Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 'T Maasveld Toelichting NL.IMRO.1640.BP20NeSPtMaasveld-VG01
Afbeelding: plangebied Uitbreiding Sportpark 'T Maasveld
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk1
Inleiding
6
Hoofdstuk2
Bestaande situatie
10
Hoofdstuk3
Nieuwe situatie
12
Hoofdstuk4
Beleid
16
Hoofdstuk5
Uitvoeringsaspecten
25
Hoofdstuk6
Opbouw bestemmingsplan
44
Hoofdstuk7
Haalbaarheid
47
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
3
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
4
Toelichting
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
5
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Stichting 't Maasveld heeft het plan om het huidige sportpark (voorheen bekend als Sportpark 't Ligteveld) te herontwikkelen naar een multifunctioneel terrein met een sterk gegroeide nadruk op wielersport en het veldrijden. Stichting 't Maasveld is een samenwerking van bijna 40 diverse partners, waaronder de locale sportverenigingen die gebruik maken van het terrein, maar ook partners uit o.a. de zorg en recreatie. Het huidige terrein is aan de oostelijke zijde van Neer gesitueerd en het grootste deel van de herontwikkeling vindt plaats binnen de huidige begrenzing van het sportterrein. De bestaande gevestigde verenigingen blijven behouden voor het sportterrein, evenals het aanwezige zwembad. Enkel de rijvereniging die in de huidige situatie gevestigd is op het sportterrein, moet verhuizen wegens deze ontwikkeling.
Afbeelding 1: Toekomstige situatie sportterrein 't Maasveld, begrenzing plangebied in rood (bron: Kragten)
Er is voor gekozen om de rijvereniging te verplaatsen naar een perceel aan de zuidzijde van het sportpark. Dit perceel is in de huidige situatie in agrarisch gebruik en zou prima kunnen fungeren als perceel voor de rijvereniging. De realisatie van de rijvereniging is echter niet direct mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan. Om het gebruik ten behoeve van de rijvereniging ter plaatse mogelijk te maken dient een juridisch-planologische procedure te worden doorlopen. Hierbij is gekozen voor een bestemmingsplanprocedure.
1.2
Begrenzing plangebied
Het plangebied ligt aan de oostzijde van Neer en heeft een agrarische functie. Het gebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Waije, welke dienst zal doen als nieuwe ontsluitingsweg en aan de westzijde door de Maasweg. Aan de oost- en zuidzijde van het perceel liggen agrarische percelen.
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
6
Afbeelding 2: plangebied (in rood) in groter verband (bron: MapGear B.V. 2020)
1.3
Doel
Het doel van voorliggend bestemmingsplan is om de uitbreiding van het bestaande sportpark 't Maasveld ten behoeve van de verplaatsing van de rijvereniging planologisch mogelijk te maken.
1.4
Vigerend bestemmingsplan
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan “Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016” en het parapluplan "Duurzame energie".
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
7
Afbeelding 3: vigerend bestemmingsplan met ligging plangebied in rood (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Voor het plangebied zijn de volgende (dubbel)bestemmingen van toepassing: Agrarisch met waarden - 4 (volledig plangebied); Leiding - Gas (noordelijke en westelijke grens van het plangebied); Waarde - Archeologie 5 (volledig plangebied). Tevens gelden de volgende gebiedsaanduidingen: overige zone - kernrandzone; overige zone - oud bouwland; vrijwaringszone – hoogspanningsverbinding (deels). Verder geldt ook het bestemmingsplan 'Duurzame energie' welke is vastgesteld op 28 april 2020. Dit bestemmingsplan heeft geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling. Het plan voor een nieuw deel van het sportpark past niet binnen het geldende bestemmingsplan. De bestemming 'Agrarisch met waarden - 4' biedt geen mogelijkheden voor het beoogde gebruik. Evenmin zijn in het vigerende bestemmingsplan afwijkings- of wijzigingsmogelijkheden opgenomen waarmee het beoogde gebruik mogelijk kan worden gemaakt.
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
8
1.5
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige situatie en hoofdstuk 3 omschrijft de toekomstige situatie voor het plangebied. Hoofdstuk 4 behandelt het vigerende beleid op zowel rijks-, provinciaal-, regionaal- als gemeentelijke niveau. Hoofdstuk 5 bevat een beschrijving van de relevante uitvoeringsaspecten en verantwoordt (al dan niet met behulp van uitgevoerde onderzoeken) de voorgenomen ingreep. Getoetst wordt of de ingreep voldoet aan de sectorale wetgeving, bijvoorbeeld op het gebied van bodem, akoestiek of externe veiligheid. De juridische planbeschrijving van dit bestemmingsplan is opgenomen in hoofdstuk 6. De toelichting wordt afgesloten met een omschrijving van de maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid in hoofdstuk 7. Voorliggende toelichting vergezelt een set regels en een verbeelding die samen het juridische plan vormen. De toelichting dient ter onderbouwing / motivering van het plan. De onderzoeksrapporten die als bijlage bij deze toelichting zijn gevoegd hebben betrekking op de ontwikkeling binnen het plangebied van voorliggend bestemmingsplan 'Uitbreiding Sportpark 't Maasveld'.
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
9
Hoofdstuk 2 2.1
Bestaande situatie
Beschrijving omgeving plangebied
Neer is een kleine kern met iets meer dan 3.300 inwoners en maakt deel uit van de gemeente Leudal. Neer ligt aan de rivier de Maas, tussen de grotere gemeentes Roermond (ten zuiden) en Venlo (ten noorden) in. Het plangebied behoort tot het buitengebied van Neer, en wordt gekenmerkt door het hoofdzakelijk open agrarische karakter met kleinschalige woonkernen en bebouwingsclusters.
Afbeelding 4: Luchtfoto met het bestaande sportpark in blauw omlijnd, huidige locatie rijvereniging rode stippellijn en de geplande uitbreiding in het rood omlijnd (bron: MapGear B.V. 2020)
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
10
2.2
Plangebied
De beoogde locatie voor de ontwikkeling betreft het perceel, kadastraal bekend als Neer, sectie M, perceelnummer 55. Het perceel wordt begrensd door de Waije ten noorden, de Maasweg in het westen, en agrarische percelen ten oosten en ten zuiden. Aan de overzijde van de Maasweg ligt de kern van Neer.
Afbeelding 5: kadastrale kaart, plangebied blauw omlijnd (bron: ESRI Nederland)
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
11
Hoofdstuk 3 3.1
Nieuwe situatie
Voortraject
Stichting Wielerevenementen Leudal heeft in 2013 het initiatief genomen om een veilige wielerbaan in Leudal te realiseren voor de wielerverenigingen in Midden-Limburg. Het initiele plan voor een wielerbaan voor een locatie in Haelen is in december 2013 gepresenteerd aan de gemeenteraad. Naar aanleiding van een motie is opdracht gegeven aan Huis voor de Sport Limburg voor het uitvoeren van een quickscan voor het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie. In juni 2015 is de Quickscan 'Veilige Wieler Omgevings Midden-Limburg' opgeleverd. De quickscan doet onderzoek naar de locatie in Haelen en de alternatieve locatie in Neer. Uitkomsten van de quickscan waren dat er voor de locatie in Neer twee bezwaren waren waardoor deze locatie geen voorkeur genoot. Het eerste bezwaar is dat het middenterrein van een wielerbaan in Neer gebruikt moeten kunnen worden voor de uitoefening van andere sporten. Het tweede bezwaar is dat de gronden in eigendom van de gemeente Leudal moeten zijn, en dat de noodzakelijke grondverwerving in Neer geen optie is. Inmiddels is voor de locatie in Haelen niet meer gekozen. De twee eerder benoemde bezwaren zijn in de tussentijd opgelost: grond is uiteindelijk toch aangekocht en middels hoge ballenvangers zijn activiteiten in het middenterrein toch mogelijk.
Limburgs Wielerplan In 2015 is het Limburgs Wielerplan 2015-2020 opgesteld in opdracht van de provincie Limburg met als doel om over de gehele provincie Limburg faciliteiten te realiseren die bijdragen aan de veilige beoefening van de sport. Inmiddels is het Limburgs Wielerplan 2020-2025 opgesteld en dit plan gaat verder waar de vorige versie is geeindigd. Met de realisatie van de wielerbaan in Neer wordt invulling gegeven aan de ambities zoals omschreven in het Limburgs Wielerplan.
3.2
Uitgangspunten
Zoals eerder benoemd (paragraaf 1.1) is het plan om op de beoogde locatie een nieuwe uitbreiding van sportpark 't Maasveld te realiseren ten behoeve van het creëren van meer ruimte voor voornamelijk de paardensport. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische kaders om de beoogde inrichting mogelijk te maken. De volgende elementen worden gerealiseerd: vier verlichte paardenbakken; 1 clubgebouw met een oppervlakte van 150 m2, zowel als kantine als ten behoeve van opslag. Op het terrein zal in de toekomstige situatie alleen worden getraind door de leden van de rijvereniging Neer (het terrein is niet voor andere verenigingen). Wedstrijden vinden plaats in eigen clubverband, tot een maximum van 8 wedstrijden per jaar. Voor de bezoekersaantallen is er gerekend met een maximum van 4 personen per paard. Gezien het kleine aantal gebruikers kan het parkeren op eigen terrein plaats vinden. In het uitzonderlijke geval dat er toch enkele auto's met toeschouwers meer zijn, kunnen deze parkeren op het huidige sportpark. Op basis van de uitkomsten van de milieutechnische- en planologische toetsing in voorliggend document en het globale schetsontwerp is voorliggend plan opgesteld.
3.3
Ontwerp uitbreiding sportpark
De uitbreiding van het sportpark krijgt een ingang aan de Waije (noordzijde), waarbij parkeren plaats zal vinden op het eigen terrein. Vervolgens zijn er op het terrein vier paardenbakken voorzien en een gebouw met kantine en opslagruimte. De paardenbakken zullen voorzien worden van verlichting en een spuitinstallatie om opwaaiend stof te beperken. De rest van het terrein zal van gras worden voorzien om een eventuele uitvalslocatie te hebben voor overige sportactiviteiten.
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
12
Afbeelding 6: uitvoeringstekening uitbreiding sportpark 't Maasveld d.d. 10-06-2020 (bron: Kragten)
Landschappelijke inpassing De uitbreiding van het sportpark met het perceel op de hoek van de Maasweg en Waije, wordt volledig worden ingericht ten dienste van de paardrijvereniging. Naast de paardenbakken, zal het het terrein grotendeels met gras worden ingezaaid. Dit gras zal ook dienen als parkeervoorziening voor de auto's met paardentrailers. Het gras wordt afhankelijk van het seizoen tot circa één maal per week gemaait.
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
13
Het volledige project voorziet in een herplantopgave van 94 bomen, de aanleg van 1.500m2 struweel en ca. 2000m1 hagen. Het overgrote deel van deze opgave wordt verwezenlijkt binnen het huidige sportpark en een klein deel ter plaatse van de uitbreiding ten behoeve van de paardenbakken. De aanplant ter plaatse van de uitbreiding bedraagt 9 bomen en 180m1 haag. Onderstaand de onderbouwing voor beide groenelementen. Bomen Vanwege de (bio-)diversiteit worden geen eikenbomen aangeplant. Door meer verschillende soorten toe te passen wordt kwetsbaarheid in verband met ziekten voorkomen en wordt overlast als gevolg van de eikenprocessierups voorkomen. Daarnaast zijn de vruchten van de eikenboom niet gewenst in de nabijheid van de paardenbakken. Eikels en eikenbladeren kunnen namelijk giftig zijn voor paarden. Door daarbij zoveel mogelijk te kiezen voor inheemse soorten heeft ook de insectenpopulatie (die niet tot hinderlijke plagen kunnen leiden) er baat bij en daarmee de vogel- en vleermuispopulatie. De nieuwe paardenbak komt zuidelijk van de Waije en ligt daardoor enigszins los van het sportpark. In aansluiting op de karakteristieke landschappelijke inbedding van dorpskernen is hier gekozen voor de aanplant van 9 stuks (plantmaat 16-18) van de sierversie van de Zoete kers. Deze heeft een uitbundige bloei, maar is niet vruchtdragend, zodat de paarden er geen hinder van ondervinden.
Wel draagt de bloesem bij aan het landelijke karakter van de dorpsrand van Neer. Voor wat betreft het beheer en onderhoud is de eerste jaren sprake van begeleidend snoeien tot de bomen de gewenste stamhoogte bereiken, vervolgens wordt overgeschakelt op onderhoudssnoeien. Hagen Om het perceel meer bij het sportpark te betrekken zal aan de achterzijde (niet wegzijde), het perceel worden afgeschermd met een gemengde- of beukenhaag. Dit type haag (o.a. langs wielerbaan) komt ook terug in de nieuwe inrichting van het sportpark. In totaal is voorzien in de aanplant van circa 180m strekkende meters haag met een aanplanthoogte van 100-120 cm. De hagen bestaand uiteen mengsel van Haagbeuk, Beuk, Veldesdoorn, Liguster en Gele kornoelje. Het beheer en onderhoud beperkt zich tot twee maal per jaar snoeien van de hagen. Op afbeelding 7 is de beoogde landschappelijke inpassing weergegeven. Een inrichtingstekening op schaal is als Bijlage 1 bij de regels opgenomen en de aanleg en instandhouding hiervan is in de regels middels een voorwaardelijke verplichting geborgd (zie artikel 3.5.2).
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
14
afbeelding 7: weergave landschappelijke inpassing.
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
15
Hoofdstuk 4
Beleid
4.1
Rijksbeleid
4.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk ambities voor Nederland in 2040: een visie hoe Nederland er in 2040 voor moet staan. Uitgaande van de verantwoordelijkheden van het Rijk zijn de ambities uitgewerkt in rijksdoelen tot 2028 en is aangegeven welke nationale belangen daarbij aan de orde zijn. De SVIR is vastgesteld op 13 maart 2012. Nederland moet concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig zijn in 2040. Dit is het uitgangspunt van de SVIR. Om dit te bereiken moet het roer in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid om. De ruimtelijke ordening wordt zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven gebracht. Provincies en gemeenten krijgen meer verantwoordelijkheden en beleidsvrijheid (decentraal, tenzij) en de gebruiker komt centraal te staan. Het Rijk zet zich met name in op de drie hoofddoelen: Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland. Het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Naast het benoemen van bovenstaande beleidsdoelen onderscheidt het Rijk 13 nationale belangen.
Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken: Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren; Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie; Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; Efficiënt gebruik van de ondergrond; Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen (ketenmobiliteit en multimodale knooppunten); Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem; Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen; Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's; Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; Ruimte voor militaire terreinen en
activiteiten; Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Relevantie voor het plan In de SVIR zijn geen concrete beleidsdoelen gesteld waar voorliggende ontwikkeling aan getoetst kan worden. Het in de SVIR gestelde beleid vindt zijn doorwerking in provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid en toetsing is derhalve opgenomen in de overeenkomstige paragrafen in voorliggend document.
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
16
4.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Op 30 december 2011 is het 'Barro' in werking getreden. In oktober 2012 is het besluit gewijzigd. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Het gaat om de volgende nationale belangen: 1. Project Mainportontwikkeling Rotterdam; 2. Kustfundament; 3. Grote rivieren; 4. Waddenzee en waddengebied; 5. Defensie; 6. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; 7. Rijksvaarwegen; 8. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen; 9. Natuurnetwerk Nederland; 10. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; 11. IJsselmeergebied; 12. Elektriciteitsvoorziening; 13. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; en 14. Ruimtereservering paralelle Kaagbaan. Aan bovengenoemde onderwerpen zijn in het Barro deels al regels gekoppeld, deels zijn enkele onderwerpen nog open gelaten. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wro, gewenst.
Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, dat wil zeggen door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen. Relevantie voor het plan De regels uit het Barro zijn niet van toepassing op dit plangebied. 4.1.3
Regeling algemene regels ruimtelijke ordening
De 'Rarro' is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en NNN-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In het Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Als gevolg van de gewijzigde regelgeving beslaat het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel ook de gemeente Leudal. Aangezien dit bestemmingsplan echter geen windturbines hoger dan 114 meter toestaat vormt dit geen belemmering voor het radarverstoringsgebied. Relevantie voor het plan In de Rarro zijn binnen het plangebied geen reserveringsgebieden aangewezen voor de mogelijke aanleg van nieuwe hoofdwegen of landelijke spoorwegen. Er zijn ook geen hoofdwegen of delen daarvan aangewezen waarvoor een reserveringsgebied geldt. 4.1.4
Wet milieubeheer - milieueffectrapportage
In artikel 7.2, lid 1 van de 'Wet milieubeheer' is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
17
het milieu kunnen hebben. In het 'Besluit milieueffectrapportage' zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt ónder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is, dient dus bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Relevantie voor het plan De uitbreiding van een sportgelegenheid moet gezien worden als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie D11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Verdere toetsing en een vormvrije m.e.r.-beoordeling zijn opgenomen in paragraaf 5.1.10. 4.1.5
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 in het Bro opgenomen. Medio 2017 is de ladder op een beperkt aantal onderdelen inhoudelijk gewijzigd. Nog steeds dienen nieuwe stedelijke ontwikkelingen op basis van deze ladder te worden gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ruimtevraag, de beschikbare ruimte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het plangebied ligt. De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Relevantie voor het plan De beoogde ontwikkeling betreft de uitbreiding van een bestaand sportpark op een agrarische locatie ten noordoosten van de kern Neer. Als eerste wordt bepaald of een ontwikkeling aangemerkt kan worden als een stedelijke ontwikkeling. Hoewel de ligging van het plangebied volledig in het buitengebied is, wil dit niet vanzelfsprekend betekenen dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In het Bro wordt een stedelijke ontwikkeling als volgt omschreven: "...ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.".
Onder een “overige stedelijke voorziening” wordt het volgende verstaan: “In ieder geval vallen accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure onder het begrip overige stedelijke voorzieningen”. Op basis van bovenstaande en de eerder uitgegeven “Handreiking Ladder voor Duurzame Verstedelijking”, moet worden geconcludeerd dat de uitbreiding van een sportpark zonder indoor-sportvoorzieningen niet wordt gezien als een stedelijke ontwikkeling. Derhalve is in principe verdere toetsing aan de ladder niet noodzakelijk. Echter, gezien de ligging van het nieuwe sportpark tegen de bebouwde kom (gescheiden door landschappelijke inpassing) en de aanleiding van het planvoornemen (zie paragraaf 1.1) is toelichting van de behoefte wel relevant. De voorgenomen ontwikkeling is een gevolg van een voorgaande herontwikkeling, namelijk die van het originele sportpark 't Maasveld. Binnen het sportpark is een breed scala aan verenigingen vertegenwoordigd welke voorzien in de lokale behoefte aan sportvoorzieningen. Bijna alle bestaande
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
18
gevestigde verenigingen blijven behouden op het huidige sporterrein, evenals het aanwezige zwembad. Enkel de rijvereniging die in de huidige situatie gevestigd is op het sportterrein, moet verhuizen wegens deze ontwikkeling. Met de herontwikkeling van het sportpark en de daarbij benodigde uitbreiding voor het behoud van de rijvereniging blijft het aanbod aan sportmogelijkheden behouden voor de locatie bij Neer. Daarbij kan gesteld worden dat de herontwikkeling tevens leid tot modernisering en het toekomstbestendig maken van de sportvoorzieningen waardoor het voorzieningenniveau in tact blijft en de leefbaarheid voor de omgeving voor wat betreft sport gegarandeerd is. Middels deze ontwikkeling en uitbreiding wordt voldaan aan de behoefte van de omgeving en omwonenenden. Conclusie rijksbeleid De uitbreiding van het sportpark 't Maasveld aan de rand van de kern Neer leidt niet tot strijdigheid met de voornoemde nationale beleidsdoelen.
4.2
Provinciaal beleid
Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten van Limburg het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 vastgesteld. Het POL2014 heeft vier wettelijke functies: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), provinciaal verkeer- en vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer). De centrale ambitie in het POL2014 komt voort uit de Limburgagenda: een voortreffelijk grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg: om er naar toe te gaan en vooral ook om hier te blijven. In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. Belangrijke principes in het omgevingsbeleid van de provincie Limburg zijn de volgende: 1. Kwaliteit staat centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien.
Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. 2. Uitnodigen staat centraal. Dat gaat meer over de manier waarop de provincie samen met partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat wil realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De Provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. 3. In het nieuwe POL wordt op basis van omgevingskwaliteiten een zonering gemaakt van acht soorten gebieden, variërend van stedelijk gebied tot beschermd natuurgebied. Daarnaast zijn sectorale (beschermings)gebieden als gebiedsaanduiding opgenomen. Zonering plangebied De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, worden in het POL2014 zeven globaal afgebakende gebiedstypen onderscheiden. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
19
Afbeelding 8: uitsnede zonering Limburg (bron: POLviewer) Het plangebied ligt volledig binnen de zone 'Buitengebied'. De als 'Buitengebied' aangemerkte gebieden betreffen alle 'andere' gebieden in het Limburgse buitengebied die veelal agrarisch in gebruik zijn. Binnen deze zone is ruimte voor de doorontwikkeling van agrarische bedrijven. De accenten voor dit gebied liggen bij: Ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw; Terugdringen milieubelasting vanuit landbouw; Kwaliteit en functioneren ondergrond. Relevantie voor het plan Het plangebied valt samen met de zonering 'Buitengebied'. Door de ligging dicht tegen de kom is het plangebied niet geschikt als ontwikkelingsruimte voor nieuwe bedrijfslocaties voor de landbouw. Vooral het deel tegen de kom van Neer biedt meer belemmeringen. Daarom biedt de uitbreiding van het sportpark 't Maasveld, met paardenbakken welke functie vaker voorkomt in het buitengebied, meer mogelijkheden om een zachter overgangsgebied te creëren naar het buitengebied. Dus hoewel sprake is van onttrekken van gronden aan de landbouw, kan gesteld worden dat de ruimte voor nieuwe agrarische ontwikkelingen beperkt is in deze zone. De uitbreiding van het sportpark onttrekt gronden aan de landbouw en zorgt direct voor het terugdringen van milieubelasting vanuit de landbouw.
Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen de zonering van het POL2014.
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
20
4.2.1
Omgevingsverordening Limburg 2014
Bij het POL2014 hoort de Omgevingsverordening Limburg 2014. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is, net als het POL, op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. Relevantie voor het plan Het plangebied is niet gelegen binnen een van de in de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgelegde beschermingszones voor natuur en landschap. Evenmin is het plangebied gelegen binnen milieubeschermingsgebieden. De ontwikkeling is daarmee niet in strijd met de Omgevingsverordening Limburg 2014.
4.3
Regionaal beleid
4.3.1
Het oog van Midden-Limburg
Gebiedsontwikkeling Midden-Limburg De stuurgroep Gebiedsontwikkeling Midden-Limburg (GOML) heeft de uitgangspunten voor de toekomstige regionale samenwerking vastgesteld. Het gebied Midden-Limburg omvat de gemeenten Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert. De eerste stap voor de ontwikkeling van het gebied was het opstellen van een gezamenlijke visie waarin de ambitie van de regio Midden-Limburg voor de komende jaren is opgenomen. Deze Regiovisie 2008-2028 kreeg de naam mee: 'Het oog van Midden-Limburg'. De gebiedsvisie van de Gebiedsontwikkeling Midden-Limburg richt zich op het creëren van Sterke Steden en Vitaal Platteland. Het platteland in Midden-Limburg ondergaat een transformatie. In de landbouw is sprake van schaalvergroting en een verdere professionalisering. De intensieve landbouw is een vitale, toekomst bestendige economisch tak van formaat. De extensieve landbouw ontwikkelt zich, maar stuit op grenzen van beleid en regelgeving. Nieuwe economische dragers dienen zich aan. Het buitengebied wordt in toenemende mate een 'groene ruimte' waarin de functies wonen, werken, landschap, natuur en recreatie nauw verweven zijn. De transformatie van het platteland vraagt om nieuwe condities (ontsluiting, inpassing, ruimte voor groei).
De uitdaging: ervoor zorgen dat de verschillende functies elkaar versterken, zodat de economische vitaliteit, ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid van het platteland behouden blijft. Leudal De centrale ligging van Leudal maakt dat het profiteert van bijna alle ontwikkelingen die worden voorgesteld in de regiovisie. Gelegen aan de Maasplassen liggen er volop kansen om recreatieve en toeristische activiteiten te ontwikkelen en deze te verbinden met het natuurgebied Leudal en het te ontwikkelen regiopark. Conclusie provinciaal en regionaal beleid De uitbreiding van sportpart 't Maasveld bij Neer is een ontwikkeling waardoor de leefbaarheid van het platteland behouden blijft en versterkt wordt. Daarmee past de beoogde ontwikkeling aansluit bij het regionale beleid.
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
21
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Leven in Leudal, Strategische Overallvisie 2020
De gemeente Leudal bestaat sinds 1 januari 2007. De toekomstvisie 'Leven in Leudal, Strategische Overallvisie 2020' (vastgesteld d.d. 11 december 2007 en aangepast in maart 2014) dient als handvat om (maatschappelijke, landelijke, regionale) ontwikkelingen in het perspectief van Leudal te plaatsen, maar ook om keuzes te maken in haar beleid. In de visie staan de thema's ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid, sociale samenhang en duurzaamheid centraal. Dorpen met een eigen identiteit De gemeente legt de focus op de vitaliteit en het zelfsturend vermogen van de afzonderlijke dorpen. Leudal heeft nu een duidelijke eigen identiteit in de regio en daarbuiten. Veranderende rol van de gemeente Het initiatief komt meer bij de burger te liggen. De gemeente heeft een ondersteunende rol voor de burgers en bedrijven en zorgt voor haar kerntaken zoals veiligheid, sociaal vangnet en toezicht op de naleving van de regels. Nieuwe taken liggen op het gebied van zorg, arbeidsdeelname en jeugd en zullen zo veel mogelijk door en met organisaties en burgers uit de gemeente worden opgepakt. De gemeente werkt hierbij samen met de omliggende gemeenten in Midden-Limburg. Veranderende samenstelling van de bevolking In verband met de vergrijzing zal de gemeente in gesprek gaan met haar inwoners over de veranderingen die er aan zitten te komen en wat men er gezamenlijk tegenover kan stellen.
De gesprekken zullen gaan over gemeenschapsaccommodaties, sportinrichtingen, scholen, wonen, zorg en werkgelegenheid. Aan de hand van de gesprekken wordt de koers bepaald en worden afspraken gemaakt. Dynamisch De strategische visie is een dynamisch document waar de gemeenteraad naar aanleiding van gesprekken aanscherpingen en accenten kan aanbrengen. De visie geeft hierdoor meer sturing aan haar dienstverlening aan de burger en aan de komende veranderingen in de Leudalse gemeenschap. Ontwikkelingen/trends Voor de ontwikkelingen is in de aangepaste visie de koers bepaald en zijn nieuwe of specifieke opgaven geformuleerd. Voor het buitengebied is het van belang om ruimte voor natuur en recreatie zo veel mogelijk in onderlinge samenhang te ontwikkelen. De land- en tuinbouw zijn en blijven van groot belang voor Leudal. Er is sprake van schaalvergroting en een grote terugloop van het aantal bedrijven. Er wordt voor de komende periode een halvering van het aantal bedrijven verwacht. Leudal kan inspelen op ontwikkelingen door innovatie gericht op het terugdringen van de milieubelasting van niet-grondgebonden bedrijven en het ondersteunen van biologische productie. Kansen liggen er voor streekproducten, combinaties met toerisme en verwerking van mest en groenafval tot grondstoffen en energie.
Het maatschappelijk debat buitengebied heeft de aanzet gegeven tot een dialoog over de kwaliteit van het buitengebied. Uitvoering van maatregelen en duurzame samenwerking tussen partijen in het buitengebied vragen om het voorzetten van de dialoog en gebiedsontwikkeling gericht op versterken van de kwaliteiten van het buitengebied en het benutten van kansen voor agrarische- en recreatieve bedrijvigheid en zorginitiatieven. Relevantie voor het plan Voorliggend plan is een voorbeeld van een gezamenlijke inspanning van de gemeente Leudal met een lokale sportvereniging. De uitbreiding van het sportpark zorgt voor een toekomst bestendige leefbaarheid in het buitengebied en de kernen en draagt bij aan de gemeenschapszin op langere termijn. Daarmee past de beoogde ontwikkeling uitstekend in de strategische overallvisie.
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
22
4.4.2
Gemeentelijke structuurvisie
Algemeen In de Structuurvisie Leudal (vastgesteld d.d. 2 februari 2010) wordt ingezet op: 'Een groene parel met dynamiek, een gemeente waarin het voor iedereen goed wonen, goed leven en goed werken is, nu en in de toekomst'. In deze structuurvisie ligt bewust de nadruk op de visie van de gemeente op de functionele ontwikkelingen van de diverse, ruimtelijk relevante onderwerpen. Limburgs Kwaliteitsmenu De gemeente Leudal staat achter de gedachte van het Kwaliteitsmenu. Nieuwe functionele ontwikkelingen in het buitengebied (zowel incidentele initiatieven in het buitengebied als ontwikkelingen aan de rand van een kern) zijn uit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit alleen mogelijk indien daarmee ook investeringen in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve belevingskwaliteit en/of cultuurhistorie plaatsvinden waarmee de kwalitatieve draagkracht van het landelijk gebied wordt versterkt en de effecten van de nieuwe ontwikkelingen worden gecompenseerd. Het kwaliteitsmenu is hierbij van toepassing. De uitwerking van het Limburgs Kwaliteitsmenu voor de gemeente Leudal vindt plaats in de Nota Kwaliteit (Bijlage 2 van de regels). In de nota wordt het beleid met betrekking tot het Kwaliteitsmenu weergegeven. Tevens wordt het bestaande 'rood voor groen'-beleid en groenfonds, van de gemeente Leudal, voor zowel het buitengebied als de kernen, hierin verankerd.
Het provinciale kwaliteitsmenu heeft betrekking op het buitengebied. De Nota Kwaliteit van de gemeente Leudal gaat verder. Door nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied, maar ook in de kern vindt een aantasting van de kwaliteit van de (leef)omgeving in het buitengebied of de kern plaats. Verdichting in de kern leidt namelijk ook tot het verder onder druk komen te staan van de kwaliteiten van de leefomgeving. Deze aantasting wordt gezien als kosten die voor rekening van de gemeente Leudal komen. Deze aantasting van kwaliteit dient daarom binnen de gemeente of nabij de gemeente grenzen van Leudal gecompenseerd te worden. De Nota Kwaliteit geeft aan dat landschappelijke inpassing bij alle ontwikkelingen noodzakelijk wordt geacht. Daarnaast dienen soms ook aanvullende kwaliteitsverbeterende maatregelen genomen te worden. In het voorliggende geval is sprake van een sportpark dat valt onder de categorie 'gebiedseigen recreatie en toerisme'. Het Maasveld is voortgekomen uit een soort burgerinitiatief, aangevraagd door een stichting, maar gefinancierd door de gemeente, waarmee in feite sprake is van een gemeentelijk sportpark. In de module gebiedseigen recreatie en toerisme is opgenomen dat kleinere - niet commerciële recreatieve en toeristische voorzieningen zoals picknickplaatsen, recreatieve parkeerplaatsen, gemeentelijke sportparken, trapveldjes, speelvoorzieningen etc.
niet onder dit beleid vallen. Dit leidt tot de conclusie dat voor het sportpark geen compensatieplicht op grond van het LKM geldt. Hiervoor is het normale planologische regime van toepassing waarbij volstaan kan worden met een goede ruimtelijke en landschappelijke basisinpassing. Op grond van het LKM en de gemeentelijke uitwerking in de Nota Kwaliteit betekent dit voor het voorliggende plan dat alleen een landschappelijk inpassingsplan opgesteld hoeft te worden en geen en geen compensatieplan. Dit landschappelijk inpassingsplan is middels een voorwaardelijke verplichting in de regels verankerd. Voor meer informatie wordt verwezen naar paragraaf 3.3. Relevantie voor het plan De voorgenomen uitbreding van sportpark 't Maasveld zorgt voor een verlies in agrarisch landschap en agrarische kwaliteit. Toch zorgt deze ontwikkeling ook voor een toename in kwaliteit, namelijk door te voorzien in een uitbreiding en verbetering van het sportaanbod en de directe omgeving. Middels de voorgenomen uitbreiding kan er een kwaliteitsslag gemaakt worden binnen het bestaande sportpark. Daarnaast wordt de uitbreiding van het sportpark landschappelijk ingepast. Conclusie gemeentelijk beleid De uitbreiding van het sportpark 't Maasveld, aan de rand van de kern Neer sluit aan op de voornoemde
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
23
gemeentelijke beleidsdoelen.
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
24
Hoofdstuk 5
Uitvoeringsaspecten
In de paragrafen hierna komen diverse milieuhygiënische en planologische aspecten aan de orde. Voor een aantal aspecten zijn onderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn opgenomen in separate rapportages die als bijlage bij deze toelichting zijn gevoegd. Voor inzicht in het gehele onderzoek wordt hier verwezen naar de bijlagen. Hierna is een korte samenvatting van deze onderzoeken opgenomen. Voor alle aspecten is de relevantie voor het plan omschreven.
5.1
Milieuaspecten
5.1.1
Bodem
In Nederland regelt de Wet bodembescherming de omgang met gronden met als doel te voorkomen dat nieuwe bodemverontreinigingen ontstaan en bestaande bodemverontreinigingen worden verspreid. Ook worden eisen gesteld aan de bodemkwaliteit bij verschillende gebruiksfuncties. De kwaliteit van de bodem (aan/afwezigheid van verontreinigingen) dient bijvoorbeeld beter te zijn bij de toekenning van een woonfunctie dan bij het gebruik van gronden voor industrie. Voor de beoogde ontwikkeling is een vooronderzoek1 uitgevoerd om op basis van dossieronderzoek de huidige bodemkwaliteit in kaart te brengen. Het volledige onderzoek is als Bijlage 2 opgenomen. Hierna is een korte weergave van het onderzoek opgenomen en is aangegeven wat vanuit dit onderzoek relevant is voor dit bestemmingsplan. Chemische kwaliteit grond en grondwater Op basis van de resultaten van het vooronderzoek worden in de boven- en ondergrond van beide deellocaties geen of slechts licht verhoogde gehalten aan verontreinigende stoffen verwacht. In het grondwater kunnen (van nature) verhoogde gehalten aan zware metalen worden verwacht. Ondanks de mogelijk licht verhoogde diffuse gehalten wordt de locatie als milieuhygiënisch onverdacht beschouwd. PFAS Rondom de onderzoekslocatie zijn voor zover bekend geen bronnen van PFAS bekend.
De onderzoekslocatie wordt daarom als onverdacht beschouwd ten aanzien van de aanwezigheid van verhoogde gehalten aan PFAS. Door het wijdverbreide gebruik kunnen echter diffuse verontreinigingen met PFAS, als gevolg van atmosferische depositie, niet worden uitgesloten. De verwachting is dat de gehalten aan PFAS lager zijn dan de landelijke achtergrondwaarden. In de grond wordt geen GenX verwacht. Voorgaande analyse is getoetst middels een indicatief PFAS-onderzoek (Bijlage 13) dat in januari 2021 is uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat de gehalten PFOA, PFOS en overige PFAS-verbindingen voor de boven- en ondergrond niet verhoogd zijn t.o.v. de toetsingswaarden. Asbest Op de locatie is geen bebouwing en of verharding aanwezig geweest. Tijdens de terreininspectie zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op mogelijk aanwezig asbestverdacht materiaal. Het te realiseren terrein voor de rijvereniging is daarom aangemerkt als onverdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest. Relevantie voor het plan Op basis van de resultaten van het bodemvooronderzoek kan geconcludeerd worden dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen zijn voor de bestemmingsplanwijziging. Bij civieltechnische (graaf-)werkzaamheden wordt geadviseerd om voorafgaand aan het op te stellen bestek een milieukundig en civieltechnisch bodemonderzoek uit te voeren. Het doel is het verkrijgen van
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
25
aanvullende informatie over de milieuhygiënische kwaliteit van de grond. 5.1.2
Externe veiligheid
Binnen het plangebied wordt agrarische weidegrond herbestemd tot een multifunctioneel perceel dat voorziet in paardenbakken en ook ruimte biedt aan sport- en recreatie. Gelet op het toekomstige gebruik, zijn in het kader van externe veiligheid daarom de volgende onderzoeken uitgevoerd: een quickscan externe veiligheid2 (Bijlage 3), een CAROLA-berekening i.v.m. de ligging t.o.v. buisleidingen3 (Bijlage 4) en tot slot is ten behoeve van de verantwoording van het groepsrisico een verantwoordingsrapportage opgesteld4 (Bijlage 5) De resultaten van deze onderzoeken zijn hierna kort samengevat. 5.1.3
Quickscan externe veiligheid
Transport over de weg en het spoor Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een weg of spoorweg. De risico's als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen over de weg en het water vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Transport over water Het plangebied is niet gelegen binnen een plaatsgebonden PR10-6-risicocontour of plasbrandaandachtsgebied van een waterweg. Wel is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van de Maas die onderdeel uitmaakt van de Maascorridor. De Maascorridor is opgenomen in het Basisnet. De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het water (toxisch scenario) moeten worden meegenomen in de verantwoording van het groepsrisico. Buisleidingen Het plangebied bevindt zich binnen de 1% letaliteitsafstand van twee hogedrukaardgasleidingen. De hoogte van het groepsrisico dient derhalve kwantitatief bepaald te worden middels een CAROLA-berekening. Daarnaast dienen de risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen (fakkelbrandscenario) meegenomen te worden in een verantwoordingsrapportage. Inrichtingen Het plangebied bevindt zich niet binnen een PR 10-6-risicocontour of een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving.
De risico's als gevolg van de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve voor dit aspect niet aan de orde. Groepsrisico De hoogte van het groepsrisico representeert de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute in één keer het dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute. Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is aan de orde indien een plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron. 5.1.4
CAROLA-berekening
In verband met de ligging van een hogedruk aardgasleiding aan de rand van het plangebied, is een nader onderzoek uitgevoerd in de vorm van een CAROLA-berekening. Voor de volledige onderzoeksrapportage kan Bijlage 4 geraadpleegd worden. Uit de CAROLA-berekening is gebleken dat het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Wel dient rekening te worden gehouden met de aanwezige belemmeringenstroken.
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
26
5.1.5
Groepsrisico verantwoording
In de quickscan externe veiligheid zijn de risicobronnen binnen en in de omgeving van het plangebied beschouwd. Hieruit is naar voren gekomen dat invulling dient te worden gegeven aan een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag, waardoor zij verplicht wordt het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) geeft de regionale brandweer/Veiligheidsregio een wettelijke adviestaak bij het invullen van de verantwoordingsplicht. Het advies van de regionale brandweer/Veiligheidsregio gaat vooral over het groepsrisico en mogelijkheden om een ramp of zwaar ongeval te voorkomen of de omvang ervan te beperken en de zelfredzaamheid van personen te vergroten. Aspecten in de verantwoording die bij alle risicobronnen van toepassing zijn, zijn zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
In het kader van de beperkte verantwoording van het groepsrisico is een verantwoordingsrapportage opgesteld (Bijlage 5), waarin nader is ingegaan op de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Voor meer informatie wordt verwezen naar de verantwoordingsrapportage. Het concept bestemmingsplan met bijbehorende onderzoeken is ter advies voorgelegd aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord, die op basis daarvan haar advies heeft gegeven. Dit advies is als Bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen. In het advies is aangegeven dat de kans op een incident met de aardgasbuisleiding het hoogst is tijdens (grond)werkzaamheden en dat ten behoeve van de buisleidingen enkele bronmaatregelen genomen kunnen worden. Zo wordt geadviseerd verscherpt toezicht te houden op toekomstige grondwerkzaamheden nabij deze buisleidingen. Ook wordt geadviseerd tijdens grondwerkzaamheden nabij de buisleidingen het aantal aanwezige personen binnen het plangebied te beperken, waarmee het aantal slachtoffers tijdens een incident beperkt wordt. Daarnaast is het mogelijk om samen met de leidingexploitant mitigerende maatregelen te onderzoeken, zoals bijvoorbeeld het plaatsen van betonnen dekplaten, waarschuwingslinten of het aanbrengen van extra gronddekking. Relevantie voor het plan Op basis van de uitgevoerde onderzoeken wordt het plan vanuit het oogpunt van externe veiligheid inpasbaar geacht.
Het bevoegd gezag acht het restrisico vanuit het oogpunt van het groepsrisico verantwoord om medewerking te verlenen aan de uitbreiding van sportpark ’t Maasveld. Verwezen wordt naar het 'Verantwoordingsdocument groepsrisico' (bijlage 14) waarmee het bevoegd gezag heeft ingestemd.
5.1.6
Geluid
5.1.6.1 Wegverkeerslawaai De voorgenomen uitbreiding van het sportpark in de vorm van paardenbakken met bijbehorende bebouwing, betreft geen geluidgevoelige functie. Daarom is onderzoek naar wegverkeerslawaai op grond van de Wet geluidhinder niet noodzakelijk. 5.1.6.2 Industrielawaai De beoogde functie vormt zelf wel een functie met een bepaalde akoestische invloed op de omgeving. Vanuit dit kader is daarom een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd5 (Bijlage 7). Hierna is een korte weergave van de resultaten van het onderzoek opgenomen en is aangegeven wat vanuit dit onderzoek relevant is voor dit bestemmingsplan. In de berekeingen voor het industrielawaai zijn verschillende geluidsbronnen meegenomen welke effect kunnen hebben op de geluidbelasting. Deze aspecten zijn: voertuigbewegingen; het maaien van gras; het stemgeluid van toeschouwers/sporters.
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
27
Aanvullend is rekening gehouden met cumulatie met het naastgelegen bestaande sportterrein. Uit de berekeningen blijkt dat de richtwaarde van stap 2 uit de VNG-publicatie voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) wordt gerespecteerd. Tevens worden de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) uit het Activiteitenbesluit gerespecteerd. Ten aanzien van het maximale geluidniveau wordt eveneens voldaan aan de richtwaarde van stap 2 uit de VNG-publicatie, de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en het gemeentelijke geluidsbeleid. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer van en naar de inrichting bedraagt ten hoogste 49 dB(A) etmaalwaarde. De richtwaarde van 50 dB(A) uit de “Schrikkelcirculaire” wordt hiermee gerespecteerd. Relevantie voor het plan Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitbreiding van het sportterrein. 5.1.7
Luchtkwaliteit
Inleiding Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekenende mate' is dat de effecten van een ontwikkeling op de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.
Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden, is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. NIBM-tool
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
28
Tabel 1: NIBM-tool Op basis van de uitgangspunten van het geluidsonderzoek is uitgegaan van 300 voertuigbewegingen (aantallen dagperiode en avondperiode op één dag). Hierbij is als aandeel vrachtverkeer een worstcase scenario van 5% aangehouden, maar in de praktijk zal dit percentage lager zijn. Uitgaande van voorgaande gegevens is op basis van de NIBM-tool geen aanleiding gebleken voor het uitvoeren van nader onderzoek. Relevantie voor het plan De beoogde ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van sportpark 't Maasveld in Neer. Op basis van de uitkomsten van de NIBM-tool is aanvullend onderzoek niet nodig. 5.1.8
Bedrijven en milieuzonering
Voor de beoogde ontwikkeling is een onderzoek6 bedrijven en milieuzonering uitgevoerd (Bijlage 8). Hierna is een korte weergave van het onderzoek opgenomen en is aangegeven wat vanuit dit onderzoek relevant is voor dit bestemmingsplan. Middels de uitgevoerde beoordeling is inzichtelijk gemaakt met welke richtafstanden bij de invulling van het plan rekening moet worden gehouden. Binnen het plangebied wordt bedrijvigheid met een maximale milieucategorie 3.1 toegestaan, waarvoor binnen het gebiedstype 'rustige woonwijk' een richtafstand geldt van 50 meter tussen de bestemmingsgrens van de inrichting en milieugevoelige functies zoals woningen. Op basis van de functies in de omgeving is sprake van een rustig buitengebied/rustige woonwijk. De aspecten geur en stof worden niet maatgevend geacht in het kader van de zonering van het terrein. Bij milieuvergunningverlening worden deze aspecten meegenomen. Het aspect gevaar is niet maatgevend, omdat de vestiging van bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) niet is toegestaan. Van overige bedrijven waarbij externe veiligheid een rol speelt geldt dat eventuele veiligheidsafstanden binnen de grens van de inrichting zullen blijven.
Aan de westzijde van het plangebied reikt de richtafstand behorende bij 'veldsport' tot over enkele woningen, zoals ook weergegeven op de navolgende afbeelding. Er is derhalve op basis van de richtafstanden geen sprake van voldoende ruimtelijke scheiding tussen het plangebied en deze woningen.
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
29
Afbeelding 9: Ligging plangebied en woonbestemmingen in de omgeving Er is echter sprake van richtafstanden, waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. De weergegeven richtafstanden worden bepaald door het meest relevante milieuaspect. De milieuaspecten die ten grondslag liggen aan de gestelde richtafstanden betreffen geur, stof, gevaar en geluid. De aspecten geur, stof en gevaar worden niet maatgevend geacht in het kader van de milieuzonering van het terrein. Het aspect 'geluid' is nader beschouwd en door middel van het uitgevoerde akoestisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse van de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat (zie paragraaf 5.1.6). Relevantie voor het plan Het aspect bedrijven en mileuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 5.1.9
Milieueffectrapportage
Toets m.e.r.-plicht In het plangebied wordt enkel de uitbreiding van een bestaand sportpark gerealiseerd. Deze functie komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De beoogde activiteit/functie valt onder de categorie 'stedelijk ontwikkelingsproject' (categorie D11.2). Er is echter pas sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha. of meer. Het plangebied heeft een oppervlakte van in totaal circa 7.200 m². Dit betekent dat de beoogde ontwikkeling beneden de hiervoor genoemde drempelwaarden blijven en dat het opstellen van een milieueffectrapport om deze reden niet noodzakelijk is. M.e.r.-beoordeling voor ontwikkeling beneden de drempelwaarde De omvang van een project zoals aangegeven in kolom 2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, is niet het enige criterium om wel of geen m.e.r. uit te voeren. Ook als een
bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark 't Maasveld
30
project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. De gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) zijn daarmee indicatief. Dit betekent dat het bevoegd gezag gemotiveerd moet aangeven of een m.e.r. noodzakelijk is. Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk (aanmeldnotitie) mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Het indienen van een aanmeldnotitie is niet vereist als de gemeente zelf initiatiefnemer is van het plan.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal dient nog een besluit te nemen omtrent de noodzaak voor het opstellen van een milieueffectrapport, op basis van de ingediende aanmeldnotitie. 5.1.10 Aanmeldingsnotitie - vormvrije m.e.r.-beoordeling Naar aanleiding van de uitkomst van paragraaf 5.1.9 is opstellen van een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Voorliggend initiatief betreft de volgende activiteit: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' Voor deze vormvrije m.e.r.-beoordeling stelt de initiatiefnemer een zogenaamde aanmeldingsnotitie op. Deze aanmeldingsnotitie is in principe vormvrij, mits wordt voldaan aan opbouw uit bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Daarbij is gekozen voor een beknopte samenvattende notitie in tabelvorm die in voorliggende notitie is opgenomen. In de bovengenoemde Europese richtlijn is gesteld dat moet worden ingegaan op: 4. Kenmerken van het project. Hierbij dient in het bijzonder in overweging worden genomen, de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, het gebruik van hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en risico van ongevallen (met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën).