld plaatsvindt. Aangezien onderhavig voornemen niet gepaard gaat met dergelijke diepe boringen in de bodem, vormt de ligging in de zone 'Roerdalslenk zone III' geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling. 4.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De ladder voor duurzame verstedelijking is door de provincie verankerd in de Omgevingsverordening Limburg 2014 (OvL2014) in artikel 2.2.2, lid 1.
Aanvullend op deze ladder heeft de provincie in de Omgevingsverordening Limburg bepaald dat tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen moet worden onderzocht. Uitgangspunt voor toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is dat sprake dient te zijn van een stedelijke ontwikkeling. Conform artikel 2.2.1 van de OvL2014 is de definitie van een stedelijke ontwikkeling een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Het eerste toetsingscriterium spitst zich toe op de vraag of onderhavige ontwikkeling moet worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, Bro. Het begrip 'stedelijke ontwikkeling' is in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State nader verduidelijkt. Een woningbouwproject wordt beoordeeld als een stedelijke ontwikkeling, indien twaalf of meer woningen worden gerealiseerd. Aangezien onderhavig voornemen is gericht op het realiseren van zestien levensloopbestendige woningen ter plaatse van een inbreidingslocatie in de dorpskern Buggenum, kan worden gesproken van een stedelijke ontwikkeling. Aangezien onderhavig woningbouwinitiatief wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling, is door Aelmans ROM B.V.
een nadere onderbouwing opgesteld waarin gemotiveerd wordt aangegeven, dat onderhavig woningbouwinitiatief de afwegingskaders van de ladder voor duurzame verstedelijking kan doorstaan. Deze rapportage is bijgevoegd als Bijlage 3. Onderstaand zijn de belangrijkste resultaten met bijbehorende overwegingen uit de laddertoets kort samengevat. In 2018 heeft een woningmarktonderzoek plaatsgevonden naar de woningbehoefte in Leudal. De belangrijkste uitkomsten van dat onderzoek zijn in het woonbeleid vertaald in de gemeentelijke Kwaliteitsenvelop en bijbehorende factsheets per kern, die integraal onderdeel uitmaken van de regionale Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021 (verder Structuurvisie Wonen 2018). De kwaliteitsenvelop geeft op hoofdlijnen een beeld van de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte in de diverse kernen. De factsheets geven meer inzicht in de kwalitatieve woonwensen naar woningtype en prijsklasse per kern. In onderstaande figuur (Discrepantie-analyse 2018-2030 uit de Factsheet Buggenum) is af te lezen dat grondgebonden seniorenwoningen veruit het meest gewenst en kansrijk woningsegment zijn in Buggenum, zowel in het betaalbare koop- als huursegment. Het plan Noenevershof sluit hier met de realisatie van 16 levensloopbestendige woningen, waarvan 10 koop en 6 huur, goed bij aan.
Overigens wordt opgemerkt dat levensloopbestendige woningen niet alleen geschikt zijn voor senioren, maar ook voor andere doelgroepen die een (kleinere) (huur)woning zoeken.
20
bestemmingsplanNoenevershof
Uitsnede factsheet kern Buggenum, Structuurvisie Wonen 2018 In Buggenum is sprake van vergrijzing. Op basis van het woningmarktonderzoek kan worden geconcludeerd dat het aantal huishoudens nog beperkt groeit (+13) tot de huishoudentop in 2026. Het aandeel 65+ huishoudens groeit ten opzichte van 2018 in Buggenum van 29% naar 43% in 2030. Deze vergrijzing is ook terug te zien in de resultaten van het woningmarktonderzoek. Het aandeel jongeren blijft, met respectievelijk 30% en 29%, nagenoeg gelijk tussen 2018 en 2030. Geschetste ontwikkelingen worden bevestigd door recente gegevens uit de provinciale woonmonitor 2020 (gereed sinds medio november 2020). Via het dataportal zijn cijfers beschikbaar voor Buggenum met betrekking tot de huishoudenontwikkeling. In onderstaande figuur worden deze cijfers nader gevisualiseerd. Kwantitatief groeit het aantal huishoudens in Buggenum nog beperkt (+12 tussen 2019 en 2030). Wat belangrijker is voor de (toekomstige) woningbehoefte is de sterk veranderende samenstelling naar leeftijdsklassen. Het aandeel 60+ neemt de komende jaren (absoluut en relatief) enorm toe in Buggenum, terwijl het aantal en aandeel jongeren nagenoeg gelijk blijft. In 2030 behoort meer dan de helft tot de doelgroep 60+. Dit legitimeert de bouw van de levensloopbestendige woningen in Noenevershof.
Dergelijke woningen zijn in de bestaande woningvoorraad van Buggenum maar beperkt aanwezig.
bestemmingsplanNoenevershof
21
Huishoudenssamenstelling naar leeftijd (eigen bewerking gemeente Leudal o.b.v. gegevens dataportal Etil en Woningmarktonderzoek 2018) Het plan Noenevershof is een ruim opgezet plan met veel groen en openheid. Een gedifferentieerd plan met 16 levensloopbestendige woningen; gedifferentieerd naar huur en koop, eenlaagse woningen met kap en een aantal woningen met de mogelijkheid voor een volledige verdieping. Levensloopbestendige woningen zijn niet alleen voorbehouden aan senioren, maar kunnen door inwoners van alle leeftijdsgroepen worden bewoond en zijn daarmee duurzaam inzetbaar op de woningmarkt. Daarnaast worden ook zes woningen voor minimaal 10 jaar voor de verhuur gerealiseerd. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de realisatie van de juiste woningen op een daarvoor geschikte binnenstedelijke inbreidingslocatie. In de ontwikkelingsovereenkomst is voorts geregeld dat de woningen ook daadwerkelijk levensloopbestendig gebouwd worden en dat de zes woningen de eerste 10 jaar ook daadwerkelijk verhuurd worden. Oorzaak vraag levensloopbestendige woningen De vraag naar levensloopbestendige woningen komt door de vergrijzing van de samenleving. Vergrijzing is een demografisch proces dat op basis van de bevolkingsopbouw feitelijk al ongeveer 60 jaar geleden is ingezet.
Migratie van verschillende doelgroepen heeft marginaal invloed op de veranderende en verouderende bevolkingssamenstelling, al kan dat in een kleine kern anders worden beleefd. De gemeente probeert met haar woonbeleid voor alle doelgroepen passende en betaalbare woningen te faciliteren, maar dit is niet altijd in elke kern of in elk woningbouwplan haalbaar. Door in te zetten op de realisatie van levensloopbestendige woningen kan een deel van de steeds groter groeiende groep senioren binnen Buggenum verhuizen naar een passende woning waar ze langer thuis kunnen blijven wonen, ook met een toekomstige zorgvraag. Het realiseren van vooral levensloopbestendige woningen voor ouderen, bevordert de doorstroming op de woningmarkt aangezien deze ouderen een bestaande woning achterlaten. De verhuisketen die wordt geïnitieerd draagt daarmee indirect bij aan de mogelijkheden van andere (jongere) doelgroepen op de woningmarkt. Daarnaast zijn voor de doelgroep jongeren recentelijk (in 2019) 3 starterswoningen gerealiseerd in Buggenum, in het plan aan de Molenweg. Door de levensloopbestendige woningbouw in Noenevershof krijgen niet alleen senioren, maar indirect ook starters en jonge gezinnen, de mogelijkheid om in Buggenum te blijven wonen.
Gevolgen voor andere (toekomstige) woningbouwplannen Per 1-1-2020 zijn in Buggenum twee woningbouwlocaties in beeld, naast enkele particuliere initiatieven (met bouwtitels binnen het vigerende bestemmingsplan). Het woningbouwplan aan de Molenweg ((12 woningen) is deels opgeleverd/in ontwikkeling) en het voorliggende plan Noenevershof. Gezien de nog verwachte beperkte groei en woningbehoefte tot 2030, ligt verdere planontwikkeling momenteel niet in de rede. De regionale Structuurvisie Wonen 2018 (of diens opvolger) is het beleidsdocument waarin voor de (middel)lange termijn
22
bestemmingsplanNoenevershof
uitgangspunten worden geformuleerd ten aanzien van eventueel aanvullende toekomstige woningbouw. Voorts wordt opgemerkt dat in de planregels van het bestemmingsplan een regeling is opgenomen dat indien niet binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan, ter plaatse van het bouwvlak: een woning is opgericht, dan wel in oprichting is; een ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning is ingediend, dan wel een aanvraag is ingediend voor minder woningen dan volgens de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' op de locatie is toegestaan; B&W bevoegd zijn het plan te wijzigen om onbenutte of deels onbenutte bouwtitels voor woningen te laten vervallen door: het verwijderen of verkleinen van bouwvlakken en/of door het verlagen van het maximum aantal te bouwen woningen binnen de maatvoering aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' Door deze wijzigingsmogelijkheid houdt het bevoegde gezag grip op de uitvoering van de woningbouwplannen en kan, zo nodig, bijsturen (zodat woningbouwplannen op andere locaties een kans kunnen krijgen).
Op basis van voorgaande uiteenzetting wordt geconcludeerd dat met onderhavige ontwikkeling in overeenstemming wordt gehandeld met de afwegingskaders van de ladder voor duurzame verstedelijking. 4.2.4
Limburgs Kwaliteitsmenu
Voor (ruimtelijke) ontwikkelingen buiten de zogenaamde 'rode contouren' is het Limburgs Kwaliteitsmenu van kracht. In dit Kwaliteitsmenu geeft de provincie de Limburgse gemeenten een handreiking op welke wijze deze om moeten gaan met ontwikkelingen in het buitengebied. Gemeenten dienen in een structuurvisie dit provinciale beleidskader te verwerken en aan te geven op welke wijze zij toepassing geven aan het Limburgs Kwaliteitsmenu. In z'n algemeenheid betreft het Limburgs Kwaliteitsmenu een beleidsregel die onder voorwaarden ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van Limburg toestaat. Daarbij dient sprake te zijn van 'kwaliteitswinst'. Deze kwaliteitswinst kan op diverse wijzen tot stand komen, zoals bijvoorbeeld het realiseren van een landschappelijke inpassing, het slopen van bedrijfsbebouwing of glasopstanden, het realiseren van natuur of het leveren van een financiële bijdrage in een (gemeentelijk) 'groenfonds'. De provincie geeft in het Limburgs Kwaliteitsmenu richtlijnen en drempelwaarden voor het bepalen van de hoogte van de tegenprestatie bij verschillende soorten ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeenteraad van Leudal heeft op 14 april 2010 de 'Structuurvisie Leudal' vastgesteld waarin het provinciale 'Limburgs Kwaliteitsmenu' is vertaald in een 'Gemeentelijk Kwaliteitsmenu'. In paragraaf 4.4.2 wordt hier nader op ingegaan.
4.2.5 Conclusie provinciaalbeleid Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het vigerende provinciale beleid, bestaan er geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggende ontwikkeling. De ter plekke van onderhavig plangebied van toepassing zijnde provinciale zonering 'Overig bebouwd gebied' impliceert geen belemmeringen vanuit beleidsoogpunt. Voorts is geen sprake van strijdigheid met de uitgangspunten van het beschermingsgebied 'Roerdalslenk zone III'. Ook voldoet onderhavige ontwikkeling aan de ladder voor duurzame verstedelijking en aan de uitgangspunten van het Limburgs Kwaliteitsmenu.
bestemmingsplanNoenevershof
23
4.3
Regionaal beleid
4.3.1 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021 De samenwerkende gemeenten in Midden-Limburg (Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert) hebben naar aanleiding van de Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving en het verrichte woningmarktonderzoek een geactualiseerde structuurvisie opgesteld, waarin concrete afspraken zijn gemaakt voor het woningbouwbeleid in de periode 2018 tot en met 2021. Daarnaast wordt een doorkijk gegeven op de verwachte behoefte tot 2030. Deze Structuurvisie luidt als volgt: 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021, Bouwen aan de toekomst'. De gemeenteraad van Leudal heeft op 25 juni 2019 deze structuurvisie vastgesteld. In de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021 wordt aangegeven, dat in de regio Midden-Limburg wordt gestreefd naar planreductie. Dat heeft echter niet tot gevolg dat het toevoegen van woningen die daadwerkelijk inspelen op de actuele behoefte niet mogelijk is. Ondanks het reduceren van de planvoorraad, is het nog altijd mogelijk om woningen toe te voegen; mits deze tegemoet komen aan de kwalitatieve behoefte. Derhalve wordt in de structuurvisie benadrukt dat gemeenten medewerking kunnen verlenen aan kwalitatief goede woningbouwplannen.
Voor onderhavig woningbouwinitiatief is relevant dat de gemeente Leudal beschikt over een lijst 'Planvoorraad Leudal' waarin de aanwezige planvoorraad aan woningen is opgenomen. Deze lijst wordt jaarlijks geactualiseerd en vormt de basis waarop plannen tegen elkaar worden afgewogen en getoetst aan de uitgangspunten van de structuurvisie. De locatie aan de 'Noenevershof' is al jaren als potentiële bouwlocatie opgenomen in de planvoorraad. Van de geplande 16 levensloopbestendige woningen worden 6 woningen voor de verhuur gerealiseerd. Deze typologie sluit kwalitatief aan bij de lokale behoefte.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1 Strategische Visie op Leudal 2020 ''Leven in Leudal'' De gemeente Leudal heeft haar woningbouwbeleid nader geconcretiseerd in de 'Strategische Visie op Leudal 2020 ''Leven in Leudal''. In de structuurvisie wordt voorop gesteld dat de regio Midden-Limburg Oost een aantrekkelijke woonplek moet zijn voor haar eigen inwoners en voor nieuwvestigers van buiten de regio. In de strategische visie wordt onderscheid gemaakt tussen Roermond en de omliggende gemeenten. In dat kader behoort de dorpskern Buggenum tot de omliggende gemeenten. Voor de omliggende gemeenten moet differentiatie in de woningvoorraad worden gecreëerd. Deze gemeenten zijn namelijk gebaat bij een woningaanbod dat huishoudens kan vasthouden om de vitaliteit van de kleinere kernen te beschermen. Aan nieuwbouw kan dus op strategische wijze medewerking worden verleend waarbij de focus ligt op het toevoegen van kwaliteit. Met onderhavig initiatief wordt in overeenstemming gehandeld met de 'Strategische Visie op Leudal 2020 ''Leven in Leudal'' aangezien met onderhavige ontwikkeling 16 levensloopbestendige woningen worden gerealiseerd, welke door meerdere doelgroepen kunnen worden bewoond. 4.4.2 Gemeentelijk Kwaliteitsmenu Leudal Het gemeentelijk kwaliteitsmenu van de gemeente Leudal is geïntroduceerd bij de totstandkoming van de Structuurvisie Leudal.
In deze structuurvisie wordt aangegeven dat het Limburgs Kwaliteitsmenu voor de gemeente Leudal is uitgewerkt in de Nota Kwaliteit. In het gemeentelijk kwaliteitsmenu van de gemeente Leudal wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied respectievelijk in de kern. Door nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied en de kernen vindt een aantasting van de kwaliteit van de (leef)omgeving plaats. Verdichting in de kern leidt namelijk ook tot het verder onder druk komen te staan van de kwaliteiten van de leefomgeving. Binnen de gemeente Leudal geldt als uitgangspunt dat een initiatiefnemer eerst eigen plannen aandraagt ter verbetering van de kwaliteit in de directe omgeving van de beoogde ontwikkeling. Indien de initiatiefnemer
24
bestemmingsplanNoenevershof
geen mogelijkheden heeft om zelf een plan te realiseren, kan hij ook zelf zorgen dat er elders compensatie komt door afspraken met derden te maken. Derhalve staat voorop dat de kwaliteitsverbeterende maatregel zoveel mogelijk op of zo dicht mogelijk bij de locatie van de initiatiefnemer moet worden ingevuld. Gelet op het feit dat de landschappelijke inpassing en extra kwaliteitsverbeterende maatregelen zoveel mogelijk op de planlocatie moeten worden gerealiseerd, is ten behoeve van onderhavig voornemen een landschappelijk inpassingsplan met bijbehorende beplantingslijst opgesteld. Deze zijn bijgevoegd in Bijlage 4 en Bijlage 5.
bestemmingsplanNoenevershof
25
Onderhavig voornemen ziet op het realiseren van een nieuw woongebied in de kern Buggenum. Bij dit woongebied wordt voorzien in een centrale groenzone waar de omliggende paden en wegen op aan sluiten. Vrijwel alle woningen zijn met de voorzijde gericht op de groenzone. In deze zone is een verlaging van het maaiveld opgenomen ten behoeve van de hemelwaterberging afkomstig van het openbare gebied. Daarnaast zijn in deze groenzone enkele uitsparingen opgenomen voor solitaire bomen of boomgroepen. Bovendien wordt aan weerszijden van de toegangswegen voorzien in grasbermen met geschoren hagen en een korte bomenrij. Door de relatief brede ruimten ontstaat doorzicht naar het woongebied. De wijze waarop onderhavig terrein landschappelijk wordt ingepast, wordt in onderhavig bestemmingsplan verankerd middels het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de planregels van het bestemmingsplan. Daarmee wordt planologisch-juridisch verankerd dat de beoogde landschappelijke inpassing wordt aangelegd en in stand wordt gehouden. Daarmee wordt het beoogde kwaliteitsbeeld gewaarborgd. Geconcludeerd moet worden dat met behulp van onderhavig inpassingsplan wordt bijgedragen aan de landschappelijke en cultuurhistorische waarden ter plaatse.
4.4.3 Conclusie gemeentelijk beleid Gelet op het vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat onderhavige planontwikkeling niet strijdig is met dit beleid.
26
bestemmingsplanNoenevershof
Hoofdstuk 5
Milieutechnische aspecten
Bij de realisering van een planontwikkeling moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met aspecten uit de omgeving die een negatieve invloed kunnen hebben op het plangebied. Dit geldt omgekeerd ook voor de uitwerking die het project heeft op zijn omgeving. Voor de locatie zijn in dit hoofdstuk de milieuaspecten bodem, geluid, milieuzonering, luchtkwaliteit en externe veiligheid onderzocht.
5.1
Besluit Milieueffectrapportage
Bij woningbouw kan er sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in onderdeel D 11.2, kolom 1: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' Als de ontwikkeling ook voldoet aan kolom 2 (de drempel), dan is er sprake van een m.e.r.-plicht. Dit is het geval als de activiteit betrekking heeft op: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat; of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
Onderhavig planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van 16 woningen. De voorgenomen activiteit blijft hiermee ruimschoots onder de drempel met als gevolg dat sprake is van een informele m.e.r.-beoordeling. Dit wordt ook wel de vorm-vrije m.e.r.-beoordeling genoemd. Met de aanpassing van het Besluit m.e.r., zoals deze op 7 juli 2017 in werking is getreden, gelden deze procedurele en inhoudsvereisten ook voor activiteiten onder de drempelwaarden. Bij elk nieuwbouwplan dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden, bestaand uit een apart besluit in een zo vroeg mogelijke planfase waarin expliciet wordt aangetoond of er sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten nadat er een afweging heeft plaatsgevonden aangaande de volgende drie criteria: a. b. c.
de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.
Op 31 januari 2020 heeft Aelmans ROM B.V. een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld ten behoeve van onderhavige ontwikkeling. Deze rapportage is bijgevoegd als Bijlage 6. Ad. a. de kenmerken van het project De omvang van het project: Het plangebied is circa 12.700 m2 groot. Ter plaatse is een woning met tuin (Holstraat 11) en verder overwegend grasland/bouwland en tuinen aanwezig. Alle percelen zijn bestemd tot 'Wonen'. De cumulatie met andere projecten: In en om het plangebied zijn geen relevante activiteiten of projecten waarmee rekening moet worden gehouden in de beoordeling. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen: Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen verandert niet als gevolg van de realisatie van de woningbouw. Dit onderdeel geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. De productie van afvalstoffen: Zowel in de realisatiefase als in de gebruiksfase vindt er geen productie plaats van afvalstoffen,
bestemmingsplanNoenevershof
27
anders dan regulier bouw- en huishoudelijk afval. Verontreiniging en hinder: Tijdens de realisatiefase is er wellicht enige hinder in de vorm van geluid en mogelijk trillingen. Het (aannemers)bedrijf welke verantwoordelijk is voor de uitvoering van de realisatie zal zich moeten houden aan de algemene wet en regelgeving en de geldende milieuwetgeving. Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën Woningen zijn geen risicobron. In paragraaf 5.6 (Externe veiligheid) hieronder is daarnaast geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn vanuit het plaatsgebonden en groepsrisico ten aanzien van inrichtingen, transportassen en buisleidingen.
Ad. b. de plaats van het project Het bestaand grondgebruik: Ter plaatse van onderhavig plangebied zijn, met uitzondering van perceel A 2185 (Holstraat 11), overwegend grasland/bouwland en tuinen aanwezig. Op perceel A 2185 bevindt zich een woonhuis met tuin. Rondom het plangebied zijn voornamelijk woningen met tuinen gelegen. Het plangebied wordt ook doorkruist met (historische) vluchtpaden welke behouden blijven. Natuurlijke hulpbronnen: Ter plaatse van het plangebied zijn geen relevante natuurlijke hulpbronnen die bijdragen aan het project dan wel een effect hebben op het project. Opnamevermogen/gevoeligheid van het milieu: Uit de beoordeling van de planologisch relevante milieuaspecten in de volgende paragrafen komt naar voren dat het planvoornemen deze aspecten niet belemmert.
Ad. c. de kenmerken van de potentiële effecten Beoogd wordt met het planvoornemen 16 levensloopbestendige woningen te realiseren. Bij de realisatie wordt zowel aan de geldende algemene wet- en regelgeving als aan de geldende milieuwetgeving voldaan. In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de effecten van het project, moet worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang, dat sprake kan zijn van 'belangrijke nadelige milieugevolgen'. Op basis van de resultaten van de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal besloten dat er voor de voorgenomen activiteiten geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn. Derhalve wordt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) niet noodzakelijk geacht. Het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal d.d. 14 april 2020 is eveneens bijgevoegd in Bijlage 6. Tot slot is relevant dat in het kader van de aanmeldnotitie een stikstofonderzoek heeft plaatsgevonden naar de stikstofdepositie van het woningbouwplan in de realisatiefase en de gebruiksfase.
Betreffende stikstofberekeningen, uitgevoerd in de ontwerpfase van voorliggend bestemmingsplan met behulp van de destijds geldende Aerius Calculator, tonen aan dat de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet boven de 0.00 mol/ha/j uitkomt. Medio oktober 2020 heeft een update plaatsgevonden van de Aerius Calculator. Naar aanleiding daarvan zijn de stikstofberekeningen geactualiseerd ten behoeve van de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan. Deze geactualiseerde berekeningen zijn bijgevoegd in Bijlage 7. In Bijlage 7 van voorliggende toelichting wordt uiteengezet dat de nieuwe stikstofberekeningen wederom aantonen dat de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet boven de 0.00 mol/ha/j uitkomt. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat het besluit
28
bestemmingsplanNoenevershof
van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal d.d. 14 april 2020 nog steeds leidend is.
5.2
Bodem
Indien sprake is van een planologische functiewijziging danwel het realiseren van nieuwe verblijfsruimten, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Bij voorliggend planvoornemen is feitelijk geen sprake van een planologische functiewijziging aangezien onderhavige ontwikkeling wordt beoogd op gronden met de bestemming 'Wonen'. Daarnaast dient te worden achterhaald of met onderhavig planvoornemen nieuwe verblijfsruimten worden gecreëerd. Aangezien onderhavig voornemen zich richt op het realiseren van 16 levensloopbestendige woningen, neemt het aantal verblijfsruimten ter plaatse toe. Derhalve is door Aelmans ECO B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek (d.d. 6 mei 2020) uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 8. Bovengrond In de rapportage van het verkennend bodem- en asbestonderzoek wordt aangegeven dat de bovengrond als licht verontreinigd bestempeld moet worden omdat ter plekke marginale overschrijdingen zijn aangetroffen. Deze leveren echter geen directe belemmeringen op voor het beoogde gebruik van onderhavig perceel ten behoeve van woondoeleinden. Ondergrond Voor wat betreft de ondergrond blijkt, dat de concentraties kobalt en/of nikkel veelal de achtergrondwaarden overschrijden, doch niet de bodemindex en/of interventiewaarden.
Deze overschrijdingen zijn dermate marginaal dat deze geen belemmeringen opleveren voor het beoogde gebruik als woondoeleinden. PFAS Uit de resultaten van het PFAS onderzoek blijkt dat diverse licht verhoogde concentraties PFAS worden aangetroffen in de bovengrond. De aangetroffen concentraties zijn van dien aard dat deze de vastgestelde achtergrondwaarden niet overschrijden. Asbest Tijdens het bodemonderzoek zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetoond. Derhalve kan de hypothese 'onverdacht' met betrekking tot asbest worden bevestigd. Infiltratie Als onderdeel van het verkennend bodem- en asbestonderzoek is eveneens onderzoek verricht naar de waterdoorlatendheid van de ondergrond. Uit onderhavig onderzoek blijkt dat de bodem ter plekke is geclassificeerd en de doorlatendheid in overwegende mate groter is dan ca. 0,3 m/d. De infiltratie van neerslagwater behoort tot de mogelijkheden aangezien de doorlatendheid van de (ondiepe) ondergrond in overwegende mate overal voldoende is. Met inachtneming van het voorgaande bestaat geen aanleiding om over te gaan tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Derhalve vormt het aspect bodem geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling.
5.3
Geluid
Met betrekking tot het aspect geluid kan sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai. Bij onderhavige planontwikkeling zal sprake zijn van geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai.
bestemmingsplanNoenevershof
29
5.3.1 Wegverkeerslawaai Ten aanzien van alle soorten wegen geldt een geluidszone, die ook wettelijk is vastgelegd in de Wet geluidhinder. Voor wegen die buiten de bebouwde kom zijn gelegen, en die bestaan uit één of twee rijstroken, geldt een wettelijk vastgestelde geluidzone van 250 meter aan weerszijden van de weg (gemeten vanuit de wegas). Wegen waarop een maximum snelheid geldt van 30 km/u zijn niet voorzien van geluidzones. Wanneer er ontwikkelingen worden gerealiseerd binnen geluidzones van wegen, zal middels een akoestisch onderzoek moeten worden aangetoond dat de gevelbelasting vanwege het wegverkeerslawaai niet zodanig is dat de, in de Wet geluidhinder opgenomen, voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor burgerwoningen wordt overschreden. Is dit wel het geval, dan zal een procedure voor het vaststellen van een hogere grenswaarde gevolgd dienen te worden. Onderhavige locatie is gelegen in de dorpskern Buggenum tussen Noenever, de Bergstraat en de Holstraat. Voor deze wegen geldt een maximum snelheid van 30 km/u. Dergelijke wegen zijn op basis van de Wet geluidhinder niet gezoneerd. Het verrichten van een akoestisch onderzoek naar de gevelbelasting vanwege wegverkeerslawaai is derhalve niet aan de orde. 5.3.2 Woon- en leefklimaat Het RIVM heeft een geluidkaart ontwikkeld, via welke een indicatie kan worden verkregen van de geluidkwaliteit op een bepaalde locatie.
Deze geluidkwaliteit is gebaseerd op een indeling in klassen van 5 dB van de totale gecumuleerde geluidbelasting van wegverkeer, railverkeer, luchtvaart, windturbines en industrie. De indicatie van geluidkwaliteit heeft betrekking op de situatie buitenshuis.
Geluidkaart RIVM met aanduiding plangebied Gelet op de geluidkaart van het RIVM is indicatief de geluidkwaliteit ter plekke van onderhavig plangebied in zijn algemeenheid 'goed (46-50 dBA)'. Met inachtneming van vorenstaande uiteenzetting vormt het aspect geluid geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Er zijn geen redenen om te twijfelen aan het woon- en leefklimaat ter plekke van de nieuw op te richten woningen. Gelet op vorenstaande vormt het aspect geluid geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
30
bestemmingsplanNoenevershof
5.4
Milieuzonering
Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. Teneinde te bepalen of een goed woon- en leefklimaat in de nieuw te realiseren woning aanwezig is, dient bestaande bedrijvigheid in de (directe) omgeving van onderhavig plangebied te worden beoordeeld. Daartoe kan gebruik worden gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (editie 2009)'.
Bergstraat 5 Buggenum (bakkerij) De afstand van de grens van de inrichting op de locatie Bergstraat 5 tot de gevel van de te realiseren dichtstbijzijnde woning in onderhavig plangebied bedraagt meer dan 30 meter. Op basis van het geldende bestemmingsplan geldt ter plekke van de locatie Bergstraat 5 de bestemming 'Detailhandel'. Ter plaatse wordt een bakkerij geëxploiteerd. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering (versie 2009)' geldt voor 'broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen met een verwerkingscapaciteit kleiner dan 7500 kg meel/week bij het gebruik van charge-ovens' (SBI-2008:1071) een minimale richtafstand van 30 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. Holstraat 19 Buggenum (bloemist) De afstand van de grens van de inrichting op de locatie Holstraat 19 tot de gevel van de nieuw te realiseren dichtstbijzijnde woning in onderhavig plangebied bedraagt meer dan 10 meter. Op basis van het geldende bestemmingsplan geldt ter plekke van de locatie Holstraat 19 de bestemming 'Detailhandel'. Ter plaatse is een bloemist aanwezig. In de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering (versie 2009)' is geen specifieke categorie opgenomen voor het exploiteren van een bloemenzaak. Derhalve worden onderhavige activiteiten geschaard onder de categorie 'detailhandel voor zover n.e.g.' (SBI-2008:47). Voor deze activiteiten geldt een minimale richtafstand van 10 meter.
Aan deze afstand wordt ruim voldaan. Bergstraat 3 en Dorpsstraat 28 Buggenum (restaurant en café) De afstand van de grens van de inrichting op de locatie Bergstraat 3 respectievelijk Dorpsstraat 28 tot de gevel van de nieuw te realiseren dichtstbijzijnde woning in onderhavig plangebied bedraagt meer dan 10 meter. Op basis van het geldende bestemmingsplan geldt ter plekke van deze locaties de bestemming 'Horeca'. Ter plekke van de locatie Bergstraat 3 is een restaurant aanwezig en ter plaatse van de locatie Dorpsstraat 28 wordt een café geëxploiteerd. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering (versie 2009)' geldt voor restaurants (SBI-2008:561) en cafés (SBI-2008: 563) een minimale richtafstand van 10 meter. Ook aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Poelakkerweg 3 (agrarisch bedrijf) Tot slot kan worden gewezen op het feit dat op de locatie Poelakkerweg 3 een rundveebedrijf wordt geëxploiteerd. Voor de afstand van plangebied tot het meest nabijgelegen rundveebedrijf aan de Poelakkerweg 3 geldt als grootste richtafstand 100 meter voor het aspect geur. Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij, waarnaar wordt verwezen in de 'Verordening geurhinder en veehouderij 2017' van de gemeente Leudal, geldt tussen een geurgevoelig object en een emissiepunt van een veehouderij waar dieren