CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Raadsvergadering 28 mei 2024, gemeente LeudalBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Grote Laak 10 Te Roggel15.402 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.4.2.2 Risicobronnen Met behulp van Atlas Leefomgeving is bepaald of het plangebied binnen de invloedsgebieden van inrichtingen, buisleidingen of vaar- spoor- of transportwegen welke gevaarlijke stoffen vervoeren is gelegen. Onderstaand is een afbeelding opgenomen van het plangebied binnen Atlas Leefomgeving.

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

30

Figuur 7: Ligging plangebied (rood omlijnd) binnen de kaartlaag veilige omgeving (bron: Atlas Leefomgeving) 5.4.2.2.1

Inrichtingen

Het plangebied is gelegen binnen de 10-6 contour van het composietbedrijf Romar Voss. Echter worden de gronden die zich binnen deze contour bevinden gebruikt als loods en als tuin. Dit betreffen geen (beperkt) kwetsbare objecten waardoor er niet getoetst hoeft te worden aan het Bevi.

Daarnaast bevindt het maatschap Frenken zich ten zuidoosten van het plangebied. Op deze locatie bevinden zich enkele propaantanks en vulpunten. De grootste richtafstand van deze inrichting bedraagt 160 meter. Het plangebied bevindt zich op circa 500 meter afstand waardoor er wordt voldaan aan de richtafstand. 5.4.2.2.2

Buisleidingen

Op circa 5,1 kilometer ten oosten van het plangebied vindt transport van aardgas door een buisleiding plaats. Deze leiding maakt deel uit van de transportroute A-520-01, welke een 1% letaliteitsgrens heeft van 120 meter. Het plangebied ligt hierdoor buiten het invloedsgebied van deze aardgasleiding. 5.4.2.2.3

Basisnet vervoer van gevaarlijke stoffen

Risicovol transport over wegen

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

31

Rondom het plangebied zijn geen wegen gelegen waarover risicovol transport plaatsvindt. De A73 bevindt zich op circa 8,7 kilometer afstand van het plangebied. Dit betreft voldoende afstand dat het plangebied zich niet binnen invloedsgebieden van gevaarlijke stoffen bevindt.

Risicovol transport over spoor- en vaarwegen In de wijde omgeving rond het plangebied zijn geen spoor- of vaarwegen gelegen welke een belemmering kunnen vormen voor het planvoornemen. De Maas bevindt zich op circa 6,5 kilometer van het plangebied. Deze afstand is ruimvoldoende om te kunnen concluderen dat het plangebied zich buiten de invloedsgebieden van gevaarlijke stoffen die over de Maas worden vervoert bevindt. Dit geldt tevens voor de spoorlijn Roermond-Weert welke op circa 3,5 kilometer ten zuiden van het plangebied is gelegen. Over deze spoorlijn worden namelijk niet de gevaarlijke stoffen LT3, GT4 en GT5 vervoert waarbij een richtafstand van meer dan 4 kilometer wordt gehanteerd. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen belemmeringen. 5.4.2.3 Conclusie externe veiligheid Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.4.3

Geluid

5.4.3.1 Wet geluidhinder Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een onderzoekszone van een (spoor)weg, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten zoals woningen binnen een dergelijke onderzoekszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

32

5.4.3.2 Beleidsnota gebiedsgericht geluidbeleid Leudal In oktober 2011 is de beleidsnota gebiedsgericht geluidbeleid gemeente Leudal vastgesteld en in werking getreden. Vanwege het feit dat er binnen de gemeente een aantal relevante ontwikkelingen heeft plaatsgevonden en er nieuwe inzichten zijn verkregen heeft hierop aanvullend een evaluatie en actualisatie plaatsgevonden in 2014. De beleidsnota is een belangrijk document waar diverse beleidsvelden in samen komen. Het doel van het gemeentelijke geluidbeleid is om de kwaliteit van de leefomgeving te behouden of te verbeteren. Uitgangspunt bij het gebiedsgerichte geluidbeleid is de ruimtelijk functionele indeling van het gemeentelijke grondgebied. Hierbij worden de huidige situatie en de ontwikkelingen die op korte termijn gerealiseerd zullen worden geïnventariseerd. Daarnaast is het huidige achtergrondgeluidniveau in heel de gemeente geïnventariseerd (referentieniveaukaart). Op basis van deze inventarisaties wordt de gemeente ingedeeld in akoestische gebiedstypen. Per gebiedstype worden richtwaarden voor het maximaal toelaatbare geluidniveau en andere beleidsregels vastgesteld. Het grondgebied is ingedeeld in een groot aantal deelgebieden die elk zijn gekarakteriseerd door een beschrijving van het ruimtelijk gebruik en het gemiddelde referentieniveau.

Per deelgebied is vervolgens bepaald tot welke categorie van akoestische gebiedstypen het behoort. Het resultaat van deze gebiedsanalyse vormt de basis voor de plankaart behorende bij het lokaal gebiedsgericht geluidbeleid. Onderhavig plangebied is conform de kaart met deelgebieden gelegen binnen de typering Bedrijven. Hier geldt een richtwaarde van 55 dB (A). Conform de kaart 'Belangrijke geluidzones' is het plangebied niet gelegen binnen de geluidzone van nabijgelegen transportassen (weg- en railverkeer).

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

33

Figuur 8: Uitsnede kaart Belangrijke geluidzones (ligging plangebied blauwe pijl) 5.4.3.3 Wegverkeerslawaai Op basis van artikel 76, lid 3 van de Wet geluidhinder hoeft de geluidsbelasting van wegen op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Het betreft hier een bestaande woning, waarvan alleen de planologische status verandert. Het aspect geluid wegverkeerslawaai vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen. Daarnaast wordt het naastgelegen bedrijf niet gekenmerkt als geluidsgevoelig object waardoor toetsing aan de Wet geluidshinder niet noodzakelijk is. 5.4.3.4 Industrielawaai Het initiatief omvat de herbestemming van 'bedrijf' tot ‘wonen’, waarbij de voormalige bedrijfswoning wordt omgezet naar een reguliere woning. De noordelijk gelegen loods op het aangrenzend perceel behoudt de bestemming ‘bedrijf’.Om te waarborgen dat er een goed woon- en leefklimaat binnen de woning wordt behouden is er door Econsultancy een locatiescan verricht. Onderstaand is de conclusie van het rapport opgenomen. Het gehele rapport is opgenomen in de bijlagen. Het onderzoek richt zich uitsluitend op de geluidsbelasting als gevolg van de naastgelegen bedrijfsbestemming aan de Grote Laak, waaraan de woning momenteel is gelieerd als zijnde bedrijfswoning.

Omdat de woning niet is gelegen op een bedrijventerrein in de zin van het Activiteitenbesluit, zal deze in relatie tot overige omliggende bedrijfsbestemmingen geen ander beschermingsniveau genieten. In dat kader is het woon- en leefklimaat op basis van vigerende vergunningen en planologische mogelijkheden reeds aanvaardbaar te noemen, en worden de betreffende inrichtingen planologisch niet beperkt door de functiewijziging.

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

34

De VNG-publicatie stelt een stappenplan voor bij de ruimtelijke inpassing van woningen of bedrijven in elkaars nabijheid. In stap 1 worden richtafstanden gekoppeld aan bedrijfsmatige activiteiten. Wanneer zich binnen die richtafstand woningen bevinden, wordt in stap 2 een richtwaarde gehanteerd voor de geluidsbelasting als gevolg van deze activiteiten. Het plangebied kan worden geschaard onder het gebiedstype 'gemengd gebied' vanwege de ligging naast een bedrijventerrein en woningen. De bedrijfsbestemming wordt ingevuld door installatiebedrijf Iwan Caalders. In overleg met de inrichting is de representatieve bedrijfssituatie vastgesteld. De inrichting is in bedrijf tussen 8.00 uur en 17.00 uur. De gebouwen worden enkel gebruikt voor stalling en opslag. Het bedrijf beschikt over 3 eigen werkbussen. Deze vertrekken ’s ochtends (na 7.00 uur) en komen aan het eind van de werkdag (voor 19.00 uur) weer terug. Het kan voorkomen dat een of meerdere bussen gedurende de werkdag nog eens de inrichting aandoen om iets op te halen. Op een representatieve dag kan 1 vrachtwagen of kleinere bus naar de inrichting komen voor het afleveren van materialen. Deze worden met een handsteekwagen in de loods gereden. Tot slot wordt rekening gehouden met de auto van 1 werknemer en 1 bezoeker, die aan de voorzijde van de loods parkeren. Het voorterrein is verhard met klinkers in keperverband.

Maximale geluidniveaus kunnen zich voordoen als gevolg van het sluiten van autoportieren. Het langtijdsgemiddelde beoordelingsniveau bedraagt maximaal 100 dB (bron: vrachtwagen), het maximale geluidsniveau bedraagt maximaal 103 dB (bron: lossen met steekwagen) en de indirecte hinder bedraagt maximaal 103 dB (bron: vrachtwagen). De geluidsbelasting op de woning Grote Laak 10a als gevolg van de inrichting aan de Grote Laak 10b is lager dan de richtwaarden voor gemengd gebied volgens stap 2 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Omdat in de praktijk sprake is van een bedrijfswoning, is toetsing aan het Activiteitenbesluit niet aan de orde. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning is aanvaardbaar. 5.4.3.5 Conclusie geluid Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 5.4.4

Geur veehouderijen

5.4.4.1 Wet geurhinder en veehouderij Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. 5.4.4.2 Conclusie geurhinder en veehouderij Onderhavig initiatief voorziet enkel in een aanpassing van de bestemming. Het geurgevoelig gebouw (de woning) is al gerealiseerd en de gevoeligheid van de woning verandert door de herbestemming niet. Het aspect geur vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief. 5.4.5

Luchtkwaliteit

5.4.5.1 Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. b. c. d.

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

35

5.4.5.2 Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.

5.4.5.3 Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg

minimaal 2 ontsluitingswegen

3%-norm

3%-norm

1500

3000

Bij de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van een toevoeging aan woningen, waarmee binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. 5.4.5.4 Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Ingevolge de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³ en voor PM10 40 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de vestiging van de beoogde functie. Volgens de kaarten van het RIVM ligt de concentratie PM2,5 in 2023 ter plaatse tussen de 6 en 8 µg/m³, de concentratie PM10 tussen de 14 en 16 µg/m³ en de concentratie NO2 lager dan 10 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie.

5.4.5.5 Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16, lid 1 onder a van de Wet milieubeheer. De kwaliteit van de lucht ter plaatsen van het plangebied is dan ook goed genoeg voor het voortbestaan van de woning en het bedrijf.

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

36

5.4.6

Milieueffectrapportage (m.e.r.)

5.4.6.1 Wet milieubeheer In de Wet milieubeheer is aangeven dat voor bepaalde ontwikkelingen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. In de wet is de procedure beschreven en zijn de inhoudelijke eisen opgenomen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen ‘m.e.r.-plichtige activiteiten’, waarvoor een volledig milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en ‘m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten’, waarbij moet worden afgewogen of sprake kan zijn van significant negatieve gevolgen voor het milieu. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het ruimtelijk plan of de omgevingsvergunning plan m.e.r.-plichtig, project m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. In het Besluit m.e.r. zijn voor deze activiteiten drempelwaarden opgenomen. Daarnaast zijn er ruimtelijke ontwikkelingen die onder de drempelwaarden blijven. Voor dit soort situaties geldt dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' uitgevoerd moet worden. Deze toets is weliswaar 'vormvrij'; de wet stelt echter wel eisen aan de inhoud. In de praktijk betekent dat in de toelichting bij het ruimtelijk plan een paragraaf 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' wordt opgenomen. 5.4.6.2 Toets m.e.r.-plicht Voorliggend bestemmingsplan ziet op het herbestemming van bedrijf naar wonen waarbij geen sloop- of bouwwerkzaamheden zijn voorzien.

Deze activiteit komt niet voor in Lijst C in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. 5.4.6.3 Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In bijlage D van het Besluit m.e.r. is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. Het herbestemmen van de gronden zou kunnen vallen onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen". 5.4.6.4 Conclusie milieueffectrapportage Het voorliggende initiatief betreft de herbestemming van een bestaande situatie. Er worden geen woningen toegevoegd en het bestaande bedrijf zal ook niet uitbreiden. Er is derhalve geen m.e.r.(beoordelings)-procedure noodzakelijk. Er hoeft geen vormvrije m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden. 5.4.7

Milieuzonering

5.4.7.1 Algemeen Een goede ruimtelijke ordening voorziet onder andere in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven of inrichtingen) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In deze publicatie worden indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De gegeven afstanden zijn richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in specifieke situaties mogelijk zijn (indien benoemd en gemotiveerd).

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

37

5.4.7.2 Milieuzone Binnen het plangebied vigeert de milieuzone boringsvrije zone waarbij het verboden is om de grond te roeren inclusief het verrichten van grondboringen of heiwerkzaamheden dieper dan 80 meter beneden het maaiveld. Onderhavig planvoornemen voorziet niet in sloop- of bouwwerkzaamheden en zal dus bovenstaande grenswaarde niet overschrijden. De milieuzone binnen het plangebied vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen. 5.4.7.3 Toets plangebied Onderhavig initiatief is gelegen in een door de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' gedefinieerd 'gemengd gebied', aangezien de projectlocatie zich naast het bedrijventerrein Roggel bevindt. Hierdoor kan de richtafstand met een stap worden verlaagd. Het bedrijventerrein laat bedrijvigheid tot milieucategorie 3 toe. Er dient inzichtelijk te worden gemaakt of ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dat omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden en bedrijfsvoering worden beperkt, waaronder het aangrenzende bedrijf . In de omgeving zijn enkele bedrijfsmatige functies gelegen. In het kader van bedrijven en milieuzonering betekent dit dat de onderstaande richtafstanden in acht moeten worden genomen.

Activiteit

Werkelijke afstand (m)

Milieucategorie

Richtafstand

Caalders-nott / J W, verwarmingsinstallateur

8

1

0

Van Ophoven Installaties

1

1

0

Autovakmeester Peeters en Gubbels

50

2

10

ACP keukenrenovaties

55

3.1

30

De Foliedokter

55

3.1

30

Romar Voss

40 m tot perceel, 70 m tot bedrijfsgebouw

3.2

50

Uit bovenstaande tabel blijkt dat enkel het composietbedrijf Romar Voss de richtafstand tot de woning overschrijd. Echter lijkt de productie van het composietbedrijf voornamelijk binnen het bedrijfsgebouw plaats te vinden. De afstand van de woning tot het bedrijfsgebouw voldoet wel aan de richtafstand. Daarnaast verandert de gevoeligheid niet en de woning wordt straks net zo goed beschermd als nu het geval is. Er kan derhalve worden gesteld dat er sprake is en zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de omliggende bedrijven zullen niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. 5.4.7.4 Conclusie milieuzonering Het aspect 'milieuzonering' vormt naar aanleiding van bovenstaande bevindingen geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

38

5.5

Natuur

5.5.1

Algemeen

De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. De provinciale groenstructuur is vastgelegd in de POVI en de Omgevingsverordening Limburg 2014 en 2021.

Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.

Stappenplan soortenbescherming Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend.

Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

39

aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. 5.5.2

Gebiedsbescherming

5.5.2.1 Wettelijke gebiedsbescherming Natura 2000 Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, 'Weerter en Budelerbergen & Ringelsven', bevindt zich op respectievelijk circa 2,9 kilometer ten noordwesten (dichtstbijzijnde punt) van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien het planvoornemen in de omzetting van een (bestaande) bedrijfswoning naar een reguliere woning voorziet en het huidige bedrijf wordt voortgezet, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening benodigd. Gezien er geen bouw- of sloopactiviteiten zijn voorzien dient er enkel een stikstofdepositieberekening van de gebruiksfase te worden uitgevoerd.

Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening van de gebruiksfase uitgevoerd. De berekening inclusief een aanvullende toelichting is opgenomen in de bijlagen.

Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat bij de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.

Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming. 5.5.2.2 Provinciale gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone, de zilvergroene natuurzone of de bronsgroene landschapszone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 1,1 kilometer ten oosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Onderzoek in het kader van het goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 5.5.3

Soortenbescherming

Conform de wet natuurbescherming dient de initiatiefnemer passende maatregelen te nemen om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Echter voorziet dit bestemmingsplan niet in bouw- of sloopwerkzaamheden welke schade zou kunnen veroorzaken aan de aanwezige soorten binnen het plangebied. Onderzoek in het kader van soortenbescherming wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 5.5.4

Houtopstanden

Binnen het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig welke mogelijk schade kunnen ondervinden van onderhavig planvoornemen.

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

40

5.5.5

Conclusie natuur

Onderhavig planvoornemen voorziet niet in bouw- of sloopwerkzaamheden waardoor het initiatief geen flora of fauna zal schaden. Een quickscan flora fauna wordt daardoor niet noodzakelijk geacht. Daarnaast blijkt uit de stikstofberekening van de gebruiksfase dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Er is derhalve geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming en het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan. Vanuit het aspect 'ecologie' bestaan er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

5.6

Verkeer en parkeren

5.6.1

Verkeer

Onderhavige ontwikkeling voorziet in een herbestemming van het plangebied. Het plan heeft daardoor geen verkeersaantrekkende werking en het aantal verkeersbewegingen zal gelijk blijven. Het omliggende wegennetwerk heeft de afgelopen jaren de verkeersbewegingen van de woning en het bedrijf kunnen verwerken en zal dit naar verwachting de komende jaren ook kunnen. Het plangebied blijft derhalve goed bereikbaar en ontsloten. 5.6.2

Parkeren

Conform de 'Nota Parkeernormen' van de gemeente bestaat binnen het plangebied de navolgende parkeerbehoefte: 1 woning (koop, vrijstaand in het buitengebied): 2,8 parkeerplaatsen; 1 bedrijf (loods, type arbeidsextensief en bezoekersextensief binnen het buitengebied en oppervlakte conform nieuwe begrenzing: circa 900m2) : 11,7 parkeerplaatsen (9 x 1,3 = 11,7); De totale parkeerbehoefte komt derhalve uit op circa 15 parkeerplaatsen. Aan de voorzijde van de woning en het bedrijf bestaat voldoende ruimte om de parkeerbehoefte op te vangen. 5.6.3

Conclusie verkeer en parkeren

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

5.7

Waterhuishouding

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. 5.7.1

Beleidskader water

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het besluitgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.

Nationaal: Nationaal Waterplan; Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

41

Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Provinciaal: Provinciaal Waterprogramma Limburg 2022-2027. 5.7.1.1 Beleid Waterschap Limburg Het Waterbeheerplan 2022-2027 is op 8 december 2021 vastgesteld door de Algemene besturen van Waterschap Limburg. Het plan heeft een looptijd van 2022 tot en met 2027. Met dit Waterbeheerplan zet Waterschap Limburg de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In dit plan is vastgelegd hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen en houden. Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. 5.7.1.2 Brochure 'Regenwater schoon naar beek en bodem' In deze brochure van de Limburgse waterbeheerders worden de richtlijnen en de voorkeursvolgorde voor het afkoppelen van regenwater van het riool beschreven bij (vervangende) nieuwbouw. De voorkeursvolgorde gaat voor het afkoppelen uit van de trits vasthouden, bergen, afvoeren. Voor het grondoppervlak, dakoppervlak, en voor hergebruik worden richtlijnen gegeven voor het afkoppelen.

5.7.1.3 Keur Waterschap Limburg Waterschap Limburg streeft ernaar op bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en binnen het besluitgebied te verwerken. Ten aanzien van onderhavig plan is de Keur van Waterschap Limburg (in werking getreden op 1 april 2019) van toepassing. 5.7.2

Kenmerken van het watersysteem

5.7.2.1 Bodem- en grondwater Het plangebied ligt binnen de Boringsvrije zone Roerdalslenk III, waarbij het verboden is in de boringsvrije zone Roerdalslenk beneden de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei (op 80 meter diepte) zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren. De onderhavige ontwikkeling voorziet niet in het onttrekken van grondwater of infiltreren dieper dan 80 meter. 5.7.2.2 Oppervlaktewater In het plangebied is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Conform de Leggerkaart van Waterschap Limburg betreft het dichtstbij gelegen primair oppervlaktewater de Lakerlossing (circa 170 meter) ten zuidoosten van het plangebied. Daarnaast bevindt de Roggelsebeek zich op circa 380 meter van het plangebied en de Bevellandsbeek op circa 550 meter. Middels onderhavige ontwikkeling wordt geen invloed uitgeoefend op deze waterlopen. 5.7.2.3 Afvalwater en hemelwater Het afvalwater dat afkomstig is van de huidige bebouwing wordt geloosd op het bestaande rioolstelsel.

Wat betreft hemelwater streven het Waterschap Limburg (middels de Keur) en de gemeente Leudal ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken.

De ontwikkeling betreft een herbestemming van de huidige bedrijfsbestemming naar een woonbestemming waarbij het hemelwater via het bestaande rioolsysteem wordt afgevoerd. Er worden geen nieuwe verhardingen aangebracht.

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

42

Derhalve valt het initiatief binnen het GRP van de gemeente Leudal onder het type bestaande bouw. Voor bestaande gebouwen en percelen geldt dat de gemeenten het hemelwater blijft inzamelen en transporteren naar een zuiveringtechnisch werk (RWZI, bij gemengde riolering), het oppervlaktewater of naar de bodem (bij gescheiden riolering).

Het eerste lid van artikel 6.1 van de Keur regelt dat werken die vóór inwerkingtreding van de nieuwe Keur (2019) conform een algemene regel of met vergunning zijn aangebracht of als zodanig worden beschouwd rechtsgeldig te zijn aangebracht, ook onder de nieuwe Keur worden toegestaan. Het hemelwater wordt derhalve ook in de toekomstige situatie via het bestaande rioolsysteem opgevangen. 5.7.3

Conclusie waterhuishouding

Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

43

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische aspecten

Planstukken

Het bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en de verbeelding. De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van de aanwezige bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse bepalingen artikelsgewijs besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het Handboek ruimtelijke plannen Leudal 2019.

6.2

Plansystematiek

Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Leudal voldoet het bestemmingsplan qua systematiek aan het Handboek ruimtelijke plannen Leudal 2019 en het bestemmingsplan 'Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016' zoals dat voor het buitengebied in de gemeente Leudal geldt. 6.2.1

Toelichting op de verbeelding

De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:500. Op de analoge verbeelding wordt door middel van matrices per bestemming specifieke informatie weergegeven. 6.2.2

Toelichtings op de regels

De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

44

De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden.

Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden te kunnen afwijken van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik.

De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Voor het plangebied gelden de enkelbestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Wonen’. Daarbij zijn de bouwvlakken en functieaanduiding overgenomen. De bestemmingsregelingen beginnen, overeenkomstig de SVBP2012, met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de bestemming is toegekend, gebruikt mogen worden. Deze bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door de bouwregels, waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan. Afhankelijk van de bestemming en de noodzakelijke regeling kunnen de bouwregels worden gevolgd door nadere eisen, specifieke gebruiksregels, omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (voormalige aanlegvergunning), omgevingsvergunning voor het slopen van bouwwerken (voormalige sloopvergunning) en wijzigingsbevoegdheden. Ook kunnen afwijkingsregels voor bebouwing en gebruik zijn opgenomen (voormalige ontheffingsbepalingen).

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

45

Algemene regels In de algemene regels zijn een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn regels gesteld die gelden voor alle bestemmingen uit hoofdstuk 2. In dit geval zijn dit regels met betrekking tot ondergronds bouwen en bestaande afstanden. Algemene gebruiksregels Hierin is het strijdig gebruik weergegeven. Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: 1. gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting 2. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning als zelfstandige woningen en als afhankelijke woonruimte, behoudens gebruik als woonruimte ten behoeve van mantelzorg; 3.

huisvesting van arbeidsmigranten, behoudens de huisvesting van arbeidsmigranten die alleen of gezamenlijk een huishouden vormen in een (bedrijfs)woning; 4. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; 5. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond. Algemene afwijkingsregels In deze regels zijn algemene afwijkingsbepalingen opgenomen. Zo is opgenomen dat binnen alle bestemmingen kan worden afgeweken van opgenomen maten tot een maximum van 10%. Ook zijn afwijkingsregels opgenomen die het mogelijk maken bij meetverschillen ontwikkelingen toe te staan en is bepaald dat kleine bouwwerken van openbaar nut, mits ze voldoen aan bepaalde voorwaarden, ook in afwijking van de bestemmingsregels vergund kunnen worden. Tevens is een regeling opgenomen voor bed & breakfast, bedrijf aan huis, bijbehorende bouwwerken zijerfgebied en ruimtelijk relevante evenementen.

Algemene wijzigingsregels In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders een algemene bevoegdheid gegeven om kleinschalige wijzigingen aan te brengen in de bestemmingen van onderhavig plan. Binnen de wijzigingsregels is tevens een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om onbenutte of deels onbenutte bouwvlakken te verwijderen of het maximum aantal wooneenheden te verminderen. Algemene procedureregels In de algemene procedureregels zijn de procedures opgenomen die dienen te worden doorlopen bij het stellen van nadere eisen. Alle andere te volgen procedures liggen vast in de Wro en/of in de Wabo.

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

46

Overige regels Hierin zijn regels opgenomen omtrent parkeren.

Overgang- en slotregels Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen. Overgangsrecht In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

47

Hoofdstuk 7 7.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Deze verplichting vervalt indien de gronden volledig in eigendom zijn van de gemeente. Het voorliggende initiatief heeft betrekking op de herbestemming van de huidige woning en reeds aanwezige bedrijf er is derhalve geen sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.12 van de Wro. Het kostenverhaal hoeft derhalve niet te worden verzekerd middels een exploitatieplan of een andere vorm van kostenverzekering.

7.2

Maatschappelijke haalbaarheid

7.2.1

Omgevingsdialoog

Met het planvoornemen worden gronden met een bedrijfsbestemming omgezet in een woonperceel. De woning is al gerealiseerd en er zijn geen bouw- of sloopwerkzaamheden voorzien. De woning is ruimtelijk gezien aanvaardbaar en het planvoornemen doet geen afbreuk aan de bestaande ruimtelijke structuur. Er is hierdoor afgezien van een omgevingsdialoog omdat de mogelijkheid er niet meer is om de woning in samenspraak aan te passen.

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

48

Hoofdstuk 8

Procedure

De wettelijke procedure volgt uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en start met het moment van terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan.

De procedure ziet er als volgt uit: Openbare kennisgeving van het ontwerp-bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan Gedeputeerde Staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

8.1

Overleg artikel 3.1.1 Bro

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken Rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is.

8.2

Ontwerpplan

Het ontwerp bestemmingsplan heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 Wro zes weken ter inzage gelegen.

8.3

Vastgesteld plan

Het bestemmingsplan is in de raadsvergadering van ... vastgesteld.

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

49

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

50

Eindnoten

1. O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

bestemmingsplan Grote Laak 10 te Roggel

51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=5f7d786d-ae14-4797-94a4-fc5e01736a28