Ruimtelijke onderbouwing Kasteelweg 12
Tekst van het document
De afstand tussen het dichtstbijzijnde bedrijf aan de Kasteelweg 10 (crematorium) en de gevel van de huisvesting bedraagt ca. 175 m. Vanuit het aspect geluid geldt een afstand van minimaal 100 m., waaraan dus ruimschoots wordt voldaan. Zie ook paragraaf 4.2.2. Andere omliggende (agrarische) bedrijven liggen op grotere afstand, waardoor geconcludeerd kan worden dat aan stap 1 wordt voldaan en verdere toetsing niet noodzakelijk is. Ter plaatse van de huisvesting is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. 4.2.4.
Luchtkwaliteit
Wet Luchtkwaliteit In hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen. Dit hoofdstuk staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Het doel van titel 5.2 van de Wet milieubeheer is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project leidt al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen. Regeling NIBM In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijnstof en stikstofdioxide in de lucht.
Toets NIBM De onderhavig ontwikkeling heeft betrekking op het huisvesten van maximaal 28 internationale werknemers. Naar aanleiding hiervan kan geconcludeerd worden dat de gewenste ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Omgekeerde werking In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is. Sinds een aantal jaren wordt de achtergrondconcentratie van de luchtkwaliteit gemonitord door de (landelijke) overheid. De luchtkwaliteit wordt dan ook getoetst aan de hand van de beschikbare gegevens uit de atlas leefomgeving.
Ruimtelijke onderbouwing Huisvesting internationale werknemers, Kasteelweg 12 te Baexem
20
Afbeelding 5: achtergrondconcentratie fijnstof PM10
(bron: atlasleefomgeving.nl)
Afbeelding 6: achtergrondconcentratie fijnstof PM2,5
(bron: atlasleefomgeving.nl)
Uit de kaarten blijkt dat ter plaatse van de huisvesting sprake is van een jaargemiddelde concentratie PM 10 van 17,07 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 9,99 µg/m³. Dit is beide lager dan de norm van 40 μg/m3. De grenswaarde van maximaal 35 dagen boven een daggemiddelde concentratie PM 10 van 50 µg/m³ wordt niet overschreden. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende geschikt is voor de uitbreiding van de huisvesting. 4.2.5.
Geur
De Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv), in werking getreden op 1 januari 2007, schept het beoordelingskader voor geurhinder als gevolg van tot veehouderij behorende dierenverblijven. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt in het kader van de beoordeling of dat er bij geurgevoelige objecten sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat én in het kader van de beoordeling of dat geurgevoelige objecten geen belemmering vormen voor omliggende bedrijven (omgekeerde werking) getoetst aan de normen uit deze wet.
Ruimtelijke onderbouwing Huisvesting internationale werknemers, Kasteelweg 12 te Baexem
21
In de Wgv worden enkel geurgevoelige objecten beschermd tegen overmatige stankhinder. De Wgv geeft voor een geurgevoelig object de volgende definitie: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk verblijf en die daarvoor permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Op basis van deze definitie zijn niet alleen woningen geurgevoelige objecten, maar alle bouwwerken waar sprake is van regelmatig menselijk verblijf. Hiermee kan in een bepaalde situatie ook een logiesgebouw geurgevoelig zijn. Woon- en leefklimaat De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. De Wvg kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. In bijlage 6 en 7 bij de ‘Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij’ is in beeld gebracht wat de relatie is tussen de achtergrondbelasting, het aantal geurgehinderden en de milieukwaliteit (classificatie woon- en leefklimaat). De volgende ‘milieukwaliteitscriteria’ worden door het RIVM gehanteerd. Tabel 2: Relatie achtergrondbelasting en milieukwaliteit in een concentratiegebied Achtergrondbelasting geur (OUe/m3)
Geurgehinderden (%)
Milieukwaliteit
0-3 4-8 9 - 13 14 - 20 21 - 28 19 - 38 39 - 50 51 - 65
<5 5 - 10 10 - 15 15 - 20 20 - 25 25 - 30 30 - 35 35 - 40
zeer goed goed redelijk goed matig tamelijk slecht slecht zeer slecht extreem slecht
In het kader van het aspect ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ is een berekening achtergrondbelasting uitgevoerd om te bepalen wat de mate van geurhinder ter plaatse is en of dit binnen de gestelde normen valt. De berekening is uitgevoerd met V-Stacks. Voor de berekening zijn een aantal punten gekozen rondom de bestaande en ook aangepaste/nieuwe bebouwing t.b.v. de huisvesting.
Afbeelding 7: rekenpunten berekening achtergrondbelasting (V-Stacks)
Ruimtelijke onderbouwing Huisvesting internationale werknemers, Kasteelweg 12 te Baexem
22
Op grond van de rekenresultaten kan gesteld worden dat er ter plaatse van de huisvesting sprake is van een redelijk goed tot goed woon- en leefklimaat. Ook de individuele invloed van de beide bedrijven op de projectlocatie is hiermee ruimschoots binnen de gestelde geurnorm.
Afbeelding 8: Rekenresultaten achtergrondbelasting (V-Stacks)
De uitkomsten van de berekening zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Omgekeerde werking In de nabijheid van de locatie is een intensieve veehouderijlocatie gelegen aan Apenbroek 21 te Heel. Dit bedrijf wordt niet rechtstreeks door de huisvesting (= milieu-gevoelige functie) in zijn ontwikkelingsmogelijkheden beperkt, daar rondom het bedrijf reeds andere milieu-gevoelige objecten (woningen) zijn gelegen, die dichterbij liggen en daarmee eerder een belemmering vormen. 4.2.6.
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het projectgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.
Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Ruimtelijke onderbouwing Huisvesting internationale werknemers, Kasteelweg 12 te Baexem
23
Projectlocatie Uit de nationale risicokaart (bron: atlas leefomgeving) kan worden geconcludeerd dat geen risicovolle inrichtingen ofwel risicobronnen zijn gelegen op korte afstand ( <500 m.) van de locatie. Ook van risicovolle transportroutes over weg, water ofwel ondergronds is geen sprake. Verantwoording van het groepsrisico hoeft niet plaats te vinden. Het voornemen wordt niet belemmerd door externe veiligheidsaspecten. 4.2.7.
Spuitzone
Doordat het plangebied in het buitengebied van Leudal ligt, is het in het kader van het aspect volksgezondheid wenselijk om te beschouwen of er sprake is van potentiële (onaanvaardbare) risico’s ten aanzien van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Indien gewasbeschermingsmiddelen op teeltgronden worden toegepast kan er sprake zijn van drift. Hierdoor kunnen deze gewasbeschermingsmiddelen bijvoorbeeld bij woningen en in tuinen terecht komen (verwaaien). Om een zonering te kunnen hanteren tussen bespuitingen en gevoelige functies wordt de term ‘spuitzones’ gehanteerd. Ook een logiesgebouw wordt in dit kader aangemerkt als een gevoelig object. Hoewel in geen enkele wettelijke regeling aan te houden afstanden zijn opgenomen voor spuitzones tussen gevoelige bestemmingen en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, dient op basis van het criterium goede ruimtelijke ordening wel te worden beoordeeld of het gebruik van die middelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies kan worden gehanteerd.
Het Activiteitenbesluit milieubeheer, in combinatie met de Activiteitenregeling milieubeheer, bevat de regels voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op open teelten (paragraaf 3.5.3 Abm). Hierbij wordt zoveel mogelijk driftarme apparatuur voorgeschreven. Sinds 1 januari 2018 geldt hierbij een minimale vereiste driftreductie van 75% (artikel 3.78a Abm) ten opzichte van de referentietechniek. Bovendien bevat het Activiteitenbesluit milieubeheer regels voor teeltvrije zones in directe nabijheid van oppervlaktewateren (zoals sloten). Deze teeltvrije zones hebben een functie aangaande de vermindering van drift van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater (en daarmee ook richting naastgelegen functies). Ook bevatten de regels een verbod op de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen bij hogere windsnelheden. Aan de zuid- en westzijde van het huisvestingsgebouw worden blauwe bessen geteeld op de landbouwgronden. De afstand tussen tot de kadastrale grens van het perceel waar de bessenteelt plaatsvindt bedraagt ca. 40 m. Aan de noordzijde worden asperges geteeld op de naastgelegen gronden. De afstand tot deze gronden is kleiner: < 10 m. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen binnen de aspergeteelt is beperkt. Voor en in het oogstseizoen worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Daarom behoort de asperge tot de schoonste groenten van Nederland.
De huisvesting van arbeidsmigranten vindt voornamelijk plaats tijdens het oogstseizoen. Geconcludeerd kan worden dat ten aanzien van de nabijheid van het aspergeperceel er om deze reden geen negatieve gevolgen te verwachten zijn op de gezondheid van de werknemers. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen binnen de bessenteelt vindt plaats in de periode van maart t/m mei. Dat is eveneens de periode dat de asperges worden geoogst. Echter, de percelen waarop de bessenteelt plaatsvindt, bevinden zich aan de andere zijde van het huisvestingsgebouw en worden tevens afgeschermd door een brede groenstrook. De afstand van het gebouw tot de locatie waar daadwerkelijk gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast voor de bessenteelt bedraagt minimaal 40 m. De genoemde 50 meter afstand wordt als worst case gehanteerd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In onderhavig situatie is sprake van een afstand van minimaal 40 m. In combinatie met de geldende regels ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij open teelten wordt de aangehouden afstand in onderhavig planvoornemen derhalve voldoende geacht.
Bovendien kan gesteld worden dat op grond van de inrichting van het plan en het feit dat sprake is van een brede groenstrook tussen het huisvestingsgebouw en de naastgelegen gronden voor de bessenteelt, een bijdrage geleverd kan worden aan een eventuele afvang van gebruikte gewasbeschermingsmiddelen. Het plan is ten aanzien van dit aspect afgewogen en wordt aanvaardbaar geacht.
Ruimtelijke onderbouwing Huisvesting internationale werknemers, Kasteelweg 12 te Baexem
24
4.2.8.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; Plannen die kader stellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten. Passende beoordeling Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden. Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de gewenste ontwikkeling geen significant negatief effect heeft op Natura2000-gebieden. Kaderstellend plan Een ruimtelijk plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r..
Het huisvesten van ‘shortstay’-arbeidsmigranten staat niet opgenomen in de C- of D-lijst van het Besluit M.E.R. derhalve is een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling niet aan de orde.
4.3.
Overige planologische aspecten
4.3.1.
Kabels en leidingen
Uit de Netkaart van het RIVM blijkt dat binnen/in de nabijheid van het projectgebied geen boven- en/of ondergrondse kabels en leidingen lopen, waarvoor (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden gelden en waarmee in de onderbouwing van dit initiatief rekening mee moet worden gehouden. Het aspect kabels en leidingen vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen. 4.3.2.
Natuurbescherming
Wet natuurbescherming In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de gewenste ontwikkeling invloed heeft op beschermde gebieden en beschermde soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Natura 2000-gebieden worden per 1 januari 2017 beschermd door de Wet Natuurbescherming (Wnb). De Wnb vervangt onder meer de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998). In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb heeft betrekking op de vergunningplicht in verband met Natura 2000gebieden (Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebieden) binnen en buiten Nederland. Op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb is een vergunning van Gedeputeerde Staten vereist voor het realiseren van projecten of het verrichten van andere handelingen die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van het gebied kunnen aantasten.
Ruimtelijke onderbouwing Huisvesting internationale werknemers, Kasteelweg 12 te Baexem
25
Toets stikstof Op grond van Europese en landelijke wet- en regelgeving gelden er normen en regels voor de uitstoot van vervuilende stoffen, onder andere om de natuurkwaliteit in beschermde gebieden te beschermen en waar mogelijk te vergroten. De ‘PAS-uitspraak’ (29 mei 2019) heeft eens te meer duidelijk gemaakt dat de eventuele invloed van stikstof meegewogen dient te worden in ruimtelijke plannen. Het dichtstbijzijnd Natura2000 gebied is Leudal. Dit gebied ligt op ruim 3,5 km afstand ten noord-oosten van de projectlocatie. Directe effecten als areaalverlies en versnippering worden dan ook uitgesloten. Externe effecten als gevolg van storingsfactoren door toename van geluid en licht zijn gezien de afstand tot het plangebied eveneens uitgesloten. Effecten als gevolg van vermesting/verzuring door een toename van het autoverkeer (stikstofdepositie) zouden wel op kunnen treden. Op grond van de gemeentelijke Beleidsregel categorieën stikstofdepositieberekening wordt een nader onderzoek ook noodzakelijk geacht. In dit kader is voor de bouw- en gebruiksfase middels een AERIUS berekening onderzocht of sprake is van een significante toename van stikstofdepositie op het Natura2000 gebied. Uit de onderzoeksresultaten kan echter worden geconcludeerd dat geen sprake is van een dergelijk effect als gevolg van het planvoornemen.
De berekening en een korte toelichting erop zijn opgenomen in bijlage 2 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Toets overige storingsfactoren De gewenste ontwikkeling leidt, door de grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ook niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is in de Wet natuurbescherming (Wnb) geregeld. Deze bescherming wordt op verschillende manieren uitgevoerd. Zo is er een verbod om beschermde planten te plukken en beschermde dieren te doden of te vangen. Ook andere handelingen die dier- en plantensoorten kunnen bedreigen zijn verboden of slechts onder voorwaarden toegestaan. De Wet natuurbescherming schrijft voor dat iedereen de algemene zorgplicht voor de in het wild levende planten en dieren in acht moet nemen. Dit houdt in dat handelingen die niet noodzakelijk verband houden met het beoogde doel, maar nadelig zijn voor de flora en fauna, achterwege moeten blijven. Op grond van artikel 1.11 van de wet (die de algemene zorgplicht regelt) moet schade aan soorten zoveel mogelijk worden voorkomen of worden beperkt.
Van bedreigde planten- of diersoorten worden lijsten gepubliceerd. Toets effectenindicator Met de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of het realiseren van de gewenste ontwikkeling een bedreiging vormt voor beschermde soorten. Uit de effectenindicator blijkt dat de aanwezigheid van beschermde soorten onwaarschijnlijk is, zie de navolgende afbeelding.
Ruimtelijke onderbouwing Huisvesting internationale werknemers, Kasteelweg 12 te Baexem
26
Uit de effectenindicator in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling, welke geen nieuwbouw inhoudt en plaatsvindt binnen reeds bestaande bebouwing, kan worden geconcludeerd dat geen onevenredige directe of indirecte gevolgen te verwachten zijn op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. De voorgenomen ontwikkeling doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van aanwezige plant- en diersoorten in het projectgebied. 4.3.3.
Archeologie en cultuurhistorie
In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen. De gemeente Leudal heeft ter bescherming van de eventueel in de bodem voorkomende archeologische waarden de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ toegekend aan de gronden in het vigerend bestemmingsplan. Deze dubbelbestemming bepaald dat geen nieuwe bebouwing op de gronden mag opgericht indien dit meer dan 1000 m² betreft en dieper dan 0,40 m. reikt. In de onderhavige situatie is geen sprake van een toename van bebouwing (bodemingreep), waardoor het aspect archeologie geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
Ruimtelijke onderbouwing Huisvesting internationale werknemers, Kasteelweg 12 te Baexem
27
Er is binnen het projectgebied geen sprake van cultuurhistorische waarden die als gevolg van de gewenste ontwikkeling geschaad zouden kunnen worden. Derhalve vormt ook het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. 4.3.4.
Waterparagraaf
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen dienen waterhuishoudkundige belangen meegewogen te worden. De ‘watertoets’ is hiervoor het toetsinstrument. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de oorspronkelijke situatie. Dit betekent dat voldoende compenserende maatregelen genomen moeten worden, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien. Hiermee wordt het functioneren van het watersysteem als geheel gediend (grondwater en oppervlaktewater). Beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).
Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Kenmerken van het watersysteem De projectlocatie bevat op grond van zowel het provinciale als gemeentelijk geldend beleid geen specifieke kenmerken waarmee rekening dient te worden gehouden in relatie tot de wijze waarop binnen de projectlocatie omgegaan wordt met water. Ten aanzien van afvalwater en hemelwater kan worden gesteld dat het planvoornemen niet voorziet in nieuwe verharding of een andere wijziging van bebouwde of verharde oppervlakte. Ten aanzien van afvalwater en hemelwater kan worden gesteld dat hierin geen wijziging optreedt, die resulteert in een belemmering voor de uitvoering van het project. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het initiatief geen belemmeringen oplevert voor de waterhuishoudkundige situatie. 4.3.5.
Verkeer en parkeren
Met betrekking tot onderhavig project dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. Verkeersstructuur De planlocatie wordt ontsloten via de Kasteelweg. De beoogde ontwikkeling heeft geen substantiële gevolgen voor de verkeersstructuur op de Kasteelweg. De infrastructuur op de Kasteelweg biedt voldoende ruimte en mogelijkheden om de enkele extra personenauto’s op een normale wijze af te wikkelen. Opgemerkt kan worden dat in praktijk blijkt dat niet iedere internationale werknemer ook beschikt over een eigen auto. Parkeren Ten aanzien van het aspect parkeren dient voldaan te worden aan het gemeentelijk parkeerbeleid, zoals vastgelegd in de Nota parkeernormen van de gemeente Leudal. Op grond van deze nota is wordt voor de huisvesting van internationale werknemers in het buitengebied een norm van 0,8 – 0,2 (bezoekersaandeel, hetgeen niet aannemelijk is bij deze doelgroep) = 0,6 parkeerplaats per persoon gehanteerd. De huisvestingsvoorziening heeft betrekking op het huisvesten van in totaal 28 personen. Op grond van de geldende parkeernorm dienen er in totaal 17 parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Deze worden gerealiseerd Ruimtelijke onderbouwing Huisvesting internationale werknemers, Kasteelweg 12 te Baexem
28
aan de oost- en westzijde van het gebouw. Daarbij dient in dit kader tevens te worden opgemerkt dat naar verwachting in de praktijk nimmer alle 17 parkeerplaatsen in gebruik zullen zijn, veel internationale werknemers hebben niet de beschikking over een eigen auto. Aan de straatzijde beschikt de locatie reeds over parkeerruimte voor minimaal 10 plaatsen, zodat gesteld kan worden dat er meer dan ruim voldoende parkeergelegenheid aanwezig is binnen het projectgebied. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
Ruimtelijke onderbouwing Huisvesting internationale werknemers, Kasteelweg 12 te Baexem
29
5.
Uitvoerbaarheid
5.1
Economische uitvoerbaarheid
De gewenste ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De initiatiefnemer, die eigenaar is van de betreffende gronden fungeert als financiële drager van het onderhavige project en heeft voor de uitvoering de benodigde financiële middelen gereserveerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan. Voor het overige zijn er geen gemeentelijke financiën met het project gemoeid. Tussen gemeente en initiatiefnemer wordt een zgn. planschade-overeenkomst gesloten. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Leudal komt, maar voor rekening van de initiatiefnemer.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Om de beoogde ontwikkeling te kunnen realiseren dient ‘buitenplans’ te worden afgeweken van het bestemmingsplan. De ontwerp omgevingsvergunning wordt dan ook gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Na verlening staat er, eveneens 6 weken, bezwaar open tegen de vergunning. 5.2.1.
Omgevingsdialoog
In de kader van de uitvoering van dit planvoornemen is door initiatiefnemer een omgevingsdialoog gevoerd. De dialoog is gestart met het sturen van een informatieve brief aan de bewoners van de Abenhofweg 3, Kasteelweg 10 en Kasteelweg 17. Gezien de huidige verstandhouding met de eigenaar/bewoner van Baexemerweg 48 is dit adres niet nader benaderd. In het verleden zijn reeds afspraken met de gemeente Leudal gemaakt inzake het vermijden van onderling contact. Met een aantal bewoners van de Kasteelweg in Baexem en de Baexemerweg in Grathem is het plan eveneens besproken. Uit de gevoerde dialoog zijn geen opmerkingen gemaakt op het planvoornemen. Ten aanzien van het adres Baexemerweg 48 garandeert initiatiefnemer dat geen sprake zal zijn van hinder als gevolg van de huisvesting van de arbeidsmigranten. De medewerkers komen niet vaker dan nu voorbij het huis. In de privé tijd gaan de medewerkers uitsluitend richting Baexem of Heythuysen om boodschappen te doen. Verder is de afstand tot Baexemerweg 48 dermate groot, dat de huisvesting hoogstwaarschijnlijk niet merkbaar is. Initiatiefnemer zal bewust aandacht hebben voor het voorkomen van enige overlast naar de buren. Het opstellen en handhaven van het beheerplan draagt hieraan bij, eveneens het feit dat initiatiefnemer zelf woonachtig is op de locatie.
Ruimtelijke onderbouwing Huisvesting internationale werknemers, Kasteelweg 12 te Baexem
30
Bijlage 1
Berekening achtergrondbelasting geur
Ruimtelijke onderbouwing Huisvesting internationale werknemers, Kasteelweg 12 te Baexem
31
Bijlage 2 AERIUS berekening bouw- en gebruiksfase + toelichting
Ruimtelijke onderbouwing Huisvesting internationale werknemers, Kasteelweg 12 te Baexem
32