CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Commissievergadering Fysiek 5 maart 2024, gemeente LeudalBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Heide 16-19 te Roggel'12.825 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan - Toelichting -

Heide 16-19 te Roggel Gemeente Leudal

Bestemmingsplan Heide 16-19 te Roggel Gemeente Leudal

Onderdeel:

Toelichting

IDN-nummer:

NL.IMRO.1640.BP22RoHeide16-ON01

Projectnummer: Status:

ontwerp

Datum:

17 oktober 2023

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding

5

1.1 1.2 1.3 1.4

5 5 6 6

Reden van de bestemmingsplanwijziging Noodzaak van de bestemmingsplanwijziging Ligging en grens van het plangebied Vigerende bestemming

Hoofdstuk 2 Beleid & regelgeving

9

2.1 2.2 2.3

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

9 11 14

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

19

3.1 3.2 3.3

Gebiedsbeschrijving Planvoornemen Ruimtelijke structuur

19 19 22

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten

23

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10

23 26 28 29 30 31 33 35 35 36

Bodem Externe veiligheid Ecologie Hinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten Luchtkwaliteit Water Geluid Kabels en leidingen Verkeer en parkeren Duurzaamheid

Hoofdstuk 5 Juridisch plan

37

5.1 5.2

Wettelijk kader Planonderdelen

37 37

Hoofdstuk 6 Haalbaarheid

39

6.1 6.2

39 39

Financiële haalbaarheid Procedure

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

3

Toelichting

4

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Reden van de bestemmingsplanwijziging

Initiatiefnemer is eigenaar van de locatie Heide 16-19 te Roggel. Op deze agrarische bedrijfslocatie (nr. 19) is het agrarisch bedrijf van initiatiefnemer reeds vele decennia gevestigd. Heide 16 betreft een burgerwoning. Vanwege de groei van het bedrijf is er behoefte aan nieuwe bedrijfsbebouwing in de vorm van een nieuwe loods en uitbreiding van de kas. Tevens is er behoefte aan ruimte voor teeltondersteunende voorzieningen in de vorm van teelttunnels en is het plan van om de oude woning Heide 16 te slopen en deze aan de doorgaande weg Heide ong. te herbouwen. Deze plannen zijn niet rechtstreeks mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan. Hiervoor dient het vigerende bestemmingsplan te worden gewijzigd om de realisatie van deze plannen mogelijk te maken.

1.2

Noodzaak van de bestemmingsplanwijziging

Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, dient de vigerende bestemming te worden gewijzigd, dit kan in de vorm van een herziening van het bestemmingsplan. Tijdens ambtelijk overleg tussen de gemeente Leudal en initiatiefnemer heeft de gemeente Leudal aangegeven dat ze vanuit het vigerende beleid geen belemmeringen zien voor onderhavig planvoornemen. De als bijlage 1 bijgevoegde brief betreft de instemming van het College van B&W. Het plan is ook voorgelegd aan de gemeenteraad van Leudal met de mogelijkheid om te reageren. Hier is door de gemeenteraad geen gebruik van gemaakt.

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

5

1.3

Ligging en grens van het plangebied

Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied

Zoals in bovenstaande figuur is te zien is het plangebied gelegen ten noorden van de kern van Roggel en ten zuidoosten van de kern Heibloem. Verder is het plangebied gelegen in het buitengebied aan de doorgaande weg Heide. Het plangebied Heide 16-19 te Roggel is kadastraal bekend als gemeente Roggel, sectie H, nummers 1491, 1136, 1135, 1492, 2221, 2210 en 2222.

1.4

Vigerende bestemming

De locatie is gelegen binnen de plangrenzen van de gemeente Leudal. Ter plekke van de locatie Heide 16-19 te Roggel vigeert het bestemmingsplan 'Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016' van de gemeente Leudal, dat op 4 september 2019 is vastgesteld. De volgende bestemming is voor het plangebied van toepassing: Enkelbestemmingen: 'Agrarisch met waarden - 2''; 'Wonen' Dubbelbestemming: 'Waarde – Archeologie 5'

6

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

Aanduidingen: Bouwvlak; functieaanduiding 'specifieke vorm van water - waterbassin'; 'gebiedsaanduiding: overige zone - boringsvrije zone'; 'gebiedsaanduiding: overige zone - invloedsgebied beek' (deels). Het realiseren van het planvoornemen is niet mogelijk volgens het vigerende bestemmingsplan. De nieuwe bedrijfsbebouwing, kas en erf is (deels) voorzien buiten het vigerende bouwvlak, ook is de her te bouwen woning voorzien op een andere locatie aan de weg Heide. Om het bestemmingsplan te kunnen wijzigen is onderhavig bestemmingsplan opgesteld. Om te komen tot een goed en duurzaam plan, heeft er ambtelijk vooroverleg met de gemeente Leudal plaatsgevonden.

Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

7

8

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

Hoofdstuk 2

Beleid & regelgeving

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. Het Rijksbeleid wordt besproken aan de hand van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor de beschrijving van het provinciale beleid is gebruik gemaakt van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014). Het gemeentelijke beleid is ontleend aan het vigerende bestemmingsplan 'Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016' en de structuurvisie.

2.1

Rijksbeleid

2.1.1 Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel (behalve paragraaf 4.9). De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: - ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; - duurzaam economisch groeipotentieel; - sterke en gezonde steden en regio's; - toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: - Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. - Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. - Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties. 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving. 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. 10. Beperken van klimaatverandering. 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2- arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. 12.

Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen. 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie.

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

9

14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit). 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit. 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie. 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Toetsing Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van nationale en provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd.

Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) respectievelijk provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. 2.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Daarnaast is ook het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) per 1 oktober 2012 op onderdelen gewijzigd. In artikel 3.1.6 van het Bro is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen. Deze ladder stelt eisen aan de onderbouwing in bestemmingsplannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken. Hiervoor moeten dan 3 stappen worden doorlopen: 1. 2. 3.

er wordt beschreven dat een voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte (trede 1); er wordt beschreven in hoeverre de behoefte zoals beschreven in trede 1 binnen bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen (trede 2); indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen wordt aanvullend beschreven in hoeverre locaties buiten bestaand stedelijk gebied passend ontsloten zijn of zodanig worden ontwikkeld, gebruik makend van verschillende middelen van vervoer.

De eerste vraag is echter: is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling? De vergroting van een agrarische bedrijfslocatie betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling, het verplaatsen van een woning ook niet. Derhalve is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing voor onderhavig planvoornemen.

10

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

2.2

Provinciaal beleid

2.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Provinciale Staten van Limburg hebben op 1 oktober 2021 de provinciale Omgevingsvisie (POVI) vastgesteld. Dit betreft een integrale herziening van het (voorafgaande) POL2014. In het POVI is de provincie opgedeeld in zoneringen. Onderhavig plangebied is gelegen binnen de zonering 'Buitengebied' en 'groenblauwe mantel'.

Uitsnede Povi met aanduiding plangebied

Buitengebied en groenblauwe mantel De gronden die gelegen zijn in de zone 'Buitengebied' betreffen alle gronden in het landelijk gebied die niet zijn gelegen in de 'Natuurnetwerk' of 'groenblauwe mantel'. Het betreffen met name gronden met een agrarisch karakter, waarbij (o.a.) ruimte wordt gegeven voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven. De provinciale beleidsaccenten in de zone 'Buitengebied' zijn gericht op ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe (landbouw)bedrijfslocaties, het terugdringen van de milieubelasting vanuit de landbouw en de kwaliteit en het functioneren van de ondergrond. De gronden die gelegen zijn in de zone 'groenblauwe mantel' zijn gronden die niet gelegen zijn in de zone 'Natuurnetwerk' en 'Buitengebied'. Dit betreft over het algemeen overgangsgebieden tussen reguliere agrarische gronden en natuur. denk hierbij aan beekdalen, bufferzones rondom natuurgebieden, etc. De kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel zijn (zoals beschreven in de Omgevingsverordening Limburg 2021 in paragraaf 7.3): a. het groene karakter; b. het visueel-ruimtelijk karakter; c. het cultuurhistorisch erfgoed; d. het reliëf; e. ruimte voor water en waterberging in de laagten en beekdalen.

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

11

Wanneer deze kenkwaliteiten worden getoetst aan het plangebied kan het volgende worden geconcludeerd: Ad. a: Er is geen sprake van de aanwezigheid van groen/een groen karakter door het ontbreken van beplanting. Ad. b: Het visueel-ruimtelijke karakter wordt bepaald door het gebruik van het perceel als akkerbouwland. Van bijzondere waarden is geen sprake. Ad. c: Er is ter plaatse van het plangebied geen sprake van cultuurhistorisch erfgoed vanwege het ontbreken van bebouwing of andere cultuurhistorische elementen. Ad. d: Van reliëf is ter plaatse van het plangebied nauwelijks sprake. Ad. e: Er is geen sprake van een overloopgebied van de op ca. 125m afstand gelegen Roggelse beek. Omdat er nauwelijks sprake is van reliëf vervult het plangebied geen functie in het kader van waterberging.

Ten aanzien van de gronden die gelegen zijn in de groenblauwe mantel (o.a. het deel van het plangebied waar de nieuwe woning voor een deel is voorzien en waar landschappelijke inpassing/natuurontwikkeling is voorzien) kan worden gesteld dat deze gronden reguliere landbouwgronden betreffen. De aanduiding op de kaart is een zone rondom de op een afstand van meer dan 125m gelegen Roggelse beek. Er is geen sprake van een beekdal ter plaatse van het plangebied maar van een verder uitloopgebied. De voorziene woning zal deze landschappelijke waarden niet aantasten. De kwaliteitscommissie heeft ook bevestigd dat er vanuit landschappelijk oogpunt sprake is van een goede herbouwlocatie van de woning. Ter plaatse is sprake van een regulier agrarisch perceel waarbij geen sprake is van herkenning in het landschap van dit uitloopgebied. Er is geen specifiek hoogteverschil bijvoorbeeld. Daar komt bij dat het landschapsplan binnen de gronden in deze groenblauwe mantel voorziet in nieuwe natuurontwikkeling (nieuwe aanplant alsmede nieuwe natte gronden/natuurlijke poel. Dit komt het klimaatadaptieve karakter ten goede en zorgt ook voor een verbetering van de biodiversiteit ten opzichte van de bestaande situatie (regulier akkerbouwperceel). Dit past goed bij de algemene doelstellingen van deze gronden en betreft derhalve een versterking van deze landschaps-/natuurwaarden c.q.

de kernkwaliteiten van de groenblauwe mantel. Het planvoornemen is passend binnen deze aanduiding/zonering.

Doorkijk Omgevingsverordening Limburg De Omgevingsverordening Limburg is in december 2021 door Provinciale Staten van Limburg behandeld. Deze verordening zal pas met de inwerking treding van de Omgevingswet in werking treden. Ten aanzien van onderhavig planvoornemen kan worden aangegeven in relatie tot deze nieuwe verordening dat het planvoornemen passend is binnen de opgenomen beleidsdoelstellingen en algemene regels. Huisvesting van tijdelijke werknemers voor agrarische bedrijven in het buitengebied betreft goede ruimtelijke ordening. Hiervoor zijn specifieke instructieregels opgenomen ten aanzien van het toepassen van de SNF-normen. Dat is bij onderhavig planvoornemen gebeurd. Op de website van de provincie Limburg is tevens het volgende opgenomen: 'De Provincie Limburg staat voor ‘een inclusieve, open en participatieve samenleving.’ Waar mogelijk leveren wij een bijdrage om de integratie van nieuwkomers te bevorderen. Wij helpen gemeenten om huisvesting te organiseren die voldoet aan het keurmerk van de Stichting Normering Flexwonen (SNF).' Tevens heeft de provincie Limburg beleid vastgesteld (visie internationale werknemers Limburg). Het gemeentelijke beleid sluit aan bij de in deze visie opgenomen provinciale doelstellingen en uitgangspunten

12

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

(o.a. SNF-normen). De provincie Limburg heeft tevens in het kader van vooroverleg aangegeven achter onderhavig planvoornemen te staan. Tevens is de provincie Limburg nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van het beleid van de gemeente Leudal zoals dat is vastgelegd in het paraplu-bestemmingsplan 'Huisvesting internationale werknemers en andere kamerbewoners in Leudal'. 2.2.2 Limburgs Kwaliteitsmenu Voor (ruimtelijke) ontwikkelingen buiten de zogenaamde 'rode contouren' (waarvan in casu sprake is) is het Limburgs Kwaliteitsmenu van kracht. In dit Kwaliteitsmenu geeft de provincie de Limburgse gemeenten een handreiking op welke wijze deze om moeten gaan met ontwikkelingen in het buitengebied. Gemeenten dienen in een structuurvisie dit provinciale beleidskader te verwerken en aan te geven op welke wijze zij toepassing geven aan het Limburgs Kwaliteitsmenu. In z'n algemeenheid betreft het Limburgs Kwaliteitsmenu een beleidsregel die onder voorwaarden ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van Limburg toestaat. Daarbij dient sprake te zijn van 'kwaliteitswinst'. Deze kwaliteitswinst kan op diverse wijzen tot stand komen, zoals bijvoorbeeld het realiseren van een landschappelijke inpassing, het slopen van bedrijfsbebouwing of glasopstanden, het realiseren van natuur of het leveren van een financiële bijdrage in een (gemeentelijk) 'groenfonds'.

De provincie geeft in het Limburgs Kwaliteitsmenu richtlijnen en drempelwaarden voor het bepalen van de hoogte van de tegenprestatie bij verschillende soorten ruimtelijke ontwikkelingen. Onderhavig planvoornemen wordt op basis van het Limburgs Kwaliteitsmenu uitgevoerd.

LKM in relatie tot planvoornemen Onderhavig planvoornemen betreft een ingreep in het buitengebied ten opzichte van de bestaande situatie. De te bouwen nieuwe gebouwen dienen, voor zover mogelijk en noodzakelijk is, te worden voorzien van een gedegen landschappelijke inpassing. Dit is een eis die voortvloeit uit het LKM. Gezien de ligging van de nieuwe bebouwing, aansluitend aan en achter de aanwezige bebouwing (aanwezige loods en kas) en aansluitend aan het erf van initiatiefnemer, blijft er sprake van een ruimtelijk passende locatie. Ook de nieuwe woning ligt op een stedenbouwkundig betere locatie dan de bestaande woning. De nieuwe bebouwing is zichtbaar vanaf de openbare weg en derhalve is een inpassing uitgewerkt (zie bijlage 2 van de regels). De Kwaliteitscommissie heeft dit landschapsplan beoordeeld en akkoord bevonden op 22-11-2022 (zie bijlage 2). Kortom, aan de eisen die worden gesteld in het Limburgs Kwaliteitsmenu kan worden voldaan en derhalve vormt het LKM geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

Provinciaalbeleid in relatie tot huisvesting tijdelijke werknemers Initiatiefnemer is voornemens om in de toekomst 30 tijdelijke werknemers te huisvesten. Hiervoor zal voldaan worden aan de geldende SNF-normen en aan alle overige geldende regels van de provincie Limburg (die overlap hebben met de gemeentelijke beleidsregels voor het huisvesting van tijdelijke werknemers). Dit betreffen kwaliteitsnormen waar aan voldaan moet worden. Hierdoor wordt er ook voldaan aan de provinciale eis die is opgenomen in paragraaf 2.15 van den op 30-9-2022 vastgestelde Ontwerp-wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014 (waarin regels inzake o.a. wonen en zonne-energie zijn opgenomen) en aan paragraaf 12.1.7. van de Omgevingsverordening Limburg 2021. In de Ontwerp Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014 is het volgende opgenomen: '2.15.2 Instructieregel toepassing SNF-normen huisvesting internationale werknemers

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

13

Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan dat voorziet in een bestemming die de tijdelijke of permanente huisvesting van internationale werknemers toestaat houdt het gemeentebestuur rekening met de normenset voor huisvesting van internationale werknemers voor het register van de Stichting Normering Flexwonen.' en in de Omgevingsverordening Limburg is het volgende opgenomen: '12.1.7 Huisvesting internationale werknemers 12.11 Instructieregel toepassing SNF-normen huisvesting internationale werknemers Bij de vaststelling van een omgevingsplan dat voorziet in een functie die de tijdelijke of permanente huisvesting van internationale werknemers toestaat houdt het gemeentebestuur rekening met de normenset voor huisvesting van internationale werknemers voor het register van de Stichting Normering Flexwonen.' Hierboven is reeds beschreven dat aan de SNF-normen voldaan zal worden bij onderhavig plan. 2.2.3 Conclusie provinciaalbeleid Gelet op de uiteenzetting in deze paragraaf met betrekking tot het provinciale beleid, is voorliggend bouwplan daarmee niet in strijd.

2.3

Gemeentelijk beleid

2.3.1 Structuurvisie Leudal De gemeente Leudal heeft op 2 februari 2010 haar structuurvisie vastgesteld. Op de kaart van deze structuurvisie is het plangebied gelegen in de 'Kleinschalige dekzandlandschapszone'. Hierover vermeldt de structuurvisie het volgende: 'De kleinschalige dekzandlandschapszone is gelegen ten noorden van Heythuysen en Roggel en loopt van Roggel door naar Neer. Ruimtelijke kenmerken zijn de kleinschaligheid met afwisselend woon- en landbouwkavels. Het landschap heeft een kleinschalig en besloten karakter. Er is sprake van een hoge bebouwingsdichtheid in het gebied, met een concentratie langs de wegen. De ruimtelijke kwaliteiten van het gebied worden bepaald door de veel voorkomende bebouwing. De doorgaande wegen vormen vaak linten van bebouwing. In het gebied is de Roggelse beek gelegen. Deze beek maakt, tezamen met de overige beken in de gemeente (die vooral in de Terrassenlandschapszone gelegen zijn) een belangrijk onderdeel uit van de ecologische en landschappelijke structuur. Behoud en versterking van de ruimtelijke, landschappelijke en ecologische kwaliteiten van de beek staat dan ook voorop. Voor dit gebied zijn de beleidsuitgangspunten voor de volgende thema's van toepassing: • Wonen en Woonomgeving; • Economie en Werkgelegenheid; • Omgevingskwaliteit; • Mobiliteit. Onderhavig planvoornemen past binnen deze uitgangspunten van de gemeente Leudal.

14

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

2.3.2 Beleid huisvesting tijdelijke werknemers In dit beleid is verwoord in welke gevallen medewerking wordt verleend aan initiatieven voor het huisvesting van tijdelijke werknemers zoals met onderhavig planvoornemen het geval is. Het planvoornemen van initiatiefnemer valt in de categorie 'kleinschalige huisvesting'. Derhalve zijn onderstaande beleidsregels 5.1 en 5.4 van toepassing:

5.1 Algemeneregels geldend voor elk type kleinschaligehuisvesting Onderstaande regels gelden voor alle typen van kleinschalige huisvesting voor internationale werknemers én andere kamerbewoners. a. de huisvesting moet, los van de regels in deze beleidsnota, voldoen aan de overige regels van een goede ruimtelijke ordening; b. aangetoond wordt dat omliggende bestemmingen niet onevenredig worden belemmerd door de kamerbewoning; c. het huisvesten van gezinnen met kinderen jonger dan 18 jaar is niet toegestaan. Deze huisvesting moet plaatsvinden in reguliere woningen; d. kleinschalige huisvesting op locaties met een recreatieve bestemming zoals campings en bungalowparken is niet toegestaan. Het huisvesten van internationale werknemers verhoudt zich niet met de recreatieve bestemming; e. de exploitant moet voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, conform de meest actuele Nota Parkeernormen van de gemeente Leudal; f. per 4 personen moet een toilet en badruimte aanwezig zijn; g. in de accommodatie moet voldoende kookgelegenheid aanwezig zijn, minimaal 4 kookpitten Bij meer dan 8 personen 1 pit per 2 personen, Bij meer dan 30 personen minimaal 16 pitten; h. er mogen geen zelfstandige wooneenheden ontstaan en de huisvesting mag, behoudens bij een woonbestemming, niet voor reguliere bewoning (ten behoeve van één of meerdere huishoudens) gebruikt worden; i.

er moet, los van de regels in deze beleidsnota, te allen tijde sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; bij ieder initiatief dient, om maatschappelijk draagvlak in de directe omgeving te krijgen, een omgevingsdialoog gevoerd te worden, conform de meest actuele beleidsnota ‘indieningsvereisten bij verzoeken om afwijken van het bestemmingsplan 2019’. Bij de aanvraag van het initiatief moet een verslag van de dialoog worden bijgevoegd en moet worden aangegeven hoe met eventuele opmerkingen is omgegaan. j. huisvesting in de woonkernen is enkel mogelijk mits de minimale verblijfsduur van de bewoner 6 maanden per kalenderjaar bedraagt. Bij huisvesting op agrarische bedrijven, en bedrijfslocaties en huisvesting in de kernrandzone is ook een korter verblijf dan 6 maanden per kalenderjaar toegestaan. Op bedrijventerreinen is de verblijfsduur maximaal 6 maanden; k. bij de aanvraag moet een beheersplan worden overlegd. Goed beheer is essentieel voor draagvlak. Hieromtrent worden afspraken gemaakt tussen de gemeente en de initiatiefnemer/verhuurder. Deze afspraken worden vastgelegd in een beheersplan. Dit beheersplan maakt deel uit van de aanvraag omgevingsvergunning en dient te worden goedgekeurd door de gemeente.

In het beheersplan geeft de initiatiefnemer aan hoe de accommodatie beheerd gaat worden, toezicht wordt gehouden, overlast wordt voorkomen, hoe omgegaan wordt met klachten en hoe de registratie van de bewoners plaatsvindt, hoe afvalbeheer plaatsvind, hoe met drugs en/of alcohol(overlast) wordt omgegaan, hoe de bereikbaarheid van de beheerders is geregeld, opstellen van een calamiteitenplan e.d. Tevens wordt in het beheerplan aangegeven hoe de huisvester en/of werkgever zorgt voor een goede begeleiding bij een bezoek aan een zorgverlener door een internationale werknemer. Het beheersplan maakt deel uit van de vergunning en bij het niet nakomen van de vergunning (bijvoorbeeld bij aanhoudende

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

15

overlast), kan het bevoegde gezag de vergunning intrekken en mag het gebouw niet meer gebruikt worden voor het huisvesten van internationale werknemers en andere kamerbewoners. Registratie: De verhuurder is verantwoordelijk voor de registratie van de bewoners en afdracht van belastingen. Tevens wordt met de verhuurder afspraken gemaakt met betrekking het inschrijven van bewoners in de basisregistratie personen (BRP). De volgende registraties zijn van toepassing en in het beheersplan moet worden aangegeven hoe de verhuurder dit organiseert: 1. Nachtregister: De verhuurder is op basis van artikel 2:37 en 2:38 van de Algemene Plaatselijke Verordening van Leudal verplicht een nachtregister bij te houden t.b.v. alle overnachtingen, ook al is men ingeschreven in het BRP. Dit betekent dat alle personen gedurende hun verblijf ingeschreven moeten zijn in het digitale nachtregister. Hierdoor ontstaat een totaal overzicht op het verblijf van een huisvesting. Het bijhouden van het nachtregister gebeurd middels een door de burgemeester goedgekeurd model. In Leudal betreft dit een digitaal nachtregister. Het register is hier te vinden: https://leudal.digitaalnachtregister.nl/; 2.

Toeristenbelasting: Op basis van de meest actuele Verordening toeristenbelasting van Leudal, is de diegene die het verblijf aanbied verplicht belasting af te dragen voor het verblijf met overnachtingen binnen de gemeente voor personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de BRP zijn ingeschreven. Dit geldt ook voor internationale werknemers en overige personen die beroeps en/of bedrijfsmatig werkzaamheden komen verrichten. Voor het doen van de aangifte maakt diegene wie het verblijf aanbiedt gebruik van het door de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg (BsGW) vastgestelde aangifteformulier; 3. Basisregistratie personen: Als een internationale werknemer uit het buitenland komt en voornemens is langer dan vier maanden in een tijdvak van een half jaar in Nederland te verblijven is hij verplicht zich in te schrijven op het adres van verblijf in de gemeente (art. 2.38 Wet brp). Een adreswijziging binnen Nederland en vertrek naar het buitenland wordt binnen vijf dagen gemeld bij de gemeente (art. 2.39 en 2.43 Wet brp). Voor het doorgeven van mutaties (nieuwe huurders en vertrek) dient de beheerder afspraken te maken met het team burgerzaken van de gemeente Leudal.

Indien blijkt dat een bewoner langer verblijft dan wel gaat verblijven dan 4 maanden en hij/zij de verhuurder niet kan (of wil) aantonen dat hij/zij zich heeft laten inschrijven in de BRP, dient de verhuurder hiervan melding te doen aan de toezichthouder van de gemeente Leudal, via info@leudal.nl. Omdat de huisvesting in de kernen enkel nog bedoeld is voor personen die hier langer dan 6 maanden verblijven, dienen alle bewoners zich altijd direct in te schrijven in de BRP. Indien beschikbaar, wordt voor het beheerplan gebruik gemaakt van een door burgemeester en wethouders vastgesteld model; l. de huisvesting moet voldoen aan regels van het Bouwbesluit 2012. Voor kleinschalige huisvesting is het SNF keurmerk niet verplicht;

5.4 Huisvesting bij (vrijkomende)agrarische bedrijven Voor de huisvesting van internationale werknemers bij agrarische bedrijven gelden, in aanvulling op hetgeen gesteld onder 5.1, de volgende regels. a. huisvesting in woonunits, campers, (sta)caravans, tenten, auto's en vergelijkbaar is niet toegestaan; b. de huisvesting is enkel bedoeld voor internationale werknemers, niet voor andere kamerbewoners; c. ter plaatse een agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend; d. in afwijking van lid c , is huisvesting ook mogelijk op de locatie van een stoppende agrariër (vrijkomende agrarische bebouwing (vab)), mits de financiële middelen die gegenereerd worden met de huisvesting van internationale werknemers worden gebruikt voor kwaliteitsverbetering, o.a. het saneren van bestaande gebouwen; e. de huisvesting plaatsvindt binnen hetzelfde (deel van) het agrarisch bouwvlak als waarbinnen de bedrijfswoning is gelegen waarin de eigenaar/exploitant/beheerder van het bedrijf woont;

16

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

f. In afwijking van lid e, kan huisvesting ook plaatsvinden binnen een agrarisch bouwvlak waarbij de eigenaar/exploitant niet in de bedrijfswoning woont of waar géén bedrijfswoning is gelegen, mits door de exploitant wordt aangetoond dat sprake is van een goed beheer; g. wanneer de behoefte aan huisvesting niet meer noodzakelijk is, een passende herbestemming voor de bebouwing wordt gezocht. Indien binnen twee jaar na het beëindigen van de huisvesting géén passende herbestemming is gevonden, wordt de bebouwing gesloopt hetgeen bij voorwaarde aan de omgevingsvergunning voor het afwijken zal worden verbonden; h. indien voor de huisvesting van internationale werknemers nieuwe bebouwing wordt opgericht sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit, overeenkomstig het bepaalde in het vigerende bestemmingsplan; i. er worden in totaal maximaal 30 personen tegelijk per agrarisch bouwvlak gehuisvest. Voor het huisvesten van meer dan 30 personen gelden de regels van ‘grootschalige huisvesting’, zie hoofdstuk 5; j. huisvesting voor een persoon die voor een kortere periode dan 6 maanden per kalenderjaar op de locatie verblijft, moet aan onderstaande voorwaarden voldoen: 1. per persoon is een minimaal verblijfsgebied van 10 m2 aanwezig; 2. er mogen maximaal 2 personen per (slaap)kamer gehuisvest worden; k.

huisvesting voor een persoon die voor een langere periode dan 6 maanden per kalenderjaar op de locatie verblijft, moet aan onderstaande voorwaarden voldoen: 1. per persoon is een minimaal verblijfsgebied van 12 m2 aanwezig; 2. iedere persoon die geen huishouden vormt, een eigen (slaap)kamer heeft.

Toetsing planvoornemen Wanneer bovenstaande voorwaarden van de artikel 5.1. en 5.4 worden getoetst aan het planvoornemen kan worden gesteld dat aan alle voorwaarden kan worden voldaan. Dit zal bij de aanvraag omgevingsvergunning verder worden uitgewerkt door initiatiefnemer. Conclusie Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen past binnen de uitgangspunten zoals opgenomen in het gemeentelijk beleid voor de huisvesting van tijdelijke werknemers.

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

17

18

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

Hoofdstuk 3

Planbeschrijving

In dit hoofdstuk worden het plangebied, de huidige situatie en het project beschreven. Tevens wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de ruimtelijke effecten van het project.

3.1

Gebiedsbeschrijving

Het plangebied is zoals in hoofdstuk één beschreven gelegen in het buitengebied van Roggel aan de straat Heide op enkele kilometers afstand van de zuidelijk gelegen kern van Roggel. Dit betreft een weg in het buitengebied met enig verkeer. Er is sprake van een mix van agrarische bedrijven en burgerwoningen. De bedrijfslocatie is reeds in haar huidige vorm vele jaren aanwezig. De bedrijfslocatie kenmerkt zich door de aanwezigheid van meerdere loodsen met erf, een kas en een bedrijfswoning. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar het landschapsplan dat is bijgevoegd.

Luchtfoto met aanduiding plangebied en omgeving

3.2

Planvoornemen

Initiatiefnemer exploiteert al vele jaren op de agrarische bedrijfslocatie Heide 19 te Roggel een gespecialiseerd bolbloemenbedrijf.

Bestaande situatie

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

19

Initiatiefnemer exploiteert al decennia lang een bolbloemenbedrijf op de locatie Heide 19 te Roggel. Het gespecialiseerde agrarisch bedrijf is gestaag gegroeid in deze periode. De teelten betreffen de volgende: hyacinten; narcissen; muscari; overige bollen. Deze bolbloemen (totaal ca. 5.000.000 per jaar) worden geteeld in de aanwezige kas en in de aanwezige koelcellen. Daarnaast vinden er nog enkele kleine teelten in de volle grond plaats.

Het seizoen bij initiatiefnemer loopt van medio augustus tot in de lente (maart-april). Voor de hierboven benoemde bolbloemen is het krijgen van koude (ca. 3-4 maanden) van essentieel belang. Hiervoor zijn de koelcellen noodzakelijk. Het opplanten van de bollen in pot waarna ze naar de koelcel gaan loopt van augustus tot en met december. Afhankelijk van de teelt en dergelijke worden de bolbloemen (die zijn gepoot in een klein potje) na 3-4 maanden uit de koelcel gehaald en verplaatst naar de kas. Dit proces start in januari en loopt door tot april. In de kas wordt ervoor gezorgd dat de bolbloem gaat groeien. Na een dag of 6-7 is de bolbloem groen en groot genoeg en wordt de kas leeggemaakt en gaan de bolbloemen naar de afnemers. Dit proces herhaald zich vele malen gedurende de hierboven beschreven periode. De overige maanden van het jaar zijn de rustige maanden qua bedrijfsvoering en vindt er met name onderhoud en dergelijke plaats zodat het nieuwe seizoen weer goed wordt voorbereid. Op de bestaande bedrijfslocatie Heide 19 te Roggel zijn op dit moment de volgende voorzieningen aanwezig: - agrarische bedrijfsloodsen (koeling, opslag, sorteerruimte, kantine, werkplaats, stalling, kantoor); - teeltkas; - bedrijfswoning; - erf (incl. parkeerterrein).

Planvoornemen Initiatiefnemer heeft concreet de volgende ontwikkelingen voor ogen (zie landschapsplan): -

de realisatie van een nieuwe bedrijfsruimte;

-

het bouwen van een uitbreiding van de bestaande kas;

personen);

het realiseren van een voorziening voor de huisvesting van arbeidsmigranten (max. 30

het slopen en wegbestemmen van de burgerwoning Heide 16 en deze tussen Heide 19 en Heide 21 terug bouwen als burgerwoning.

Uitbreiding bedrijfsbebouwing (loods) Vanwege de gestage groei van het bedrijf is er behoefte ontstaan aan de bouw van een nieuwe loods. De huidige oppervlakte aan bedrijfsbebouwing (loodsen) op de bedrijfslocatie Heide 19 is in de toekomst te klein van omvang. Er is onvoldoende ruimte voor opslag van fust, koeling, overige opslag, etc. Derhalve is de bouw van een nieuwe loods noodzakelijk.

Uitbreiding kas

20

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

Gekoppeld hieraan is de oppervlakte van de kas. Zoals hierboven beschreven is er een wisselwerking tussen de groei van de bolbloemen in de kas en in de koelcellen. Bij een groei van het bedrijf dient niet alleen de koelcel en opslagruimte worden vergroot maar ook de teeltkas. De huidige teeltkas (bouwjaar 1979) is bij een verdere groei te klein. Het planvoornemen is om de bestaande kas te slopen en een nieuwe grotere kas terug te bouwen. Hiermee ontstaat er een complementaire oppervlakte kas. Vanwege het vele inruimen en uitruimen van de kas met bolbloemen is de oppervlakte nog relatief beperkt. De huidige oppervlakte van de kas bedraagt ca. 4.250m2 . De uitbreiding zal ca. 4.500m2 bedragen waarmee de totale oppervlakte zal uitkomen op ca. 8.750m2 kasoppervlak. Dit is ruim onder de referentiemaat van 3ha voor solitaire gelegen glastuinbouwlocaties.

Huisvesting arbeidsmigranten Tijdens de periode augustus-april heeft initiatiefnemer behoefte aan arbeidsmigranten. Op dit moment heeft initiatiefnemer sinds de aankoop van achter de locatie gelegen burgerwoning Heide 16 (aankoop in juli 2017) ruimte voor het huisvesten van 4 arbeidsmigranten. Er is behoefte aan meer. Deze arbeidsmigranten worden nu elders gehuisvest. Initiatiefnemer wenst in de toekomst in bestaande of nieuwe bedrijfsbebouwing een voorziening voor huisvesting van arbeidsmigranten te creëren. Hierbij zal er sprake zijn van maximaal 30 arbeidsmigranten. Deze arbeidsmigranten zullen in het seizoen voor eigen doeleinden worden ingezet en daarbuiten mogelijk nog voor collega agrariërs.

Sloop- en wegbestemmen Heide 16 te Roggel. Zoals hierboven beschreven heeft initiatiefnemer in juli 2017 de achter de locatie gelegen burgerwoning (voormalige agrarische bedrijfswoning) aangekocht. Deze woning met de bestemming 'Wonen' is verouderd. Derhalve is het noodzakelijk dat deze woning wordt herbouwd (bouwkundig is renovatie niet mogelijk). Gezien de ligging van deze woning aan een doodlopende straat gelegen achter de bedrijfsbebouwing van cliënte, is het planvoornemen om deze woning te herbouwen ten noorden van de bedrijfslocatie van initiatiefnemer, op in eigendom zijnde grond. De locatie Heide 16 wordt daarmee gesloopt (alle aanwezige bebouwing en erf) en wegbestemd. Op de nieuwe terugbouwlocatie wordt de woonbestemming terugbestemd. Hiermee ontstaat er een betere stedenbouwkundige situatie.

Teeltondersteunende voorzieningen Op het achterliggende perceel nabij de huidige woning Heide 16 is initiatiefnemer voornemens om verschuifbare teelttunnels te realiseren. Het planvoornemen is dat deze op maximaal 1/3 van dit gebied aanwezig zijn. Deze mobiele tunnels (teeltondersteunende voorziening) zijn het gehele jaar aanwezig op een gedeelte (max. 1/3) van het perceel van ca. 3 ha. De tunnels krijgen een hoogte van max. 4 meter. Afhankelijk van de teelten worden de tunnels dus verplaatst binnen het perceel gelegen achter Heide 16 dat in eigendom is. Omdat er sprake is van de permanente aanwezigheid van de tunnels (ook al worden deze steeds verplaatst binnen het perceel) is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk.

Het perceel aan de noordzijde waar de woning wordt herbouwd zal ook worden gebruikt om landschappelijk in te richten. De oppervlakte van het vigerend bouwvlak bedraagt ca. 1,5 ha. De uitbreiding t.b.v. de kas bedraagt ca. 0,5 ha. De uitbreiding t.b.v. de loodsen bedraagt ca. 0,5 ha (totale oppervlakte bouwvlak nieuwe situatie bedraagt daarmee ca. 2,5 ha). Het perceel Heide ong. heeft een oppervlakte van. ca. 0,85 ha. Vanuit volkshuisvesting-oogpunt is er geen sprake van het toevoegen van een nieuwe woning. Er wordt immers een bestaande burgerwoning gesloopt op Heide 16. Deze woning wordt ook planologisch wegbestemd.

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

21

Op de locatie Heide ong. wordt een nieuwe woning met bijbehorende woonbestemming gerealiseerd. Daarmee is er vanuit volkshuisvesting oogpunt sprake van een neutrale situatie.

Uitsnede planvoornemen

3.3

Ruimtelijke structuur

Het ruimtelijk kader wordt gevormd door de agrarische bebouwing, de omliggende landbouwgronden, de overige bebouwing (agrarische bedrijven en burgerwoningen) en de openbare wegen. Zoals hierboven reeds aangegeven wordt de nieuwe bebouwing gerealiseerd direct aansluitend aan de bestaande bebouwing. Hetzelfde geldt voor de teeltondersteunende kas. Voor een verdere toelichting op de landschappelijke inpassing wordt verwezen naar het bijgevoegde landschapsplan. Kortom, de ruimtelijke effecten en ruimtelijke structuur zullen met onderhavig planvoornemen acceptabel zijn.

22

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

Hoofdstuk 4

Milieuaspecten

Bij de realisering van een planontwikkeling moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met aspecten uit de omgeving die een negatieve invloed kunnen hebben op het plangebied. Dit geldt omgekeerd ook voor de uitwerking die het project heeft op zijn omgeving. Voor de locatie zijn in dit hoofdstuk onder andere de milieuaspecten bodem, geluid, milieuzonering, luchtkwaliteit en externe veiligheid onderzocht.

4.1

Bodem

4.1.1 Bodemonderzoek Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Uitgangspunt van het Besluit bodemkwaliteit is dat de kwaliteit moet aansluiten bij de functie. Om hier invulling aan te geven heeft het RIVM voor zeven bodemfuncties referentiewaarden ontwikkeld voor een goede bodemkwaliteit. Deze zeven functies worden gebruikt in het gebiedsspecifieke beleid. Voor toepassing in het generieke kader zijn deze zeven functies samengevoegd tot twee bodemfunctieklassen: wonen en industrie. De functies moes- en volkstuinen, landbouw en natuur zijn niet ingedeeld in een klasse. Hiervoor is gekozen omdat in gebieden met een van deze functies alleen schone grond of baggerspecie mag worden toegepast. Dat willen zeggen: grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Achtergrondwaarden.

De bodemfunctieklassen beschrijven op hoofdlijnen het gebruik van de bodem in een gebied. Het indelen van een beheergebied in bodemfunctieklassen is de taak van gemeenten. De bodemfunctieklassenkaart van de gemeente Leudal is volgens het generieke beleid opgesteld en geeft het gewenst of toekomstig bodemgebruik weer. Binnen de bodemfunctieklassenkaart wordt onderscheidt gemaakt in bodemfunctieklassen. De bodemfunctieklasse overig: landbouw/natuur is toegekend aan het plangebied.

De huidige (Wro) bestemming van het perceel is 'Agrarisch'. De nieuwe bestemming is op deze locatie te vervatten onder de bodemfunctieklasse landbouw en sluit daarmee aan op de bestaande bodemfunctieklasse. Aanvullend hier op heeft Aelmans ECO BV een historisch bodemonderzoek uitgeveord (NEN5725), zie bijlage 3. De conclusies van dit onderzoek zijn als volgt: 'In het kader van de beoogde bestemmingsplan wijziging en de daaraan voorgenomen aanvraag van een omgevingsvergunning voor de ontwikkeling van onderstaande projecten is een historisch bodemonderzoek (vooronderzoek NEN-5725) uitgevoerd. - Realisatie van een loods c.q. huisvesting van een 30-tal arbeidsmigranten. - Het bouwen/uitbreiden van een bestaande kas. - Het realiseren van een burgerwoning tussen Heide 19 en 21. Voor de bouw zal een burgerwoning, gelegen aan de Heide 16, worden gesloopt. De drietal onderzoekslocaties zijn momenteel in gebruik als landbouwgrond en een woonhuis met omliggende tuin. Uit de voorhanden zijnde historische informatie zijn geen aanwijzingen aangetroffen die duiden op de

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

23

aanwezigheid van mogelijke bodemverontreinigingen en/of bodembedreigende activiteiten. Daarnaast zijn tijdens de terreininspectie geen aanwijzingen geweest, welke zouden kunnen wijzen op enige vorm van bodemverontreiniging. Omdat verder geen aanleidingen bestaan voor het aantreffen van bodemverontreinigingen, wordt de hypothese "onverdacht" voor de gehele onderzoekslocatie aangehouden.'

Gelet op vorenstaande is een aanvullend bodemonderzoek niet noodzakelijk en vormt het aspect bodem geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling. 4.1.2 Archeologisch onderzoek In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: “de veroorzaker betaalt”. Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief “in situ” (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Na de invoering van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving hebben provincies de bevoegdheid gekregen om zogenaamde attentiegebieden aan te wijzen. Dit zijn gebieden die archeologische waardevol zijn of naar verwachting waardevol zijn. Gemeenten zullen in dat geval verplicht worden hun bestemmingsplan(nen) in het desbetreffende gebied te herzien.

Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeente Leudal beschikt over eigen archeologiebeleid: Een archeologische beleidskaart voor de gemeente Leudal. Op deze beleidskaart is het plangebied deels gelegen binnen een hoge archeologische verwachtingswaarde ('Waarde - Archeologie 5'). De zuidzijde van het plangebied (waar de uitbreiding van de kas is voorzien) is een gebied met een lage verwachtingswaarde waar ook geen dubbelbestemming van toepassing is.

24

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Leudal

Ter plaatse geldt een vrijstellingsgrens van respectievelijk 1.000m2. Mogelijk wordt deze grens met het voorziene planvoornemen overschreden. Er dient te worden opgemerkt dat in het verleden ter plaatse van het perceel waar de nieuwe woning, wadi/poel en uitbreiding van de bedrijfsbebouwing is voorzien van asperges. Hierdoor kan met zekerheid worden gesteld dat er tot een diepte van ca. 80-100cm sprake is van een verstoring van het perceel. Aangrenzend aan dit perceel direct ten noorden van de bestaande gebouwen en ten zuiden van het hierboven beschreven perceel waar de woning is voorzien, heeft initiatiefnemer in het verleden waterbassinvoorzieningen gehad. Deze zijn inmiddels verwijderd omdat de bedrijfsvoering is gewijzigd. Echter ook hier heeft dus grootschalig grondverzet plaatsgevonden waardoor archeologische waarden uitgesloten kunnen worden. Kortom, het gebied ten noorden van de bestaande bedrijfsgebouwen behoeft niet nader onderzocht te worden omdat het uitgesloten is dat hier nog sprake is van archeologische waarden.

De gronden waar de teeltondersteunende voorzieningen zijn voorzien hebben een vrijstelling van 1.000m2 en 40cm (daar waar de hoge verwachtingswaarde geldt). Het betekent echter niet dat er geen kans is om archeologie aan te treffen, want de uitsnede die is opgenomen hierboven, laat een groene driehoek zien met een rode cirkel er om heen, zijnde een archeologische vindplaats voor jagers-verzamelaars. Binnen deze cirkel (diameter 50 meter) mag geen bodemverstoring plaatsvinden zonder nader onderzoek naar evt. aanwezige archeologische waarden.

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

25

De verwachting is niet dat de teeltondersteunende voorzieningen deze vrijstellingsgrens gaan overschrijden (puntverankering met een diepte die vaak niet dieper dan 40-50cm is) waardoor ook hier geen nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Ook op dit perceel hebben in het verleden asperges gestaan waardoor ook hier tot ca. 80-100cm zware bodemverstoringen hebben plaatsgevonden en archeologische waarden uitgesloten kunnen worden (ook ter plaatse van de opgenomen vindplaats). Hieronder een aantal luchtfoto's met daarop de aanwezige asperges in het verleden.

Derhalve valt het niet te verwachten dat er archeologische waarden aangetast zullen worden als gevolg van het planvoornemen Gelet op vorenstaande vormt het aspect archeologie geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.

4.2

Externe veiligheid

In onderhavig geval is sprake van het realiseren van een zogenaamd kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object. Het beleid is derhalve van toepassing. Derhalve is er een afweging gemaakt inzake externe veiligheid.

Beleid Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico's worden beoordeeld op twee soorten risico: het groepsrisico en het plaatsgebonden risico.

Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek. In het Bevi is een verantwoordingsplicht binnen het invloedsgebied opgelegd, i.c. het gebied binnen de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens, zijnde de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf. Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd. Deze verantwoording ziet toe op de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering van het groepsrisico in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een onbeschermd individu in een jaar komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron. Voorbeelden van risicobronnen zijn bedrijven, wegen en spoorlijnen.

26

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

De 10-6-contour is de maatgevende grenswaarde. Dit houdt in dat er een kans van 1 op 1 miljoen is op overlijden.

(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan de richtlijnen voor vervoer van gevaarlijke stoffen, waarbij de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten wordt toegestaan. Voorbeelden van dergelijke objecten zijn woningen, ziekenhuizen, scholen, hotels en restaurants.

Situatie plangebied In de nabije omgeving van het plangebied (binnen 500 meter) zijn geen leidingen gelegen. Wel zijn er inrichtingen gelegen met de aanwezigheid van een propaantank. De plaatsgebonden risicocontour is gelegen buiten het plangebied en tevens wordt de woning Heide 16 gesloopt en teruggebouwd op grotere afstand. Kortom, deze twee propaantanks vormen geen belemmering voor het planvoornemen.

Transportroutes gevaarlijke stoffen Op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet hoeven er (in principe) geen beperkingen aan het ruimtegebruik te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. De in de omgeving van het bouwplan gelegen N279 is gelegen op een afstand van ca. 0,4 km van het plangebied. Gezien deze afstand van ruim meer dan 200 m van de N279 kan worden gesteld dat er in het kader van het groepsrisico geen nadere verantwoording afgelegd dient te worden. Kortom, de N279 vormt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen.

Transportleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. Deze AMvB regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen, zoals aardgas. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan, op grond waarvan de bouw van een kwetsbaar object bij een buisleiding wordt toegelaten: wordt een waarde in acht genomen van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten ofwel binnen de PR-contour is de bouw van een kwetsbaar object niet toegestaan; 5. wordt tevens het groepsrisico in het invloedgebied van de buisleiding verantwoord (invloedsgebied: het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico van de buisleiding tot de grens waarbinnen de letaliteit van die personen 1% is). In de omgeving van het plangebied bevinden zich binnen 500 meter van de grens van het plangebied geen transportleidingen. Gezien deze afstand vormen transportleidingen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied

Conclusie externe veiligheid Als gevolg van onderhavige planontwikkeling ontstaan er geen (extra) risico's in het kader van externe

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

27

veiligheid. Daarbij kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid in casu goed te noemen is. Ook is de bereikbaarheid van de locatie bij een eventuele calamiteit goed. Hierdoor is de planontwikkeling in het kader van de externe veiligheid verantwoord te noemen. Gelet op vorenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.

4.3

Ecologie

Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De regels die toezien op bescherming van Natura 2000-gebieden (voorheen Nbwet) zijn opgenomen in 'Hoofdstuk 2 Natura 2000-gebieden' van de Wet natuurbescherming. De verbodsbepalingen ten aanzien van beschermde soorten (voorheen Ffwet) zijn in de Wet natuurbescherming opgenomen in 'Hoofdstuk 3 Soorten' en beschreven per beschermingsregime. Op basis van de Wet natuurbescherming zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk. Te allen tijde geldt dat de algemene wettelijke zorgplicht van toepassing is. Dit houdt in, dat handelingen die niet noodzakelijk zijn met betrekking tot de voorgenomen ingreep en die nadelig zijn voor de in en om het plangebied voorkomende flora en fauna, achterwege moet blijven. Ook bij handelingen die wel noodzakelijk zijn geldt de zorgplicht.

Ten behoeve van het planvoornemen is een ecologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 4. De conclusies van dit onderzoek zijn als volgt: 'Bij de quickscan, die is uitgevoerd ter plaatse van de te slopen woning aan de Heide 16 te Roggel, zijn op de locatie foeragerende huismussen waargenomen. Beoordeeld is dat, door het ontbreken van nestplaatsen en schuilplaatsen (struiken), geen sprake zal zijn van essentieel leefgebied. Voor het overige is op de locatie geen beschermde flora en fauna waargenomen die een belemmering kan vormen voor de voorgenomen activiteit. Ook worden, op basis van het gebruik van de locatie en de directe omgeving, geen beschermde flora en fauna verwacht. Op basis van de quickscan wordt een aanvullend of nader onderzoek naar de aanwezige flora en fauna, voor de geplande activiteiten, niet noodzakelijk geacht. Voor de geplande activiteiten is op basis van de bekende gegevens geen ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Naast de sloop van de woning zullen enkele bomen worden gerooid, welke als nest- en schuilgelegenheid kunnen dienen voor diverse vogels. Op basis van artikel 3.1 van de Wet Natuurbescherming is het verboden om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

De bomen dienen derhalve buiten het broedseizoen (van 15 maart tot 1 augustus) te worden gerooid. '

Kortom, op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de aanwezigheid van beschermde flora en fauna binnen het plangebied kan worden uitgesloten. Het planvoornemen heeft, als gevolg van de maatregelen zoals opgenomen in het inpassingsplan, een positief effect op ecologische waarden die aanwezig zijn binnen het plangebied.

Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Leudal'. Dit gebied is gesitueerd op een afstand van circa 2,5 kilometer van het plangebied. Onderhavig planvoornemen voorziet in een bouwfase en in een gebruiksfase. Hiervoor zijn Aerius-berekeningen voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase gemaakt, zie bijlage 7. Uit

28

bestemmingsplanHeide 16-19 te Roggel

beide berekeningen blijkt dat er geen significant effect is als gevolg van het planvoornemen. Conclusie Gelet op de beschikbare gegevens, het uitgevoerde onderzoek en het karakter van het plangebied is het onwaarschijnlijk dat er binnen het plangebied beschermde soorten voorkomen. Mochten er toch diersoorten in het plangebied voorkomen, dan zullen dit algemene soorten zijn waarvoor de lichtste vorm van bescherming geldt (bosmuis, spitsmuis, veldmuis, etc.). Het planvoornemen zal, indien deze soorten zich in het plangebied bevinden, daarop een schadelijk effect hebben. Aangezien de activiteiten zijn te kwalificeren als ruimtelijke ontwikkeling, geldt een vrijstelling van de verboden. Voor de activiteit hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd.

4.4

Hinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten

Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; 2. het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen mogelijk wil maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. In de omgeving van het plangebied is aan de zuidoostzijde een agrarisch bedrijf gelegen (IV-bedrijf). De woning Heide 16 is in de nieuwe situatie op grotere afstand van dit bedrijf gelegen dan in de bestaande situatie het geval is (nu ca. 75meter en in de nieuwe situatie ca. 225 meter). Ook de nieuwe bedrijfsbebouwing zal aan de noordzijde worden gebouwd (grotere afstand dan de bestaande loodsen). De kas wordt in zuidelijke richting uitgebreid en de afstand zal niet wijzigen ten opzichte van de bestaande situatie. Daarmee wordt dit IV-bedrijf daarmee niet belemmerd.

Aan de noordzijde is sprake van een grondgebonden agrarisch bedrijf zonder dieren. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Het plangebied is gelegen op grotere afstand en vormt daarmee geen belemmering voor dit bestaande agrarisch bedrijf. Voor het overige zijn er geen (agrarische) bedrijven in de omgeving gelegen. Voor de nieuw te bouwen woning geldt alleen geluid (vanaf de weg in het kader van wegverkeer) en industrielawaai vanuit het noordelijk gelegen bedrijf en vanuit het bedrijf van initiatiefnemer. Ook hiervoor geldt dat er voldaan kan worden aan de richtafstand van 30 meter waardoor er geen nader onderzoek/onderbouwing nodig is. Ten aanzien van geur voor de nieuw te bouwen woning aan de noordzijde is middels een geurberekening onderzocht wat de achtergrondbelasting is, zie bijlage 6.. Hieruit volgt dat er sprake is van een lage geurbelasting en derhalve sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De aspecten gevaar en geur spelen geen rol bij onderhavig plan. Het plan voorziet niet in gevaar en in de uitstoot van geur. Derhalve speelt alleen het aspect geluid een externe rol richting de omgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=d978f0eb-02f8-4b9b-93d0-26d379da65ac