Toelichting Beleidsregels over de toepassing van spuitzones
Tekst van het document
Beleidsregels over de toepassing van spuitzones De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) regelt de toelating, het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt de wijze van spuiten, de te gebruiken technieken bij het spuiten, de mate van driftreductie (drift is het proces waarbij een gedeelte van de gebruikte gewasbeschermingsmiddelen wordt meegevoerd door de wind) en de afstanden die men bij het spuiten moet hanteren ten opzichte van beken, sloten en andere oppervlaktewaterlichamen. Er is geen wetgeving in Nederland die bepaalt welke afstand men bij het spuiten ten opzichte van gevoelige locaties (een woning) of gevoelige bestemmingen (Wonen en tuin) dient te hanteren. De Raad van State is van mening dat er afstand moet zijn tussen gevoelige functies en de agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Een afstand van 50 meter tussen deze gevoelige functies (hierbij dient de grens van het bestemmingsplan met de bestemming Wonen te worden aangehouden) en agrarische bedrijvigheid is volgens de Raad van State ‘niet onredelijk’. Dit is vastgelegd in jurisprudentie. Het is mogelijk deze afstand te verkleinen met een deugdelijke motivering. Deze motivering moet gebaseerd zijn op een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek.
Bij ieder nieuw plan dat een gevoelige functie mogelijk maakt op een kortere afstand dan 50 meter van agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt, moet worden gemotiveerd waarom dit ruimtelijk aanvaardbaar is. Dat een vorig plan op dezelfde locatie al gevoelige functies toestond, zonder een dergelijke motivering, maakt dit niet anders. Tot 19 oktober 2022 werd voor het zogenaamde locatie specifiek onderzoek het EFSA model gebruikt. Op 19 oktober 2022 heeft de Raad van State een uitspraak gedaan waarin werd bepaald dat het EFSA model niet als algemeen wetenschappelijk model kan worden gehanteerd waarmee in het kader van de ruimtelijke ordening afstanden voor spuitzones kunnen worden bepaald. Het EFSA model vertoont onder andere de volgende manco’s: 1. De gezondheidseffecten op kinderen onder de 1 jaar en zwangere vrouwen zijn niet betrokken in het model. 2. Het model geeft te weinig inzicht bij cumulatie van het gebruik van meerdere gewasbeschermingsmiddelen. Omdat er geen wetenschappelijk aanvaard model is waarmee de effecten van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden bepaald, moet de 50 meter grens worden aangehouden. In de praktijk blijkt deze afstand echter problematisch. Heel veel functies zijn, zeker vanuit bestaande situaties, op een kortere afstand van 50 meter toegestaan.
Omdat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen landelijk is geregeld (Wgb en Bal) zijn gemeentes aan het wachten op landelijke wetgeving om deze problematiek op te lossen. Deze landelijke wetgeving laat op zich wachten of wordt wellicht helemaal niet vastgesteld. Dat betekent dat gemeentes zelf het ‘wiel moeten uitvinden’. Omdat aan de ene kant de gezondheidsrisico’s van haar inwoners om een reactie van de gemeente vragen. En aan de andere kant de agrariërs bestaande rechten hebben die ook niet zomaar kunnen worden afgenomen. Door de ontstane problematiek ligt er een rem ligt op nieuwe ontwikkelingen met name in het buitengebied en ontstaan er knelpunten. Om toch mogelijkheden te scheppen in die gevallen waarvan we vinden dat het echt noodzakelijk is om wel mee te werken, is het gewenst een beleidsregel ter zake van medewerking aan ontwikkelingen op te stellen. Dit is de huidige beleidsregels over de toepassing van spuitzones. Met deze beleidsregel wordt voor de meest knellende gevallen geprobeerd een ‘oplossing te vinden’ waarbij recht wordt gedaan aan de gezondheidsrisico’s van de inwoners enerzijds en anderzijds de belangen van de agrariërs.