CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Raadsvergadering 28 september 2021, gemeente LeudalBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Gruttostraat Haler16.782 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

Hoofdstuk 2

Gebiedsprofiel en besluitprofiel

7

Hoofdstuk 3

Beleid

10

Hoofdstuk 4

Onderzoek

23

Hoofdstuk 5

Planstukken

43

Hoofdstuk 6

Handhaving

46

Hoofdstuk 7

Haalbaarheid

47

Hoofdstuk 8

Procedure

48

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

3

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

4

Toelichting

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

De gemeente Leudal wenst medewerking te verlenen aan de realisering van 3 vrijstaande woningen aan de Gruttostraat te Haler.

Figuur 1.1: Topografische kaart projectgebied en omgeving De planlocatie is gelegen binnen het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' en is bestemd als 'Agrarisch'. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk (conform artikel 3.1 Wro), zodat de beoogde woningen planologisch mogelijk worden gemaakt. In het voorliggende bestemmingsplan worden zodoende de nieuw bestemming voor de gronden binnen onderhavig plangebied wettelijk geregeld. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de bijbehorende regels en deze toelichting. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie, het besluitprofiel en de stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten. In hoofdstuk 3 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op onderhavige locatie. In hoofdstuk 4 volgt de toetsing van de milieu- en overige onderzoeksaspecten op de locatie. In hoofdstuk 5 worden de planstukken beschreven en in hoofdstuk 6 is weergegeven hoe de gemeente Leudal omgaat met handhaving van de regels in dit bestemmingsplan. In hoofdstuk 7 volgt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Tot slot wordt in hoofdstuk 8 de procedure beschreven.

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

6

Hoofdstuk 2 2.1

Gebiedsprofiel en besluitprofiel

Gebiedsprofiel

Het woningbouwplan is gelegen in de kern Haler aan de Gruttostraat. Haler is een van 16 dorpskernen die onderdeel uitmaken van de gemeente Leudal. Haler is de meest westelijk gelegen kern van de gemeente Leudal en ligt op nog geen 700 meter van de Belgische grens. De kern Hunsel is ongeveer 1,7 kilometer ten oosten gelegen, ten zuidoosten van de kern Haler is op circa 2,5 kilometer de kern Neeritter gelegen en 3,3 kilometer ten noorden van Haler ligt de kern Ell. De gemeente Weert is ten noordwesten gelegen en de kortste afstand tot die gemeentegrens bedraagt ruim 2 kilometer. Eerder maakte Haler onderdeel uit van de gemeente Hunsel, dat in 2007 opgegaan is in de grotere gemeente Leudal. Haler is rond 1952 ontstaan en is dan ook nog een relatief jonge kern. Op 1 januari 2019 telde deze kern 940 inwoners en het is daarmee ook de kleinste kern van de gemeente Leudal. De Kern Haler wordt omringd door landbouwgronden met verspreid diverse agrarische bedrijven.

Figuur 2.1: Luchtfoto met in het midden de kern Haler De planlocatie is deels gelegen op een paardenweide en deels gelegen op braakliggende grond grenzend aan de Gruttostraat. Aan de noordzijde van de planlocatie zijn weides gelegen, aan de oostzijde agrarische gronden en de achtertuin van de woning aan de Isidoorstraat. Aan de zuidzijde ligt de Gruttostraat en aan de westzijde de achtertuinen van de woningen aan de Speltstraat.

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

7

Figuur 2.2: Luchtfoto met globale ligging plangebied (rood omlijnd)

2.2

Besluitprofiel

De beoogde ontwikkeling betreft de realisering van drie vrijstaande woningen op de percelen kadastraal bekend als Hunsel, sectie C, nummers 2719 (ged), 2685 (ged) en 2542 (ged). De beoogde ligging van de woningen is vastgelegd op onderstaande situering. Elke woning wordt ontsloten via de Gruttostraat.

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

8

Figuur 2.3: Stedenbouwkundige invulling Het plangebied wordt geheel bestemd als 'Wonen'. Er is voor deze bestemming gekozen, omdat dit goed aansluit bij de woningen in de omgeving die ook als 'Wonen' bestemd zijn.

2.3

Stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten

De woningen worden gerealiseerd aan de Gruttostraat, waaraan voornamelijk vrijstaande en twee-onder-een-kap woningen zijn gelegen. De nieuwbouwwoningen passen in functionele zin en qua typologie in de omliggende omgeving. Er wordt qua hoogte en opbouw zoveel als mogelijk aangesloten bij de woningen in de directe omgeving. Het parkeren geschiedt volledig op eigen terrein. De omliggende functies worden gerespecteerd en om de impact op op het achterliggende agrarische perceel te beperken, wordt er in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen, zodat er een groene afscheiding wordt gerealiseerd indien er gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden in voorliggend plan. Zo kan een goede landschappelijke overgang worden gecreëerd. Het plan heeft, zowel op korte als op (middel)lange termijn, dan ook geen negatieve ruimtelijke, functionele en stedenbouwkundige effecten tot gevolg voor de omgeving. Binnen onderhavig bestemmingsplan worden de ruimtelijke randvoorwaarden voor de woningbouw geborgd, zodat ook bij de daadwerkelijke realisatie van de woningen sprake blijft van een kwalitatieve invulling.

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

9

Hoofdstuk 3

Beleid

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid (respectievelijk § 3.1, § 3.2 § 3.3 en § 3.4).

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1.

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, di ein 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie;

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

10

14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en in de jaren daarna hebben nog diverse wijzigingen plaatsgevonden. In de AMvB Ruimte zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Natuurnetwerk Nederland, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Afweging Het Barro heeft voor wat betreft de genoemde onderwerpen en gezien de aard en kleinschaligheid van het project, geen gevolgen voor de beoogde realisatie van de woningen. 3.1.3

Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro)

De Rarro is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en Nationaal Natuurnetwerk-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In het Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Op dit bestemmingsplan zijn geen belangen uit de Rarro van toepassing. Afweging Aangezien onderhavig bestemmingsplan geen windturbines hoger dan 114 meter toestaat vormt dit geen belemmering voor het radarverstoringsgebied. Daarnaast is het plangebied ook niet aangewezen als reserveringsgebied voor de aanleg van hoofdwegen (of delen van hoofdwegen).

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

11

3.1.4

Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking)

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat de gemeente verplicht moet toepassen bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. In artikel 1.1.1 Bro is gedefinieerd wat een nieuwe stedelijke ontwikkeling is: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie blijkt dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. 1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Afweging Het plan beoogt de realisatie van maximaal drie woningen. Er is pas sprake van een stedelijke ontwikkeling als er 12 of meer woningen worden gerealiseerd. De Ladder voor duurzame verstedelijking is op dit initiatief dan ook niet van toepassing. 3.1.5

Wet milieubeheer

In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b.

van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

12

het milieu kan hebben'. Afweging De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plichtigheid van dit bestemmingsplan, is opgenomen in paragraaf 4.1.7.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

Op 12 december is het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (hierna: POL 2014) vastgesteld. Het POL 2014 richt zich op de vraag wat er nodig is om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Limburg te verbeteren. Samen met de inspanningen op andere terreinen moet dat leiden tot een leef- en vestigingsklimaat van een voortreffelijke kwaliteit. In het POL 2014 worden de ambities, opgaven en aanpak voor de thema’s benoemd waarop de provincie een rol heeft of wil vervullen. In het POL 2014 is onderscheid gemaakt in acht soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.

Figuur 3.1: Uitsnede kaart POL 2014 met ligging plangebied (rood omcirkeld) Volgens de kaart 'Zonering Limburg' ligt het plangebied zowel in de zone 'overig bebouwd gebied' als in de zone 'buitengebied'. De zone 'overig bebouwd gebied' betreft gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter. De accenten liggen binnen deze zone op: (1) transformatie regionale woningvoorraad, (2) bereikbaarheid, (3) balans voorzieningen en detailhandel, (4) stedelijk groen en water en tot slot (5) de kwaliteit van de leefomgeving. De zone 'buitengebied' betreft alle andere gronden in het landelijk gebied, vaak met een agrarisch karakter. met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven. De accenten liggen binnen deze zone op: (1) ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw, (2) terugdringen milieubelasting vanuit landbouw en (5) de kwaliteit en functioneren van de ondergrond. Afweging Het beoogde initiatief voorziet in de realisatie van drie kwalitatief hoogwaardige nieuwbouwwoningen. De woningen komen fysiek binnen de zone 'overig bebouwd gebied' te liggen. Slechts een deel van de tuinen van de woningen komen in de zone 'buitengebied' te liggen. Wel ligt het plangebied in zijn geheel binnen de kerncontour van Haler. Hierdoor vormt het POL 2014 geen belemmering voor onderstaand initiatief.

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

13

Figuur 3.2: kerncountour van haler (groene lijn) met globale ligging plangebied (rood omcirkeld)

3.2.2

Omgevingsverordening Limburg 2014

De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL 2014 juridische binding te geven. Bestuursafspraken In het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL 2014) zijn, na een proces van co-creatie, eind 2014 de hoofdlijnen voor de ambities, opgaven, rolopvatting en aanpak vastgesteld door Provinciale Staten. Samen met stakeholders hebben de gemeenten en provincie geconstateerd dat voor diverse thema’s meer uitvoeringsgerichte regionale bestuursafspraken nodig en wenselijk zijn. Het gaat om 8 thema's: wonen, detailhandel, bedrijventerreinen, kantoren, energie, land- en tuinbouw, vrijetijdseconomie en Nationaal Landschap Zuid-Limburg. De bestuursafspraken maken onderdeel uit van het samenwerkingsmodel gemeenten – Provincie dat de afgelopen jaren op het gebied van omgevingsbeleid is gegroeid. Het POL 2014 schetst de ambities, opgaven, aanpak op hoofdlijnen en principes. Het is in co-creatie met de gemeenten tot stand gekomen. De gemeenten nemen vervolgens het stokje over en stellen regionale uitwerkingen op in de vorm van structuurvisies, visies of anderszins. De Provincie is partner in die regioprocessen en faciliteert deze. Vanuit de regierol ziet de provincie toe op de samenhang tussen de aanpak per regio en die in aangrenzende gebieden.

Meer specifiek ten aanzien van het thema wonen hebben de bestuursafspraken geresulteerd in de vaststelling van een drietal woonvisies voor respectievelijk Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. De gemeente Leudal maakt onderdeel uit van de regio Midden-Limburg en binnen deze regio is de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021’ vastgesteld. In het kader van deze regionale uitwerking zijn in artikel 2.4.2 van de verordening de navolgende bestuursafspraken (per regio) vastgelegd:

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

14

1. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord Limburg. 2. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen, alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg. 3. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. 4. Als een ruimtelijk plan niet voldoet aan het gestelde in het eerste, tweede of derde lid, kunnen Gedeputeerde Staten, rekening houdend met het standpunt van het Regionaal Bestuurlijk Overleg, gelegenheid bieden voor maatwerk in afwijking van het bepaalde in die leden. 5.

De toelichting bij het ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg, dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het derde lid, dan wel van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het vierde lid. 6. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat tevens een verantwoording van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijke plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen en als het vierde lid van toepassing is, van het versterken van de kwalitatieve woningvoorraad. Ladder voor duurzame verstedelijking In de omgevingsverordening is een verwijzing opgenomen naar de Ladder voor duurzame verstedelijking en hierbij is in artikel 2.2.2 van de verordening het navolgende bepaald: 1. Een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, houdt rekening met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 2.

Bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3, onderzocht. 3. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid. Specifieke bepalingen omtrent beschermingszones en beschermingsgebieden In de omgevingsverordening zijn verder specifieke bepalingen opgenomen ten aanzien van provinciale wegen en reserveringszones, beschermingszones natuur- en landschap, uitsluitingsgebieden windturbines, natuurbescherming, milieubeschermingsgebieden, regionale waterkeringen, normerig wateroverlast, grondwateronttrekking, rioolplichtontheffing en gesloten stortplaatsen, alsmede bedrijventerreinen met provinciale geluidcontouren. Afweging Bestuursafspraken en de Ladder voor duurzame verstedelijking In hoofdstuk 3.3 wordt het regionale woonbeleid nader toegelicht en toegepast op de onderhavige planontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking wordt nader toegelicht in paragraaf 3.1.4. Nu deze woningbouwontwikkeling voorziet in minder dan 12 woningen is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking moet worden toegepast.

Beschermmingszones en beschermingsgebieden Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III is gelegen. Het is in de boringsvrije zone Roerdalslenk III verboden om een boorput, een bodemenergiesysteem of een aardwarmtesysteem te maken of hebben of de grond te

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

15

roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. Daarnaast is het verboden om werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Tot slot moet het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 80 meter (in zone III) tot aan de Bovenste Brunssumklei vier weken tevoren schriftelijk gemeld worden aan gedeputeerde staten. Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn binnen onderhavig plan, vormt de ligging binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III geen belemmering. Voor het overige ligt het plangebied niet binnen milieubeschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Conclusie Er zijn geen rechtstreeks doorwerkende regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling past dan ook binnen de Omgevingsverordening Limburg 2014. 3.2.3

Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie (POVI)

Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL 2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De vaststelling van deze omgevingsvisie is beoogd in het eerste kwartaal van 2021.Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2022. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht.

Hoofdopgaven: In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk als in het bebouwde gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

16

Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten.

Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Afweging Onderhavig plan voorziet in de realisatie van drie kwalitatief hoogwaardige woningen op braakliggende grond. Hiermee worden kwalitatief hoogwaardige woningen toegevoegd aan de huidige woningvoorraad, waardoor wordt bijgedragen aan de noodzakelijke transformatie in de woningmarkt. Daarnaast voldoet onderhavig plan aan de ladder voor duurzame verstedelijking en is de ontwikkeling in lijn met de 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021' en de gemeentelijke 'Strategische overallvisie 2020 - 'Leven in Leudal' en Structuurvisie Leudal - 'Regie op de toekomst', zie paragraaf 3.3 en 3.4. De beoogde ontwikkeling is dan ook in lijn met de principes, zoals beschreven in de 'Ontwerp Provinciale omgevingsvisie'.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021

Ter uitvoering van de bestuursafspraken tussen provincie en gemeenten is in regionaal verband de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021’ vastgesteld. In Leudal is deze door de raad vastgesteld op 25 juni 2019. De samenwerkende gemeenten in Midden-Limburg (Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert) hebben middels de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021’ de nota ‘Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg’ uit 2014 geactualiseerd. Daartoe is een woningmarktonderzoek uitgevoerd (2018) met ondersteuning van de Provincie Limburg. Binnen de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021’ worden de leermomenten uit de nota ‘Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg’ meegenomen. Daarnaast zijn concrete afspraken gemaakt voor de periode 2018 tot en met 2021 en er wordt een doorkijk gegeven op de verwachte woningbouwbehoefte tot 2030. De structuurvisie geeft richting aan de kwalitatieve en kwantitatieve opgave waar de gemeenten woningbouwprojecten de komende jaren wenselijk vinden en de wijze waarop het aantal woningbouwplannen wordt afgestemd op de behoefte. Dit betekent dat beleidsmatig is vastgelegd hoe

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

17

de plan-voorraad voor woningen wordt afgebouwd. In de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021 is vastgelegd dat Leudal vanaf 1-12018 nog 457 woningen mag bouwen. Daarnaast is er een reductieopgave om de planvoorraad met 249 woningen terug te dringen. In de Kwaliteitsenvelop en de Factsheets per kern zijn de kwantitatieve en kwalitatieve ambities en woningbehoefte nader gespecificeerd. Jaarlijks vindt er een actualisatie plaats waarbij een terugblik wordt gegeven op de realisaties van het afgelopen jaar en de ontwikkeling van de planvoorraad ten opzichte van de afspraken uit de structuurvisie, en wordt er een nieuwe planlijst gemaakt. De meest recente actualisatie is per 1-1-2021. In totaal zijn in de afgelopen drie jaar (2018, 2019 en 2020) per saldo 318 nieuwe woningen gerealiseerd in Leudal. Er zijn ook 263 plannen geschrapt. Kwantitatieve woningbehoefte De methodiek van de Structuurvisie is erop gericht om kwantitatief de afgesproken aantallen maximaal te bouwen woningen aan te houden conform de prognoses van Etil 2014 (of 2017). Uit het woningbehoefteonderzoek is de kwalitatieve behoefte vertaald naar de kwaliteitsenvelop en de factsheets voor de gemeente Leudal. Voor Haler is een richtcijfer van zeven extra te bouwen woningen aangehouden (het totaal van +457 woningen is verdeeld over de kernen binnen de gemeente Leudal).

Op het moment van vaststelling waren er in Haler geen bouwtitels vergeven, wel plannen voor 13 woningen. Dit aantal is in de meest recente planlijst (per 1-1-2021) teruggebracht naar 8 geplande woningen, waarvan 5 aande Pinxtenstraat (ontwerp bestemmingsplan in procedure) en 3 in onderhavig project aan de Gruttostraat. Verder zijn er geen andere woningbouwontwikkelingen in de kern. de afgelopen drie jaar is eveneens gebouwd. het totale aantal geplande woningen komt kwantitatief nagenoeg overeen met het genoemde richtcijfer. De drie bouwtitels die bij dit onderhavig project in ontwikkeling worden gebracht passen binnen de kwantitatieve ambitie om 457 woningen te realiseren binnen de gemeente Leudal. Kwalitatieve woningbehoefte Het door Etil research group uitgevoerde 'Woningmarktonderzoek regio Midden-Limburg 2018-2030' geeft inzicht in de lokale woonwensen en behoefteontwikkeling. De uitkomsten zijn in de structuurvisie vertaald in de gemeentelijke kwaliteitsenvelop en factsheets per kern. In de huursfeer zijn met name grondgebonden seniorenwoningen en appartementen met lift populair. In de koopsfeer vormen de vrijstaande woningen, de twee-onder-een-kapwoningen / geschakelde woningen en de grondgebonden seniorenwoningen de top 3 van de meest gevraagde woningtypes. In de structuurvisie is opgenomen dat nieuwe woningen zo veel mogelijk levensloopbestendig worden uitgevoerd.

Dat wil zeggen dat minimaal de primaire verblijfsruimtes (keuken, sanitair, woonkamer en één slaapkamer) zich op dezelfde woonlaag bevinden en zonder trappen bereikbaar zijn. Een woning kan daarbij evengoed een verdieping hebben. Levensloopbestendige bouw sluit aan bij de kwalitatieve woonwensen uit het woningmarktonderzoek, de veranderende bevolkingssamenstelling (groeiende groep senioren) en de ontwikkeling dat mensen langer zelfstandig thuis blijven wonen, Onderhavig plan voorziet in de realisatie van drie vrijstaande koopwoningen (zelfbouw kavels), met voldoende mogelijkheden voor een levensloopbestendige uitvoering. Een ander kwalitatief woningaspect is de woonomgeving. Uit het Woningmarktonderzoek is gebleken dat inwoners met een verhuiswens veelal een woning zoeken in de huidige woonkern of willen verhuizen binnen de huidige gemeente. Een substedelijk woonklimaat en/of een dorps woonklimaat al dan niet met een centrumfunctie met voorzieningen genieten daarbij regionaal de voorkeur. Afweging De kwantitatieve toename binnen het plangebied betreft drie woningen en daarmee wordt voldaan aan het richtcijfer van acht nieuw te bouwen woningen in Haler.

Ten aanzien van de kwalitatieve woningbehoefte sluit het type woningen volledig aan op de woonwensen, zoals deze gesignaleerd zijn binnen het 'Woningmarktonderzoek regio Midden-Limburg 2018-2010' Tevens vindt de beoogde ontwikkeling plaats op een braakliggend terrein binnen de bebouwde kom van Haler en wordt de straatwand van de Gruttostraat op een stedenbouwkundig goede wijze afgebouwd. De voorzieningen in Haler zijn beperkt maar op enkele kilometers afstand (5 autominuten) zijn de basisschool en winkelvoorzieningen gelegen (Stramproy).

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

18

Conclusie Het beoogde planvoornemen is in overeenstemming met de uitgangspunten uit de 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021'.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Strategische Overallvisie 2020 - 'Leven in Leudal'

De Strategische Overallvisie 2020 ‘Leven in Leudal’ geeft de gemeente aan welke ontwikkelingen op de langere termijn voor Leudal van belang zijn en waar de gemeente naar toe wil. De toekomstvisie is daarmee richtinggevend voor de beleidsontwikkelingen in de komende jaren. De visie dient als denkkader en handvat voor toekomstige keuzes en ontwikkelingen. Daarbij valt te denken aan de ontwikkeling van nieuw beleid, het oppakken van nieuwe integrale projecten en keuzes rondom de profilering van de (nieuwe) gemeente en samenwerking in de regio. De Strategische Overallvisie 2020 ‘Leven in Leudal’ is op 11 december 2007 door de gemeenteraad vastgesteld en dient de komende jaren het kompas voor ontwikkelingen te zijn. De gemeente Leudal wil in samenspraak en in samenwerking met bewoners en bedrijven, met de regio en de provincie de kansen die zich in Leudal voordoen benutten. Ten aanzien van het aspect ‘wonen’ wordt gesteld dat er de komende jaren een opgave ligt om mensen zo lang mogelijk in de eigen dorpen/omgeving te laten wonen. Ook voor starters zijn er net als gezinnen mogelijkheden om in hún dorp te blijven wonen, samen met ouderen, forensen uit de stedelijke gebieden en specifieke doelgroepen (gehandicapten, migranten). Opgave in de nieuwbouw is nog zeer beperkt, maar ligt vooral in de transformatie van de bestaande woningvoorraad.

Verbeteren van de kwaliteit: duurzaamheid (energiezuinig, grondstoffen, eigen identiteit en uitstraling) en aanpasbaarheid van woningen en gebouwen (levenscyclus, geschiktheid wonen met zorg). Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van drie kwalitatief hoogwaardige nieuwbouwwoningen, waarbij invulling wordt gegeven aan de doelstelling om zoveel mogelijk mensen in het eigen dorp te laten wonen. De missie van de gemeente Leudal is geoperationaliseerd in doelen op centrale thema’s van de strategische overallvisie: samenleving, omgeving, wonen, werken en vrije tijd. Het doel voor het aspect wonen is hierbij om binnen de eigen gemeente te zorgen voor passende huisvesting van elke inwoner plus gedoseerde ontwikkeling van enkele regionaal onderscheidende woonmilieus. Daarnaast wil de gemeente Leudal een gevarieerd en aantrekkelijk aanbod van woningen en woonmilieus. Het uitgangspunt is in principe inbreiding, een beperkte uitbreiding in alle bestaande kernen, met een verdere uitbreiding van Heythuysen. Onderhavige ontwikkeling vindt plaats op een “open plek” binnen de kern van Haler, waarbij derhalve invulling wordt gegeven aan het principe van inbreiding voor uitbreiding. Naast het feit dat er drie vrijstaande woningen kunnen worden gerealiseerd, staat de verdere invulling vrij. hierdoor kan er worden gezorgd voor een gevarieerd aanbod. Dit komt overeen met deze visie.

Afweging Middels de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in de realisatie van nieuwe kwalitatief hoogwaardige levensloopbestendige woningen, hetgeen in overeenstemming is met de kwalitatieve doelstelling om mensen zoveel als mogelijk in het eigen dorp te laten wonen.

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

19

3.4.2

Structuurvisie Leudal - 'Regie op de toekomst'

Met de 'Structuurvisie Leudal: Regie op de toekomst', vastgesteld op 2 februari 2010, wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Leudal van belang zijn. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren, wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Voor sommige ontwikkelingen zal ze daarbij zelf initiatiefnemer willen zijn. Voor andere ontwikkelingen is zij ook afhankelijk van initiatieven van derden, zoals ondernemers, woningcorporaties, instellingen, en burgers. Ontwikkelingen die afbreuk doen aan de toekomst van Leudal wil de gemeente waar mogelijk voorkomen. De structuurvisie blikt vooruit op al deze ontwikkelingen. Welke ontwikkelingen zullen naar verwachting plaatsvinden? En hoe wil de gemeente daarop inspelen? In de structuurvisie ligt de nadruk op de visie van de gemeente op de functionele ontwikkelingen van de diverse, ruimtelijk relevante onderwerpen. Waar liggen voor de gemeente plichten, wat zijn de ambities, waar ziet de gemeente kansen en bedreigingen? En onder welke criteria zijn ontwikkelingen mogelijk? Hiermee is de structuurvisie een regie-instrument voor de dagelijkse gang van zaken. De gemeente streeft naar een leefbare en fijne woonomgeving, met een goede balans tussen woningvoorraad en woningbehoefte.

Daarnaast is ook de kwaliteit van de woning en de woonomgeving van groot belang. Uitgangspunt voor het beleid ten aanzien van wonen is dat, in het kader van de leefbaarheid, de veranderingen in de aard en omvang van de woningvoorraad niet geënt worden op de kwantiteit van de voorraad, maar op de kwaliteit van de voorraad. Door in te zetten op kwaliteit wil de gemeente een woningvoorraad bieden die bijdraagt aan de sociale binding van mensen met de gemeente, maar die ook afgestemd is op en bijdraagt aan de verschillende ruimtelijke karakteristieken van de afzonderlijke kernen en het buitengebied. Bij de structuurvisie is een kaart gevoegd waaruit volgt hoe de kernen en het omliggende buitengebied gekwalificeerd worden. Bij de diverse kernen is bijvoorbeeld onderscheid gemaakt tussen de centrumkern, autonome kernen en woondorpen. Afweging De voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van drie woningen binnen de kern Haler. De kern Haler is op de bijbehorende structuurvisiekaart aangemerkt als een ‘woondorp’. Het plangebied betreft momenteel een braakliggend terrein aan de rand van een bestaande woonwijk binnen de kerncontour van Haler. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een passende invulling van dit braakliggend terrein die aansluit op het omliggende woongebied.

Het initiatief past dan ook binnen de uitgangspunten, zoals geformuleerd binnen de 'Structuurvisie Leudal: Regie op de toekomst'. 3.4.3

Vigerend bestemmingsplan - 'Woonkern Leudal 2017'

Het plangebied maakt onderdeel uit van het huidig bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017', dat op 14 november 2017 is vastgesteld door de gemeente Leudal. Het volledige plangebied is bestemd als 'Agrarisch'. Daarnaast heeft het volledige plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Enkelbestemming 'Agrarisch' De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 1. de uitoefening van een volwaardig agrarisch bedrijf binnen een bouwvlak met een agrarische bedrijfsvoering, niet zijnde een intensieve veehouderij; 2. agrarisch grondgebruik; 3. ruimtelijk niet relevante evenementen, met inachtneming van het bepaalde in lid 3.5.3; met de daarbij behorende: a. parkeervoorzieningen; b. sanitaire voorzieningen;

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

20

c. tuinen, erven, terreinen en perceelsontsluitingen; d. voorzieningen van algemeen nut; e. waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterberging- en infiltratievoorzieningen. Het realiseren van woningen is binnen deze bestemming niet toegestaan. Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. Indien binnen deze bestemming de grond geroerd wordt, bijvoorbeeld ten behoeve van bouwen of aanleggen, is een archeologisch onderzoek verplicht indien de verstoring dieper is dan 40 cm onder het maaiveld én de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 1.000 m². Het onderhavige plangebied heeft een oppervlakte van circa 1.790 m2. In paragraaf 4.2 wordt de archeologische waarde nader toegelicht en daaruit volgt dat in het onderhavige bestemmingsplan de archeologische dubbelbestemming kan komen te vervallen.

Figuur 7: Uitsnede bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' met ligging plangebied (rood omlijnd)

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

21

3.4.4

Vigerend bestemmingsplan - 'Duurzame energie'

Het plangebied maakt onderdeel uit van het huidig geldend bestemmingsplan ‘Duurzame energie’, dat op 28 april 2020 is vastgesteld door de gemeenteraad van Leudal. De gemeente Leudal heeft duurzaamheid hoog in het vaandel staan maar realiseert zich ook dat zowel klein- als grootschalige initiatieven een grote impact op het landschap en de beleving van het landschap kunnen hebben. Het landschap is immers de drager van alle ruimtelijke ontwikkelingen. Daarom is het nodig om rekening te houden met de kracht en het laadvermogen van het landschap. De gemeente heeft een beleidskader opgesteld aan de hand waarvan initiatieven kunnen worden ontwikkeld, getoetst en gerealiseerd. De vigerende bestemmingsplannen bevatten binnenplanse afwijkingsbepalingen die het mogelijk maken om – binnen de voorwaarden van die bepaling(en) en mits ruimtelijk aanvaardbaar – duurzame energieprojecten te vergunnen en te realiseren. Het bestemmingsplan ‘Duurzame energie’ (ook paraplubestemmingsplan genoemd) heeft tot doel om de bestaande algemene afwijkingsbepalingen te laten vervallen in zowel de kernen als het buitengebied. Deze aanpassing van de bestaande bestemmingsplannen is noodzakelijk om de kwaliteit van ontwikkelingen naar de toekomst toe te borgen.

Medewerking wordt mogelijk gemaakt via een buitenplanse procedure mits het bepaalde in het vigerende Beleidskader 'Duurzame energie (zon en wind)' onverkort wordt toegepast, voldaan wordt aan daarin gestelde criteria en de ontwikkeling ruimtelijk aanvaardbaar is. In navolging van het bovenstaande wordt artikel 40.5 ‘energieopwekking’ (uit het vigerend bestemmingsplan ‘Woonkernen Leudal 2017) niet overgenomen binnen de algemene afwijkingsregels van onderhavig bestemmingsplan.

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

22

Hoofdstuk 4 4.1

Milieuaspecten

4.1.1

Bodem

Onderzoek

Algemeen Formeel gezien dient in het kader van een bestemmingswijziging (over het algemeen middels een bodemonderzoek) aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Aangezien de ontwikkeling voorziet in het realiseren van woningen, wat gevoelige functies zijn, dient er aangetoond te worden dat de bodem hiervoor geschikt. In 2014 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Aeres Milieu, Verkennend bodemonderzoek Isidoorstraat - Gruttostraat te Haler, projectnr. AM14065, d.d. 20 maart 2014). Dit onderzoek is toegevoegd aan de bijlagen. Hieronder wordt volstaan met een korte samenvatting. Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is de onderzoekslocatie als “onverdacht” beschouwd. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd is met cadmium. In de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de (berekende) achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is licht verontreinigd met barium. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

De aangetroffen lichte verontreinigingen in de grond kunnen wel bij grondafvoer beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)gebruik van de grond omdat dan veelal andere normen gelden. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. Omdat dit onderzoek wat ouder is, is recentelijk een historisch bodemonderzoek2 uitgevoerd door Aeres Milieu. Deze is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hieronder volgt een samenvatting.

Uit de verkregen informatie ten behoeve van het actualiserend vooronderzoek en tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging sinds het in 2014 uitgevoerd bodemonderzoek. Aanvullend is voor de toekomstige grondafvoer tevens een verkennend bodemonderzoek naar het voorkomen van PFAS in de bodem uitgevoerd. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn in de bovengrond spoortjes baksteen waargenomen.Uit de analyseresultaten blijkt dat in de boven- en ondergrond geen gehalten aan PFAS verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten zijn. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling tot woningbouw.

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

23

Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is de Nota bodembeheer Limburg Noord 2020-2029 en het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. In de Nota staat hoe de regio omgaat met bodemverontreiniging en welke mogelijkheden er zijn voor het toepassen en hergebruiken van grond. Hiervoor is een bodemkwaliteitskaart (BKK) opgesteld waarop de bodemkwaliteit binnen een bepaald gebied is aangegeven om grondverzet op een efficiënte, kosteneffectieve en verantwoorde manier mogelijk te maken. De bodemkwaliteitskaart geeft inzicht in de bodemkwaliteit van de bodemlagen van 0 tot 0,5 meter onder het maaiveld en van 0,5 tot 2,0 meter onder het maaiveld. Toepassing in grondwaterbeschermingsgebieden en grondwaterwingebieden is alleen toegestaan met een partijkeuring als milieuhygiënische verklaring. Daarnaast moet voldaan worden aan het provinciaal toepassingsbeleid in deze gebieden. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.1.2

Geluid

Algemeen Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een onderzoekszone van een (spoor)weg, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten zoals woningen binnen een dergelijke onderzoekszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Onderzoek Het perceel is gelegen aan de Gruttostraat met een maximumsnelheid van 30 km/h. Uit een akoestisch onderzoek van K+ Adviesgroep is gebleken dat het plangebied buiten de 48dB contour is gelegen van de Isidoorstraat (K+ Adviesgroep, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai bouwplan Isodoorstraat / Gruttostraat te Haler, gem Leudal, projectnr. M14 074.401).

De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt derhalve niet overschreden. De onderzoeksrapportage is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Conclusie In het kader van de Wet geluidhinder vormt de ligging van het plangebied ten opzichte van de omliggende wegen geen belemmering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. 4.1.3

Luchtkwaliteit

Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. b. c. d.

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

24

Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg

Minimaal 2 ontsluitingswegen

3%-norm

3%-norm

1500

3000

Bij de voorgenomen ontwikkeling is er slechts sprake van de realisatie van drie woningen, waarmee binnen het 3% criterium van de NIBM-grens wordt gebleven. In paragraaf 4.5.2 is gebleken dat de toevoeging van drie woningen leidt tot een verkeersgeneratie van maximaal 26. Uit onderstaande figuur blijkt dat voorgenomen ontwikkeling 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Ingevolge de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 ìg/m³ en voor PM10 40 ìg/m³. Voor NO2

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

25

bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 ìg/m³. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de vestiging van de beoogde functie. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de vestiging van de beoogde functie. Volgens de kaarten van het RIVM lag de concentratie PM2,5 in 2020 ter plaatse tussen de 10 en 12 ìg/m³, de concentratie PM10 tussen de 18 en 20 ìg/m³ en de concentratie NO2 tussen de 10 en 15 ìg/m³. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16, lid 1 onder a van de Wet milieubeheer. De kwaliteit van de lucht ter plaatsen van het plangebied is dan ook goed genoeg voor de realisatie van de beoogde woningen.

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

26

4.1.4

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen.

(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Een woning is een kwetsbaar object conform artikel 1, van het Bevi. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven. Op de navolgende afbeelding volgt een uitsnede van de Risicokaart Nederland met daarop de ligging van het plangebied weergeven.

bestemmingsplan Gruttostraat Haler

27

Figuur 4.1: Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (blauwe pijl) Risicovolle bedrijvigheid In de directe omgeving van het plangebied ligt geen risicovolle bedrijvigheid. De dichtsbijzijnde risicovolle inrichtingen zijn gelegen op een afstand van circa 900 meter en verder van het plangebied. Het gaat hierbij om een tweetal inrichtingen met een bovengrondse propaantank, namelijk aan de Sniekstraat 13 te Haler (inhoud propaantank is 5.000 liter) op circa 900 meter ten zuidoosten van het plangebied en aan de Engerstraat 7 te Haler (inhoud propaantank is 3.000 liter) op circa 1,3 kilometer ten noordoosten van het plangebied. De afstanden van een opslagtank met propaan, het vulpunt van een opslagtank met propaan en de opstelplaats van de tankwagen ten opzichte van buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten worden geregeld in artikel 3.28 Activiteitenbesluit, waarin tabel 3.28 is opgenomen. Bevoorrading tot en met 5 keer per jaar

Bevoorrading meer dan 5 keer per jaar

Opslagtank met propaan tot en met 5 kubieke meter

10 meter

20 meter

Opslagtank met propaan groter dan 5 kubieke meter tot en met 13 kubieke meter

15 meter

25 meter

Tabel 3.28 veiligheidsafstanden Activiteitenbesluit Beide inrichtingen kennen hierdoor een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 20 meter. Het plangebied ligt hier ruimschoots buiten. Het groepsrisico wordt bij een propaantank hoofdzakelijk bepaald door de tankauto die de propaantank komt bijvullen. Zodoende is het aantal verladingen per jaar van invloed op het groepsrisico. De afstand

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=5e024908-40ac-445c-bb27-87b8ccd03654