Schone Lucht Akkoord (+ toelichting)
Tekst van het document
5. Binnenvaart en havens Inleiding De binnenvaart draagt gemiddeld 7% bij aan de negatieve gezondheidseffecten van luchtvervuiling uit binnenlandse bronnen 18. Rondom vaarwegen kan de bijdrage aanmerkelijk hoog zijn. De transitie naar 0-emissie binnenvaart, walstroom en schonere motoren en brandstoffen leveren de belangrijkste gezondheidswinst. Een belangrijk deel van de verbetering van de luchtkwaliteit wordt gerealiseerd door de activiteiten van partijen uit de Green Deal Zeevaart, Binnenvaart en Havens. Aansluitend op de Verklaring van Mannheim, die op 17 oktober 2018 door de lidstaten van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart is ondertekend, is in de Green Deal 19 het doel vastgelegd om in 2035 de emissies van verontreinigende stoffen met ten minste 35% terug te dringen ten opzichte van 2015. De Green Deal is ondertekend door de ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Defensie en Economische zaken en Klimaat, alsmede door een groot aantal partijen uit het bedrijfsleven, provinciale overheden en de gemeente Nijmegen.
17 18
Interdepartementaal beleidsonderzoek Luchtkwaliteit
In de scheepvaart zijn ook emissies naar de lucht bij het ontgassen van belang. Rijk en decentrale overheden werken hieraan samen in de taskforce varend ontgassen. Het rijk streeft erna varend ontgassen zo snel mogelijk te beëindigen. Vanaf 2020 treedt, conform het aangepaste Scheepsafvalstoffenverdrag, het verbod op varend ontgassen gefaseerd in werking, toewerkend naar een totaalverbod in 2024. 19 Het Schone Lucht Akkoord ondersteunt de doelen van de Green Deal Scheepvaart, partijen ondertekenen het Schone Lucht Akkoord en hiermee niet de Green Deal zeevaart, binnenvaart en havens.
18
De afspraken uit het Schone Lucht Akkoord voor de scheepvaart zijn alleen van toepassing voor de Rijksoverheid en voor gemeenten en provincies met een substantiële scheep- en binnenvaartfaciliteiten binnen hun grondgebied. 20 Bij een positieve uitkomst van de pilot spreken partijen af de ontwikkelde aanpak en maatregelen breder toe te passen waarmee een verdere gezondheidswinst mogelijk is. Doel Streven is een reductie van de emissies van verontreinigende stoffen van de binnenvaart van ten minste 35% in 2035 ten opzichte van 2015 te realiseren. Maatregelen: 1. De Rijksoverheid onderzoekt welke vorm van stimulering van walstroom het meest geschikt is (bijvoorbeeld fiscaal of subsidie). Daarbij wordt gekeken naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van de instrumenten. Op basis van deze analyse wordt eind 2019 een politiek besluit genomen over de uiteindelijke vormgeving van de maatregel vanaf 2021.Partijen stellen tot doel om voor alle locaties nabij substantiële bebouwing en hoge blootstelling, walstroomvoorzieningen te realiseren. 2. Waar walstroomvoorzieningen beschikbaar zijn verplichten partijen binnen de grenzen van hun wettelijke mogelijkheden de scheepvaart hiervan gebruik te maken en verbieden zij het gebruik van generatoren/aggregaten. Partijen delen actief de ervaringen en best practices bij de toepassing hiervan.
Partijen streven inzet van gedifferentieerde tarieven/kortingen op het binnenhavengeld ter verduurzaming van de binnenvaart, en streven naar uniformering in de systematiek die wordt gebruikt. 3. Partijen spreken af luchtemissies als belangrijk criterium te hanteren bij de aanbesteding van infrastructurele werkzaamheden (baggeren en onderhoud vaarwegen en havenbekkens), zodat aannemers die dergelijke projecten met lagere emissies realiseren een preferente positie kunnen krijgen. 4. Partijen stappen waar mogelijk over op schepen met elektromotoren als launching customer. 5. Partijen spreken af luchtemissies als belangrijk criterium te hanteren bij de aanbesteding van veerdiensten en vergunningen voor watertaxi’s en nemen waar mogelijk eisen op voor pleziervaart in gebieden met hoge blootstelling 6. De Rijksoverheid zet zich in voor de oprichting van een EU-fonds ter stimulering van schone motoren en waar mogelijk retrofit oplossingen. Inzet is om uiterlijk in 2024 een nieuw Europees sturingsinstrumentarium ontwikkeld te hebben dat het bereiken van de gestelde ambities stimuleert. 7. Gemeenten en provincies met binnenhavens stellen plannen op met het streven naar een duurzame binnenhaven. Daarin wordt onder meer toegewerkt naar een zero-emissie binnenhaven 21 in 2035.
Partijen werken daarin onder meer aan walstroomvoorzieningen bij ligplaatsen voor binnenvaart, personenvervoer over water, waar mogelijk pleziervaart en naar zero emissie mobiele werktuigen. Pilot ‘schone havens’ Partijen werken de pilot verder uit vanuit de afspraken die gemaakt zijn in de Declaration of Nijmegen on Clean and Healty Inland Port Cities, Regions and Inland Shipping Sector. Er wordt langs minimaal een corridor gewerkt aan het opbouwen van een 0-emissie infrastructuur waarmee zowel de natte als aan de droge kant op termijn emissieloos of emissiearm kan opereren. Uiterlijk voorjaar 2020 is een plan opgesteld voor de uitvoering van deze pilot. Op 1 januari 2021 wordt de verkennende studie opgeleverd en de realisatie is uiterlijk op 1 januari 2030 gepland.
20
In overleg spreken Partijen af voor wie deelname op basis van de bijdrage van de scheepvaart aan de gezondheidseffecten relevant is. 21 Binnenhavenactiviteiten betrekking hebbende op onder meer de mobiele werktuigen
19
6. Landbouw Inleiding De landbouw draagt 11% 22 bij aan de gezondheidseffecten van binnenlandse bronnen. Dit komt enerzijds door secundair fijn stof door de uitstoot van ammoniak en anderzijds door primair fijn stof. Primair fijn stof is vooral afkomstig van de pluimveehouderij. De emissie van ammoniak is vooral afkomstig van stallen en van bemesten. Ammoniak speelt ook een belangrijke rol bij de stikstofdepositie in natuurgebieden. Tot voor kort werd gewerkt aan ammoniakreductie in het kader van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Na de uitspraak van de Raad van State over de PAS is duidelijk geworden dat dit beleid moet worden herzien. De Rijksoverheid, provincies en gemeenten werken naar aanleiding van het advies van de Commissie Remkes 23 een aanpak uit voor het terugdringen van de stikstofdepositie op beschermde natuurgebieden. Deze aanpak kan, in aanvulling op de maatregelen van het Schone Lucht Akkoord, een substantiële gezondheidswinst opleveren. Concretisering van ammoniakemissiereductiemaatregelen vindt plaats in de kabinetsreacties op de adviezen van de Commissie Remkes over de aanpak van de stikstofproblematiek op de korte termijn, het advies over bemesten en beweiden en het nog op te stellen advies over de lange termijn. Het ministerie van LNV is hiervoor eerstverantwoordelijke.
De afspraken voor de landbouw zijn alleen van toepassing voor de Rijksoverheid en voor overige Partijen met substantiële emissies uit de landbouw binnen hun grondgebied 24. Doel Streven is een reductie van de gezondheidseffecten van de emissies van de landbouw van 37% 25 in 2030 ten opzichte van 2016 te realiseren. Maatregelen: 1. De Rijksoverheid werkt aan een warme sanering varkenshouderij. De warme sanering varkenshouderij ziet op het op korte termijn verminderen van de geuroverlast door varkensbedrijven in veedichte gebieden door het saneren en beëindigen van locaties of bedrijven die willen stoppen. Hiermee wordt het totaal aantal varkens in Nederland verminderd en daarmee wordt een emissiereductie van ammoniak en fijn stof behaald. Dit zal onder andere worden gerealiseerd door de opkoop en het doorhalen van varkensrechten. Via het Hoofdlijnenakkoord Warme Sanering Varkenshouderij 26 hebben provincies en gemeenten zich gecommitteerd aan een effectieve aanpak en uitvoering van dit beleid. 2. De Rijksoverheid heeft in het kader van de verduurzaming van de veehouderij met de verschillende sectoren in de veehouderij 27 afspraken gemaakt over een integrale brongerichte reductie van emissies. Zo is met de varkenssector afgesproken om de emissie van ammoniak uit stallen te verminderen met 85%.
In 2030 zijn de emissie-reducerende maatregelen in minimaal 60% van de stallen ingevoerd. Ook de melkveesector werkt naar aanleiding van afspraken uit het Klimaatakkoord en de stikstofaanpak aan de integrale reductie van methaan en ammoniak. Met de pluimveesector zijn afspraken gemaakt over fijn stof. Met deze reeds gemaakte afspraken draagt de landbouwsector bij aan het doel van dit akkoord. 22
Dit aandeel is berekend, conform de huidige methodiek, op gewichtsbasis, als de bijdrage van ammoniak wordt berekend naar rato van de bijdrage aan de vorming van fijnstofmoleculen, dan is dit aandeel groter. 23 Niet alles kan – Eerste advies Adviescollege Stikstofproblematiek
24 In overleg spreken Partijen in de uitvoeringsagenda af voor wie deelname op basis van de bijdrage van de landbouw aan de gezondheidseffecten relevant is. 25 De doorrekening van de gezondheidseffecten van de landbouwsector van het Schone Lucht Akkoord door RIVM laten een gemiddelde afname van 37% zien in 2030 ten opzichte van 2016. 26 Kamerstuk 28973, nr. 200 27
Kamerstuk 28973, nr. 218
20
3. De Rijksoverheid heeft met de sector pluimveehouderij 28 afgesproken dat de emissie van fijn stof binnen tien jaar wordt gehalveerd. De sector neemt haar verantwoordelijkheid voor haar aandeel in de productie van fijn stof (PM10), om toe te werken naar het niet-overschrijden van de advieswaarden van de WHO. De kern hiervan is een generieke aanpak, aangevuld met een specifieke gebiedsgerichte aanpak in de zogenaamde ‘hotspots’, waar de fijn stofuitstoot het hoogst is. In die gebieden worden extra maatregelen genomen om in bestaande stallen de emissies verder te reduceren. Mocht blijken dat het plan niet uitvoerbaar is of onvoldoende effect heeft, dan zal een generieke reductie-eis wettelijk worden vastgelegd. 4. Het Besluit emissiearme huisvesting stelt emissie-eisen voor ammoniak en fijn stof aan stallen. Deze emissie-eisen worden periodiek aangescherpt. De Rijksoverheid werkt aan een voorstel om ook emissie-eisen te stellen aan biologisch gehouden pluimvee en varkens en de huidige uitzondering hiervoor te laten vervallen. 5. De Rijksoverheid verkent in samenwerking met provincies en gemeenten hoe de effectiviteit van eisen aan emissiearme stallen kunnen worden versterkt. Het gaat dan met name om de goede werking van luchtwassers en de uitvoering en gebruik van emissiearme vloeren bij melkrundvee.
Gemeenten en provincies nemen maatregelen om, waar nodig, het toezicht en handhaving te versterken. De Rijksoverheid ondersteunt gemeenten en provincies hierbij. 6. De Rijksoverheid streeft ernaar begin 2020 een subsidieregeling open te stellen voor integraal duurzame en emissiearme stal- en managementmaatregelen. Deze regeling is zowel gericht op innovatie- en pilotprojecten als op investeringsprojecten van voorlopers (first movers) voor brongerichte integrale emissiebeperkende maatregelen. Daarnaast onderzoekt het Rijk op korte termijn de mogelijkheden voor experimenteerruimte waarmee de toepassing van innovaties en nieuwe emissiebeperkende maatregelen op een verantwoorde wijze kan worden versneld. 7. De Rijksoverheid faciliteert onderzoek naar het inzetten van meetsensoren voor het feitelijk meten van emissies op de locatie van de veehouderij. De Rijksoverheid gaat na hoe de inzet van meetsensoren in wet- en regelgeving kan worden verankerd en hoe dit bijdraagt aan de reductie van emissies. Pilot Landbouw emissiereductie De Rijksoverheid verkent in 2020 samen met geïnteresseerde lokale overheden de mogelijkheden voor het reduceren van emissies bij veehouderijen. Deze dient als voorbeeld dat herhaalbaar is in andere regio’s. De pilot richt zich op het reduceren van emissies van fijn stof, ammoniak en (vanwege de gewenste integraliteit) geur vanuit de veehouderij.
De pilot bestaat uit een aantal onderdelen, waarbij de insteek is om zowel voor de korte termijn (huidige wetgeving) als voor de iets langere termijn (Omgevingswet) een kader te bieden vanuit het lokale bevoegd gezag voor emissiereductie op veehouderijbedrijven. De pilot bestaat uit drie onderdelen, te weten: 1. beter benutten bestaande technieken en verbeteren toezicht emissiearme stallen (korte termijn); 2. een experiment onder de Crisis en herstelwet (CHW) ten behoeve van de aanpak van bestaande situaties (korte termijn); 3. En een bouwsteen-aanpak via Omgevingsplan (lange termijn). Beter benutten bestaande technieken en verbeteren toezicht emissiearme stallen (korte termijn) De Rijksoverheid werkt samen met provincies, gemeenten en sector aan kennisoverdracht over emissie-reducerende technieken bij de ondernemer, de agrarisch adviseurs, toezichthouders en vergunningverleners. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de belangen van de ondernemer (positieve neveneffecten) en wordt gekeken naar de mogelijkheden om leveranciers van de technieken te betrekken. Ook het verbeteren van toezicht en handhaving door het bevoegd gezag is onderdeel van deze actie. De Rijksoverheid onderzoekt op basis van nieuwe technieken die
28
21
Kamerstuk 28973, nr. 218
beschikbaar zijn gekomen of emissie-eisen voor ammoniak en fijn stof aan stallen kunnen worden aangescherpt. CHW-experiment aanpak bestaande situaties (korte termijn) Provincies en gemeenten hebben in 2019 een aanvraag voor een CHW-experiment ingediend. De Rijksoverheid faciliteert. Met dit CHW-experiment krijgen gemeenten onder andere meer mogelijkheden om emissiereductie uit (bestaande) stallen te realiseren. Het gaat om de reductie van de emissie van geur, ammoniak en fijn stof. Ook wordt met een CHW-experiment voor innovatie het kunnen toepassen van innovatieve systemen of technieken versneld. Bouwsteen-aanpak via Omgevingsplan (lange termijn) De Rijksoverheid werkt samen met een aantal provincies en gemeenten aan een aanpak voor het vormgeven van beleid onder de Omgevingswet. Mede op basis van de ervaringen in de korte termijn aanpak, wordt een bouwsteen voor emissiereductie in het omgevingsbeleid ontwikkeld. Hierbij wordt invulling aan de verschillende instrumenten die de Omgevingswet biedt. Zoals het vastleggen van ambities in de omgevingsvisie, het opstellen van een programma en het verankeren van regels in het omgevingsplan. Dit als voorbeeld voor andere gemeenten/regio’s.
7. Internationaal luchtbeleid Ongeveer de helft van de Nederlandse gezondheidseffecten door luchtverontreiniging is afkomstig van buitenlandse emissies. Ambitieus internationaal beleid is noodzakelijk om ook in het buitenland de emissies te laten dalen 29. Het gaat daarbij om Europees bronbeleid voor emissies van voertuigen, schepen, mobiele werktuigen, industrie en landbouw en om luchtkwaliteitsbeleid. Dit loopt voornamelijk via de Rijksoverheid, maar gemeenten en provincies hebben mogelijkheden via Europese samenwerkingsverbanden en instituties. Doel Streven is een sterke afname van de gezondheidsimpact afkomstig uit buitenlandse emissies van fijn stof en NOx en een aanscherping van Europees bronbeleid voor het wegverkeer, de industrie, scheepvaart, mobiele werktuigen, landbouw en huishoudens. Maatregelen 1. Partijen streven, binnen hun mogelijkheden en in hun eigen netwerken naar ambitieus internationaal luchtbeleid gericht op aanscherping van de Richtlijn luchtkwaliteit en met name die van PM2.5. Daarbij streeft de Rijksoverheid naar grotere kosteneffectiviteit door ook internationaal meer op gezondheidswinst en minder op grenswaarden en hotspots te normeren. De Rijksoverheid brengt de ambitie voor internationale luchtbeleid actief in bij Europese besluitvorming en werkt actief met coalities van andere lidstaten samen om dit te realiseren.
Daartoe organiseert de Rijksoverheid in het voorjaar van 2020 een Schone Lucht Dialoog met de Europese Commissie. Het belang van ambitieus luchtbeleid voor gemeenten en provincies die deelnamen aan het Schone Lucht Akkoord wordt daarbij gepresenteerd. Om dat te bereiken, zal de Nederlandse aanpak worden besproken in het kader van de VN-ECE Verdrag inzake langeafstanden grensoverschrijdende luchtverontreiniging (LRTAP) en meer specifiek in het Expert Panel on Clean Air in Cities en de Taskforce Health onder hetzelfde Verdrag. 2. De Rijksoverheid zet actief in op ambitieus Europees bronbeleid waaronder aanscherping van de Richtlijn industriële emissies en BBT-conclusies, van de emissie-eisen en de effectiviteit in de praktijk voor het wegverkeer, mobiele werktuigen en binnenvaart, voor houtkachels, landbouw en duurzame inkoop. Waar mogelijk en kansrijk betrekt de Rijksoverheid hier andere partijen uit het akkoord. De inzet wordt afgestemd met andere duurzaamheidsdoelen zoals
29
Ook is de regering via de motie van Eijs en Dik-Faber verzocht om een internationale schoneluchtsamenwerking op te zetten met omringende landen. Kamerstuk 30175, nr. 300
22
klimaatdoelen en transitieagenda’s en beleid voor verduurzaming van de landbouw en veehouderij. 3. De Rijksoverheid zet actief in op aanscherping van emissie-eisen voor de internationale scheepvaart in Europees en mondiaal verband via de International Maritime Organisation (IMO). Streven is daarbij om de Noordzee tot NECA gebied te maken waardoor de emissies naar de lucht sterk kunnen afnemen. 4. Partijen verkennen de mogelijkheden om effectiever gebruik te maken van internationale regelingen en innovatiefondsen voor het versneld terugdringen van de emissies en ter ondersteuning van effectief luchtbeleid.
8. Participatie Inleiding Participatietrajecten kunnen ervoor zorgen dat de samenleving meer kennis heeft en zich meer bewust is van de oorzaken en gevolgen van slechte luchtkwaliteit. Maatregelen en goede voorbeelden vanuit de samenleving kunnen een stimulans geven aan meer mensen om actief mee te doen. Een open participatieproces kan de kans op begrip en draagvlak voor deze maatregelen vergroten. Voor een complex vraagstuk als luchtkwaliteit is samenwerking tussen overheid, bewoners, bedrijven en organisaties een randvoorwaarde voor succes. Doelstelling is daarom dat alle partijen ook kunnen zien en weten wat hun rol in het geheel is. De overheid zal een samenwerkingspartner moeten zijn die met alle partijen samenwerkt en die de partijen ruimte geeft. Wanneer de overheid en burgers elkaars perspectieven en beleving kennen en respecteren, zal dit er uiteindelijk voor zorgen dat het overheidsbeleid (en de hieruit voortvloeiende maatregelen) beter aansluiten bij de praktijk en ook beter of eerder effect sorteert. In de samenwerking tussen overheid en samenleving is er ook ruimte voor het bereiken van nieuwe inzichten en innovatieve en alternatieve oplossingen. Maatregelen: 1. Alle Partijen nemen deel aan de totstandkoming van een landelijke ‘jongerentop’.
Het resultaat wordt aangeboden aan de minister voor Milieu en Wonen, gedeputeerden van de Provincies en wethouders van de Gemeenten. Partijen onderzoeken op welke wijze de adviezen kunnen worden meegenomen in de uitvoeringsagenda van het Schone Lucht Akkoord en nemen deze vervolgens op in de afspraken en monitoring. 2. Alle Partijen informeren inwoners en bedrijven actief over luchtkwaliteit en gezondheidseffecten, de maatregelen die zij nemen om gezondheidswinst te realiseren en de mogelijkheden voor citizens science. 3. Partijen die actief aan de slag gaan met citizens science werken samen aan het versterken van het kennisnetwerk rond citizens science. Doel is om meer mensen in gelegenheid te stellen de luchtkwaliteit in de omgeving te meten en een kwaliteitsslag in de voorlichting over zelf lucht metingen uitvoeren te realiseren. Onder leiding van het RIVM wordt minimaal tweejaarlijks een luchtkwaliteitdag georganiseerd waarbij gemeenten en andere initiatiefnemers van burgermeetnetten kennis en ervaring kunnen uitwisselen en nieuwe kennis kunnen opdoen. Dit in nauwe samenhang met de hieronder genoemde pilot waarin wordt geëxperimenteerd met het gebruik van sensormeetgegevens in het landelijk meetnet luchtkwaliteit.
Pilot Participatie De Rijksoverheid stelt in samenwerking met RIVM meetstations uit het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit ter beschikking aan gemeenten en/of provincies die deelnemen aan de Pilot. Deze meetstations zijn eigendom van het RIVM en RIVM zorgt voor het onderhoud en beheer. In sommige gevallen kan worden overwogen om een extra meetstation bij te plaatsen of, in overleg, een station van een ander meetnet in de pilot te betrekken. Burgers en bedrijven kunnen rondom
23
het meetstation (satelliet)sensoren plaatsen om lokaal de luchtkwaliteit te meten. Het RIVM ontwikkelt een (web)platform om de gegevens uit te kunnen wisselen met de gegevens van het Landelijk Meetnet. In de pilot wordt onderzocht op welke manier op een bestendige manier betrouwbare informatie kan worden gegenereerd waarbij zowel burgers, decentrale overheden als de Rijksoverheid relevante informatie over de luchtkwaliteit uitwisselen. De deelnemende gemeenten dragen bij in de kosten van het plaatsen en beheer van het station en de sensoren.
24
Aldus overeengekomen en in tweevoud ondertekend,
de Minister voor Milieu en Wonen,
.............................................................................................................................. Mevrouw S. van Veldhoven-van der Meer
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de provincie Drenthe,
.............................................................................................................................. De heer T. Stelpstra
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de provincie Flevoland,
.............................................................................................................................. Mevrouw C.W. Smelik
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de provincie Gelderland,
.............................................................................................................................. De heer J. van der Meer
25
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de provincie Noord-Brabant,
.............................................................................................................................. De heer H.J. Grashoff
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de provincie Noord-Holland,
.............................................................................................................................. De heer E. Stigter
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de provincie Overijssel,
.............................................................................................................................. De heer T.A. de Bree
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de provincie Utrecht,
.............................................................................................................................. De heer R.G.H. van Muilekom
26
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de provincie Zeeland,
.............................................................................................................................. De heer B.L.L. van der Velde
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de provincie Zuid-Holland,
.............................................................................................................................. Mevrouw A.W. Bom-Lemstra
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Alblasserdam,
.............................................................................................................................. De heer A. Kraijo
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Alphen aan de Rijn,
..............................................................................................................................
27
De heer L. Maat
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Amersfoort,
.............................................................................................................................. De heer J.C. Buijtelaar
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Amsterdam,
.............................................................................................................................. Mevrouw G.A.M. van Doorninck
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Arnhem,
.............................................................................................................................. Mevrouw C. Bouwkamp
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
28
de gemeente Bernheze,
.............................................................................................................................. De heer M.A.W.J.M. Wijdeven
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Beverwijk,
.............................................................................................................................. De heer H. Erol
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
.............................................................................................................................. De heer J.L. van den Heuvel
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Breda,
.............................................................................................................................. De heer P.J.L.M. de Beer
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
29
de gemeente Delft,
.............................................................................................................................. De heer S. Brandligt
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Den Haag,
.............................................................................................................................. Mevrouw L. van Tongeren
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Deventer,
.............................................................................................................................. De heer C.J. Verhaar
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Dordrecht,
.............................................................................................................................. De heer H. van der Linden
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
30
de gemeente Ede,
.............................................................................................................................. Mevrouw D.W. Vreugdenhil
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Gouda,
.............................................................................................................................. Mevrouw H. Niezen
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Haarlem,
.............................................................................................................................. De heer R. Berkhout
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Heemskerk,
.............................................................................................................................. De heer Q.J.A. Rijke
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
31
de gemeente Helmond,
.............................................................................................................................. Mevrouw A. Maas
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht,
.............................................................................................................................. De heer R.J. Lafleur
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente ‘s-Hertogenbosch,
.............................................................................................................................. De heer M.J.J. van der Geld
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Hoeksche Waard,
.............................................................................................................................. De heer P.J. van Leenen
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
32
de gemeente Krimpenerwaard,
.............................................................................................................................. De heer A. Bening
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Leiden,
.............................................................................................................................. De heer A. North
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Nederweert,
.............................................................................................................................. De heer F.D.J. Voss
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Nijmegen,
.............................................................................................................................. Mevrouw H. Tiemens
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
33
de gemeente Papendrecht,
.............................................................................................................................. De heer A.M.J.M. Janssen
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Pijnacker-Nootdorp,
.............................................................................................................................. De heer F.J.M. van Kuppeveld
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Rotterdam,
.............................................................................................................................. De heer A. Bonte
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Schiedam,
.............................................................................................................................. De heer J.W. Ooijevaar
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
34
de gemeente Tilburg,
.............................................................................................................................. De heer O. Dusschooten
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Uitgeest,
.............................................................................................................................. De heer J. Brouwer
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Utrecht,
.............................................................................................................................. De heer E. Eerenberg
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Velsen,
.............................................................................................................................. De heer S. Dinjens
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
35
de gemeente Waddinxveen,
.............................................................................................................................. Mevrouw G. Atzema
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Zaanstad,
.............................................................................................................................. De heer W. Breunesse
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
de gemeente Zuidplas,
.............................................................................................................................. De heer J.W. Schuurman
te (plaats) .................................................................... op (datum) .........................
36
Bijlage II. Nieuwe partijen
37
colofon: januari 2020 Dit is een uitgave van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Redactie: BoschSlabbers landschapsarchitecten; Steven Slabbers, Koen Bakker Medewerking teksten: Corianne Roza, Rozatekst Afbeeldingen en infographics: BoschSlabbers landschapsarchitecten en Rijksoverheid Voor meer informatie; www.schoneluchtakkoord.nl Contact: schoneluchtakkoord@minienw.nl
Deze brochure is een uitgave van: Rijksoverheid Postbus 00000 | 2500 aa Den Haag t 0800 646 39 51 (ma t/m vrij 9.00 – 21.00 uur) November 2019 | Publicatie-nr. ??????
Toelichting op
het Schone Lucht Akkoord
Gezondheidswinst voor iedereen
Voorwoord Mobiliteit
Mobiele werktuigen
Schone lucht voor iedereen! Schone lucht is van levensbelang. Voor iedereen. Ook al is de lucht de laatste tientallen jaren veel schoner geworden, toch is luchtverontreiniging nog steeds een belangrijk gezondheidsrisico in ons land. Gemiddeld leven we in Nederland negen maanden korter door luchtverontreiniging. En bij één op de vijf kinderen met astma is de ziekte gerelateerd aan luchtverontreiniging. Kortom, werk aan de winkel. Onze lucht kán en móet schoner. Daarom ondertekent het kabinet met provincies en gemeenten begin 2020 het Schone Lucht Akkoord.
“Schone lucht inademen is een recht voor iedereen” Industrie Binnenvaart en havens
Draagvlak in de samenleving voor de maatregelen is een belangrijk aspect van het akkoord. Zo zullen ook burgerinitiatieven betrokken worden in de uitvoering, evenals ideeën en innovaties van het bedrijfsleven. Ik wil een land waar iedereen, jong en oud, in de stad of daarbuiten, en zeker mensen die extra gevoelig zijn voor luchtverontreiniging, zonder problemen kunnen wonen, werken, sporten en spelen. Schone lucht inademen is een recht voor iedereen. Onze ambities kunnen we helaas niet van vandaag op morgen realiseren. Maar als we samen onze schouders eronder zetten, hebben we zeker zicht op schonere lucht voor iedereen. Stientje van Veldhoven Minister voor Milieu en Wonen Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Woningen - houtstook Landbouw
Doel van het akkoord is gezamenlijk de luchtkwaliteit in Nederland permanent verbeteren. Met onze aanpak van binnenlandse bronnen streven we naar een gezondheidswinst van minimaal 50 procent in 2030 ten opzichte van 2016. Dat betekent dat mensen langer, gezonder en met meer kwaliteit leven. De maatregelen die we voorstellen zijn haalbaar en betaalbaar. En ze sluiten waar mogelijk aan bij lopende initiatieven. In alle sectoren, van scheepvaart tot vracht- en personenvervoer, van industrie tot de landbouw, starten overheden in samenspraak met bedrijven en burgers initiatieven en acties starten voor schonere lucht. Ideeën voor schonere brandstoffen, minder uitstoot van fijnstof, meer gebruik van elektrische motoren en de fiets en vele andere voorstellen. Ook de overlast verminderen van houtrook maakt onderdeel uit van het Schone Lucht Akkoord. Bron beeld: https://www.mediatheekrijksoverheid.nl/
Bron beelden: https://www.mediatheekrijksoverheid.nl/
2
3
Inhoudsopgave Voorwoord ................................................................... 3 Inhoudsopgave............................................................. 5 1. Inleiding...................................................................... 7 2. Impact van luchtverontreiniging op gezondheid. 15 3. Aanpak mobiliteit .................................................... 17 Interview: Wethouder Arno Bonte, Rotterdam........ 21 4. Aanpak mobiele werktuigen .................................. 23 5. Aanpak industrie..................................................... 27 6. Aanpak woningen - houtstook .............................. 31 7. Aanpak binnenvaart en havens .............................. 45 8. Aanpak landbouw.................................................... 39 Interview: Wethouder Aart de Kruijf, Barneveld...... 43 9. Internationale schoneluchtbeleid ......................... 45 10. Aanpak bewustzijn en betrokkenheid................ 49
Bron beeld: https://www.mediatheekrijksoverheid.nl/
4
5
1. Inleiding
Urgentie Lucht, we kunnen niet zonder. We ademen het in en uit en we genieten met volle teugen van de frisse lucht. Toch blijkt die lucht niet overal zo fris als gedacht. Zonder dat we dat direct in de gaten hebben, zitten er meer verontreinigende stoffen in onze lucht dan we zouden wensen. Die stoffen zijn afkomstig van tal van bronnen; van de uitlaatgassen van het verkeer tot de schoorstenen van de industrie. Maar ook de huishoudens, de landbouw en de scheepvaart dragen aan de verontreiniging bij. Daarnaast komt de verontreiniging ook letterlijk aangewaaid vanuit gebieden buiten onze landsgrenzen. Bij een flinke oostenwind dringt de vervuilde lucht vanuit het Ruhr-gebied gemakkelijk tot aan de Randstad ons land binnen en bij een flinke westenwind exporteert Nederland vieze lucht naar onze buren. Die verontreiniging is niet zo zichtbaar, maar wel heel merkbaar. Na roken behoort luchtverontreiniging tot een van de belangrijkste risicofactoren voor de gezondheid, in dezelfde orde van grootte als overgewicht.1 Het zijn met name fijnstof (PM10, PM 2,5 en ultrafijnstof), stikstofdioxide (NO2) en ozon die een effect hebben op de volksgezondheid.1 De aanwezigheid van deze stoffen in de lucht leidt tot een verlies in levensverwachting, tast de kwaliteit van leven aan en heeft impact op de natuur. Jaarlijks overlijden 11.000 mensen vroegtijdig door luchtverontreiniging.
Gemiddeld leven Nederlanders 9 maanden korter als gevolg van vervuilde lucht. Luchtverontreiniging heeft zelfs een lager geboortegewicht en een verhoogde sterfte onder pasgeboren kinderen tot gevolg1. De gezondheidsschade zadelt de samenleving niet alleen met een hoop verdriet maar ook met hoge kosten op. En minstens zo belangrijk, de kwaliteit van leven is in het geding. Niet iedereen heeft even veel last van luchtverontreiniging. Kinderen, ouderen, astmapatiënten en mensen met harten vaataandoeningen zijn meer gevoelig voor de effecten van luchtverontreiniging. Deze hooggevoelige groepen hebben eerder en sterker last van geïrriteerde luchtwegen Bron beeld: https://www.mediatheekrijksoverheid.nl/
6
1 RIVM: VTV – verkenning (Volksgezondheid toekomst verkenning 2018) 2 RIVM: Luchtkwaliteit en gezondheidswinst 2015 3 IBO luchtkwaliteit 2019
en slijmvliezen, kortademigheid, een verminderd concentratievermogen en een verminderde arbeidsproductiviteit2. De mate van verontreiniging is niet in het hele land hetzelfde. De lucht is het meest vervuild in de grote steden, rond drukke wegen en havencomplexen en nabij grote concentraties aan intensieve veehouderijen. Toch is ook op de schoonste plekken een aanzienlijke gezondheidswinst te halen. Zelfs binnen één stad blijken de verschillen groot. Wie aan een drukke verkeersader in het centrumgebied woont, wordt aanzienlijk meer en intensiever aan verontreinigde lucht blootgesteld dan wie in een groene buitenwijk woont. De verschillen in luchtkwaliteit en de verschillen in gevoeligheid maken dat de levensverwachting niet voor iedereen gelijk is en dat de één er meer last van ondervindt dan de ander. Dat trekken we ons als overheden (Rijk, provincie en gemeenten) aan. Daarom zetten we krachtig in op het verbeteren van de luchtkwaliteit. Daar werken we al geruime tijd aan, en met succes. In de afgelopen decennia is de luchtkwaliteit in Nederland sterk verbeterd.
Tussen 1980 en 2015 zijn concentraties sterk gedaald: stikstofdioxide met 41 procent, fijnstof (PM10) met 73 procent en de kleinere fractie fijnstof met 80 procent.3 Hiermee wordt vrijwel overal aan de Europese grenswaarden voldaan, met uitzondering van enkele drukke wegen in binnensteden en enkele gebieden met intensieve veehouderij.
Ambitie Maar daarmee hebben we nog geen schone lucht. De ambitie van het Schone Lucht Akkoord reikt verder. Het moet en kan schoner. Onze ambitie is om in alle relevante sectoren de uitstoot van vervuilende stoffen te beperken, om zo in 2030 minimaal 50 procent gezondheidswinst ten opzichte van 2016 te behalen. Het gaat hierbij om gezondheidseffecten ten gevolge van blootstelling aan de uitstoot van Nederlandse bronnen. Een gecombineerde inzet van maatregelen en inzet op ambitieus internatio7
urgentie schone lucht akkoord
9 maanden
eerder overlijden (gemiddeld) als gevolg van luchtverontreiniging in 20161
aanpak schone lucht akkoord
11.000
sterfgevallen/jaar als gevolg van luchtverontreiniging in 20161
doel schone lucht akkoord
50%
gezondheidswinst2 in 2030 (ten opzichte van 2016) voor de gezondheidseffecten afkomstig van Nederlandse bronnen
+4 4.000-5.000 maanden levensduur
minder sterfgevallen/jaar als gevolg van luchtverontreiniging in 2030
+ 3 6 miljard euro tot
maatschappelijke baten/jaar in 2030
Urgentie en doel van het Schone Lucht Akkoord.1
Het Schone Lucht Akkoord bevat generieke en specifieke maatregelen. Generieke maatregelen pakken (de deken van) luchtverontreiniging boven heel Nederland aan. Specifieke maatregelen richten zich op dichtbevolkte locaties met hoge concentraties luchtverontreiniging, waar de potentiële gezondheidswinst het grootst is. Een vermindering van de deken van vieze lucht levert gezondheidswinst op voor heel Nederland, in de gebieden met de hoogste (piek-) belasting aan concentraties kan de gezondheidswinst aanzienlijk zijn.
naal luchtbeleid moet ertoe leiden dat in 2030 gemiddeld ruim vier maanden gezondheidswinst is gerealiseerd en dat er jaarlijks 4.000 tot 5.000 minder sterfgevallen als gevolg van blootstelling aan luchtvervuiling zijn. Deze gezondheidswinst heeft ook een directe economische winst tot gevolg. In 2030 wordt hiermee jaarlijks zo’n 3 tot 6 miljard per euro bespaard ten opzichte van 2016.
Samen maken we het verschil Om deze ambitie te bereiken is het Schone Lucht Akkoord opgesteld. Het Schone Lucht Akkoord maakt de omslag van alleen sturen op het voldoen aan Europese grenswaarden, naar het realiseren van gezondheidswinst voor iedereen. In het Schone Lucht Akkoord leggen Rijk, provincie en gemeenten vast wat zij gaan doen om onze lucht schoner te maken. Hoe meer partijen meedoen, hoe groter de winst. 8
Maatregelen; generiek en gebiedspecifiek Het Schone Lucht Akkoord heeft als doel in heel Nederland de luchtkwaliteit te verbeteren, wil de ‘deken van luchtverontreiniging’ die over ons land ligt zoveel mogelijk wegtrekken. Daartoe geeft het Schone Lucht Akkoord per relevante sector (wegverkeer, mobiele werktuigen, industrie, huishoudens, scheepvaart en havens en landbouw) aan met welke maatregelen de uitstoot van stikstofdioxide en fijnstof naar de lucht wordt teruggedrongen en wie daarvoor aan de lat staat of staan. Voor de luchtvaartemissies in Nederland worden de aanpak en maatregelen uitgewerkt in de Luchtvaartnota en de daarop volgende Luchthaven-besluiten. Naast deze generieke benadering staat de gebiedsspecifieke aanpak. Voor dicht bevolkte gebieden met hoge concentraties luchtverontreiniging is een aanvullende aanpak op maat nodig. Hier is de blootstelling het hoogst
1 RIVM: VTV – verkenning (Volksgezondheid toekomst verkenning 2018). Het gaat hierbij om vroegtijdige sterfgevallen als gevolg van blootstelling aan fijnstof en stikstofdioxide. 2 De gezondheidseffecten en gezondheidswinst voor het Schone Lucht Akkoord zijn berekend op basis van verloren levensjaren.
9
Bijdrage binnenlandse bronnen
9%
17% overige bronnen
woningen - houtstook
10%
10%
mobiele werktuigen industrie
7%
36% mobiliteit
binnenvaart en havens
11% Bijdrage per sector aan het gezondheidseffect afname levensduurverwachting. (2016)1
Internationale agenda Luchtkwaliteit houdt zich niet aan grenzen. In onze aanpak kan de internationale component dan ook niet ontbreken. Ongeveer de helft van de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging in Nederland komt door luchtvervuiling uit het buitenland. De ontwikkeling van emissies uit het buitenland is niet direct te beïnvloeden, maar een stevige Nederlandse inzet moet hier zeker aan gaan 10
Betrokkenheid en jongeren Schone lucht gaat ons allemaal aan. Luchtkwaliteit raakt mensen en bedrijven en ook onze toekomstige generaties. Daarnaast wordt met projecten zoals ‘Citizens science’ of ‘burgerwetenschap’ de betrokkenheid versterkt bij het luchtkwaliteitsbeleid. Door bewoners te betrekken bij het opzetten van een meetnetwerk krijgen zij een actieve rol in het monitoren van de luchtkwaliteit en kunnen we tegen minder kosten een grotere hoeveelheid data verzamelen. Daarmee geven we ook op het niveau van de individuele burger inhoud aan ons adagium ‘schone lucht is een gezamenlijke verantwoordelijkheid’.
Relatie tot het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit
landbouw
en de potentiële gezondheidswinst het grootst. Voor kwetsbare groepen worden maatregelen uitgewerkt, zoals een stookalert bij ongunstige weersomstandigheden en/of slechte luchtkwaliteit. Ook worden maatregelen op lokaal niveau onderzocht, denk aan de invoering van houtstookarme en houtstookvrije wijken.
pilots opgestart, waarin we samen met decentrale overheden experimenteren met vernieuwende en vergaande maatregelen om de luchtverontreiniging aan te pakken. Deze pilots hebben onder andere betrekking op schone landbouw, een gezonde haven en de ontwikkeling van houtstookvrije/houtstookarme wijken. We gaan de effecten van onze maatregelen nauwkeurig monitoren. Daartoe heeft het RIVM de Gezondheidsindicator ontwikkeld (zie ook Hoofdstuk 2). Hiermee kan worden berekend wat het effect van luchtvervuiling is op de levensverwachting van de bevolking. Niet alleen landelijk, maar tot op buurtniveau. Tenminste ééns in de drie jaar, te beginnen in 2020, wordt met behulp van de gezondheidsindicator berekend of de doelen van het Schone Lucht Akkoord nog binnen bereik liggen of dat bijsturing nodig is.
bijdragen. Daarom zetten wij ons in internationaal verband actief in voor een Europabrede aanscherping van de emissie-eisen en presenteren wij met het Schone Lucht Akkoord onze internationale agenda.
Kennisontwikkeling en monitoring De kennis over luchtkwaliteit en over hoe we daar effectief beleid op kunnen voeren is continu in ontwikkeling. Daarom werken we aan een kennis- en innovatieagenda om beter inzicht te krijgen in de effectiviteit van de maatregelen en om innovatieve aanpakken te ontwikkelen. We verdiepen onze kennis over bronnen van luchtverontreiniging en doen onderzoek naar de gezondheidseffecten van verschillende verontreinigende stoffen. Als onderdeel van de agenda wordt een aantal innovatieve
Het Schone Lucht Akkoord is anders van aard en doelstelling dan het lopende Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL voorziet in een gezamenlijke inspanning van Rijksoverheid en decentrale overheden om de (resterende) overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit op te lossen. Het Schone Lucht Akkoord daarentegen is gericht op het realiseren van gezondheidswinst voor iedereen, door een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, en werkt toe naar de WHO-advieswaarden in 2030. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft het NSL van kracht. Voor de periode na het NSL heeft het kabinet het voornemen om bestuurlijke afspraken te maken met relevante gemeenten en provincies in aandachtsgebieden, om de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de aanpak van (dreigende) overschrijdingen nader te verankeren.
1 RIVM 2 http://epa.gov/airquality/particlepollution/basic.html
Relatie aanpak stikstofdepositie en het Schone Lucht Akkoord. De stikstofaanpak en het Schone Lucht Akkoord versterken elkaar: Veel maatregelen uit het Schone Lucht Akkoord dragen bij aan natuurdoelen door reductie van stikstofdepositie. Anderzijds leiden de aanvullende maatregelen vanuit de aanpak van stikstofdepositie op de natuur meestal tot gezondheidswinst. De maatregelen in beide beleidsdossiers worden binnen het Rijk afgestemd. Voor de sector landbouw is de stikstofaanpak leidend. Het Schone Lucht Akkoord voert geen nieuwe ingrijpende maatregelen op voor de landbouw, maar beperkt zich tot het effectief uitvoeren van bestaand beleid en innovaties. Toelichting: Het Schone Lucht Akkoord richt zich op gezondheidswinst door een vermindering van: • Fijnstof; primair fijnstof zoals roet en secundair fijnstof dat onstaat uit onder andere ammoniak (NH3). • Stikstofdioxide (NO2). Aanpak van de ‘deken’ van luchtvervuiling zorgt zowel voor gezondheidswinst als voor minder depositie op de natuur.
vormen van fijnstof2
Schematische voorstelling van de grootte van fijnstofdeeltjes ten opzichte van een mensenhaar.
11
De voornaamste luchtverontreinigende stoffen en bronnen1 Stikstofoxiden (NOx): als stikstof de verbinding aangaat met zuurstof in de lucht ontstaan stikstofoxiden (stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO2), gezamenlijk NOx). De voornaamste bronnen van stikstofoxiden zijn verkeer en scheepvaart. Vooral in stedelijke gebieden en bij snelwegen is de concentratie stikstofdioxide hoog.
Ammoniak (NH3): ammoniak verbindt zich in de lucht met stikstofoxiden en vormt zo secundair fijnstof. De voornaamste bron is landbouw. De hoogste concentraties ammoniak zijn dan ook te vinden in de landbouwregio’s in Midden- en Zuid-Nederland.
Zwaveldioxide (SO2): zwaveldioxide komt vrij bij de verbranding van zwavelhoudende (fossiele) brandstoffen en vormt zo secundair fijnstof.
Fijnstof (kleiner dan 10 micrometer): fijnstof bestaat uit deeltjes en druppelvormige stoffen in de lucht die niet met het blote oog waarneembaar zijn (anders is sprake van grof stof). Directe uitstoot van fijnstof wordt primair fijnstof genoemd. Fijnstof kan ook gevormd worden als stikstofoxiden reageren met verzurende stoffen, zoals ammoniak. In dat geval is sprake van secundair fijnstof. Fijnstof (in het Engels particulate matter, vandaar de afkorting PM) kent verschillende vormen:
Ozon (O3): ozon is een gas dat onder invloed van zonlicht wordt gevormd uit koolmonoxide, stikstofoxiden en vluchtige organische stoffen. De concentratie ozon wordt beïnvloed door het weer en is hoog op zonnige, windstille dagen. O3 is op leefniveau zeer schadelijk voor planten, dieren en de gezondheid van de mens.
PM10: fijnstof met een diameter kleiner dan 10 micrometer. De voornaamste bronnen van PM10 zijn industrie, verkeer, landbouw en scheepvaart.
Het meest schadelijk zijn fijnstof, NO2, ammoniak, zwavelstofdioxide en ozon. Doordat stikstofdioxiden, ammoniak en zwaveldioxide de eigenschap hebben op de bodem neer te slaan (depositie) hebben zij tevens een ernstig negatief effect op natuurkwaliteit en biodiversiteit in ons land en onze buurlanden. De maatregelen in het Schone Lucht Akkoord richten zich hoofdzakelijk op het voorkomen van gezondheidsschade door stikstofoxiden en fijnstof (PM10, PM2,5 inclusief roet). Veel van deze maatregelen verminderen ook de uitstoot van andere stoffen.
PM2,5: fijnstof met een diameter kleiner dan 2,5 micrometer. Bronnen zijn industrie, verkeer, landbouw, huishoudens en (zee)scheepvaart. PM2,5 verspreidt zich (veel sterker dan PM10) als een deken over het land.
Roet: een bijzondere vorm van fijnstof is roet (elemental carbon) dat een diameter heeft van kleiner dan 0,3 micrometer. Roet bestaat uit koolstof met verbindingen zoals metalen en komt vrij bij onvolledige verbrandingsprocessen.
Ultrafijnstof: de kleinste factie fijnstof (diameter kleiner dan 0,1 micrometer). Ultrafijnstof komt vrij bij verbrandingsprocessen, zoals houtstook, en wordt uitgestoten door auto’s en door vliegtuigen, met name bij opstijgen en landen.
Binnenlandse bronnen van luchtvertontreinigde stoffen
Mobiliteit
12
Mobiele werktuigen
Industrie
Woningen - houtstook
1 IBO luchtkwaliteit 2018
Binnenvaart en havens
Landbouw
13
Gezondheidsindicator luchtverontreiniging1 2016
2. Impact van luchtverontreiniging op gezondheid
Verlies aan levensverwachting door luchtverontreiniging 2016 (in maanden). Hoe donkerder de kleur hoe groter het verlies aan levensverwachting.
2030 Maximaal voorzien verlies van levensverwachting in 2030 (in maanden), bij uitvoering van vastgesteld beleid. In 2030 is de kaart aanzienlijk lichter voor geheel Nederland wat gelijk staat aan een hogere levensverwachting ten opzichte van 2016..
Legenda verlies van levensverwachting (in maanden)
14
Blootstelling aan luchtverontreiniging kan er toe leiden dat mensen vroeger sterven en het kan een scala van gezondheidsklachten veroorzaken die de kwaliteit van leven van mensen en het functioneren op school en werk aantasten. De grootste gezondheidswinst is te halen bij de groepen die jarenlang bloot staan aan luchtverontreiniging. Vaak is dat in de grote steden, bij wegen, industrie en intensieve veehouderijbedrijven. Ook onder de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit treden gezondheidseffecten op, daarom werkt het Schone Lucht Akkoord toe naar de WHO-advieswaarden.
met lokale partijen gericht maatregelen te nemen om de emissie van bijvoorbeeld verkeer, intensieve veehouderij en houtstook te verminderen.
Hooggevoelige groepen
Schadelijke stoffen
Het Schone Lucht Akkoord richt zich op een verdere afname van het aantal hoogblootgestelden en daarnaast is er aandacht voor mensen die hooggevoelig voor gezondheidschade zijn. Dat zijn vooral ouderen, kinderen en mensen met een luchtwegaandoening. Om schade bij deze groepen te beperken richt het Schone Lucht Akkoord zich op beleid rond gevoelige bestemmingen, zoals scholen en ziekenhuizen.
Voor gezondheidsschade zijn de belangrijkste componenten in verontreinigde lucht fijnstof, stikstofdioxide en ozon.2 PM2,5 en roet zijn de schadelijkste componenten van fijnstof (zie overzicht schadelijke stoffen).3 Stikstofoxiden, ammoniak en zwaveldioxide kunnen leiden tot de vorming van secundair fijnstof, dat als een deken over grote delen van Nederland ligt en van grote invloed is op de jaargemiddelde concentraties waaraan de hele Nederlandse bevolking blootstaat. Doordat stikstofdioxiden, ammoniak en zwaveldioxide op de bodem neer slaan (depositie) zijn zij schadelijk voor de natuur en de biodiversiteit in ons land en onze buurlanden.
Opbouw luchtkwaliteit4
Generieke en gerichte aanpak
Gezondheidsindicator
De meeste gezondheidswinst wordt bereikt met een generieke aanpak die er op is gericht om in heel Nederland de deken van fijnstof te verminderen. Iedere verlaging van de concentratie PM2,5 met 5 microgram per m3 levert ongeveer drie maanden langer leven op.2 Om hoogblootgestelden en hooggevoelige groepen te beschermen is aanvullend op de generieke aanpak een gerichte aanpak nodig. Noodzakelijk is om ook de pieken in de luchtverontreiniging in kaart te brengen en samen
Om te kunnen monitoren of het totaal aan maatregelen daadwerkelijk schonere lucht oplevert is de gezondheidsindicator ontwikkeld (zie afbeelding hiernaast). Deze meet of de gezondheidseffecten minder negatief worden.
1 RIVM: Gezondheidsindicator 2 Gezondheidsraad, 2018, Gezondheidswinst door schonere lucht 3 RIVM: VTV – verkenning (Volksgezondheid toekomst verkenning 2018) 4 RIVM: 2018. GGD-richtlijn medische milieukunde: luchtkwaliteit en gezondheid
15
3. Aanpak mobiliteit Bijdrage aan gezondheidseffecten voor wegverkeer in Nederland
Wat is er aan de hand?
stikstofdioxide concentratie Nederland 20171
Van vrachtauto’s tot scooters, alles wat over de weg op fossiele brandstof rijdt, zorgt voor luchtvervuiling. Oudere dieselvoertuigen zijn de grootste boosdoeners. Maar ook lokaal bij fietspaden kunnen brommers een belangrijke bron zijn. Mensen worden ziek van uitlaatgassen. In Nederland is 36 procent van de gezondheidseffecten van binnenlandse bronnen te wijten aan het wegverkeer. Bij één op de vijf kinderen met astma is de ziekte gerelateerd aan luchtvervuiling door het verkeer.2 De overgang naar elektrische en waterstofvoertuigen zal gunstig uitpakken voor de luchtkwaliteit. Maar auto's gaan lang mee en tot die tijd komt de gezondsheidswinst vooral door het schoner maken van diesel- en benzinevoertuigen, meer fiets, meer en schoon openbaar vervoer en het weren van (vervuilende) voertuigen uit steden.
(in microgram/m3)
Bron beeld: https://www.mediatheekrijksoverheid.nl/
1 RIVM: https://www.atlasleefomgeving.nl
16
2 P. Achakulwisut et all, 2019, The Lancet, Global, national, and urban burdens of paediatric asthma incidence attributable to ambient NO2 pollution: estimates from global datasets
17
Doel:
71%
minder gezondheidsschade in 2030 dan in 2016 Actor
Type maatregel
Maatregelen
• Actieve inzet om de Europese emissie-eisen voor voertuigen aan te scherpen; waaronder ambitieuze post Euro-6/VI-emissienormen. • In 2021: een roettest invoeren voor dieselwagens in de APK- keuring.
Rijk
EU emissie-eisen • Emissiemeetprogramma voor auto's, om de strengere Europese normen goed te kunnen onderbouwen.
EU emissie-eisen
Rijk
Gezond mobiliteitsbeleid
Gemeente
Provincie
Klimaatakkoord
• Gezondheidsdoelen voor schonere lucht expliciet opnemen in de verkeers- en vervoersplannen van deelnemende overheden en in de Regionale Mobiliteitsprogramma’s. • Emissie-eisen opnemen bij inkoop of vergunningverlening van voertuigen of transportdiensten voor deelnemende overheden. Uiterlijk in 2020 afspraken maken over concrete gunningscriteria en over de periodieke aanscherping tot 2030. Inzet is om zo snel mogelijk (oudere) dieselvoertuigen te vervangen door schonere (elektrische) alternatieven. • Mogelijkheden bekijken (inclusief bestaande instrumenten als de GES-methode) om de gezondheidseffecten van onder meer investeringen in infrastructuur of een mobiliteitsfonds beter in kaart te brengen. • Lokaal mobiliteitsbeleid waaronder agenda fiets, deelmobiliteit etcetera.
• Stimuleringspakket zero-emissie wegvervoer. • Bestuursakkoord zero-emissie OV bussen en zero-emissie-doelgroepenvervoer. • Zero-emissie stadsdistributie in 30-40 steden. • Minder voertuigkilometers door werkgeversaanpak. • 30% reductie op transportkilometers achterlandtransport.
Strengere regels
Strengere Europese eisen aan voertuigen hebben al tot een schoner verkeer geleid. Regelgeving werkt dus. Een verdere aanscherping van de Europese emissie-eisen voor voertuigen (auto’s, vrachtwagens, brommers) is een effectieve maatregel om de uitstoot van wegverkeer te verminderen. Verscherpte controles, bijvoorbeeld op de werking van AdBlue-systemen, versterken de effectiviteit van de maatregelen. Door AdBlue aan het uitlaatsysteem van dieselmotoren toe te voegen, wordt de uitstoot van stikstofoxide drastisch verlaagd. Dit is noodzakelijk om aan de emissie-eisen te voldoen. Belastingen zijn van grote invloed op de samenstelling van het wagenpark en vormen daarmee een krachtig instrument om op de beperking van de emissie te sturen. Klimaatakkoord