CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting + Regels + Verbeelding

Raadsvergadering 29 maart 2022, gemeente LeudalBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ‘Aan de Heibloem 1 Heythuysen’25.563 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BESTEMMINGSPLAN

“Aan de Heibloem 1 Heythuysen” Ontwerp

Document:

Bestemmingsplan “Aan de Heibloem 1 Heythuysen”

IDN:

NL.IMRO.1640.BP21HyAdHeibloem1-ON01

Status:

Ontwerp

Datum:

26-07-2021

Aanvrager:

Heibloem Hoeve B.V.

Auteur:

ing. L.M. Heesen en ing. M.A.A. Thomassen

INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE ................................................................................................................................ 1 1. INLEIDING ........................................................................................................................................ 3 1.1 Aanleiding en doel ..................................................................................................................... 3 1.2 Ligging en grens van het plangebied .................................................................................... 4 1.3 Vigerend juridisch - planologisch kader ............................................................................... 4 1.4 Leeswijzer ..................................................................................................................................... 5 2. BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE ...................................................................................... 6 2.1 Algemeen .................................................................................................................................... 6 2.2 Ruimtelijke structuur ................................................................................................................

7 2.3 Functionele structuur ............................................................................................................... 7 3. PLANBESCHRIJVING ....................................................................................................................... 8 3.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ................................................................. 8 3.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten ........................................................................ 9 3.3 Landschappelijke inpassing ..................................................................................................... 9 4. BELEIDSKADER.............................................................................................................................. 10 4.1 Rijksbeleid ................................................................................................................................ 10 4.2 Provinciaal beleid .................................................................................................................... 16 4.3 Gemeentelijk beleid ................................................................................................................ 20 5. RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN ........................................................

24 5.1 Milieu .......................................................................................................................................... 24 5.1.1 Bedrijven en milieuzonering .......................................................................................... 24 5.1.2 Milieueffectrapportage .................................................................................................... 24 5.1.3 Geluid ................................................................................................................................. 25 5.1.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................... 25 5.1.5 Bodem en grondwaterkwaliteit ..................................................................................... 26 5.1.6 Externe veiligheid ............................................................................................................ 27 5.1.7 Geurhinder en veehouderijen........................................................................................ 28 5.2 Kabels, leidingen en straalpaden ......................................................................................... 29 5.3 Natuur ........................................................................................................................................

29 5.3.1 Flora en fauna ................................................................................................................... 29 5.3.2 Natura2000 ....................................................................................................................... 30 5.4 Waterhuishouding ................................................................................................................... 30 5.4.1 Beleidskader...................................................................................................................... 30 5.4.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) .............................................. 31 5.4.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) ............................................ 32

1

5.5 Archeologie en cultuurhistorie .............................................................................................. 32 5.6 Verkeer en parkeren ............................................................................................................... 33 6. JURIDISCHE ASPECTEN ............................................................................................................... 34 6.1 Toelichting op de verbeelding .............................................................................................. 34 6.2 Toelichting op de planregels ................................................................................................. 34 7. UITVOERBAARHEID, INSPRAAK EN PROCEDURE .................................................................. 35 7.1 Economische uitvoerbaarheid............................................................................................... 35 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................... 35 7.3 Procedure .................................................................................................................................. 35 BIJLAGEN 1. Landschappelijk inpassingsplan zonneveld 2. Quikscan flora en fauna

2

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel Heibloem Hoeve B.V., hierna initiatiefnemer, exploiteert op de locatie Aan de Heibloem 1 te Heythuysen een varkenshouderijbedrijf, met daarbij een akkerbouw- en rundveetak. Initiatiefnemer heeft zich naar aanleiding van gevoerde gesprekken met de gemeente Leudal aangemeld voor de Subsidieregeling Sanering Varkenshouderijen, hierna Srv. Ondertussen is duidelijk geworden dat de locatie deel kan nemen aan de regeling en is de benodigde overeenkomst met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) gesloten. Dat houdt in dat de varkenshouderij ter plaatse gesaneerd wordt. Onderdeel van deze regeling is dat het bestemmingsplan ter plaatse dusdanig gewijzigd wordt dat het exploiteren van een intensieve veehouderij ter plaatse niet meer mogelijk is. Hiervoor dient onderhavig plan. Na sanering van de varkenshouderij rest er op de locatie een bedrijfswoning met bijbehorende bijgebouwen en een schuur. De schuur zal gebruikt gaan worden voor het stallen van machines en werktuigen ten behoeve van akkerbouwmatige activiteiten. Zoals bij de gemeente Leudal bekend is er op de locatie tevens een vergunning verleend voor het realiseren van een zonneveld binnen het bestaande agrarische bouwvlak.

Afbeelding 1. Ligging en omgeving plangebied (rood omcirkeld)

Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ De bestemming ‘Agrarisch met waarden – 1’ met het bijbehorende bouwvlak wordt in de huidige vorm behouden.

3

▪

▪

▪ ▪

De functieaanduidingen “intensieve veehouderij” en “specifieke vorm van agrarisch mestvergistingsinstallatie” worden verwijderd. Dit om te borgen dat er geen intensieve veehouderij meer kan worden uitgeoefend. Ter plaatse van de bedrijfswoning wordt de functieaanduiding “plattelandswoning” aangebracht, dit aangezien de bedrijfswoning wordt bewoond zal gaan worden door iemand die geen functionele binding heeft met het toekomstige grondgebonden bedrijf. Overige gebiedsaanduidingen binnen het plangebied blijven conform het vigerende bestemmingsplan in stand. In de planregels wordt opgenomen dat er ter plaatse een zonneveld is toegestaan.

1.2 Ligging en grens van het plangebied De locatie ligt aan de Aan de Heibloem 1, in het buitengebied van Heythuysen nabij Heibloem. Het perceel is kadastraal bekend, gemeente Heythuysen, sectie K, nummers 428, 429, 226 (gedeeltelijk) en 202 (gedeeltelijk). Het bouwvlak heeft een oppervlak van ongeveer 19.885 m2 en is volledig bestemd als “Agrarisch met waarden -1”. De weg “Aan de Heibloem”” betreft een buitenweg, gelegen ten westen van het dorp Heibloem. De omgeving kenmerkt zich door de afwisseling van agrarische bedrijven en burgerwoningen. Ten oosten bevindt zich een school voor special onderwijs, de Ortolaan. Het plangebied is thans bebouwd met één bedrijfswoning, twee varkensstallen en een schuur. Daarnaast zijn er verschillende verhardingen en bijbehorende voorzieningen zoals voersilo’s en mestopslagen aanwezig.

1.3 Vigerend juridisch - planologisch kader De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016” (vastgesteld d.d. 4 september 2019) en is bestemd als ‘Agrarisch met waarden -1’. Tevens is er sprake van de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 5”. Het perceel beschikt over een bouwvlak met daarop de functieaanduidingen “intensieve veehouderij” en “specifieke vorm van agrarische - mestvergistingsinstallatie”. Verder geldt de gebiedsaanduiding “milieuzone – boringsvrije zone”. Initiatiefnemer heeft zich aangemeld voor de Srv. Onderdeel van deze regeling is dat het bestemmingsplan ter plaatse dusdanig gewijzigd wordt dat het exploiteren van een intensieve veehouderij ter plaatse niet meer mogelijk is. Dat betekent in dit concrete geval dat de functieaanduidingen “intensieve veehouderij” en “specifieke vorm van agrarische mestvergistingsinstallatie” verwijderd worden. Daarmee is het uitgesloten dat er ter plaatse nog een intensieve veehouderij uitgeoefend kan worden. Tevens geldt voor de locatie het bestemmingsplan “Duurzame Energie” vastgesteld op 27 april 2020. Middels dit bestemmingsplan komt artikel 52.4 uit het “Reparatie- en veegplan Buitengebied 2016” te vervallen. In dit kader is het van belang dat er voor het perceel reeds een omgevingsvergunning is verleend voor het aanleggen van een zonneveld.

De vergunning voor het aanleggen van een zonneveld is vergund op basis van het “Reparatie-

4

en veegplan Buitengebied Leudal 2016”, maar in strijd met het nieuwe beleid. Voor deze locatie is een uitzondering gemaakt op het nieuwe beleid, onder andere omdat er een intensieve veehouderij ter plaatse gesaneerd wordt.

Afbeelding 2. Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan, plangebied rood omlijnd.

1.4 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit zeven hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk is in Hoofdstuk 2 de beschrijving van de bestaande situatie opgenomen. Hoofdstuk 3 geeft de planbeschrijving aan. Hoofdstuk 4

betreft een weergave van de relevante beleidskaders van rijk, provincie, regio en

gemeente. In hoofdstuk 5 worden de verschillende onderzoeksthema’s beschreven (milieu, water, ecologie, archeologie, et cetera). Hoofdstuk 6 bevat de juridische aspecten. Hoofdstuk 7 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

5

2. BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE 2.1 Algemeen De locatie ligt aan de Aan de Heibloem 1 te Heythuysen, op relatief korte afstand van het dorp Heibloem. Het perceel is kadastraal bekend, gemeente Heythuysen, sectie K, nummers 428, 429, 226 (gedeeltelijk) en 202 (gedeeltelijk). Het bouwvlak heeft een oppervlak van ongeveer 19.885 m2 en is volledig bestemd als “Agrarisch met waarden 1”. Momenteel mogen er op grond van de verleende vergunningen binnen de inrichting 273 fokzeugen, 2 beren, 916 gespeende biggen, 2094 vleesvarkens en 32 stuks rundvee gehouden worden. De dieren worden gehouden in twee stallen, deze zullen in het kader van de Srv gesloopt worden. Tussen de twee stallen ligt een loods, deze blijft behouden.

Afbeelding 3. Luchtfoto locatie Aan de Heibloem 1

6

2.2 Ruimtelijke structuur Het plangebied is gelegen ten westen van het dorp Heibloem. Dit ligt in vogelvlucht op een afstand van ca. 1600 meter. Ter plaatse is sprake van een mengeling van percelen landbouwgrond, afgewisseld met bospercelen. De directe omgeving is te beschouwen als relatief kleinschalig en halfopen. Meer richting het noordwesten ontstaat de overgang naar een grootschaliger landschap. Doordat deze kleinschaliger gebieden minder grootschalig ontgonnen zijn, zijn als gevolg daarvan nog veel onverharde wegen en bospaden aanwezig in deze gebieden. Het patroon van de wegen is afwisselend recht en gebogen en weilanden en akkers wisselen elkaar af. De grootschalige ontginningslandschappen zijn ontstaan nadat het aan het einde van de 19e eeuw mogelijk werd grootschalig te ontginnen. Dit heeft geleid tot open landschappen met een rationele ontsluitingsstructuur en verspreide boerderijnederzettingen. Beplantingen moesten grotendeels wijken.

2.3 Functionele structuur De omgeving kenmerkt zich door de ligging in het buitengebied. In oostelijke richting ligt het dorp Heibloem met de N279 als goede ontsluitingsweg. Rond de locatie Aan de Heibloem 1 zijn woningen van derden gelegen, agrarische bedrijven en een school voor speciaal onderwijs “de Ortolaan”. Er is daarmee sprake van een mengeling van functies.

7

3. PLANBESCHRIJVING Initiatiefnemer exploiteert op de locatie Aan de Heibloem 1 te Heythuysen in hoofdzaak een varkenshouderij, waarbij er tevens een akkerbouwtak en rundveehouderijtak in geringere omvang aanwezig is. De locatie neemt deel aan de Srv. Dat houdt in dat de aanwezige varkenshouderij ter plaatse gesaneerd wordt. De stallen die ten dienste staan van de varkenshouderij moeten op grond van de regeling worden gesloopt. Ook de voersilo’s en mestopslagen dienen verwijderd te worden. Medio januari 2021 verlaten de laatste varkens het bedrijf. Op dat moment wordt ook de sloop in gang gezet. Op grond van de regeling dient geborgd te worden dat het bestemmingsplantechnisch gezien niet mogelijk is om nog langer een intensieve veehouderij uit te oefenen op locatie. Om dit te realiseren is onderhavig bestemmingsplan opgesteld. In dit bestemmingsplan worden de functieaanduidingen “intensieve veehouderij” en “specifiek vorm van agrarisch – mestvergistingsinstallatie” verwijderd. Dat borgt dat er geen intensieve veehouderij meer uitgeoefend kan worden. Na sloop resteren er op de locatie een loods (+/- 640 m2) en de bedrijfswoning. De loods zal gebruikt worden ten behoeve van het stallen van machines en werktuigen ten behoeve van akkerbouwmatige activiteiten. Er zal geen rundvee meer gehouden worden.

In de bedrijfswoning zal in de beoogde situatie iemand wonen (huurder) die geen functionele binding heeft met het resterende akker/tuinbouwbedrijf. Daarmee is er strikt gezien sprake van een strijdigheid met het bestemmingsplan. Door nu een functieaanduiding “plattelandswoning” op te nemen in het bestemmingsplan wordt het legaal om iemand in de woning te laten wonen die geen binding heeft met het aanwezige akker/tuinbouwbedrijf. Op 12 maart 2020 is er door de gemeente Leudal een omgevingsvergunning verleend (WABO-2020-80) voor het realiseren van een zonneveld binnen het agrarische bouwvlak. Deze vergunning is ondertussen onherroepelijk geworden. Initiatienemer beraad zich momenteel over het aanleggen van de zonneveld. Op basis van de verleende vergunning en het overgangsrecht uit het bestemmingsplan blijft het mogelijk om de zonneveld aan te leggen. Volledigheidshalve wordt er in de planregels een regel opgenomen dat het zonneveld ter plaatse is toegestaan.

3.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Bij de opstelling van het onderhavige bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Het bestemmingsplan dient een adequate, duidelijke en flexibele regeling te bevatten voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, gebaseerd op het moederplan “Reparatieen veegplan Buitengebied Leudal 2016”. ▪ De bestemming ‘Agrarisch met waarden - 1’ blijft behouden. ▪ Het bouwvlak blijkt eveneens behouden. ▪ De dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 5” blijft behouden. ▪ De functieaanduidingen “intensieve veehouderij” en “specifieke vorm van agrarisch – mestvergistingsinstallatie” worden middels onderhavig plan verwijderd. ▪ De gebiedsaanduiding “milieuzone -boringsvrije zone” blijft gehandhaafd.

▪ ▪

Ter plaatse van de bedrijfswoning wordt de functieaanduiding “plattelandswoning” toegevoegd. In de planregels wordt opgenomen dat er binnen het bouwvlak plaatse een zonneveld is toegestaan, conform de reeds verleende vergunning.

▪ De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het onmogelijk maken van het exploiteren van een intensieve veehouderij op deze locatie op grond van de voorwaarden uit de Srv. Het bestemmingsplan biedt het juridisch kader waar het bedrijf zich aan dient te conformeren.

3.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten De sanering van de varkensstallen zal leiden tot een ruimtelijke kwaliteitswinst en een milieukwaliteitswinst. Na afronding van de sloop is de bedrijfsvoering op de locatie veel minder intensief. Vooralsnog resteren er op het perceel een bedrijfswoning en een loods. Initiatiefnemer beraad zich momenteel over de aanleg van het zonneveld. Gezien de overwegingen die zijn gemaakt bij het verlenen van deze vergunning is dit als een op de locatie passende activiteit beschouwd die ruimtelijk en stedenbouwkundig gezien aanvaardbaar is.

3.3 Landschappelijke inpassing Zoals hierboven reeds aangegeven vormt de sloop van de stallen een grote verbetering van zowel de omgevingskwaliteit als van de milieukwaliteit. Hiervoor is het dan ook niet redelijk om een extra landschappelijke inpassing te verlangen. Voor de locatie is een omgevingsvergunning is verleend voor het aanleggen van een zonneveld. Onderdeel van deze vergunning is dat er een landschappelijk inpassingsplan gerealiseerd wordt (Bijlage 1). Voorwaarde is dat de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd binnen 3 maanden nadat het zonneveld is aangelegd. Deze voorwaarde is duidelijk in de omgevingsvergunning opgenomen. In de planregels van onderhavig plan vindt deze borging nogmaals plaats.

9

4. BELEIDSKADER 4.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) door de rijksoverheid vastgesteld. In de SVIR staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Het rijk stelt dat er een aanpak dient te ontstaan dat Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeente) en komt de gebruiker centraal te staan. Het rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: ▪ een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; ▪ over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed; ▪ een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.

Het rijk heeft drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2020): ▪ het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur; ▪ het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat; ▪ het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor een goede milieukwaliteit moet de kwaliteit van bodem, water en lucht minimaal voldoen aan de (internationaal) geldende norm(en). De gezondheid van de burgers dient te worden beschermd tegen negatieve milieueffecten. Het rijk beschermt en verbetert de waterkwaliteit door het treffen van fysieke maatregelen, het uitgeven van vergunningen en handhaving. Luchtkwaliteit, geluidsoverlast, wateroverlast, waterkwaliteit, bodemkwaliteit en het transport van gevaarlijke stoffen kennen een grote samenhang met de andere nationale belangen. Om toekomstige kosten en maatschappelijke schade te voorkomen, moeten bij ruimtelijke en infrastructurele ontwikkelingen de milieueffecten worden afgewogen. Gevolgen en effecten op de kwaliteit van bodem, water, lucht en externe veiligheid zijn afgewogen in het licht van de ontwikkeling (zie hoofdstuk 5). Uit deze beoordeling blijkt

10

dat onderhavig planvoornemen geen nadelige effecten heeft op/of ondervindt van bodem, water, lucht of externe veiligheid. Vanuit de SVIR bestaan dan ook geen beperkingen voor onderhavig initiatief.

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Vanaf 2022 treedt de nieuwe Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook één rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Deze is op 11 september 2020 naar de Tweede Kamer gestuurd. Opgaven voor de toekomst In Nederland wonen we met ruim 17 miljoen mensen op een kleine oppervlakte. Het rijk wil graag dat ons land over 30 jaar nog steeds prettig, veilig en gezond is om in te wonen, werken en leven. Daarom is het belangrijk om nu al na te denken hoe we op een goede manier plaats geven aan woningbouw, energietransitie, bereikbaarheid, klimaatverandering en circulaire economie. Deze maatschappelijke opgaven zijn groot en vaak met elkaar verweven. Ze vragen om goede keuzes. Hoe die keuzes gemaakt worden bepaalt hoe Nederland er in toekomst uitziet. In de NOVI zijn de maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie duurzaam economisch groeipotentieel sterke en gezonde steden en regio’s toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

1. Ruimte voor klimaat en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Voordeel is dat daarmee tegelijk de leefomgevingskwaliteit verbeterd wordt en het kansen biedt voor natuur. In 2050 heeft Nederland een duurzame energievoorziening. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Wind op zee heeft de voorkeur, maar ook op land zijn windmolens nodig. Door deze zoveel mogelijk te clusteren, voorkomen we versnippering over het landschap en benutten we de ruimte zo efficiënt mogelijk. Voorwaarde is steeds dat bewoners echt goed betrokken zijn en invloed hebben op het gebruik, en waar dat kan meeprofiteren in de opbrengsten. De aanleg van zonneparken in het landschap moeten we zoveel mogelijk beperken. We plaatsen bij voorkeur eerst zoveel mogelijk zonnepanelen op daken en gevels. Het Rijk zet zich in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050.

Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Dit vraagt goede verbindingen via weg,

11

spoor, lucht, water en digitale netwerken en een nauwe samenwerking met onze internationale partners, zowel met onze directe buren als met andere landen in Europa en over de wereld, ook op defensieterrein. We zetten in op een sterk en innovatief vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van wonen, bewegen, recreëren, ontmoeten en ontspannen. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. We zetten in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen, zodat we niet langer afhankelijk zijn van eindige, fossiele bronnen. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk willen we de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren. Schonere lucht, voldoende groen en water en genoeg publieke voorzieningen waar mensen kunnen bewegen (wandelen, fietsen, sporten, spelen), ontspannen en samenkomen. Daarbij hoort een uitstekende bereikbaarheid en toegankelijkheid, ook voor mensen met een handicap.

We zorgen dat de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid verder toeneemt. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. Niet alleen groei heeft onze aandacht. Ook in gebieden met bevolkingsdaling versterken we de vitaliteit en leefbaarheid. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Dit levert ook een noodzakelijke positieve bijdrage aan het verbeteren van de biodiversiteit. Bodemdaling moet worden aangepakt. Verhoging van het waterpeil is in bepaalde veenweidegebieden op termijn noodzakelijk. Met de betrokken regio's en gebruikers wordt afgesproken waar en hoe dit zorgvuldig zal gebeuren. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde.

Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid,

12

verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Uitvoering De NOVI bevat ook een opmaat naar een Uitvoeringsagenda. Daarin wordt niet alleen inzichtelijk gemaakt welke inzet Rijk en regio nu al plegen, maar ook welke (gezamenlijke) acties de NOVI daaraan toevoegt. De Uitvoeringsagenda wordt richting de definitieve NOVI verder uitgewerkt. Daarbij worden de kansen en risico's uit de planMER betrokken. De bedoeling is dat de NOVI zich aan nieuwe ontwikkelingen kan aanpassen, in een permanent en cyclisch proces. Het Rijk gebruikt daarvoor een goede NOVI-monitor. Rijk, provincies en gemeenten gaan meer samenwerken als één overheid. De NOVI-aanpak is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de betrokken overheden. Medeoverheden, burgers en bedrijven, zijn niet juridisch aan de visie in de NOVI gebonden. Om de opgaven als overheden samen aan te pakken wordt op basis van de vastgestelde NOVI toegewerkt naar samenwerkingsafspraken. Het is belangrijk dat de omgevingsvisies van Rijk, provincies en gemeenten waar nodig en mogelijk op elkaar aansluiten.

Daarvoor moeten de bestaande Gebiedsagenda's worden uitgebouwd tot bredere Omgevingsagenda's. Die omvatten de volle breedte van het omgevingsbeleid en kunnen zich ontwikkelen tot de kern van een werkend stelsel van omgevingsbeleid. Deze Omgevingsagenda's worden met alle landsdelen gemaakt, in samenwerking tussen de overheden. De samenloop van verschillende nationale belangen en de omvang van de opgaven maken het in sommige gebieden tot een grote uitdaging om tot passende oplossingen te komen. Er is daarvoor in deze gebieden extra inzet van Rijk en regio nodig, omdat het binnen de bestaande kaders onvoldoende lukt om tot resultaat te komen. Daarom zullen er NOVIgebieden worden benoemd. Open proces De NOVI is tot stand gekomen in samenspraak met verantwoordelijke ministeries, gemeenten, provincies en waterschappen. Tevens is input gebruikt van adviesraden, kennisinstellingen, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en burgers. De dialoog met en tussen alle betrokkenen stopt niet met het verschijnen van de (ontwerp)-NOVI. Het blijft een open proces, waarvan participatie een wezenlijk onderdeel uitmaakt. Voorliggend bestemmingsplan speelt in op de thema’s ‘Ruimte voor klimaat en energietransitie’ en 'sterke en gezonde steden en regio's' uit de NOVI. Door de sanering van de intensieve veehouderij wordt het mogelijk gemaakt om ter plaatse een zonneveld te realiseren.

Dit draagt positief bij aan de energietransitie. Het saneren van de intensieve veehouderij draagt eveneens bij aan een betere luchtkwaliteit en leefbaarheid in de dorpen door het wegvallen van emissies van geur en fijnstof.

13

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de ecologische hoofdstructuur (thans Nationaal Natuurnetwerk), de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer.

Ook is het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen. Op dit bestemmingsplan zijn geen van deze belangen van toepassing.

Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De 'Rarro' is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en EHS-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In het Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. In de Rarro zijn binnen het plangebied geen reserveringsgebieden aangewezen. Het Rarro vormt daarmee geen beperking voor onderhavig plan.

Ladder duurzame verstedelijking In de genoemde SVIR is de “Ladder voor duurzame verstedelijking” geïntroduceerd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst:

14

“De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Bij onderhavig planvoornemen is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet aan de orde.

15

4.2 Provinciaal beleid Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Gedeputeerde Staten het POL2014, met bijbehorend planMER, de omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal verkeers- en vervoersprogramma vastgesteld. Allemaal als onderdeel van een integrale omgevingsvisie. Deze documenten zijn op 16 januari 2015 in werking getreden. De provinciale ruimtelijke ambitie komt voort uit de Limburgagenda: een voortreffelijk grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg; om er naar toe te gaan en vooral ook om er te blijven. In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderende opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. Kwaliteit staat centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto ‘meer stad, meer land’, het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien.

Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. En uitnodigen staat centraal. Dat gaat meer over de manier waarop de provincie samen met haar partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat wil realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. In het POL wordt geconcretiseerd hoe de ambitie dat elk land- en tuinbouwbedrijf in 2025 een lust voor zijn omgeving is, wordt gerealiseerd. Zo krijgt de aanpak ‘schone stallen’, een combinatie van stimuleren en reguleren, in het POL de nodige aandacht. De Verordening veehouderijen en Natura2000 is daarvoor opgenomen in de Omgevingsverordening. De opgaven voor de Limburgse land- en tuinbouw zijn als volgt: ▪ Als onderdeel van duurzame productie worden de emissies naar lucht, water en bodem, in het bijzonder ammoniak, geur, fijn stof, nitraat en gewasbeschermingsmiddelen, teruggedrongen. ▪ Ruimte bieden aan doorgroei van bestaande land- en tuinbouwbedrijven, in een goede balans met omgevingswaarden.

▪ Ruimte bieden voor de vestiging van nieuwe bedrijven; bij intensieve veehouderij- en glastuinbouwbedrijven wordt gefocust op (een beperkt aantal) daarvoor geschikte locaties in het landelijk gebied. ▪ Een perspectief bieden voor de ontwikkeling van agglomeratielandbouw op daarvoor geschikte locaties. ▪ Kwaliteitsslag in het landelijk gebied voor verduurzaming van bestaande agrarische bedrijven, hergebruik van leegkomende (beeldbepalende) gebouwen en sloop van leegkomende bebouwing waar geen passend alternatief voor aanwezig is.

16

In het POL2014 is het provinciale grondgebied onderverdeeld in zeven soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor elk gebied liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.

Bebouwd gebied

Zone Stedelijk centrum

Overig bebouwd gebied

Bedrijventerreinen Landelijk gebied

Goudgroene natuurzone

Zilvergroene natuurzone Bronsgroene landschapszone

Buitengebied

Essentie De grotere binnensteden, gekenmerkt door een mix aan functies die deze gebieden een vitaal, stedelijk karakter geeft. Deze gebieden zijn cruciaal voor de aantrekkingskracht en uitstraling van Limburg. Gemengde woon/werkgebieden met een duidelijke binding met het omliggende landelijk gebied, met lokale of regionale voorzieningen. Specifiek ingerichte gebieden voor grotere bedrijvigheid. Gebieden waar natuur en natuurontwikkeling het primaat hebben vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter)nationale betekenis. Landbouwgebieden waar grote kansen liggen voor ontwikkeling van natuurwaarden. Beekdalen en gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap. Omvat ook het winterbed van de Maas. Alle andere gronden in het landelijk gebied, vaak met een agrarisch karakter. Met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven.

17

Afbeelding 4 Uitsnede POL-kaart ‘Zonering’

Volgens de POL-kaart ‘Zonering Limburg’ ligt het plangebied binnen het landelijk gebied – buitengebied. Deze zone omvat een breed scala aan gebieden, variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en clusters van bebouwing. Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: ▪ ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw; ▪ terugdringen milieubelasting vanuit landbouw; ▪ kwaliteit en functioneren ondergrond. Onderhavig planvoornemen sluit goed aan bij de voornoemde accenten. De milieubelasting zal door het saneren van de varkensstallen en het omvormen van het bedrijf van een intensieve veehouderij naar een grondgebonden agrarisch bedrijf fors verlagen. Het saneren van de varkensstallen biedt tevens nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden voor het doorontwikkelen van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Wat dat betreft past onderhavig planvoornemen binnen de uitgangspunten zoals gesteld in het POL 2014. Omgevingsverordening Limburg 2014 Tezamen met het POL2014 is de Omgevingsverordening Limburg 2014 in werking getreden. In de Omgevingsverordening is het hoofdstuk Ruimte opgenomen. Het hoofdstuk Ruimte is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen.

In artikel 2.2 van het hoofdstuk Ruimte is bepaald

18

dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder duurzame ontwikkeling) waarbij tevens de mogelijkheid tot herbenutting van monumentale en beeldbepalende gebouwen onderzocht moet worden. Met onderhavige ontwikkeling is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, maar van een agrarische ontwikkeling. De ladder voor duurzame ontwikkeling is daarom niet van toepassing. De Omgevingsverordening bevat -naast de regels in het hoofdstuk Ruimte- regels over diverse andere onderwerpen, zoals de aanwijzing van milieubeschermingsgebieden, waaronder de boringsvrije zones Roerdalslenk en Venloschol. Het plangebied is niet gelegen binnen een milieubeschermingsgebied zoals een van de voornoemde boringsvrije zones. Vanuit de omgevingsverordening Limburg 2014 bestaan dan ook geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Ontwerp Omgevingsvisie Limburg Per 25 augustus 2020 is de ontwerp ‘Omgevingsvisie Limburg’ ter inzage gelegd. In de omgevingsvisie is de langetermijnvisie van de Provincie Limburg uiteengezet. Daarbij worden drie hoofdopgaven onderscheiden. Deze opgaven spelen Limburg-breed, de accenten verschillen echter per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn: ▪

▪ ▪

Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; o In stedelijk c.q. bebouwd gebied; o In landelijk gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie.

(inclusief

Ook in de omgevingsvisie is Limburg onderverdeeld in een algemene zonering. De drie hoofdtypen zijn landelijke gebieden, bebouwde gebieden en infrastructuren. Deze drie hoofdtypen zijn elk weer onderverdeeld in meerdere categorieën. Conform de kaarten die behoren bij de omgevingsvisie is de planlocatie gelegen binnen de categorie ‘buitengebied’ behorende bij het hoofdtype landelijke gebieden. Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo’n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noord- en Midden-Limburg zijn er in Zuid-Limburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noorden Midden-Limburg is, rekening houdend met de droogtegevoeligheid en de kwaliteit van de grondwatervoorraden, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk, rekening houdend met de ruimteclaims vanuit de verschillende transitieopgaves. Wat dat betreft sluit de zonering in de nieuwe omgevingsvisie aan bij de zonering in het POL2014. Vanuit de omgevingsvisie bestaan dus geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

19

4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Gemeentelijke structuurvisie De gemeente Leudal heeft op 2 februari 2010 de Structuurvisie Leudal vastgesteld. Deze

structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. Ten aanzien van agrarische bedrijvigheid wordt in de structuurvisie het volgende gesteld: "De agrarische bedrijvigheid is van oudsher een belangrijke factor binnen de gemeente. In het beleid legt de gemeente het accent op het behouden en versterken van de bestaande agrarische bedrijvigheid binnen de gemeente Leudal in combinatie met het streven naar een goed woon- en leefklimaat. Ontwikkeling van Agribusiness wordt in dit kader als kansrijk gezien. De ontwikkeling van de agrarische bedrijvigheid is niet alleen afhankelijk van het ondernemerschap, maar ook van de Europese wet- en regelgeving ten aanzien van landbouwproductie en de milieuwetgeving. Leudal conformeert zich daarom aan de lijn die de reconstructie aanduidt. De gemeenteraad heeft uitgesproken om geen landbouwontwikkelingsgebieden aan te wijzen maar maatwerk te leveren. Bijzondere aandacht vraagt de ontwikkeling van kleinschalige bedrijfsontwikkelingen in het buitengebied, samenhangend met verbreding en/of beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering. Daardoor neemt het aantal bedrijven die in het buitengebied zorg, recreatie, educatie e.d. aanbieden gestaag toe.

De gemeente ondersteunt deze verbreding." Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een relatief kleinschalige ontwikkeling. De aanwezige intensieve veehouderij op de locatie verdwijnt. Middels dit plan wordt geborgd dat er op termijn niet een opnieuw een intensieve veehouderij zich op het perceel kan vestigen. Door het wegvallen van de intensieve veehouderij nemen de emissie van geur, fijnstof en ammoniak af. Dit komt het woon- en leefklimaat in de omgeving ten goede. Het plan is daarmee passend binnen de gemeentelijke structuurvisie.

4.3.2 Beleidsnota Gebiedsgericht Geluidbeleid Gemeente Leudal In oktober 2011 is de beleidsnota gebiedsgericht geluidbeleid gemeente Leudal vastgesteld en in werking getreden. Vanwege het feit dat er binnen de gemeente een aantal relevante ontwikkelingen heeft plaatsgevonden, er op enkele punten nieuwe inzichten zijn heeft een evaluatie en actualisatie en het plaatsgevonden. Deze actualisatie is op 19 september 2014 vastgesteld. Het gebiedsgericht geluidbeleid biedt een toetsingskader voor toekomstige ontwikkelingen waarin geluid een belangrijke rol speelt. Beleidsregels waaraan bepaalde ontwikkelingen of activiteiten getoetst worden kunnen per gebied verschillend zijn. Het geluidbeleid is een nadere uitwerking van wetten en verordeningen met een geluidaspect, zoals de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer of de Algemene plaatselijke verordening. Het doel van het gemeentelijke geluidbeleid is om de kwaliteit van de leefomgeving te behouden of te verbeteren. Het lokaal geluidbeleid van de gemeente Leudal spitst zich toe op de Wet milieubeheer/Wabo (vergunningverlening), de APV (evenementenbeleid). Tevens kan het

20

geluidbeleid als onderbouwing/ondersteuning van afwegingen in het kader van de Wet ruimtelijke ordening gehanteerd worden. Het geluidbeleid van de gemeente Leudal is gebiedsgericht. Dat wil zeggen dat de beleidsregels die vastgesteld worden per type gebied verschillend kunnen zijn. Het hele grondgebied van de gemeente wordt daarom ingedeeld in een aantal akoestische gebiedstypen. Eén gebiedstype heeft overeenkomstige kenmerken wat betreft de ruimtelijk functionele eigenschappen met betrekking tot het gebruik van de ruimte en het heersende of gewenste geluidniveau van het omgevingslawaai (achtergrondgeluidniveau). Per deelgebied is bepaald tot welke categorie van akoestische gebiedstypen het behoort en zijn richtwaarden voor het maximaal toelaatbare geluidniveau en andere beleidsregels vastgesteld. Volgens de beleidskaart behorende bij de beleidsnota gebiedsgericht geluidbeleid is de locatie van de initiatiefnemer gelegen in een gebied dat is aangemerkt als "landelijk". Binnen dit gebied gelden de volgende richtwaarden (in decibel) voor geluid: • • •

Tijdens de dagperiode (tussen 7:00 en 19:00): 45 decibel; Tijdens de avondperiode (tussen 19:00 en 23:00): 40 decibel; Tijdens de nachtperiode (tussen 23:00 en 7:00): 35 decibel.

Om te borgen dat met de voorgenomen ontwikkeling de richtwaarden voor geluid niet worden overschreden zullen in de vergunning of de melding voorschriften ten aanzien van de maximale geluidsbelasting van de activiteiten worden vastgelegd. In onderhavig geval zal door onderhavig plan de emissie van geluid uit de inrichting afnemen. In de bestaande situatie vinden er transporten met voer, dieren en mest van en naar de locatie plaats. Deze bewegingen komen te vervallen. De stallen worden mechanisch geventileerd, er wordt voer in silo’s gebulkt en er wordt mest getrokken. Al deze activiteiten komen in de beoogde situatie te vervallen. Na sanering resteert er een akker-tuinbouwbedrijf. Er zal met tractoren en in mindere mate mat vrachtwagens van en naar de locatie gereden worden. In de loods zullen uitsluitend machines, werktuigen en materialen gestald worden. Het ligt daarmee voor de hand dat de productie van geluid binnen de inrichtingsgrens af zal nemen ten opzichte van de bestaande situatie. De beoogde bedrijfssituatie valt onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hierin zijn eveneens geluidsnormen opgenomen waaraan het bedrijf zich dient te houden. Naar verwachting is dit geen probleem.

Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen in de Beleidsnota Gebiedsgericht Geluidbeleid Gemeente Leudal van de gemeente Leudal. 4.3.3 Nota kwaliteit gemeente Leudal Op 2 februari 2010 heeft de gemeente Leudal, gelijktijdig met de structuurvisie, de Nota kwaliteit vastgesteld. In de nota kwaliteit is het beleid van de gemeente opgenomen met betrekking tot de ruimtelijke kwaliteit. De nota vertaalt het provinciale beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, zoals is opgenomen in het Limburgs Kwaliteitsmenu 2010, in

21

concrete beleidsuitgangspunten voor de gemeente. De gemeente Leudal heeft in de nota het beleid uit het Limburgs Kwaliteitsmenu onverkort opgenomen. Daarmee is het beleid uit het Limburgs Kwaliteitsmenu onverkort van toepassing op ontwikkelingen in de gemeente Leudal. In het beleid zoals is opgenomen in de Nota kwaliteit is onderscheid gemaakt in verschillende modules om voor elke soort ontwikkeling buiten de contour de beste resultaten voor kwaliteitsverbetering te behalen. Onderhavige ontwikkeling is niet rechtsreeks onder te brengen onder 1 van de modules. De ontwikkelingen op de locatie evenals de landschappelijke inpassing vindt plaats binnen het bouwvlak van het bedrijf. De Nota Kwaliteit is niet van toepassing, omdat er geen verandering plaatsvindt van het agrarische bouwvlak., behoudens een afname van mogelijke activiteiten. Er is geen sprake van verzwaring van activiteiten, waardoor de Nota Kwaliteit niet van toepassing is. De landschappelijke inpassing ten behoeve van de zonneweide is reeds geregeld bij het besluit op de reeds verleende omgevingsvergunning. 4.3.4 Wijzigingsbevoegdheid “reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016” In het reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een aanduiding “plattelandswoning” op te nemen. Deze bevoegdheid bevat een aantal voorwaarden waaraan getoetst dient te worden.

Alhoewel er strikt gezien geen gebruik gemaakt van deze bevoegdheid geeft deze wel de beleidsmatige kaders aan van de gemeente Leudal. Daarom zal hieronder getoetst worden aan de wijzigingsvoorwaarden. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen in die zin dat ter plaatse de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning' wordt opgenomen, onder de voorwaarden dat: a. sprake is van een bestaande agrarische bedrijfswoning; Hieraan wordt voldaan, de huidige woning is nu nog bestemd als de agrarische bedrijfswoning. b. aangetoond is dat de bedrijfswoning niet meer noodzakelijk is voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf; Na sanering van de varkenshouderij rest er op de locatie een bedrijfswoning met bijbehorende bijgebouwen en een schuur. De schuur zal gebruikt gaan worden voor het stallen van machines en werktuigen ten behoeve van akkerbouwmatige activiteiten. Voor een dergelijke uitoefening van een agrarisch bedrijf is een bedrijfswoning niet noodzakelijk. c. aangetoond is dat de uitoefening van een agrarisch bedrijf ter plaatse daadwerkelijk wordt voortgezet; De te behouden schuur blijft in gebruik voor akkerbouwmatige werkzaamheden. Daarmee wordt de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse voortgezet. Thans is namelijk ook al sprake van een akkerbouwmatige activiteiten ter plaatse. d.

wonen door een niet functioneel met het bedrijf verbonden derde plaatsvindt; In de bedrijfswoning zal in de beoogde situatie iemand wonen (huurder) die geen functionele binding heeft met het resterende akker/tuinbouwbedrijf.

22

e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omliggende waarden en functies; Hiervan is geen sprake, zie de toetsing in hoofdstuk 5. f.

ter plaatse van de plattelandswoning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; Hieraan wordt voldaan, zie de toetsing in hoofdstuk 5.

g. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen ten aanzien van omwonenden, (agrarische) bedrijven en andere omgevingswaarden; Hiervan is geen sprake, zie de toetsing in hoofdstuk 5. h. sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit, overeenkomstig het bepaalde in artikel 55.4; Hiervan is sprake, zie paragraaf 3.3. i.

de landschappelijke inpassing dient plaats te vinden binnen het bouwvlak en wordt in de vorm van een voorwaardelijke verplichting opgenomen met een daaraan gekoppelde aanleg- en instandhoudingsverplichting. Hiervan is sprake, zie paragraaf 3.3 en de planregels.

23

5. RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN Bij de herbestemming van het bestemmings- en bouwvlak van een intensieve veehouderij dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en met (milieu-) aspecten op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de ontwikkeling voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1 Milieu 5.1.1 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Voor een grondgebonden agrarisch bedrijf geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst een richtafstand van 10 meter voor geur, 10 meter voor stof, 30 meter voor geluid en 10 meter voor gevaar in acht moet worden genomen ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. De dichtstbijzijnde burgerwoning is gelegen aan de Aan de Heibloem 7. De kortste afstand vanaf het agrarische bouwvlak tot het bouwvlak van deze woning bedraagt circa 50 meter. Dat betekent dat ruimschoots aan de richtafstanden voldaan kan worden. Overige objecten en bestemmingen liggen op nog grotere afstand. Het bedrijf zal omliggende vormen van bedrijvigheid in de omgeving niet beperken.

De hoofdbestemming wijzigt namelijk niet en de omvang van het bouwvlak wijzigt ook niet. Omliggende bedrijven worden daarom niet meer in hun mogelijkheden beperkt dan momenteel het geval is. 5.1.2 Milieueffectrapportage Op 1 juli 2010 is de Wet Modernisering m.e.r. in werking getreden. Deze wet wijzigt de Wet milieubeheer daar waar het gaat om de procedures en de wettelijke bepalingen aangaande het (al dan niet verplicht) opstellen van een milieueffectrapport (MER) en heeft tot doel de regelgeving te vereenvoudigen. Samenhangend hiermee is op 1 april 2011 het besluit tot wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. De activiteiten waarvoor een MER opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r.. In dit geval is de activiteit niet m.e.r.-plichtig. Het omschakelen van een intensieve veehouderij naar een grondgebonden agrarisch bedrijf is niet opgenomen

24

op de C-lijst of D-lijst van het Besluit. Het is daarom niet noodzakelijk om een MER, MER beoordeling of vormvrije MER uit te voeren. 5.1.3 Geluid Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidsgevoelige objecten (zoals bijvoorbeeld woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van een weg, spoor of gezoneerd industrieterrein akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. De voorgenomen ontwikkeling behelst de herbestemming van een voormalige intensieve veehouderij. Met dit planvoornemen worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten gerealiseerd. Het aantal woningen binnen het plangebied wijzigt niet. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is dan ook niet benodigd. Industrielawaai In het kader van een goede ruimtelijke ordening vindt afstemming van een nieuwe functie in de omgeving plaats door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de VNG. Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met milieuaspecten als geur-, stof en gevaarhinder, maar ook voor wat betreft geluidhinder. In paragraaf 5.1.1 is de toetsing aan alle richtafstanden beschreven, in deze paragraaf wordt louter ingegaan op geluidhinder. Voor een grondgebonden agrarisch bedrijf geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst 30 meter moet worden aangehouden voor geluid.

De kortst gemeten afstand van bouwvlakbouwvlak tot het meest nabij gelegen geluidsgevoelige functies (Aan de Heibloem 7) bedraagt ongeveer 50 meter. Daarmee wordt aan de richtafstand voldaan. Wat dat betreft kan dan ook gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling aanvaardbaar is. Een akoestisch onderzoek naar industrielawaai is dan ook niet nodig. 5.1.4 Luchtkwaliteit Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Als een ontwikkeling ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. De Regeling NIBM van het Ministerie van VROM stelt regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit.

Het gaat hierbij om de volgende categorieën: 1. inrichtingen 2. infrastructuur 3. kantoorlocaties

25

4.

woningbouwlocaties

De Regeling NIBM noemt de volgende subcategorieën van landbouwinrichtingen die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: a. akker- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt; b. inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor witloftrek of teelt van eetbare paddenstoelen of andere gewassen in een gebouw; c. permanente en niet-verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen; d. permanente en verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen, mits niet groter dan 2 hectare (3% criterium); e. kinderboerderijen Onderhavig initiatief behelst het omschakelen van een intensieve veehouderij naar een grondgebonden agrarisch bedrijf, zijnde een akker- en tuinbouwbedrijf. Ongeacht de omvang draagt een dergelijke inrichting NIBM bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een verdere toetsing naar de effecten van de voorgenomen ontwikkelingen in het kader van de luchtkwaliteit is dan ook niet benodigd. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer).

Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt de concentratie PM2,5 ter plaatse 11,2 µg/m³, de concentratie PM10 ter plaatse 24,9 µg/m³ en de concentratie NO2 13,1 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 gesteld op 25 µg/m³ en voor PM10 op 40 µg/m³. Voor NO2 is de jaargemiddelde grenswaarde eveneens gesteld op 40 µg/m³. Hierbij dient opgemerkt te worden dat door het saneren van de varkenshouderij de luchtkwaliteit ter plaatse zal verbeteren omdat met name de emissie van PM10 komt te vervalen. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor een goed woonen leefklimaat. 5.1.5 Bodem en grondwaterkwaliteit Onderhavig bestemmingsplan wordt opgesteld om te voorkomen dat er in de toekomst nog een intensieve veehouderij geëxploiteerd kan worden op de locatie. De enkelbestemming “Agrarisch met waarden” wijzigt niet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=01fe262a-5bd6-4bcc-8ad3-1be21bbc0e9e