CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Raadsvergadering 6 februari 2024, gemeente LeudalBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West te Ittervoort15.710 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West Toelichting NL.IMRO.1640.BP21ItHeijerveld-VG01

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk1

Inleiding

6

Hoofdstuk2

Projectbeschrijving

9

Hoofdstuk3

Beleid

18

Hoofdstuk4

Milieu- en overige aspecten

27

Hoofdstuk5

Juridische aspecten

45

Hoofdstuk6

Haalbaarheid

50

Hoofdstuk7

Handhaving

52

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

3

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

4

Toelichting

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

5

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de realisatie van het 'Kindcentrum Leudal West' op de locatie Heijerveld - Brigittastraat in Ittervoort. Aangezien de realisatie van de beoogde ontwikkeling op grond van het vigerende bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' niet is toegestaan, is besloten om middels een nieuw bestemmingsplan te voorzien in een passend en actueel juridisch-planologisch kader. Dit bestemmingsplan geeft hier invulling aan.

1.2

Ligging en grens van het plangebied

Het plangebied is gelegen op de hoek van Heijerveld - Brigittastraat in Ittervoort, op een deel van het perceel kadastraal bekend als Ittervoort, sectie B, nummer 1952. De globale ligging is weergegeven op de navolgende topografische kaart (afbeelding 1). De exacte begrenzing is af te lezen uit afbeelding 2.

Afbeelding 1. Topografische kaart met de ligging van het plangebied aangeduid met een gele pijl.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

6

Afbeeldin g 2. Kadastrale kaart met begrenzing plangebied.

1.3

Vigerend juridisch-planologisch kader

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017', zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Leudal op 14 november 2017. Binnen dit bestemmingsplan geldt voor het plangebied de bestemming 'Agrarisch', zoals weergegeven op afbeelding 3. Binnen deze bestemming is de realisatie van een maatschappelijke voorziening niet rechtstreeks toegestaan. Evenmin zijn in de regels voor de bestemming 'Agrarisch' afwijkings- of wijzigingsmogelijkheden opgenomen op basis waarvan de beoogde ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

7

Afbeelding 3. Verbeelding bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'.

Naast de enkelbestemming 'Agrarisch' is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' van toepassing. Voor bodemingrepen waarbij sprake is van een verstoring dieper dan 40 cm onder het maaiveld én een oppervlakte van de bodemingreep groter dan 1.000 m², dient in het kader van een omgevingsvergunningaanvraag een rapportage van een archeologisch onderzoek te worden overlegd, waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar oordeel van burgemeesters en wethouders in voldoende mate is vastgesteld of waaruit blijkt dat: archeologische waarden op de betrokken locatie niet aanwezig zijn; het behoud van de archeologische resten in voldoende mate kan worden gewaarborgd, of de archeologische resten door de verstoring niet onevenredig worden geschaad. Het plangebied valt tot slot binnen de 'wetgevingzone - wijzigingsgebied Ittervoort noord'. Ter plaatse van dit gebied zijn burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming 'Agrarisch' onder voorwaarden te wijzigen in de bestemming 'Wonen'. Aangezien in het voorliggende geval geen sprake is van een wijziging naar de bestemming 'Wonen', kan geen gebruik gemaakt worden van deze wijzigingsbevoegdheid. Kort samengevat kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling op grond van het vigerende bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' niet is toegestaan.

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting bestaat uit acht hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk is in Hoofdstuk 2 de planbeschrijving opgenomen. Hoofdstuk 3 geeft een weergave van de relevante beleidskaders van rijk, provincie, regio en gemeente. In Hoofdstuk 4 worden de verschillende onderzoeksthema’s beschreven (milieu, water, ecologie, archeologie, et cetera). Hoofdstuk 5 bevat de juridische aspecten. Hoofdstuk 6 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 7 gaat tot slot in op de handhavingsaspecten.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

8

Hoofdstuk 2 2.1

Projectbeschrijving

Beschrijving plangebied en aanwezige functies

Het plangebied bestaat uit een deel van het perceel kadastraal bekend als Ittervoort, sectie B, nummer 1965. In de huidige situatie is sprake van in agrarisch gebruik zijnde gronden.

Afbeelding 4. Luchtfoto met rood omlijnd de begrenzing van het plangebied.

Het plangebied wordt aan de zuid- en westzijde begrenst door respectievelijk de wegen Heijerveld en Brigittastraat. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan een bosschage en in het noorden wordt het onderzoeksgebied begrensd door een akker. Waar de beide wegen grenzen aan het plangebied is er sprake van een afscheiding middels intensief beheerde groenstroken. Tussen de Brigittastraat en het plangebied is verder een geasfalteerd fietspad gelegen. Ten zuiden van het onderzoeksgebied op circa 25 meter afstand liggen woningen behorende tot de kern Ittervoort. Ten noordwesten, ligt aan de overzijde van de Brigittastraat een woning en ten noorden van het onderzoeksgebied, op circa 85 meter, is een agrarisch perceel gelegen met daarbij behorende bedrijfswoning.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

9

Afbeelding 5. Zicht op het plangebied vanaf de Brigittastraat, gezien in noordwestelijke richting, met aan de rechterzijde de bestaande woningen aan de Heijerveld en de tussenliggende groenstrook.

Afbeelding 6. Zicht op het plangebied vanaf de Brigittastraat, gezien in zuidwestelijke richting, met duidelijk zicht op de bomenrij langs de Brigittastraat en het tussenliggende fietspad.

2.2

Beschrijving beoogde ontwikkeling

Binnen het plangebied is de ontwikkeling van het integraal 'Kindcentrum Leudal West' (KLW) voorzien. Het KLW komt voort uit de fusie van basisscholen uit de kernen Haler, Hunsel, Ittervoort en Neeritter, die te maken hebben met teruglopende leerlingaantallen, onder meer als gevolg van de vergrijzing van de bevolking en de ligging nabij de Belgische grens. Hierdoor komt het draagvlak voor de basisscholen steeds meer onder druk komt te staan. Om goed onderwijs te kunnen blijven garanderen zijn de basisscholen van “stichting Primair Onderwijs Leudal en Thornerkwartier” in de dorpen Hunsel, Ittervoort en Neeritter gefuseerd, met als doel een gezamenlijke locatie te betrekken. In het KLW worden naast een basisschool voor leerlingen van bovengenoemde kernen ook een bibliotheek, kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang en een sportzaal ondergebracht. Er is dan ook sprake van een integrale voorziening met een verzorgingsgebied dat meerdere kernen omvat. Het is een nadrukkelijk doel om meerwaarde te creëren uit de integratie van kinderopvang en primair onderwijs in Leudal West.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

10

De sportzaal is verder niet alleen bedoeld voor de bewegingsonderwijs ten behoeve van de basisschool, maar deze is zowel overdag, in de avond als in het weekend beschikbaar voor recreatief sporten, ook voor eventuele verenigingen. Op de navolgende situatieschets is de beoogde inrichting van het plangebied weergegeven. Vervolgens zijn enkele impressies van toekomstige gevelbeelden opgenomen en enkele 3d-impressies. Hieruit valt af te leiden dat de sportzaal aan de noordoostzijde van het plangebied is voorzien. Aan de zuidkant is het multifunctionele schoolgebouw voorzien, waarin de overige voorzieningen een plek krijgen. Aan de achterzijde en zuidoostzijde van het schoolgebouw komt een speelplein voor zowel de basisschool, het kinderdagverblijf en de buitenschoolse opvang. De hoofdontsluiting van het KLW is gesitueerd aan de Brigittastraat, met aan de voorzijde van de sportzaal het grootse deel van de parkeervoorzieningen binnen het plangebied. Daarnaast zijn enkele parkeerplaatsen voorzien aan de voorzijde van het schoolgebouw.

Afbeelding 7. Situatieschets toekomstige inrichting plangebied (impressie).

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

11

Afbeelding 8. Impressie gevelaanzichten schoolgebouw.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

12

Afbeelding 9. Impressie gevelaanzichten sportzaal.

Navolgend zijn enkele visualisaties opgenomen van de beoogde toekomstige situatie.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

13

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

14

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

15

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

16

Afbeeldingen 10 t/m 19. Visualisaties beoogde toekomstige situatie.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

17

Hoofdstuk 3 3.1

Beleid

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Nationale Omgevingsvisie

Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, heeft de rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. In de NOVI wordt een toekomstbeeld geschetst van een Nederland: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten; dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving.

Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. In totaal zijn er 21 nationale belangen geformuleerd. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeemverantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voorbeelden hiervan zijn het: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit) Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. Verbeteren en beschermen van biodiversiteit.

Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

18

Het plangebied voor dit bestemmingsplan bestaat uit een perceel direct aansluitend op de kern Ittervoort, waarbij het juridisch-planologisch kader wordt aangepast ten behoeve van de realisatie van een maatschappelijke voorziening. Er is sprake van een lokale ontwikkeling, waarbij geen nationale belangen als genoemd in de NOVI in het geding zijn. 3.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 30 december 2011 is het 'Barro' in werking getreden. In oktober 2012 is het besluit gewijzigd. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. In het voorliggende geval zijn gelet op de aard, situering en omvang van het plan geen nationale belangen als benoemd in het Barro in het geding. 3.2.3

Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro)

De 'Rarro' is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en Natuurnetwerk Nederland-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In het Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Als gevolg van de gewijzigde regelgeving beslaat het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel ook de gemeente Leudal. Aangezien dit bestemmingsplan echter geen windturbines hoger dan 114 meter toestaat vormt dit geen belemmering voor het radarverstoringsgebied. In de Rarro zijn binnen het plangebied en de directe omgeving verder geen reserveringsgebieden aangewezen voor de mogelijke aanleg van nieuwe hoofdwegen of landelijke spoorwegen. Evenmin zijn hoofdwegen of delen daarvan aangewezen waarvoor een reserveringsgebied geldt. Vanuit de Rarro bestaan er kortom geen beperkingen voor de beoogde ontwikkeling. 3.2.4

Wet milieubeheer / milieueffectrapportage

In artikel 7.2, lid 1 van de 'Wet milieubeheer' is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het 'Besluit milieueffectrapportage' zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b.

van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt ónder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: ‘op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient dus bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Het voorliggende bestemmingsplan maakt een maatschappelijke voorziening mogelijk aan de rand van

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

19

de kern Ittervoort. Het plan is m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor meer informatie wordt verwezen naar paragraaf 4.1.8. 3.2.5

Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Op 1 oktober 2012 is het 'Besluit ruimtelijke ordening (Bro)' gewijzigd, en is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' daaraan toegevoegd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening ten aanzien van de Ladder duurzame verstedelijking in werking getreden. Het doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening te bereiken door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en daarnaast ondersteunt het gemeente en provincie in de vraaggerichte programmering van hun grondgebied. Per 1 juli 2017 luidt het tweede lid van art. 3.1.6 als volgt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling is sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Hierbij dient echter te worden opgemerkt dat de ontwikkeling feitelijk een fusielocatie betreft ten behoeve van de kernen Haler, Hunsel, Ittervoort en Neeritter.

Dit in verband met het feit dat de basisscholen in de afzonderlijke kernen te maken hebben met een teruglopend aantal leerlingen. Hierdoor vermindert het draagvlak voor afzonderlijke voorzieningen in de afzonderlijke kernen. Om goed onderwijs te kunnen blijven garanderen zijn basisscholen gefuseerd en zullen zij binnen het plangebied een nieuwe basisschool met bijbehorende voorzieningen betrekken. Hiermee is de behoefte feitelijk al in voldoende mate aangetoond. Voor wat betreft de locatie geldt dat het plangebied aan de rand van de kern Ittervoort ligt, in directe aansluiting op bestaand stedelijk gebied. Op basis van de provinciale beleidskaarten ligt het plangebied weliswaar in het buitengebied, maar in het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' is reeds een wijzigingsbevoegdheid voor het gebied opgenomen, op basis waarvan ter plaatse woningbouw mogelijk kan worden gemaakt. Op basis hiervan kan gesteld worden dat ter plaatse reeds een stedelijke ontwikkeling voorzien is, waarmee de ontwikkeling plaatsvindt binnen reeds voor verstedelijking gereserveerd gebied. Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Limburg

Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van de provincie Limburg de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg is per 25 oktober 2021 in werking getreden. In de omgevingsvisie worden de volgende Limburgse principes genoemd: Het streven naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving. De kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal. Meer stad, meer land. Zorgvuldig omgaan met de ruimte en voorraden, boven- én ondergronds Volgens de kaart 'Limburgse principes' ligt het plangebied binnen het 'Buitengebied'. Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo’n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noord- en Midden-Limburg zijn er in Zuid-Limburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de droogtegevoeligheid en de kwaliteit van de grondwatervoorraden, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk en rekening houdend met de ruimteclaims vanuit de verschillende transitieopgaves.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

20

Afbeelding 20. Uitsnede kaart 'Zonering Limburg' uit het POL2014.

In het voorliggende geval dient echter te worden opgemerkt dat sprake is van een locatie die in het vigerende bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' reeds is voorzien van een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van een stedelijke functie, in dit geval in de vorm van woningen. Ter plaatse is dus reeds een uitbreiding van de kern Ittervoort voorzien en deze uitbreidingsmogelijkheid middels een wijzigingsbevoegdheid is reeds in het kader van de procedure van het vigerende bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' akkoord bevonden door de provincie Limburg. Dit in ogenschouw nemende, kan worden aangenomen dat de realisatie van de maatschappelijke functie (in plaats van woningbouw) niet bezwaarlijk wordt geacht vanuit de provinciale beleidskaders zoals weergegeven in de Omgevingsvisie Limburg. 3.3.2

Omgevingsverordening Limburg 2014

Op 12 december 2014 is de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' vastgesteld. Hierin staan de regels die het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding geven. Inmiddels is ook de opvolger, de 'Omgevingsverordening Limburg' vastgesteld, maar deze treedt pas in werking op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, dus daarom wordt in deze toelichting ingegaan op de thans van toepassing zijnde Omgevingsverordening Limburg 2014. In de Omgevingsverordening Limburg 2014 staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. Op basis van de Omgevingsverordening Limburg ligt het plangebied niet binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Wel ligt het plangebied binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III. Binnen deze zone zijn alle boringen (en het roeren van grond) dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei verboden. Voor boringen dieper dan 80 meter geldt een meldingsplicht. In het voorliggende geval is geen sprake van dergelijke boringen. Bescherming van de belangen van de boringsvrije zone is geborgd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Er is kortom geen sprake van strijdigheid met de Omgevingsverordening Limburg 2014.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

21

3.3.3 Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014 (regels inzake o.a. wonen en zonne-energie) Op 17 december 2021 hebben Provinciale Staten de Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze verordening is gebaseerd op artikel 2.6 van de Omgevingswet. Op het tijdstip van vaststelling van die verordening was de verwachting dat de Omgevingswet op 1 juli 2022 in werking zou treden. Inmiddels is de inwerkingtredingsdatum van de wet verschoven naar 1 januari 2024. De nieuwe omgevingsverordening kan niet eerder in werking treden dan de Omgevingswet. Tot dat tijdstip blijft de Omgevingsverordening Limburg 2014 gelden. Aangezien de Omgevingsverordening Limburg (2021) grotendeels een beleidsneutrale omzetting is van de Omgevingsverordening Limburg 2014, maakt het voor de meeste onderwerpen inhoudelijk weinig verschil of de ene of de andere verordening van kracht is. De Omgevingsverordening Limburg (2021) bevat echter een aantal onderwerpen die nieuw zijn, dan wel aanmerkelijk inhoudelijk gewijzigd, namelijk instructieregels met betrekking tot: Wonen; Huisvesting internationale werknemers; Na-ijlende effecten steenkoolwinning; Zonne-energie. Het uitstel van de Omgevingswet maakt het wenselijk dat deze onderwerpen ook al geregeld worden in de Omgevingsverordening Limburg 2014.

Daarom is op 30 september 2022 de 'Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014' vastgesteld. Voor het voorliggende plan zijn in de wijzigingsverordening geen regels opgenomen die direct van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling. 3.3.4

Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014 (samenhang OVL2021)

Op 16 december 2022 is de Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014 (samenhang OVL2021) vastgesteld. Met deze wijzigingsverordening zijn regels over de maximale kavelgrootte van nieuwe bedrijfsterreinen, uitzonderingsregels voor kleine en diervriendelijke varkenshouderijen, regels over zonneparken, het Beschermingsgebied voor de Einstein Telescope en regels over klimaatadaptatie opgenomen. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn uitsluitend de regels m.b.t. klimaatadaptatie van belang. In paragraaf 2.19 'Klimaatadaptatie' zijn hiertoe de volgende regels opgenomen: 1. De toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van: a. de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering; en b. de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende risico's betrokken: a. wateroverlast; b. overstroming; c. droogte. 3. Bij de beschrijving wordt gebruik gemaakt van de informatie van gemeentelijke, regionale en landelijke stresstest- en overstromingskaarten. In het voorliggende geval wordt in voldoende mate rekening gehouden met de risico's en gevolgen van de klimaatverandering.

Er wordt in ruime mate voorzien in groenvoorzieningen en zo wordt voor wat betreft de waterhuishouding rekening gehouden met de meest actuele normen van Waterschap Limburg voor de berging van hemelwater. Wateroverlast is daardoor niet te verwachten. Voor meer informatie over de wijze waarop met (hemel)water wordt omgegaan en hoe wateroverlast wordt voorkomen, wordt verwezen naar paragraaf 4.5. Doordat water binnen het plangebied zelf wordt opgevangen in de vorm van een wadi en daarnaast in ruime mate wordt voorzien in groenvoorzieningen (zie paragraaf 3.5.5 en Bijlage 1 bij de regels), wordt ook droogte tegengegaan. Evenmin is op basis van de Atlas Leefomgeving (meer specifiek de kaarten Natuurrampen/Overstromingen) sprake van een gebied waarbij sprake is van direct overstromingsgevaar.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

22

Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief past binnen de beleidsuitgangspunten zoals vastgelegd in de Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014 (samenhang OVL2021).

3.4

Regionaal beleid

3.4.1

Regiovisie 2008 - 2028: Het oog van Midden-Limburg

In de 'regiovisie “Het oog van Midden-Limburg”' is de regionale visie voor Midden-Limburg uitgewerkt in een achttal beleidsthema's. Dit zijn: Toerisme en Recreatie, Maasplassen, Natuurontwikkeling, Landschap en Ecologie, Landbouw, Bedrijvigheid, Wonen, Zorg en Mobiliteit. Vervolgens zijn deze thema's in het najaar van 2008 verdiept en verder uitgewerkt in de programmalijnen: Maasplassen, Ontwikkelingsas N280 Weert-Roermond, Wonen, Natuur en Recreatie. Over de gemeente Leudal is het volgende opgenomen: “De gemeente Leudal vormt het hart van Midden-Limburg. Het bestaat uit zestien dorpen en een groot buitengebied dat wordt geroemd om z'n ruimte, kwaliteit en woonklimaat. Heythuysen vormt een subregionale kern met een sterke centrumfunctie voor een groot verzorgingsgebied. Het is van belang dat deze centrumfunctie wordt versterkt en het voorzieningenniveau op peil blijft. Daarnaast heeft Leudal diverse dorpskernen waar de voorzieningen onder druk staan. Een actief kleine kernenbeleid is noodzakelijk waarin aandacht gegeven wordt aan de leefbaarheid en een adequate woningvoorraad". De centrale ligging van Leudal maakt dat het profiteert van bijna alle ontwikkelingen die worden voorgesteld in deze regiovisie.

Gelegen aan de Maasplassen liggen er volop kansen om recreatieve en toeristische activiteiten te ontwikkelen en deze te verbinden met het natuurgebied Leudal en het te ontwikkelen regiopark.” In het voorliggende geval is sprake van een clustering van maatschappelijke voorzieningen op één locatie, mede als gevolg van het verminderde draagvlak voor de afzonderlijke voorzieningen. Met de nieuwe centrale en geclusterde maatschappelijke voorziening wordt een duurzame voorziening gecreëerd met voldoende draagvlak. De ontwikkeling past daarmee binnen de algemene beleidslijnen uit de regiovisie.

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1

Handboek ruimtelijke plannen

Omwille van onder meer uniforme planregels en planopzet heeft de gemeente Leudal een Handboek Ruimtelijke Plannen opgesteld. Dit bestemmingsplan is daar zo veel mogelijk op afgestemd. 3.5.2

Structuurvisie Leudal - regie op de toekomst

Op 2 februari 2010 is de 'Structuurvisie Leudal' vastgesteld. Met de structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Leudal van belang zijn. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Voor sommige ontwikkelingen zal ze daarbij zelfs initiatiefnemer willen zijn. Voor andere ontwikkelingen is zij ook afhankelijk van initiatieven van derden, zoals ondernemers, woningcorporaties, instellingen, en burgers. Ontwikkelingen die afbreuk doen aan de toekomst van Leudal wil de gemeente waar mogelijk voorkomen. Ruimtelijke mechanismen In de structuurvisie is aangegeven dat door een proces van ontgroening van de bevolking, er in de toekomst voor een beperkter aantal groepen schoolruimte benodigd is. Bij ongewijzigd beleid zal er dan sprake zijn van leegstand. Een aantal basisscholen, met name in de kleinste kernen, dreigt in de toekomst structureel onder de opheffingsnorm te komen. In het basisonderwijs is daarnaast de trend zichtbaar van meer aandacht voor bewegen en sporten. Een andere ontwikkeling is dat schoolbesturen

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

23

verantwoordelijk zijn voor het aanbieden van buitenschoolse opvang. Beleidsuitgangspunten Een optimale spreiding van basisscholen in de gemeente Leudal staat ten dienste van het lokale onderwijsbeleid. De hoofddoelen van het onderwijsbeleid zijn: Realiseren van doorgaande leerlijnen voor de jeugd van 0 tot 12 jaar; Verminderen aantal verplaatsingen voor werkende ouders om hun kinderen onder te brengen bij (onderwijs)activiteiten; Faciliteren van een goed en bereikbaar onderwijsaanbod; Streven naar unilocaties van basisscholen. Ruimtelijke weerslag Om aan de beleidsuitgangspunten invulling te geven, en zodoende een duurzaam voorzieningenpatroon te realiseren, zal de gemeente Leudal optimaal anticiperen op de ruimtelijke mechanismen.

Dit heeft de volgende ingrepen tot gevolg: De realisatie van Brede Scholen wordt gestimuleerd; bij voorkeur worden alle voorzieningen voor de jeugd (kinderopvang, BSO, bibliotheek) geïntegreerd op basis van multifunctioneel ruimtegebruik; Basisscholen worden standaard gebouwd met een gymzaal; vergroting tot een sportzaal wordt waar mogelijk nagestreefd in verband met medegebruik voor de gemeenschap; Voor het oplossen van knelpunten in de huisvesting wordt in principe eerst gekeken naar huisvestingsmogelijkheden bij andere scholen en de spreiding van de gebouwen over de gemeente; bij de spreiding zal rekening worden gehouden met de centraliteit ten opzichte van het voedingsgebied; Wettelijk verplichte onderwijsvoorzieningen realiseren op basis van leerlingenprognoses uit het Integraal Huisvestingsplan (IHP); bij een grote verwachte daling van het aantal leerlingen wordt de nieuwbouw met opzet te klein uitgevoerd (er vindt dan een overbruggingsperiode met noodhuisvesting plaats). Specifiek ten aanzien van bibliotheken zet de gemeente Leudal in op het aanpassen van een aantal vestigingen. Het plan ligt voor om een tweetal gecentraliseerde full-service vestigingen met o.a. volwassenencollecties en ruimte voor ontmoeting te realiseren. Doel is om de kinderbibliotheken op scholen te behouden.

Ook speelt de bibliotheek een belangrijke rol in de maatschappij, door in de Leudalse kernen bibliotheekwerk te brengen. Het sluit aan bij de nieuwe werkwijze van bibliotheken, die meegaat met de maatschappelijke ontwikkelingen. Effectuering De gemeente Leudal biedt zelf geen onderwijs aan. Om de ruimtelijke weerslag te realiseren zal de gemeente: In het IHP afspraken maken over de inzet van financiële middelen door de gemeente. Na een ruimtelijk-planologische afweging planologische en stedenbouwkundige condities creëren waarbinnen onderwijshuisvesting, ook in de toekomst, kan worden ontwikkeld. In dit bestemmingsplan is geheel in lijn met de structuurvisie sprake van het clusteren van voorzieningen (basisschool, kinderopvang, BSO, bibliotheek, sportzaal) en wordt ook aangesloten bij het streven naar het vergroten van gymzalen bij basisscholen tot sportzaal ten behoeve van medegebruik door de gemeenschap. 3.5.3

Evenementenbeleid

Per 1 mei 2020 geldt het door burgemeester en wethouders van Leudal vastgestelde 'Uitvoeringsbeleid evenementen (2020)'. De regels ten aanzien van evenementen, zoals opgenomen in dit bestemmingsplan, zijn verder één op één overgenomen vanuit het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'. Voor meer informatie over de achtergrond van de regeling wordt hier kortheidshalve verwezen naar de toelichting van dat bestemmingsplan.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

24

3.5.4

Nota Parkeernormen

In verband met een wijziging van de Woningwet (zie 'VNG-ledenbrief 16.04.2015') zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de bouwverordening vervallen. Het is niet meer mogelijk te verwijzen naar landelijke naslagwerken zoals publicaties van het CROW. Dit betekent dat parkeernormen moeten worden opgenomen in bestemmingsplannen. In plaats van de normen op te nemen in de regels van het bestemmingsplan zelf, wordt in dit plan verwezen naar gemeentelijk vastgestelde parkeernormen/beleidsregels (zie 'uitspraak AbRS dd. 09.09.2015, punt 14'). Dat heeft het voordeel dat in geval van wijziging(en) van de normen/beleidsregels gedurende de werking van het bestemmingsplan ook rekening moet worden gehouden met die wijzigingen. Om die reden is ervoor gekozen een Nota Parkeernormen door de raad te laten vaststellen. In de nota zijn de parkeernormen opgenomen die de gemeente Leudal hanteert voor nieuwe bouwplannen en (her)ontwikkelingen. Onderscheid is gemaakt naar ontwikkelingen binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. Parkeernormen zijn nodig om een hoge parkeerdruk in openbaar gebied te voorkomen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De parkeernormen zijn niet bedoeld voor reeds bestaande bouwwerken en functies. Indien bestaande situaties worden gewijzigd of uitgebreid, dan kunnen deze parkeernormen wel worden toegepast.

De parkeernorm geldt dan alleen voor het te wijzigen of uit te breiden deel. Voor meer informatie wordt kortheidshalve verwezen naar de bij raadsbesluit van 5 juli 2016 vastgestelde 'Nota Parkeernormen 2016' (bijlage 2 van de regels). Voor meer informatie over de wijze waarop bij de voorgenomen ontwikkeling invulling wordt gegeven aan de parkeerbehoefte, wordt verwezen naar paragraaf 4.4.2. 3.5.5

Nota Kwaliteit

In de 'Structuurvisie Leudal' is de 'Nota Kwaliteit' opgenomen. De laatste actualisatie van de Nota Kwaliteit dateert van 3 september 2013. De Nota Kwaliteit bevat beleid over het kwaliteitsmenu en het groenfonds. Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen komt, nadat een planologische afweging is gemaakt of een bepaalde ontwikkeling aanvaardbaar is op een bepaalde locatie, een kwaliteitsbijdrage in beeld. Het kwaliteitsmenu van de provincie (uitgewerkt in verschillende modules) geldt hierbij als een minimumvereiste. Landschappelijke inpassing van de locatie van een initiatief vormt altijd een voorwaarde naast de kwaliteitsverbeterende maatregel of een bijdrage in het groenfonds. Gelet op het feit dat het plangebied in het buitengebied ligt (buiten de rode contour van Ittervoort), is de Nota Kwaliteit van toepassing op de nieuwe voorzieningen die ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan worden toegestaan. In het kader hiervan wordt het kindcentrum landschappelijk ingepast. De landschappelijke inpassing is als Bijlage 1 bij de regels opgenomen. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee de realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing is geborgd. De landschappelijke inpassing is door de 'Kwaliteitscommissie Weert, Nederweert, Leudal' behandelt in de vergadering van 29 september 2022.

Per brief van 31 oktober 2022 met kenmerk KL 22-10 heeft de commissie aangegeven akkoord te gaan met de voorgestelde landschappelijke inpassing. 3.5.6

Welstandsnota

Op 15 december 2014 heeft de gemeenteraad van Leudal de 'Welstandsnota Leudal' vastgesteld. In deze welstandsnota is het plangebied aangeduid als welstandsvrij gebied, zoals weergegeven op de navolgende afbeelding.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

25

Afbeelding 21. Uitsnede welstandskaart Ittervoort uit de welstandsnota. In de welstandsnota zijn enkele uitzonderingen genoemd. Één van de uitzonderingen betreft het feit dat nieuwe stedenbouwkundige plannen voor advies worden voorgelegd aan de commissie ruimtelijke kwaliteit. De uiteindelijk te realiseren bouwwerken zijn wel welstandsvrij (mits gelegen in een welstandsvrij gebied). Bij nieuwe ontwikkelingen worden in principe geen beeldkwaliteitsplannen meer vastgesteld. Het plan is 29 september 2022 voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

26

Hoofdstuk 4

Milieu- en overige aspecten

4.1

Milieuaspecten

4.1.1

Bodem- en grondwaterkwaliteit

In het kader van de 'Wet ruimtelijke ordening' dient in geval van bouwlocaties aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemmingen. Bij de daadwerkelijke invulling van nieuwe bouwmogelijkheden dient de kwaliteit van de bodem door middel van een bodemonderzoek, opgesteld volgens de daarvoor geldende normen, te worden onderzocht. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 1 opgenomen bij deze toelichting. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Asbest Op het maaiveld zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Bij de uitvoering van de proefgaten zijn evenmin asbestverdachte (plaat)materialen in het opgeboorde materiaal (grove fractie, > 20 mm) aangetroffen. Analytisch onderzoek heeft aangetoond dat er geen sprake is van een verontreiniging met asbest in de bovengrond. De hypothese ‘asbest onverdacht’ wordt voor de onderzoekslocatie aanvaard. De onderzoekslocatie kan als asbestonverdacht worden beschouwd. Boven- en ondergrond In de zandige bovengrond met lichte puinbijmengingen zijn geen verontreinigingen aangetoond. Volgens de Regeling bodemkwaliteit is er sprake van klasse Achtergrondwaarde. In de visueel schone boven- en ondergrond zijn eveneens geen verontreinigingen aangetoond.

Volgens de Regeling bodemkwaliteit wordt indicatief voldaan aan de klasse Achtergrondwaarde. PFAS-onderzoek In de bovengrond zijn geen verhoogde gehalten aan PFOA, PFOS en overige PFAS ten opzichte van de toepassingsnormen voor de functie Landbouw /natuur aangetoond. Conclusie De vooraf gestelde hypothese, dat de bodem als “grootschalig onverdacht” kan worden beschouwd, wordt op basis van de analyseresultaten aanvaard. Vanuit dat oogpunt zijn er dan ook geen belemmeringen aanwezig ten aanzien van de geplande ontwikkeling binnen het plangebied. 4.1.2

Externe veiligheid

Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb) en het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

27

Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Risicovolle activiteiten In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd. Hoewel deze quickscan is uitgevoerd in november 2020, blijkt op basis van een controle aan de hand van de Atlas Leefomgeving en de Signaleringskaart EV in november 2023, dat de uitgangspunten en conclusies nog overeenkomstig van toepassing zijn. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten.

Voor meer informatie wordt verwezen naar de als Bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen volledige onderzoeksrapportage. Transport over het water en spoor Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een waterweg of spoorlijn voor het transport van gevaarlijke stoffen. De risico's als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen over het water en het spoor vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Transport over de weg Het plangebied ligt op circa 1.600 meter van de rijksweg A2 en Napoleonsbaan Zuid. Het plaatsgebonden risico en het plasbrandaandachtsgebied (PAG) vormen op grond van de afstand geen belemmering voor het plangebied. Evenmin is het noodzakelijk de hoogte van het groepsrisico kwantitatief vast te stellen. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van toxische vloeistoffen (LT3) en toxische gassen (GT4) als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A2 en Napoleonsbaan Zuid. De risico's als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen (toxisch scenario) over deze wegen dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Buisleidingen Het plangebied bevindt zich niet binnen de 1%-letaliteitsafstand van buisleidingen bedoeld voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Geconcludeerd kan worden dat de risico's als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen door buisleidingen geen aandachtspunt vormen voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Verantwoording groepsrisico Gelet op de resultaten van de quickscan, dient invulling te worden gegeven aan de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Hiertoe is een verantwoordingsrapportage opgesteld die als Bijlage 3 bij deze toelichting is opgenomen. In deze verantwoordingsrapportage wordt nader ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid/beheersbaarheid en zelfredzaamheid en de maatregelen die genomen dienen te worden bij de realisatie van de plannen en de daaropvolgende ingebruikname. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Advies veiligheidsregio Verder is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Vanuit de Veiligheidsregio is aangegeven dat het standaardadvies van toepassing is. Het volledige advies is als Bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

28

In het advies is kort samengevat aangegeven dat het toxische scenario van toepassing is. In het kader daarvan worden maatregelen op het gebied van zelfredzaamheid en bereikbaarheid geadviseerd. In z'n algemeenheid geldt dat luchtbehandelingsinstallaties met één handeling uitgeschakeld dienen te kunnen worden. Ten aanzien van bereikbaarheid, dient de ontwikkeling te voldoen aan het gemeentelijk beleid "bluswatervoorziening en bereikbaarheid". Zo moet de locatie onder meer tweezijdig bereikbaar zijn. Voor wat betreft bluswater geldt dat de huidige bluswatervoorzieningen niet voldoen aan het gemeentelijk beleid. In het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvraag dienen bovengenoemde aspecten nader uitgewerkt te zijn, conform de hiervoor geldende uitgangspunten. Conclusie Op basis van de uitgevoerde quickscan blijkt dat het plangebied niet in de directe nabijheid ligt van risicobronnen. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de rijksweg A2 en de Napoleonsbaan Zuid. Hiertoe is een verantwoordingsrapportage opgesteld. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling vanuit het oogpunt van externe veiligheid inpasbaar wordt geacht, dit met inachtneming van de adviezen van de Veiligheidsregio Limburg-Noord. 4.1.3

Geluid - wegverkeerslawaai

Akoestisch onderzoek is noodzakelijk indien nieuwe directe geluidgevoelige ontwikkelingen worden toegestaan binnen de onderzoekszone van de wegen waarvoor een maximumsnelheid van 50 km-uur of meer geldt. Voor wegen die deel (gaan) uitmaken van een 30 km-gebied geldt dat akoestisch onderzoek in principe niet uitgevoerd hoeft te worden. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB mag aan de gevel van geluidgevoelige objecten echter niet overschreden worden. In dit bestemmingsplan worden nieuwe geluidgevoelige functies gerealiseerd. Daarom is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar het als Bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen onderzoeksrapport. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelastingen inclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder vanwege wegverkeer op de Brigittastraat ter plaatse van het westelijke gedeelte van het plangebied meer dan 48 dB bedragen, de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder. Aan de maximale ontheffingswaarde (63 dB) wordt ter plaatse van het gehele plangebied wel voldaan. Maatregelen om de geluidbelasting te verlagen zijn beschouwd. Om geluidgevoelige bebouwing c.q.

vertrekken met gevels in dit westelijke deel van het plangebied, waarbij de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, mogelijk te maken, dienen hogere waarden vastgesteld te worden. Toetsing hieraan vindt plaats in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvraag. De geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de Heijerveld (een 30 km/uur-weg) bedraagt minder dan de voorkeurswaarde van 48 dB (voor vergelijkbare 50 km/uur-wegen). Deze geluidbelasting wordt als acceptabel beoordeeld. Geconcludeerd wordt dat daarmee sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 4.1.4

Luchtkwaliteit

Algemeen Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in 'hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer' (Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

29

c. een plan draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen. NIBM-tool Om snel en eenvoudig de invloed van kleinschalige ontwikkeling op de luchtkwaliteit te kunnen berekenen, is door het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil de NIBM-tool is ontwikkeld. Op basis van deze tool kan worden bepaald of een plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt (NIBM). Zoals uit de navolgende weergave van de NIMB-toolberekening blijkt, draagt zelfs bij een verkeersaantrekkende werking van 1.900 voertuigbewegingen per etmaal met een aandeel van 1% vrachtverkeer, een ontwikkeling niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Zoals blijkt uit paragraaf 4.4.1 is de feitelijke verkeersaantrekkende werking fors lager, waarmee is aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Heersende luchtkwaliteit Naast de effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit, is het van belang om te bepalen of de heersende luchtkwaliteit afdoende is voor de beoogde functies. Volgens de NSL Monitoringstool bedraagt de concentratie PM10 in de nabijheid van het plangebied minder dan 35 µg/m³, de concentratie PM2,5 minder dan 20 µg/m³ en de concentratie NO2 minder dan 35 µg/m³. In de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³ en voor PM2,5 20 µg/m³. Dit betekent dat de luchtkwaliteit in de huidige situatie voldoende wordt geacht. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. De luchtkwaliteit zal de komende jaren in Nederland naar verwachting nog verder verbeteren, onder meer door voortschrijdende technologie en bijvoorbeeld de toename van het aantal elektrische voertuigen. Hiermee wordt voldaan aan de luchtkwaliteitseisen zoals opgenomen in de wet- en regelgeving. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen.

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

30

4.1.5

Milieuzonering

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling dient getoetst te worden of voldaan wordt aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (versie 2009). Hiertoe is een quickscan bedrijven en milieuzonering uitgevoerd. De belangrijkste conclusies zijn navolgend opgenomen. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar Bijlage 6 bij deze toelichting. Bedrijven en milieuzonering Middels de uitgevoerde beoordeling is inzichtelijk gemaakt met welke richtafstanden rekening moet worden gehouden. De richtafstanden vanuit het plangebied reiken in zuidelijke en noordwestelijke richting tot over de bestemming wonen. Als gevolg van de beoogde functies binnen het plangebied is uitsluitend het aspect geluid relevant. Door middel van een akoestisch onderzoek waarbij de geluidemissie als gevolg van het plangebied inzichtelijk wordt gemaakt, dient te worden aangetoond dat de functies binnen het plangebied inpasbaar zijn. Op enige afstand ten (noord)oosten van het plangebied is een bedrijventerrein gelegen. De richtafstand van dit bedrijventerrein reikt tot over de grens van het plangebied. Er is derhalve niet zonder meer sprake van voldoende ruimtelijke scheiding. Uit een nadere beschouwing van de milieuaspecten (gevaar, stof, geur en geluid) blijkt dat uitsluitend het aspect geluid mogelijk relevant is voor het plangebied.

Een nadere akoestische beschouwing toont aan dat de invulling van het plangebied niet leidt tot een beperking van de bedrijfsvoering van de bedrijven ter plaatse van het bedrijventerrein. Ook kan worden gesteld dat ter plaatse van de planlocatie, als gevolg van het bedrijventerrein, een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. Akoestischonderzoek Op basis van de resultaten uit de quickscan bedrijven en milieuzonering is een aanvullend akoestisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is als Bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Activiteitenbesluit milieubeheer Ter plaatse van woningen in de omgeving bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten hoogste 38 dB(A) in de dag- en avondperiode (43 dB(A) etmaalwaarde en het maximale geluidniveau ten hoogste 55 dB(A) in de dagperiode en 56 dB(A) in de avondperiode dB(A). Hiermee wordt voldaan aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bedraagt ten hoogste 38 dB(A) in de dag- en avondperiode (43 dB(A) etmaalwaarde ter plaatse van woningen van derden. Hiermee wordt voldaan aan de standaard normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Goede ruimtelijke ordening Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) ter plaatse van de woningen bedraagt ten hoogste 45 dB(A) in de dagperiode en 38 dB(A) in de avondperiode (45 dB(A) etmaalwaarde. De richtwaarde van stap 2 (45 dB(A) etmaalwaarde voor woningen gelegen in 'rustige woonwijk') uit de VNG-publicatie wordt hiermee gerespecteerd. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woningen. Het maximaal geluidniveau (LAmax) ter plaatse van de woningen bedraagt ten hoogste 65 dB(A) in de dagperiode en 56 dB(A) in de avondperiode (65 dB(A) 'etmaalwaarde). De richtwaarde van stap 2 (65 dB(A) voor woningen gelegen in 'rustige woonwijk') uit de VNG-publicatie wordt hiermee gerespecteerd. Op basis van de ligging van de tuinen van de woningen in de directe omgeving en de ligging van het plangebied, kan gesteld worden dat er vanuit akoestisch oogpunt sprake is van goede ruimtelijke ordening ten aanzien van de tuinen. Verkeersaantrekkende werking Het verkeer van en naar de het plangebied rijdt over de Brigittastraat en (deels) de Heijerveld. De geluidbelasting ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking is ter plaatse van de woningen in de directe omgeving berekend. In de voorliggende situatie bedraagt de geluidbelasting ten gevolge van het

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

31

verkeer van en naar het kindcentrum 44 dB(A) etmaalwaarde. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) uit de Schrikkelcirculaire en aan de richtwaarde (50 dB(A)) van stap 2 uit de VNG-publicatie. Ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking is kortom sprake van een akoestisch goed woon- en leefklimaat. Conclusie Op basis van de quickscan bedrijven en milieuzonering en het aanvullend uitgevoerde akoestisch onderzoek industrielawaai, blijkt dat de beoogde ontwikkeling van het Kindcentrum Leudal West inpasbaar wordt geacht. 4.1.6

Spuitzones

Op agrarische gronden is het mogelijk dat er ten behoeve van landbouwkundig gebruik, gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermings- en/of bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen die kunnen leiden tot schadelijke effecten voor het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermings- en/of bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies. Onder voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies worden verstaan alle functies waar geregeld en gedurende langere perioden mensen verblijven. In de huidige situatie is er op de agrarische gronden rondom het beoogde Kindcentrum Leudal West geen sprake van het gebruik van gewasbeschermings- en/of bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen die kunnen leiden tot schadelijke effecten voor het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermings- en/of bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies. Op grond van de vigerende bestemming 'Agrarisch' kan een dergelijk gebruik echter niet worden uitgesloten.

Daarom is in dit bestemmingsplan een zone rondom het Kindcentrum Leudal West de aanduiding 'milieuzone - spuitzone' opgenomen, waarbinnen het gebruik van gewasbeschermings- en/of bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen die kunnen leiden tot schadelijke effecten voor het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermings- en/of bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies, is uitgesloten. Op grond van jurisprudentie is, voor zover de omliggende gronden een agrarische bestemming hebben, hiervoor een zone aangehouden van 50 meter rondom het bestemmingsvlak met de bestemming 'Maatschappelijk' ten behoeve van het Kindcentrum Leudal West. Conclusie Vanuit het aspect spuitzones bestaan er geen belemmeringen in relatie tot het beoogde Kindcentrum Leudal West. 4.1.7

Geurhinder agrarisch

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object, zoals bijvoorbeeld een school. In de Wet geurhinder en veehouderij gelden verschillende normen, afhankelijk van de vraag of de locatie al dan niet is gelegen in een concentratiegebied of binnen, dan wel buiten de bebouwde kom. Omdat in de omgeving van het plangebied een veehouderij is gelegen, is in het kader van de beoogde ontwikkeling een onderzoek uitgevoerd naar de inpasbaarheid in relatie tot geurhinder als gevolg van veehouderijen. Hoewel het onderzoek is uitgevoerd in 2021, blijkt op basis van een in december 2023 uitgevoerde controle van de gegevens zoals opgenomen in de Kernregistratie Dierverblijven, dat de uitgangspunten en conclusies zoals opgenomen in het onderzoek, nog als actueel kunnen worden beschouwd. Het onderzoek is als Bijlage 8 bij deze toelichting te raadplegen. Onderstaand worden de onderzoeksresultaten kort samengevat. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan door de gemeente medewerking worden verleend aan het voornemen indien veehouderijen door de voorgenomen planontwikkeling niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Daarnaast dient ter plaatse van het nieuw te realiseren geurgevoelig object sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Hierbij dient gekeken te worden naar zowel de

bestemmingsplan Kindcentrum Leudal West

32

achtergrond- als de voorgrondgeurbelasting. Vergunde en planologische rechten Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de planontwikkeling géén inbreuk maakt op de vergunde geurrechten en planologische gebruiksmogelijkheden van de veehouderij aan de Schillerstraat 2. Deze veehouderij is het meest relevant voor het plan. Woon- en leefklimaat De voorgrondgeurbelasting ten gevolge van de veehouderij aan de Schillerweg 2 bedraagt ter plaatse van het plangebied ten hoogste 2,2 OUE/m³. Hiermee is het leefklimaat als gevolg van de voorgrondgeurbelasting ter plaatse van het plangebied te kwalificeren als 'goed'. Voor de achtergrondgeurbelasting dienen alle intensieve veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer te worden meegenomen. Deze is berekend met V-stacks gebied. Het leefklimaat als gevolg van de achtergrondgeurbelasting wordt gekwalificeerd als 'goed' tot en met 'zeer goed'. De grenzen conform de geurverordening van de gemeente Leudal voor de voorgrondgeurbelasting van 3,0 OUE/m³ en achtergrondgeurbelasting van 10,0 OUE/m³ worden hiermee niet overschreden. Conclusie Vanuit het aspect agrarische geurhinder bestaan er geen belelemmeringen in relatie tot het beoogde Kindcentrum Leudal West. 4.1.8

M.e.r.-beoordelingsplicht

Toets m.e.r.-plicht Binnen het plangebied wordt het Kindcentrum Leudal West gerealiseerd. Deze functie komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De beoogde activiteit/functie valt onder de categorie 'stedelijk ontwikkelingsproject' (categorie D11.2). Er is echter pas sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer. Het plangebied heeft een relatief beperkte oppervlakte, ruimschoots minder dan de genoemde 100 hectare. Dit betekent dat de beoogde ontwikkeling beneden de hiervoor genoemde drempelwaarden blijven en dat het opstellen van een milieueffectrapport om deze reden niet noodzakelijk is. M.e.r.-beoordeling voor ontwikkeling beneden de drempelwaarde De omvang van een project zoals aangegeven in kolom 2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, is niet het enige criterium om wel of geen m.e.r. uit te voeren.

Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. De gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) zijn daarmee indicatief. Dit betekent dat het bevoegd gezag gemotiveerd moet aangeven of een m.e.r. noodzakelijk is. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Hierbij dient in ieder geval de informatie in acht te worden genomen zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Het indienen van een aanmeldnotitie is niet vereist als de gemeente zelf initiatiefnemer is van het plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=4a76f2e3-d51e-4d7b-95d8-becda31c397e