CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Commissievergadering Fysiek 23 januari 2024, gemeente LeudalBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West te Ittervoort15.710 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

33

4.1.9

M.e.r.-beoordeling

Naar aanleiding van de uitkomst van paragraaf 4.1.8 is opstellen van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Voorliggend initiatief betreft de volgende activiteit: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' In de m.e.r.-beoordeling dient te worden voldaan aan opbouw uit bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Hierbij is gelet op de aard en relatief beperkte omvang van de ontwikkeling gekozen voor een beknopte samenvattende tabel die in deze paragraaf is opgenomen. In de bovengenoemde Europese richtlijn is gesteld dat moet worden ingegaan op: 4. Kenmerken van het project. Hierbij dient in het bijzonder in overweging worden genomen, de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, het gebruik van hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en risico van ongevallen (met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën). 5. De plaats van de projecten.

Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen, het bestaande grondgebruik, de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit van het regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen van het gebied en het opnamevermogen van het natuurlijk milieu. Hierbij geldt dat in het bijzonder aandacht dient uit te gaan naar de volgende typen gebieden: wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, vogelrichtlijn- of habitatrichtlijngebieden, gebieden waarbij vastgestelde normen inzake milieukwaliteit worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid of landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 6. Kenmerken van het potentiële effect. Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van bovenstaande punten in het bijzonder in overweging worden genomen: het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking, het grensoverschrijdende karakter van het effect, de waarschijnlijkheid van het effect en de duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect. Op basis van bovenstaande vormvereisten zijn in navolgende tabel de relevante kenmerken van het plan weergegeven, alsmede de belangrijkste effecten die het plan op de omgeving zal veroorzaken.

In het kader van het nieuwe bestemmingsplan zijn voor deze locatie diverse (milieu)onderzoeken uitgevoerd. Uit deze onderzoeken, waarvan de uitkomsten zijn verwerkt in de toelichting van het bestemmingsplan, blijkt dat het plan slechts beperkte milieueffecten heeft.

Kenmerken van het plan Omvang van het project (relatie met drempel D-lijst)

D11.2 : ''de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Het initiatief bestaat uit de realisatie van het integrale Kindcentrum Leudal West, bestaande uit een basisschool, een kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang, een bibliotheek en een sportzaal met bijbehorende voorzieningen. Gelet op de aard en beperkte omvang van het initiatief worden de indicatieve drempelwaarden uit de D-lijst niet overschreden. Desalniettemin dient te worden aangetoond dat als gevolg van een project geen mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Hieraan wordt onderstaand invulling gegeven.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

34

Cumulatie met andere projecten

Er zijn geen autonome ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied bekend, die aanleiding geven tot cumulatie van milieueffecten met andere projecten. Daarmee is er voor wat betreft cumulatie met andere projecten geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

Gebruik natuurlijke hulpbronnen

Er is geen sprake van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen bij de realisering van de voorgenomen activiteiten zoals hiervoor beschreven. De woningen zullen allen aardgasvrij worden gerealiseerd. Er worden (bouw)materialen gebruikt zoals staal, hout, steen en beton, maar dit betreft een eenmalig gebruik en deze materialen zijn niet bijzonder schaars. Daarmee is er voor wat betreft het gebruik van natuurlijke hulpbronnen geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

Productie afvalstoffen

Bouw- en sloopafval tijdens de aanlegfase zal door de betreffende aannemers worden afgevoerd en verwerkt. Tijdens de gebruiksfase is sprake van de productie van regulier 'huishoudelijk' afval GFT, papier, plastic, restafval en overige stromingen. Bij het complex worden voorzieningen voor afvalverzameling geplaatst die met regelmaat geleegd worden. Tijdens zowel de aanleg- als de gebruiksfase vindt er kortom geen productie van stoffen plaats die leiden tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen of tot effecten voor de bodemen waterkwaliteit. Daarmee is voor wat betreft de productie van afvalstoffen geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

Verontreiniging en hinder

De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt buiten de reguliere hinder gedurende de aanlegfase, die gebruikelijk is bij een dergelijke stedelijke ontwikkeling, geen onevenredige hinder die leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor wat betreft de gebruiksfase blijkt uit de uitgevoerde onderzoeken zoals beschreven in hoofdstuk 4(, dat evenmin sprake is van onevenredige hinder voor de omgeving. Daarmee is voor wat betreft verontreiniging en hinder geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

Risico voor ongevallen

Nee

Plaats van het project Plaats van het project

Het plangebied ligt aan de Brigittastraat in Ittervoort, gemeente Leudal.

Bestaande grondgebruik

Onbebouwd agrarisch landschap

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

35

Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

Niet van toepassing. Er zijn geen bijzondere aardkundige waarden of andere natuurlijke hulpbronnen aanwezig.

36

Opname vermogen milieu met aandacht voor wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, H/V richtlijngebieden, gebieden waar milieunormen worden overschreden, gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, landschappelijk historisch cultureel of archeologische gebieden van belang.

Op basis van het onderzoek dat in het kader van de planvorming is uitgevoerd blijkt dat het plan geen significant negatieve effecten veroorzaakt voor de omgeving. Bodem Voor de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd. Op grond van dit onderzoek is geconcludeerd dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen zijn voor de bestemmingsplanwijziging. Externe veiligheid In het kader van de beoogde ontwikkeling is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd. Daarnaast is een verantwoordingsrapportage in verband met het groepsrisico opgesteld. Uit deze rapportages blijkt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt. Verder dient te worden opgemerkt de ontwikkeling geen significante risico's voor ongevallen met zich meebrengt. Verkeersbewegingen van en naar het plangebied kunnen op een veilige manier plaatsvinden. Er worden geen extra gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd. Geluid wegverkeerslawaai Uit het akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai blijkt dat de geluidbelastingen inclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder vanwege wegverkeer op de Brigittastraat ter plaatse van het westelijke gedeelte van het plangebied meer dan 48 dB bedragen, de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder. Aan de maximale ontheffingswaarde (63 dB) wordt ter plaatse van het gehele plangebied wel voldaan.

Maatregelen om de geluidbelasting te verlagen zijn beschouwd. Om geluidgevoelige bebouwing c.q. vertrekken met gevels in dit westelijke deel van het plangebied, waarbij de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, mogelijk te maken, dienen hogere waarden vastgesteld te worden. Toetsing hieraan vindt plaats in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvraag. De geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de Heijerveld (een 30 km/uur-weg) bedraagt minder dan de voorkeurswaarde van 48 dB (voor vergelijkbare 50 km/uur-wegen). Deze geluidbelasting wordt als acceptabel beoordeeld. Geconcludeerd wordt dat daarmee sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Geluid industrielawaai Ten behoeve van geluid industrielawaai is een onderzoek uitgevoerd waaruit naar voren is gekomen dat de ontwikkeling inpasbaar wordt geacht en dat ter plaatse van nabij gelegen woningen sprake zal blijven van een goed woon- en leefklimaat. Luchtkwaliteit Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

37

uitvoering van het voorgenomen plan. Geurhinder Het aspect geur wordt niet maatgevend geacht in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. Dit aspect vormt geen belemmering. Archeologie Op grond van de uitgevoerde archeologische onderzoeken, wordt het plangebied vrijgegeven voor nader onderzoek. Dit betekent dat het aspect archeologie geen belemmering vormt. Cultuurhistorie Er bevinden zich geen cultuurhistorische waarden binnen het plangebied en de directe omgeving waarop met de voorgenomen ontwikkeling een negatieve invloed zou kunnen worden uitgeoefend. Ecologie Ten behoeve van flora en fauna is een quickscan uitgevoerd waaruit naar voren is gekomen dat indien de aanbevelingen uit het onderzoek in acht worden genomen er vanuit de gebieds- en soortenbescherming geen onoverkomelijke bezwaren zijn tegen de realisatie van het Kindcentrum Leudal West. Stikstofdepositie Uit de uitgevoerde berekeningen naar de gebruiksfase en de aanlegfase blijkt dat in het kader van een voortoets significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten waardoor het uitvoeren van een passende beoordeling evenals het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde is en het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan.

Verkeer en parkeren Op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform de gemeentelijke parkeernormen. De voorgenomen ontwikkeling zal niet leiden tot een toenemende parkeerdruk op het openbaar gebied. Verder wordt de ontwikkeling vanuit verkeerskundig oogpunt inpasbaar geacht.

Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking)

Niet van toepassing

Grensoverschrijdend karakter

Niet van toepassing

Orde van grootte en complexiteit effect

Niet van toepassing

Waarschijnlijkheid effect

Niet van toepassing

Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect

Niet van toepassing

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

38

Conclusie De ontwikkeling van het Kindcentrum Leudal West leidt niet tot significante milieueffecten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet noodzakelijk.

4.2

Archeologie en cultuurhistorie

4.2.1

Archeologische waarden

In het kader van de beoogde ontwikkeling is een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Ten behoeve van het proefsleuvenonderzoek is voorafgaand hieraan een Programma van Eisen opgesteld dat als Bijlage 9 bij deze toelichting is opgenomen. De rapportage van het proefsleuvenonderzoek is als Bijlage 10 opgenomen. Op basis van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek (IVO-P) is vastgesteld dat er binnen de grenzen van het plangebied geen vindplaats aanwezig is. Wel is in samenhang met fragmenten maalsteen, een dusdanige verspreiding van prehistorisch aardewerk uit de periode midden neolithicum A tot en met de ijzertijd aangetroffen, dat er binnen het plangebied een nederzetting uit deze periode/periodes aanwezig is geweest, of dat deze nog direct ten oosten van het plangebied aangetroffen kan worden. Het proefsleuvenonderzoek heeft echter aangetoond dat er In het plangebied hier echter geen resten van aanwezig zijn, anders dan het vondstmateriaal. Op grond van deze bevindingen is het plangebied dan ook vrijgegeven. Vanuit het aspect archeologie bestaan er kortom geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Tot slot dient te worden opgemerkt dat, los van het feit dat het plangebied is vrijgegeven, de mogelijkheid dat er in het plangebied archeologische vondsten worden gedaan, niet volledig kan worden uitgesloten.

Conform paragraaf 5.4, 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet geldt dan ook de verplichting om archeologische vondsten te melden. Bij het doen van vondsten waarvan wordt vermoed dat het om archeologische vondsten of sporen gaat, is het verplicht deze onmiddellijk te melden bij de bevoegde instantie, in dit geval de gemeente. 4.2.2

Cultuurhistorischewaarden

Volgens artikel 3.1.6, lid 5 van het 'Besluit ruimtelijke ordening (Bro)' dient de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving te bevatten van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Binnen het plangebied en de directe omgeving is geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle elementen, waarop met de voorgenomen ontwikkeling een negatieve invloed wordt uitgeoefend. Vanuit het aspect cultuurhistorie bestaan er kortom geen belemmeringen.

4.3

Ecologie

4.3.1

Verkennend flora- en fauna onderzoek Kindcentrum Leudal West

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd voor de gronden waaraan middels dit bestemmingsplan de bestemming 'Maatschappelijk' wordt toegekend. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als Bijlage 11 bij deze toelichting is opgenomen. Beschermde soorten Uit de toetsing van de resultaten van het onderzoek aan de Wet natuurbescherming blijkt dat bij uitvoering van de ingreep mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op broedvogels. Daarbij kan aanwezigheid van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten binnen het

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

39

onderzoeksgebied niet worden uitgesloten. Broedvogels- rekening houden met broedseizoen Binnen het onderzoeksgebied zijn ten tijde van het veldonderzoek geen jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten met vaste rust- en/of verblijfplaatsen en/of nesten van algemene broedvogels aanwezig. In het aangrenzende bosperceel zijn drie nesten van algemene broedvogels aangetroffen. Het is niet uit te sluiten dat in de periode tot aan en tijdens de uitvoer van de werkzaamheden, algemeen voorkomende broedvogels tot broeden komen in het bosperceel en/of in de bomenrij langs de Brigittastraat. Met het uitvoeren van de voorliggende werkzaamheden kan hiermee een negatief effect optreden op algemene broedvogelsoorten. Het is mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden vogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1.4.). In gebruik zijnde nesten zijn streng beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield worden bij de uitvoer van de werkzaamheden. Er dient derhalve bij voorkeur gewerkt te worden buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli, afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort.

Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, kan middels een broedvogelschouw onderzocht worden of in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn binnen of direct grenzend aan het onderzoeksgebied. Indien nesten afwezig zijn, kan het volledige/kunnen delen van het onderzoeksgebied vrijgegeven worden voor de werkzaamheden. Vleermuizen - voorkomen verstoring door verlichting Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dienen negatieve effecten als gevolg van het gebruik van kunstmatige verlichting voorkomen te worden op aangrenzende boomstructuren. De werkzaamheden dienen derhalve uitgevoerd te worden tussen zonsopkomst en zonsondergang. Middels deze maatregel worden negatieve effecten op vleermuizen voorkomen. Wanneer werkzaamheden in de avond/nacht uitgevoerd worden, kan er sprake zijn van verstoring door licht. Dit kan voorkomen worden door de verlichting niet op de bomenrijen te schijnen en door te werken met armaturen, waarmee alleen de werklocatie belicht wordt en omliggend gebied ontzien wordt. Algemeen voorkomende soorten - rekening houden met zorgplicht Voor algemeen voorkomende muizensoorten en konijnen bieden met name de bermen van het onderzoeksgebied geschikt leefgebied. Deze soorten zijn in de provinciale verordening van provincie Limburg vrijgesteld van ontheffing.

Het doden van individuen van deze soorten blijft verboden, maar het vangen met als doel deze weer elders uit te zetten daarentegen is wel vrijgesteld van ontheffing. Door middel van zorgvuldig handelen (in het kader van de zorgplicht) tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan daarom een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden. Dit houdt in dat aangetroffen individuen bij de werkzaamheden verjaagd dienen te worden of gevangen en vrijgelaten worden in aanliggend gebied, buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Overige soortgroepen Voor de volgende soortgroepen geldt dat bij het realiseren van de fusieschool geen negatieve effecten verwacht worden: flora, amfibieën, reptielen, vissen, en ongewervelden. Beschermde gebieden Natura 2000 Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat door stikstofdepositie (vermesting en verzuring) negatieve effecten optreden op omliggende Natura 2000-gebieden. Hiertoe dient een aanvullend stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd te worden. Voor de overige verstoringsfactoren geldt dat hiervan geen negatieve effecten te verwachten zijn op omliggende Natura 2000-gebieden. Omdat op voorhand niet kan worden uitgesloten dat door stikstofdepositie siginificant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden optreden, is aanvullend op het verkennend flora- en faunaonderzoek een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

40

Uit de uitgevoerde berekeningen naar het plan blijkt dat de stikstofdepositietoename niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt ter plaatse van Nederlandse Natura 2000-gebieden. Het onderhavige plan zal afzonderlijk - of in combinatie met andere plannen - geen relevante significante cumulatieve effecten kunnen veroorzaken ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden op Nederlands grondgebied. Ter plaatse van Belgische Natura 2000-gebieden bedraagt de stikstofdepositie ten hoogste 0,05 mol N/ha/jaar. Voor wat betreft de stikstofdepositie wordt voldaan aan de 1% minimis-drempel van de KDW waardoor er geen sprake is van een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling conform het tussentijds kader voor de beoordeling van stikstofdeposities, zoals opgenomen in de Ministeriële instructie betreffende de beoordeling van de stikstofuitstoot van vergunningsaanvragen betreffende projecten of activiteiten met mogelijke betekenisvolle effecten op de habitatrichtlijngebieden van de Vlaamse overheid. De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een kindcentrum (stationaire bron/bouwlocatie) waarbij tevens een deel van de emissie vrijkomt ten gevolge van het verkeer (mobiliteit). De bronnen mobiliteit en stationaire bronnen worden in het Vlaamse toetsingskader getoetst aan de 1% norm.

Voor bronnen met een overwegend NH3-emissie (veehouderijen en mestverwerkingsinstallatie) gelden strengere toetsingskaders. In het voorliggende geval is geen sprake van een veehouderij of mestverwerkingsbedrijf en geldt dat de NH3-emissie slechts een fractie betreft van de totale emissie van het project. De beoogde ontwikkeling valt derhalve onder de 1% minimum-drempel. Het beoogde plan zal afzonderlijk - of in combinatie met andere plannen - geen relevante significante cumulatieve effecten veroorzaken ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden op Belgisch grondgebied. In het kader van een voortoets kunnen significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten waardoor het uitvoeren van een passende beoordeling evenals het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde is en het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan. De volledige rapportage van het onderzoek is als Bijlage 13 bij deze toelichting opgenomen. Provinciale gebiedsbescherming Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen effecten verwacht op het Natuurnetwerk Nederland. Houtopstanden Binnen de beoogde ontwikkeling zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Van het eventueel doen van een kapmelding of het aanvragen van een vergunning is hier geen sprake.

Conclusie Met inachtneming van bovengenoemde adviezen, kan het plan in overeenstemming met de Wet natuurbescherming worden uitgevoerd. 4.3.2

Verkennend flora- en faunaonderzoek waterberging en bosschage

Naast het onderzoek zoals beschreven in paragraaf 4.3.1, is voor de beoogde waterberging ten zuiden van het terrein van het Kindcentrum Leudal West en een deel van de bosschage aan de achterzijde van het terrein van het Kindcentrum Leudal West eveneens een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als Bijlage 11 bij deze toelichting is opgenomen. Bij het onderzoek is op de onderzochte locatie geen beschermde flora en fauna waargenomen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen activiteit. Wel kan het gebied gebruikt worden als foerageergebied door vleermuizen. Hiernaar dient een nader onderzoek te worden uitgevoerd. Hoewel geen geschikte spleten en gaten zijn waargenomen in de ‘oude’ bomen aan de bosrand wordt geadviseerd om hiernaar eveneens een nader onderzoek uit te voeren. Door de aanwezigheid van de iepen aan de bosrand is het voorkomen van de iepenpage niet uit te

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

41

sluiten. Bij de veldinspectie zijn geen rupsen waargenomen. Vliegende exemplaren kunnen vanaf 1 juni worden aangenomen. Geadviseerd wordt om de mogelijkheden te bekijken om de iepen te behouden. Indien dit niet mogelijk is dient een nader onderzoek te worden uitgevoerd om de aan-/afwezigheid vast te stellen. Uit de nadere onderzoeken kan volgen dat voor de geplande activiteiten een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Daarnaast is het voorkomen van vrijgestelde soorten als de bastaardkikker, eekhoorn, egel, konijn en steenmarter niet volledig uit te sluiten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage van de Omgevingsverordening Limburg 2014 van de provincie Limburg, waardoor bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling geldt voor de aanvraag van een ontheffing. Voor de steenmarter geldt de vrijstelling alleen in de periode van 15 augustus tot februari. Voor de activiteit zullen bomen worden gerooid en zullen struiken worden verwijderd welke als nestgelegenheid kunnen dienen voor diverse vogels en kleine zoogdieren. Op basis van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

In artikel 3.5 is geregeld dat het opzettelijk verstoren van beschermde fauna evenmin is toegestaan. Werkzaamheden dienen alsdan buiten het broedseizoen (15 maart tot 1 augustus) uitgevoerd te worden. Conclusie Met inachtneming van bovengenoemde adviezen, kunnen de werkzaamheden ter hoogte van de waterberging en de bosschage in overeenstemming met de Wet natuurbescherming worden uitgevoerd. Mocht blijken dat een ontheffingsaanvraag benodigd is, dan worden hiertoe de daartoe benodigde werkzaamheden uitgevoerd en de daartoe benodigde procedures doorlopen.

4.4

Verkeer en parkeren

In het kader van de beoogde ontwikkeling is een verkeerskundige notitie opgesteld, waarin is ingegaan op de verkeersaantrekkende werking en de parkeerbehoefte van de toekomstige functies binnen het plangebied. De volledige notitie is als Bijlage 14 bij deze toelichting opgenomen. Onderstaand wordt achtereenvolgens voor verkeer en parkeren kort ingegaan op de conclusies, waarbij aanvullend op de verkeerskundige notitie onder het kopje 'verkeer' tevens is ingegaan op de wegtypering en capaciteit van de Brigittastraat in relatie tot de bestaande en te verwachten toekomstige verkeersintensiteiten. 4.4.1

Verkeer

Voor de bepaling van de verkeersaantrekkende werking zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Stedelijkheidsgraad: Niet stedelijk Locatie: Buitengebied Kencijfer: Maximaal Oppervlakte Bibliotheek: 70 m² Oppervlakte Sportzaal: 1.050 m² Oppervlakte Kinderdagverblijf: 165 m² / 2 groepen à 16 kinderen Aantal klassen basisschool: 10 Buitenschoolse opvang: maakt gebruik van schoolruimtes De totale verkeersgeneratie van de beoogde functies binnen het plangebied bedraagt op basis van de in de verkeerskundige notitie beschreven uitgangspunten, circa 590 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor wat betreft de omliggende infrastructuur kan worden opgemerkt dat de Brigittastraat ter hoogte van het plangebied een gebiedsontsluitingsweg is binnen de bebouwde kom. De inrichting en uitstraling van deze weg sluiten daarbij aan, zoals de maximumsnelheid van 50 km/u, asmarkering en een (vrijliggend)fietspad. De maximale capaciteit van een gebiedsontsluitingsweg is over het algemeen zo'n 10.000 motorvoertuigen (mvt) per etmaal. Afhankelijk van de inrichting kan deze lager liggen, zoals in

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

42

deze locatie, waarbij een wegversmalling is opgenomen met voorrangsregeling. De stelregel is dat dit een verlaging van 2.500 mvt per etmaal oplevert met betrekking tot de capaciteit van de weg. Dit betekent dat uitgegaan kan worden van een capaciteit van circa 7.500 mvt per etmaal. Op basis van recente tellingen in de periode van 3 oktober tot en met 16 oktober 2023, blijkt sprake te zijn van een gemiddeld aantal voertuigen van circa 2.505 per etmaal, met een vrijwel gelijke verdeling van het aantal voertuigbewegingen in noordelijke en zuidelijke richting. Gelet op de toename als gevolg van de beoogde ontwikkeling komt het totaal op circa 3.095 mvt per etmaal, ruimschoots minder dan de gemiddelde capaciteit van circa 7.500 mvt per etmaal voor een dergelijke gebiedsontsluitingsweg. De toename van het aantal verkeersbewegingen wordt dan ook inpasbaar geacht op de omliggende infrastructuur. 4.4.2

Parkeren

Het benodigd aantal parkeerplaatsen bedraagt op basis van de in de verkeerskundige notitie beschreven uitgangspunten 57. In het ontwerp voor het Kindcentrum Leudal West is rekening gehouden met deze parkeervraag en is ruimschoots voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Voor wat betreft fietsparkeren geldt dat op basis van de in de verkeerskundige notitie beschreven uitgangspunten 126 fietsparkeerplaatsen nodig zijn bij het Kindcentrum Leudal West. In het kader van de uiteindelijke omgevingsvergunningvraag wordt het concrete ontwerp getoetst aan de gemeentelijke parkeernormen en dient aangetoond te worden dat voldoende parkeervoorzieningen worden gerealiseerd. De voorwaarden hiertoe zijn verankerd in artikel 11.1 van de regels. Hiermee is geborgd dat te allen tijde wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform de meest recente gemeentelijke parkeernormen.

4.5

Waterparagraaf

Voor de beoogde ontwikkeling is een uitgebreide watertoets inclusief infiltratieonderzoek opgesteld om de mogelijke effecten van de ontwikkeling in beeld te brengen. De volledige watertoets is als Bijlage 15 bij deze toelichting opgenomen. Hierna zijn de conclusies en aanbevelingen opgenomen. Beleidskader Het beleid van Waterschap Limburg schrijft voor de afhandeling van regenwater de trits 'opvangen, bergen en infiltreren' voor. Dit beleid is opgenomen in de Keur van het waterschap. Per 1 april 2019 geldt als norm dat 100 mm/24 uur per m2 verhard oppervlak opgevangen dient te worden binnen het plangebied. Waterparagraaf Oppervlaktewater Met behulp van de leggerkaart van Waterschap Limburg is nagegaan of er zich in de omgeving van de projectlocatie oppervlaktewateren bevinden. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen watergangen in beheer van het waterschap gelegen. Op circa 500 meter ten noorden van het plangebied ligt de primaire watergang Waubroekerstraat. Verder is ten zuiden is op circa 550 meter de primaire watergang Itterbeek gelegen. Infiltratieonderzoek Om de mogelijkheden voor de omgang met hemelwater te onderzoeken is op het terrein een infiltratieonderzoek uitgevoerd. Tijdens het onderzoek zijn op het terrein handmatig 3 boringen geplaatst en zijn op 3 locaties infiltratiemetingen uitgevoerd.

Aan de hand van de boringen is de bodemopbouw inzichtelijk gemaakt en de textuur uit de te onderscheiden horizonten geclassificeerd. Uit de boringen is gebleken dat het bovenste deel van de ondergrond bestaat uit matig fijn zand welke matig tot zwak siltig is. Bij één van de boringen is er vanaf circa 2,50 m beneden maaiveld een leemlaag van circa 1 m aanwezig. Tijdens het plaatsen van de boringen is geen grondwater aangetroffen. Uit het infiltratieonderzoek is gebleken dat de doorlatendheid per locatie varieert. Hierbij valt op dat de

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

43

eerste metingen vaak hoger zijn dan de rest van de metingen op dezelfde locatie. Dit heeft te maken met het verzadigd raken van de bodem. Hierom is besloten om deze metingen niet mee te nemen. De gemiddelde k-waarde van de overige metingen bedraagt 20,9 m/d. Om de rekenwaarde van de k-waarde te bepalen wordt conform het voorschrift van Stichting RioNED een factor 0,5 op de gemiddelde k-waarde toegepast. De k-waarde waarmee voor de voorzieningen rekening gehouden dient te worden wordt daardoor (20,9 m/d x 0,5=) 10,5 m/d. Hemelwater In dit stadium is de exacte hoeveelheid te realiseren verhard oppervlak nog niet bekend. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat voor het Kindcentrum Leudal West circa 80% van het terrein wordt ingericht met bebouwing, parkeerterrein en bijvoorbeeld een speelplein. Het volledige plangebied heeft een oppervlakte van circa 7.650 m². Er wordt dus uitgegaan van een verhard oppervlak van circa 6.120 m². Aangezien er in de huidige situatie geen verhard oppervlak op het perceel aanwezig is, is de toename aan verhard oppervlak 6.120 m². Over het oppervlak dient conform de keur van Waterschap Limburg een neerslaghoeveelheid van 100 mm geborgen te worden. Dit komt overeen met een hoeveelheid van 612 m³. Ondergrondse oplossingen zijn in de regel financieel minder aantrekkelijk dan bovengrondse oplossingen.

Bovengrondse maatregelen kosten echter meer ruimte aan het maaiveld. Gezien de hoge infiltratiecapaciteit wordt geadviseerd zoveel mogelijk bovengronds (zichtbaar) te bergen en te infiltreren in de vorm van een maaiveldverlaging en/of een zaksloot. Dit kan worden gedaan door de terreinprofilering zodanig vorm te geven dat regenwater in de groenvoorziening kan worden geborgen en van daaruit infiltreert in de bodem. Wanneer ervan uitgegaan wordt dat 80 % van het oppervlak verhard is, betekent dit dat 20 % onverhard is. Dit komt neer op een onverhard oppervlak van 1.530 m². Een volledige berging in dit onverharde deel betekent een waterschijf van circa (612 m³ / 1.000 m²=) 61,2 cm bij een extreme neerslaggebeurtenis met een intensiteit van 100 mm. Mocht deze hoeveelheid bovengrondse berging niet wenselijk zijn dan kan (een deel van) de bergingsopgave ondergronds gerealiseerd worden in de vorm van kratten of een IT-sleuf met lava onder de voorziene verharding. Gezien de goede doorlatendheid van de ondergrond wordt geadviseerd de leegloop te laten verlopen middels infiltratie. De infiltratievoorziening dient in contact te staan met het goed doorlatende deel van de ondergrond, de zandlagen. Deze hebben een goede waterdoorlaatcapaciteit. Er dient hierbij rekening gehouden te worden met de leemlaag welke bij boring IB01 aangetroffen is.

Dit is een slecht doorlatende bodemsoort en zal daardoor de infiltratie vertragen. Voor het geval de bergingsinhoud ter plaatse van de ondergrondse voorzieningen overbelast raakt (om welke reden dan ook) dient een overstortmogelijkheid (escape) te worden voorzien. Op de perceelsgrens moet het water vrijelijk kunnen overstorten naar het openbare gebied zonder daarbij overlast te veroorzaken Conclusie Binnen het plangebied kan in voldoende mate worden voorzien in hemelwaterberging. De exacte wijze waarop met hemelwater wordt omgegaan, wordt uitgewerkt in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvraag. Vanuit het aspect water bestaan er in relatie tot dit bestemmingsplan geen belemmeringen.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

44

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische aspecten

Planonderdelen

Het bestemmingsplan 'Kindcentrum Leudal West' is vervat in planregels, een verbeelding en een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn conform de RO-standaarden 2012 onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse bepalingen artikelsgewijs besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft géén bindende werking. De toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan evenals bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld conform het gemeentelijk Handboek, de landelijke richtlijn 'Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012), alsmede de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

De regels zijn overwegend afgestemd op de regels van het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'.

5.2

Opzet regels

5.2.1

Inleidende regels

5.2.1.1 Begrippen (art. 1) In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Woningwet/Bouwverordening overgenomen. 5.2.1.2 Peil In de begrippen is onder andere een definitie voor 'peil' weergegeven (artikel 1.56). Dit is in de volgende afbeelding gevisualiseerd.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

45

Afbeelding 22 Visualisatie van de verschillende definities van peil 5.2.1.3 Voorerf-, achtererf- en zijerfgebied Voor de definities van de begrippen 'achtererfgebied' (1.5) en 'voorerfgebied' (1.68) is zo veel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen in het 'Besluit omgevingsrecht'. 5.2.1.4 Wijze van meten (art. 2) Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

46

5.2.2

Bestemmingsregels

5.2.2.1 Algemeen De regels van een bestemming worden conform de SVBP 2012 als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid; Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. In dit bestemmingsplan is voor diverse bestemmingen een nadere eisen-regeling opgenomen. Burgemeester en wethouders kunnen, binnen de reeds aangegeven begrenzingen van het bestemmingsplan (gebruiks- en bouwregels), nadere eisen stellen aan plaats en afmeting van gebouwen indien dit noodzakelijk is voor de aspecten: gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; verkeersveiligheid; sociale veiligheid; brandveiligheid en rampenbestrijding; externe veiligheid; benodigde parkeervoorzieningen; benodigde waterberging. Hieronder worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. 5.2.2.2 Bestemming 'Maatschappelijk' De bestemming 'Maatschappelijk' (artikel 3) is opgenomen voor het gehele plangebied.

De regeling is in z'n algemeenheid afgestemd op gemeentelijke handboek en voor zover nodig en wenselijk toegespitst op het beoogde initiatief. Binnen de bestemming 'Maatschappelijk' zijn maatschappelijke activiteiten in de vorm van een basisschool, een kinderdagverblijf, een buitenschoolse opvang, een bibliotheek en een sportzaal toegestaan, met inbegrip van bijbehorende ondergeschikte voorzieningen. Het buitenspeelterrein ten behoeve van de basisschool, het kinderdagverblijf en de buitenschoolse opvang is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de op de verbeelding opgenomen aanduiding 'speelterrein'. Op deze wijze is een goed woon- en leefklimaat voor de omwonenden geborgd. Verder zijn bijbehorende voorzieningen als groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, voorzieningen van algemeen nut, waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterberging- en infiltratievoorzieningen toegestaan. Gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak. Op de verbeelding zijn het maximale bebouwingspercentage en de maximum goot- en bouwhoogtes aangegeven. In de bouwregels is verder aangegeven aan welke maatvoering hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken moeten voldoen.

Voor het buitenspeelterrein ten behoeve van de basisschool, het kinderdagverblijf en de buitenschoolse opvang is de aanduiding 'speelterrein' op de verbeelding opgenomen. Dit om voldoende afstand tussen het speelterrein en de bestaande woningen te waarborgen.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

47

5.2.3

Algemene regels

5.2.3.1 Anti-dubbeltelregel In de 'Anti-dubbeltelregel' (artikel 4) wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. 5.2.3.2 Algemene bouwregels In de 'Algemene bouwregels' (artikel 5) zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot ondergronds bouwen, over ondergeschikte bouwdelen en over bestaande maten. 5.2.3.3 Algemene gebruiksregels In de 'Algemene gebruiksregels' (artikel 6) is een nadere bepaling opgenomen met betrekking tot het gebruik van de gronden. Tevens zijn regels opgenomen met betrekking tot het houden van evenementen en het innemen van verkoopstandplaatsen.

5.2.3.4 Algemene aanduidingsregels In de 'Algemene aanduidingsregels' (artikel 7) is een regeling opgenomen op basis waarvan voor een zone van 50 meter rondom de bestemming 'Maatschappelijk', voor zover voor deze gronden een agrarische bestemming van toepassing is, het gebruik van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen die leiden tot schadelijke effecten voor het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies, niet is toegestaan. Hiervoor is ter plaatse van deze gronden de gebiedsaanduiding 'milieuzone - spuitzone' opgenomen. 5.2.3.5 Algemene afwijkingsregels en Algemene wijzigingsregels De 'Algemene afwijkingsregels' (artikel 8) en de 'Algemene wijzigingsregels' (artikel 9) verschaffen het bevoegd gezag c.q. burgemeester en wethouders de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. In de Algemene wijzigingsregels (artikel 9) zijn onder meer regels opgenomen waarmee het college van burgemeester en wethouders middels een wijzigingsplan een overschrijding van bestemmingsgrenzen mogelijk kan maken. 5.2.3.6 Algemene procedureregels In artikel 10 zijn de 'Algemene procedureregels' opgenomen.

Deze bevatten alleen nog procedureregels voor het stellen van nadere eisen als bedoeld in artikel 3.6, lid 1 sub d van de Wet ruimtelijke ordening. Voor alle overige procedures zijn reeds procedureregels opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsverplichting) en in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunningen). 5.2.3.7 Overige regels In de 'Overige regels' (artikel 11) zijn de overige zaken geregeld die niet elders kunnen worden ondergebracht. Hierin is een regel opgenomen die aangeeft dat, waar een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming geldt. Tevens wordt aangegeven welke dubbelbestemmingen prevaleren boven andere dubbelbestemmingen indien deze samenvallen. Daarnaast zijn regels opgenomen waarin is vastgelegd dat bij ontwikkelingen voldaan dient te worden aan de door de raad vastgestelde parkeernormen. Daarbij wordt verwezen naar de Nota Parkeernormen 2016.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

48

5.2.4

Overgangs- en slotregels

5.2.4.1 Overgangsrecht In de regel 'Overgangsrecht' (artikel 12) is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. 5.2.4.2 Slotregel In de 'Slotregel' (artikel 13) is aangegeven dat de regels van dit bestemmingsplan dienen te worden aangehaald als "Regels van het bestemmingsplan 'Kindcentrum Leudal West'".

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

49

Hoofdstuk 6 6.1

Haalbaarheid

Financiële uitvoerbaarheid

De Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12.1) verplicht gemeenten gelijktijdig met een ruimtelijk besluit, zoals een bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen, indien er sprake is van een bij wet aangewezen bouwplan en de gronden niet in eigendom zijn bij de gemeente. De gemeente kan hiervan afwijken door het sluiten van een anterieure overeenkomst met de ontwikkelende partij, op basis waarvan het kostenverhaal anderszins verzekerd is. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro): de bouw van een of meerdere woningen; de bouw van een of meerdere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m²; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². Dit bestemmingsplan maakt een bouwplan mogelijk als bedoeld in het Bro. In dit geval is de gemeente Leudal zelf initiatiefnemer voor de ontwikkeling en tevens eigenaar van de gronden.

De gemeente is verantwoordelijk voor de huisvesting van onderwijsvoorzieningen en draagt zorg voor de ontsluiting en de landschappelijke inpassing van het terrein. Hiervoor zijn voldoende financiële middelen beschikbaar. De financiële uitvoerbaarheid is kortom in voldoende mate geborgd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De facultatieve inspraakmogelijkheid is overgeslagen. Het plan is direct als ontwerp ter inzage gelegd omdat voorafgaande inspraak wordt gezien als een dubbeling van procedures. Gedurende de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan hebben burgers, maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. De communicatie met betrekking tot het ontwerp bestemmingsplan vindt via de geijkte kanalen plaats. Naast de wettelijke publicatie van de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan wordt hieraan tevens aandacht besteed op de gemeentelijke website en via lokaal verschijnende huis aan huis bladen. Verder worden zo veel als mogelijk direct belanghebbenden actief geïnformeerd over het voorliggende bestemmingsplan. Vooruitlopend op de formele bestemmingsplanprocedure is met de belanghebbenden in de directe omgeving een omgevingsdialoog gevoerd. Voor een verslag van de omgevingsdialoog wordt verwezen naar Bijlage 16 bij deze toelichting. Voorafgaand aan de besluitvorming door het college van burgemeester en wethouders over het ontwerpbestemmingsplan en de terinzagelegging is er daarnaast een inloopavond georganiseerd. Deze inloopavond vond plaats op dinsdag 27 september 2022 tussen 17.00 uur en 19.00 uur.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

50

6.3

Procedure

6.3.1

Wettelijke procedure

De wettelijke procedure volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro) start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan volgens artikel 3.8 Wro; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad na 12 weken; Algemene bekendmaking van het vastgestelde bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, 6 weken na vaststelling, tenzij gedeputeerde staten ermee instemmen dat die termijn van 6 weken niet hoeft te worden aangehouden; Mogelijkheid tot beroep voor belanghebbenden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking van het vastgestelde bestemmingsplan; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn

een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 6.3.2

Ontwerp bestemmingsplan

Het ontwerp bestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

51

Hoofdstuk 7

Handhaving

Een bestemmingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan een sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden. In dit bestemmingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de planregels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Bewust zijn in het plan geen detailbepalingen opgenomen die – hoewel misschien op zichzelf niet onwenselijk – in de praktijk niet kunnen worden gehandhaafd. In het verlengde daarvan is zoveel mogelijk afgezien van bepalingen die door de bewoners en andere gebruikers als een onnodige beperking van hun vrijheid kunnen worden gevoeld.

Hoe minder knellend de planregels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op den lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien. In de bouwregels zijn maten opgenomen die van toepassing zijn op gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Te realiseren gebouwen en andere bouwwerken moeten voldoen aan deze maatvoering. Als hieraan niet wordt voldaan kunnen burgemeester en wethouders geen omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen. Gebruiksregels zijn opgenomen om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen uit te sluiten. Toetsing aan de gebruiksregels is aan de orde bij functiewisseling of nieuwvestiging. Het gemeentebestuur draagt de verantwoordelijkheid om toe te zien op de naleving van de opgenomen regels in het bestemmingsplan.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

52

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=5c5e090c-ae0d-414c-a21b-b0b2c1f0479c