CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Regels

Commissievergadering Fysiek 28 november 2023, gemeente LeudalBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan 'Vergroting bouwvlak Karreveld 10' te Heibloem15.667 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

3.6.3 Duurzaamheid Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 ten behoeve van het realiseren van een bio-energie-installatie, onder de voorwaarden dat: a. de bio-energie-installatie uitsluitend ten dienste mag staan van het eigen bedrijf; b. de bio-energie-installatie in de (bestaande) bedrijfsgebouwen moet worden gerealiseerd; c. de inhoud aan bebouwing niet meer mag bedragen dan 2.500 m3; d. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 12 meter; e. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van het gebied; f. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit; g. geen sprake is van een verkeersaantrekkende werking; h. geen onevenredige verkeersdruk zal ontstaan op de bestaande infrastructuur; i. vooraf een schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de adviseur inzake milieuhygiëne.

3.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.7.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de tot 'Agrarisch met waarden - 1' aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden buiten het bouwvlak uit te voeren:

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

25

a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met een oppervlakte groter dan 100 m²; b. het ophogen van de gronden; c. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem; d. het verwijderen van duidelijke begrenzingen in de vorm van beboste randen en beplanting langs (hoofd)wegen; e. het bebossen van gronden; f. het aanbrengen van boomsingels en hakhoutwallen of andere lijnvormige beplantingen. 3.7.2 Uitzonderingen Het in lid 3.7.1 bepaalde is niet van toepassing voor: a. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde; b. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis; c. werken of werkzaamheden binnen het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering; d. werken of werkzaamheden in het kader van landschappelijke inpassing; e. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde en verleende vergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd.

3.7.3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 3.7.1 zijn slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de in bestemming 'Agrarisch met waarden - 1' genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de eerstbedoelde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

3.8 Wijzigingsbevoegdheid 3.8.1 Vormverandering aanduiding ‘intensieve veehouderij’ Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen voor vormverandering van de aanduiding 'intensieve veehouderij', onder de voorwaarden dat: a. de oppervlakte van de aanduiding niet wordt vergroot; b. het aantal dieren niet toeneemt; c. de wijziging noodzakelijk is in het kader van dierenwelzijn; d. ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - extensiveringsgebied intensieve veehouderij' aangetoond is dat: 1. de bestaande vorm van de aanduiding 'intensieve veehouderij' vanuit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig is; 2. er geen sprake is van een toename van de stikstofemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf; e. sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit, overeenkomstig het bepaalde in artikel 12.4; f. het bedrijfsperceel landschappelijk wordt ingepast, waarbij de landschappelijke inpassing binnen het bouwvlak dient plaats te vinden;

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

26

g. per saldo geen negatieve invloed ontstaat op de ruimtelijke structuur van het gebied, in het bijzonder met betrekking tot landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur en het woon- en leefklimaat; h. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omliggende waarden; i. de (agrarische) functie van omliggende, niet bij het bedrijf behorende gronden en bebouwing niet wordt belemmerd; j. de belangen van de in de directe omgeving gelegen (agrarische) bedrijven niet onevenredig worden geschaad. 3.8.2 Wijziging aanduiding 'intensieve veehouderij' Burgemeester en wethouders kunnen door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1.1 onder d voor het wijzigen van de ligging van de aanduiding 'intensieve veehouderij', onder de voorwaarden dat: a. de oppervlakte van de aanduiding niet wordt vergroot; b. het aantal dieren niet toeneemt; c. de bouwwerken noodzakelijk zijn in het kader van dierenwelzijn; d. de locatie landschappelijk wordt ingepast. 3.8.3 Uitbreiding en vormverandering bouwvlak intensieve veehouderij Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ter plaatse van de aanduiding ´intensieve veehouderij´ voor uitbreiding en/of vormverandering van het bouwvlak eventueel in combinatie met uitbreiding en/of vormverandering van de aanduiding 'intensieve veehouderij', onder de voorwaarden dat: a.

de uitbreiding of vormverandering niet ligt ter plaatse van de aanduiding ´overige zone kernrandzone'; b. de uitbreiding of vormverandering niet is gelegen ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - extensiveringsgebied intensieve veehouderij'; c. de uitbreiding of vormverandering er niet toe mag leiden dat het bouwvlak groter wordt dan 4,0 ha; d. de uitbreiding of vormverandering noodzakelijk is in verband met bedrijfseconomische dan wel andere zwaarwegende bedrijfsomstandigheden en dit wordt aangetoond aan de hand van een actueel en onderbouwd bedrijfsontwikkelingsplan; e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omliggende waarden; f. de (agrarische) functie van omliggende, niet bij het bedrijf behorende gronden en bebouwing niet onevenredig worden belemmerd; g. de belangen van de in de directe omgeving gelegen (agrarische) bedrijven niet onevenredig worden geschaad; h. sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit, overeenkomstig het bepaalde in artikel 12.4; i. landschappelijke inpassing binnen het bouwvlak dient plaats te vinden; j. uit de noodzakelijke (milieu)onderzoeken blijkt dat de gronden geschikt zijn voor het beoogde gebruik; k. de effecten op de waterhuishouding in beeld zijn gebracht; l. er geen sprake is van een toename van de stikstofemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

27

3.8.4 Uitbreiding en vormverandering bouwvlak overige agrarische bedrijven Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ter plaatse van de gronden zonder de aanduiding ´intensieve veehouderij´ of 'glastuinbouw' voor uitbreiding en vormverandering van het bouwvlak, onder de voorwaarden dat: a. de uitbreiding of vormverandering er niet toe mag leiden dat het bouwvlak groter wordt dan 4,0 ha; b. de uitbreiding of vormverandering noodzakelijk in verband met bedrijfseconomische dan wel andere zwaarwegende bedrijfsomstandigheden en dit wordt aangetoond aan de hand van een actueel en onderbouwd bedrijfsontwikkelingsplan; c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omliggende waarden; d. de (agrarische) functie van omliggende, niet bij het bedrijf behorende gronden en bebouwing niet wordt belemmerd; e. de belangen van de in de directe omgeving gelegen (agrarische) bedrijven niet onevenredig worden geschaad; f. sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit, overeenkomstig het bepaalde in artikel 12.4; g. landschappelijke inpassing binnen het bouwvlak dient plaats te vinden; h. uit de noodzakelijke (milieu)onderzoeken blijkt dat de gronden geschikt zijn voor het beoogde gebruik; i. de effecten op de waterhuishouding in beeld zijn gebracht; j. er geen sprake is van een toename van de stikstofemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf.

3.8.5 Vervallen aanduiding 'intensieve veehouderij' Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door de aanduiding 'intensieve veehouderij' te doen vervallen indien de intensieve veehouderij-activiteiten op het bouwvlak zijn beëindigd. 3.8.6 Opnemen aanduiding vrijgekomen agrarische bebouwing Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen in die zin dat ter plaatse de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf' wordt opgenomen, onder de voorwaarden dat: a. sprake is van een duurzame locatie; b. de agrarische activiteiten ter plaatse van het bouwvlak zijn beëindigd; c. ter plaatse een bedrijfswoning aanwezig is; d. sprake is van een goed woon- en leefklimaat; e. de (agrarische) functie van omliggende, niet bij de bestemming behorende gronden en bebouwing niet wordt belemmerd; f. de belangen van de in de directe omgeving gelegen agrarische bedrijven niet worden geschaad; g. voldaan wordt aan de milieuwetgeving met betrekking tot geluid, geur en bodem; h. in het wijzigingsplan een verantwoording is opgenomen ten aanzien van beleid en wetgeving rond externe veiligheid en geurhinder; i. sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit, overeenkomstig het bepaalde in artikel 12.4;

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

28

j.

niet meer in gebruik zijnde overtollige bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt, tenzij sprake is van monumentale bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek'; k. de landschappelijke inpassing dient plaats te vinden binnen het bouwvlak en wordt in de vorm van een voorwaardelijke verplichting opgenomen met een daaraan gekoppelde aanleg- en instandhoudingsverplichting; l. aan het wijzigingsplan de bevoegdheid wordt toegevoegd om de locatie in de toekomst terug te wijzigen naar een agrarisch bedrijf en intensieve veehouderij, indien in de bestaande situatie sprake is van de aanduiding 'intensieve veehouderij'. 3.8.7 Wijziging bestemming in 'wonen' met de aanduiding vrijkomende agrarische bebouwing Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen' met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf', onder de voorwaarden dat: a. geen sprake is van een duurzame locatie; b. de agrarische activiteiten ter plaatse van het bouwvlak zijn beëindigd; c. ter plaatse een bedrijfswoning aanwezig is; d. sprake is van een goed woon- en leefklimaat; e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omliggende waarden; f. de (agrarische) functie van omliggende, niet bij de woning behorende gronden en bebouwing niet wordt belemmerd; g.

de belangen van de in de directe omgeving gelegen (agrarische) bedrijven niet onevenredig worden geschaad; h. voldaan wordt aan de milieuwetgeving met betrekking tot geluid, geur en bodem; i. in het wijzigingsplan een verantwoording is opgenomen ten aanzien van beleid en wetgeving rond externe veiligheid en geurhinder; j. de meest recente regionale woonvisie en gemeentelijk woningbouwprogramma in acht wordt genomen; k. sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit, overeenkomstig het bepaalde in artikel 12.4; l. overtollige bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt, tenzij sprake is van monumentale bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek'; m. de landschappelijke inpassing dient plaats te vinden binnen het bestemmingsvlak en wordt in de vorm van een voorwaardelijke verplichting opgenomen met een daaraan gekoppelde aanleg- en instandhoudingsverplichting; n. de volgende nevenfuncties kunnen worden toegestaan: 1. een kleinschalige ondergeschikte horecagelegenheid met een vloeroppervlakte van maximaal 80 m2 binnen de bebouwing; 2. een kleinschalige dagrecreatieve voorziening met een vloeropperlvakte van maximaal 80 m2 binnen de bebouwing; 3. bed & breakfast in de (bedrijfs)woning ten behoeve van maximaal 2 slaapplaatsen; 4.

detailhandel in zelfgemaakte, - bewerkte, - gekweekte, - geteelde agrarische producten, met een vloeroppervlakte binnen de bebouwing van maximaal 80 m2; 5. zorglandbouw, uitsluitend in de vorm van dagbesteding; met dien verstande dat:

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

29

I.

II.

de gezamenlijke oppervlakte van de ondergeschikte nevenactiviteiten niet meer mag bedragen dan 500 m² per bouwvlak; waarbij de oppervlakte van monumentale gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' niet meetelt; geen opslag van goederen in de openlucht mag plaatsvinden;

3.8.8 Opnemen aanduiding plattelandswoning Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen in die zin dat ter plaatse de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning' wordt opgenomen, onder de voorwaarden dat: a. sprake is van een bestaande agrarische bedrijfswoning; b. aangetoond is dat de bedrijfswoning niet meer noodzakelijk is voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf; c. aangetoond is dat de uitoefening van een agrarisch bedrijf ter plaatse daadwerkelijk wordt voortgezet; d. wonen door een niet functioneel met het bedrijf verbonden derde plaatsvindt; e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omliggende waarden en functies; f. ter plaatse van de plattelandswoning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; g. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen ten aanzien van omwonenden, (agrarische) bedrijven en andere omgevingswaarden; h. sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit, overeenkomstig het bepaalde in artikel 12.4; i. de landschappelijke inpassing dient plaats te vinden binnen het bouwvlak en wordt in de vorm van een voorwaardelijke verplichting opgenomen met een daaraan gekoppelde aanleg- en instandhoudingsverplichting.

3.8.9 Bouwvlak verkleinen of schrappen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen door het bouwvlak te verkleinen of te schrappen indien: a. de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse is beëindigd; b. niet meer in gebruik zijnde overtollige bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt, tenzij sprake is van monumentale bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek'; c. danwel sprake is van sloop van bebouwing zoals bedoeld in artikel 29.4.4. van het bestemmingsplan Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016 3.8.10 Landschappelijke inpassing Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch landschappelijke inpassing' te wijzigen in verband met een wijziging van het inpassingsplan indien: a. sprake is van voortschrijdend inzicht; b. de landschappelijke inpassing niet langer meer gerealiseerd kan worden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - landschappelijke inpassing'; c. de omvang van het bouwvlak niet meer bedraagt dan 4,0 ha; d. het nieuwe inpassingsplan voorzien is van een positief advies van de kwaliteitscommissie.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

30

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

31

Artikel 4

Waarde – Archeologie 5

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de diverse (dubbel)bestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 12.1

4.2 Bouwregels 4.2.1 Omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen a. Indien het oprichten van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen wordt gevraagd, kan leiden tot aantasting van archeologische waarden, wordt de omgevingsvergunning pas verleend nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld of waaruit blijkt dat: 1. archeologische waarden op de betrokken locatie niet aanwezig zijn; 2. het behoud van de archeologische resten in voldoende mate kan worden gewaarborgd, of 3. de archeologische resten door de verstoring niet onevenredig worden geschaad. b. Het bepaalde in lid 4.2.1 onder a is niet van toepassing indien: 1. het een overige bouwwerk betreft dat voor archeologisch onderzoek noodzakelijk is; 2. het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; 3. de grootte van de bodemingreep kleiner is dan 1.000 m²; 4. de grootte van de bodemingreep groter is dan 1.000 m² en de verstoring zich beperkt tot 40 cm onder het oppervlak; 5. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - archeologie 0' de verstoring zich beperkt tot 0 cm onder het oppervlak; 6.

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - archeologie 40' de verstoring zich beperkt tot 40 cm onder het oppervlak; 7. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - archeologie 60' de verstoring zich beperkt tot 40 cm onder het oppervlak. c. Indien uit het in lid 4.2.1 onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische resten van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen kunnen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

32

3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. d. Bij het aantreffen van archeologische waarden van nationaal belang, vragen burgemeester en wethouders - alvorens de vergunning te verlenen - de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed om advies. De omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen wordt niet verleend, dan nadat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een verklaring van geen bezwaar heeft gegeven. e. Indien het bepaalde in lid 4.2.1 onder c sub 3 van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.

4.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering, de inrichting en het gebruik van de gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse beschermingswaardige archeologische resten aanwezig zijn.

4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.4.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 5' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe ook wordt gerekend vergraven, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen; b. het aanleggen of verbreden van wegen, paden of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het aanleggen en verbreden van sloten, vijvers en andere wateren; d. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; e. het aanleggen van bos of boomgaard die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als zodanig kunnen worden aangemerkt. 4.4.2 Uitzonderingen Het bepaalde in lid 4.4.1 is niet van toepassing: a. werkzaamheden, normale onderhouds-, gebruiks- en beheerswerkzaamheden zijnde; b.

werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde en verleende vergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd; c. op werken of werkzaamheden die verband houden met het aanbrengen van sleufloze drainagesystemen; d. de grootte van de bodemingreep kleiner is dan 1.000 m²;

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

33

e. de grootte van de bodemingreep groter is dan 1.000 m² en de verstoring zich beperkt tot 40 cm onder het oppervlak. 4.4.3 Toelaatbaarheid a. De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van burgemeesters en wethouders in voldoende mate is vastgesteld of waaruit blijkt dat: 1. archeologische waarden op de betrokken locatie niet aanwezig zijn; 2. het behoud van de archeologische resten in voldoende mate kan worden gewaarborgd, of; 3. de archeologische resten door de verstoring niet onevenredig worden geschaad. b. Indien uit het in lid 4.4.3 onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische resten van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning kunnen worden verstoord, kunnen burgemeesters en wethouders aan de omgevingsvergunning de volgende voorwaarden verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; of 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. c.

Bij het aantreffen van archeologische waarden van nationaal belang, vragen burgemeester en wethouders - alvorens de vergunning te verlenen - de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed om advies. De omgevingsvergunning wordt niet verleend, dan nadat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een verklaring van geen bezwaar heeft gegeven. d. Indien het bepaalde in lid 4.4.3 onder b sub 3 van toepassing is, wordt in de regels geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of werken.

4.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door: a. de bestemming 'Waarde - Archeologie 5' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of b. aan gronden de bestemming 'Waarde - Archeologie 5' toe te kennen indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming van deze gronden, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

34

3.

Algemene regels

Artikel 5

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 6

Algemene bouwregels

6.1 Algemene bepaling m.b.t. ondergronds bouwen 6.1.1 Ondergrondse werken Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen. 6.1.2 Ondergrondse bouwwerken Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende regels: a. Ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. Indien geen bouwvlak is opgenomen, zijn ondergrondse bouwwerken uitsluitend toegestaan onder gebouwen. b. Ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan onder gebouwen. c. De ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 3,5 meter onder peil. d. Bij het berekenen van de geldende oppervlakte- en inhoudsmaten, wordt de oppervlakte of inhoud van ondergrondse gebouwen niet in aanmerking genomen. 6.1.3 Afwijken van het bestemmingsplan Burgemeester en wethouder kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.1.2 sub a voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken buiten de het bouwvlak, onder de voorwaarden dat: a.

de oppervlakte van de ondergrondse bouwwerken buiten het bouwvlak of indien geen bouwvlak aanwezig is, anders dan onder gebouwen, mag maximaal 10% bedragen van het bestemmingsvlak met een maximum van 150 m², waarbij het maximum in m² niet geldt voor mestputten en mestkelders binnen de bestemming 'Agrarisch', 'Agrarisch met waarden - 1' tot en met 'Agrarisch met waarden - 4'; b. de afstand tot de as van de weg dient minimaal 15 meter te bedragen, behalve wanneer de bebouwing die op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan reeds aanwezig is dichter tot de as van de weg staat; in dat geval is die afstand bepalend; c. de ondergrondse bouwwerken dienen geheel onder het maaiveld te worden gebouwd; d. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 3,5 meter.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

35

6.2 Ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.

6.3 Algemene bepaling over bestaande afstanden en andere maten 6.3.1 Maximale maatvoering Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die legaal gebouwd zijn, op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden. 6.3.2 Minimale maatvoering In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die legaal gebouwd zijn, op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden.

Artikel 7

Algemene gebruiksregels

7.1 Strijdig gebruik 7.1.1 Bestaand legaal gebruik Bestaand legaal gebruik wordt niet als strijdig gebruik aangemerkt. 7.1.2 Algemeen strijdig gebruik Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: a. gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een erotisch (getint) bedrijf of (straat)prostitutie, tenzij ter plaatse de aanduiding 'seksinrichting' is opgenomen; b. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning als zelfstandige woningen; c. (permanente) opslag van goederen, materialen en het stallen van machines in de openlucht buiten het bouwvlak of binnen het bouwvlak voor de voorgevelrooilijn; d. het opslaan of bergen van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval buiten het bouwvlak of voor de voorgevelrooilijn; e. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens buiten het bouwvlak of voor de voorgevelrooilijn; f. het opslaan van mest en mestproducten afkomstig van een andere locatie dan de bedrijfslocatie alsmede de mestverwerking hiervan.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

36

7.1.3 Afwijken van de gebruiksregels Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 7.1.2 onder c ten behoeve van uitstalling van goederen en materialen ten behoeve van verkoop voor de voorgevelrooillijn, onder de voorwaarden dat: a. dit noodzakelijk is ten behoeve van de bedrijfsvoering; b. de waarden van de onder- en omliggende bestemmingen niet onevenredig geschaad worden; c. het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast.

7.2 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen 7.2.1 Parkeernormen In, op of onder gebouwen dan wel op het daarbij behorende terrein dienen voldoende parkeerplaatsen voor auto's aanwezig te zijn. 7.2.2 Afmetingen parkeerruimte De in artikel 7.2.1 bedoelde parkeerplaatsen moeten afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien de afmetingen minimaal 1,80 m bij 5,00 m en maximaal 3,25 m bij 6,00 m bedragen. 7.2.3 Omgevingsvergunning Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7.2.1 indien aangetoond is dat in de directe omgeving (een straal van circa 250 meter) voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn. 7.2.4 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van het aantal parkeerplaatsen en de situering daarvan ten behoeve van een goede parkeerbalans, de verkeerssituatie en/of het stedenbouwkundig beeld.

Artikel 8

Algemene aanduidingsregels

8.1 milieuzone 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden a. Vergunningplicht Het is verboden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, grondwerkzaamheden uit te voeren. b. Uitzonderingen Het bepaalde in lid a is niet van toepassing op het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden, die passen binnen een goedgekeurd saneringsplan. c. Toelaatbaarheid De werken en werkzaamheden als bedoeld in lid a zijn slechts toelaatbaar, indien het Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

37

werkzaamheden betreft waarvan aangetoond kan worden dat deze geen nadelige gevolgen hebben voor de volksgezondheid. d. Advies Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in lid a advies inwinnen bij een bodemdeskundige.

8.2 Milieuzone – boringsvrije zone 8.2.1 Verbod Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - boringsvrije zone' is het verboden de grond te roeren inclusief het verrichten van grondboringen of heiwerkzaamheden dieper dan 80 meter beneden het maaiveld. 8.2.2 Uitzondering Artikel 8.2.1 is niet van toepassing op werken waarvoor Gedeputeerde Staten ontheffing hebben verleend.

8.3 overige zone - beekdal 8.3.1 Algemeen Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beekdal' dienen de landschappelijk en natuurlijke waarden welke zijn verbonden aan de beekloop en het fysieke en zichtbare beekdal behouden, beschermd en/of hersteld te worden. 8.3.2 Specifieke bouwregels Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beekdal' mag niet worden gebouwd. 8.3.3 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend: a. het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen en ondergrond voor containervelden, met uitzondering van: 1. permanente teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen'; 2. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen'; 3. containervelden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - containerveld'; b. het uitoefenen van een boomkwekerij, met uitzondering van ter plaatse van de aanduiding 'bomenteelt'; c. het planten van fruitbomen.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

38

8.4 overige zone – bufferzone 1 8.4.1 Algemeen Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bufferzone 1' zijn in beginsel geen activiteiten toegestaan: a. die kunnen leiden tot een onevenredige aantasting van de in de nabijgelegen bos- of natuurgebieden voorkomende natuur- en landschapswaarden; b. die de uitwisselingsfunctie tussen de gronden en de aangrenzende natuur- of bosgebieden kunnen verstoren 8.4.2 Bouwregels Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bufferzone 1' mag niet worden gebouwd, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen met een bouwhoogte van 2 meter.

8.5 overige zone – landschappelijke elementen 8.5.1 Algemeen Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - landschappelijke elementen' dienen de landschappelijke elementen, zoals nader aangegeven op de kaarten met Landschappelijke elementen die als 'Bijlage 3 Kaarten met landschappelijke elementen' bij de regels zijn gevoegd, zoveel mogelijk te worden behouden. 8.5.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Vergunningplicht Het is verboden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - landschappelijke elementen' voor zover gelegen buiten het bouwvlak, op danwel in de landschappelijke elementen, zoals nader aangegeven op de kaarten met Landschappelijke elementen, die als 'Bijlage 3 Kaarten met landschappelijke elementen' bij de regels zijn gevoegd, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met een oppervlakte groter dan 100 m²; 2. het dempen, graven en vergraven van watergangen, met uitzondering van het aanleggen van dammen en bruggen; 3.

de aanleg van verharde wandel- en fietspaden; 4. het aanbrengen van oeverbeschoeiingen. 5. het ophogen van de gronden; 6. het vellen of rooien van landschappelijke elementen; 7. het beplanten van gronden met bomen of andere houtopstanden; 8. het verwijderen van de landschappelijke elementen zoals aangeduid in 'Bijlage 3 Kaarten met landschappelijke elementen'.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

39

b. Uitzonderingen Het onder a bepaalde is niet van toepassing voor: 1. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde; 2. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis; 3. werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik; 4. werken of werkzaamheden in het kader van landschappelijke inpassing; 5. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd. c. Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld onder a zijn slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de aanwezige waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van deze waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

Artikel 9

Algemene afwijkingsregels

9.1 Verleende omgevingsvergunningen of andere toestemmingen Een omgevingsvergunning, vrijstelling, ontheffing of afwijking die ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan is verleend voor een bouw- en/of gebruiksactiviteit waarvoor ingevolge deze regels een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is vereist, wordt gelijkgesteld met een dergelijke omgevingsvergunning.

9.2 Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het volgende: a. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, tot maximum 2 meter, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft; b. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, tot maximum 2 meter, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; c. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de bouwhoogte van overige bouwwerken en toestaan dat de bouwhoogte van de overige bouwwerken wordt vergroot tot maximaal 10 meter. onder de voorwaarden dat: d. het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast; e. de belangen en bestemmingen in de omgeving niet onevenredig worden aangetast.

9.3 Duurzaamheid Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bestemmingsplan voor de realisatie van kleinschalige wind/ en grootschalige zonneenergiesystemen met dien verstande dat:

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

40

a. b. c. d. e.

de hoogte van kleinschalige windenergiesystemen maximaal 4 meter bedraagt; de oppervlakte van kleinschalige windenergiesystemen maximaal 25 m² bedraagt; de hoogte van zonne-energiesystemen maximaal 2 meter bedraagt; het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast; de waarden van de onder- en omliggende bestemmingen niet onevenredig geschaad worden.

9.4 Huisvesting arbeidsmigranten 9.4.1 Afwijken bouwregels ten behoeve van huisvesting arbeidsmigranten Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels ten behoeve van het (ver)bouwen van (bedrijfs)gebouwen behorende bij een agrarisch bedrijf ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten, onder de voorwaarden dat: a. er mogen alleen arbeidsmigranten (en geen woonurgenten of gezinnen met kinderen) worden gehuisvest; b. de huisvesting is primair bedoeld voor short-stay; c. huisvesting in woonunits, (sta)caravans, tenten, auto's en vergelijkbaar zijn niet toegestaan; d. ter plaatse een agrarisch bedrijf uitoefend wordt; e. de te huisvesten arbeidsmigranten hoeven niet werkzaam te zijn bij het agrarisch bedrijf waar de huisvesting plaatsvindt; f. de huisvesting vindt plaats binnen hetzelfde (deel van) het agrarisch bouwvlak als de bedrijfswoning; g. wanneer de behoefte aan huisvesting niet meer noodzakelijk is, een passende herbestemming voor de bebouwing wordt gezocht, dan wel de bebouwing wordt gesloopt of de bebouwing wordt in de oorspronkelijke staat teruggebouwd, hetgeen bij voorwaarde aan de omgevingsvergunning voor het afwijken zal worden verbonden; h. per arbeidsmigrant een minimale gebruiksoppervlakte van 10 m2 aanwezig is; i. maximaal 30 personen tegelijk per agrarisch bouwvlak worden gehuisvest.

Met maatwerk kan hiervan worden afgeweken indien aangetoond wordt dat de kwaliteit van de huisvesting goed is, de druk op de omgeving acceptabel is, geen beperkingen voor andere agrarische bedrijven ontstaan en een extra kwaliteitsbijdrage wordt geleverd; j. een individuele arbeidsmigrant maximaal 4 maanden per jaar op de locatie verblijft; k. ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; l. indien voor de huisvesting van arbeidsmigranten nieuwe bebouwing wordt opgericht sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit, overeenkomstig het bepaalde in artikel 12.4; m. landschappelijke inpassing binnen het bouwvlak dient plaats te vinden; n. infiltratievoorzieningen voor hemelwater worden gerealiseerd. 9.4.2 Afwijken van de gebruiksregels voor de huisvesting arbeidsmigranten Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksverboden dan wel gebruiksregels ten behoeve van het huisvesten van arbeidsmigranten in een (bedrijfs)woning, onder de voorwaarden dat: a. per arbeidsmigrant een minimale gebruiksoppervlakte wordt aangehouden van 12 m²; Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

41

b. maximaal 30 personen tegelijk per agrarisch bouwvlak mogen worden gehuisvest, dan wel maximaal dat aantal personen tegelijk aanwezig is, dat op grond van een eerder verleende vrijstelling/vergunning ter plaatse mag worden gehuisvest; c. de maximaal toegestane verblijfsduur per individuele arbeidsmigrant 12 maanden per jaar bedraagt; d. huisvesting in een (bedrijfs)woning is toegestaan voor: 1. één afzonderlijk huishouden; 2. maximaal 4 personen die geen huishouden vormen; 3. één huishouden en maximaal 3 andere personen (gerelateerd aan de grootte van de woning en de samenstelling van het huishouden; e. in aanvulling op het bepaalde onder sub d geldt dat voor iedere persoon die geen huishouden vormt een eigen (slaap)kamer aanwezig moet zijn; f. ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

9.5 Antenne-installatie Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het bestemmingsplan voor het oprichten van: a. antenne-installaties op daken van bestaande gebouwen, voor zover niet vergunningsvrij, waarbij plaatsing op gebouwen niet zijnde woningen de voorkeur heeft, en geen sprake is van: 1. een monument; 2. aantasting van het stedenbouwkundige beeld ter plaatse; 3. aantasting van het woonklimaat. b. vrijstaande antenne-installaties die niet op bestaande gebouwen worden opgericht, mits: 1. de bouwhoogte van de antenne-installatie maximaal 40 meter bedraagt; 2. de antenne-installatie inclusief de bijbehorende technische installaties en de bedrading worden ingepast in de omgeving; 3. geen sprake is van landschappelijk en/of ruimtelijke verstoring; 4. zo veel mogelijk gebruik wordt gemaakt van: ▪ site sharing; ▪ plaatsing op bestaande overige bouwwerken; ▪ enkele hoge masten in plaats van meerdere lage masten; 5. bij het oprichten van antenne-installaties wat betreft plaatsing daarvan de hier genoemde volgorde wordt aangehouden: ▪ in eerste instantie moet de antenne-installatie worden geplaatst op, aan of bij infrastructurele werken; ▪ indien plaatsing zoals genoemd onder I. om technische redenen niet mogelijk is, wordt de antenne-installatie bij gebouwen geplaatst; ▪ indien plaatsing zoals genoemde onder I. en II.

niet mogelijk is, wordt plaatsing aan de rand van bossen voorgestaan; ▪ indien plaatsing zoals genoemd onder I., II., en III. niet mogelijk is, wordt plaatsing in open gebied toegestaan.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

42

9.6 Erfafscheiding Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de bestemmingsbepalingen en hogere erfafscheidingen voor de voorgevel toestaan, onder de voorwaarde dat: a. de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt; b. uitsluitend transparante (draad)omheiningen en/of (draad)erfafscheidingen worden toegepast, eventueel met haagdragende constructie; c. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; d. de verkeerssituatie het plaatsen van de erfafscheiding toelaat; e. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad; f. advies ingewonnen wordt bij de kwaliteitscommissie

9.7 Kortlopende evenementen Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de bestemmingsbepalingen en kortlopende evenementen toestaan, onder de voorwaarde dat: a. een evenement duurt meer dan 1 dag en maximaal 7 dagen, inclusief het opbouwen en afbreken; b. er maximaal 3 evenementen per jaar per afzonderlijk perceel plaatsvinden; c. er geen sprake is van een onevenredig effect op de natuurlijke waarden.

Artikel 10

Algemene wijzigingsregels

10.1 Algemeen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van: a. overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijding mag echter niet meer bedragen dan 3 meter, het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot en activiteiten ten behoeve van intensieve veehouderijen niet binnen het extensiveringsgebied zijn toegestaan; b. overschrijding van bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft. De overschrijding mag echter niet meer bedragen dan 3 meter. Uitbreiding van activiteiten ten behoeve van intensieve veehouderijen zijn binnen het extensiveringsgebied niet toegestaan; c. het wijzigen van de lijst van bedrijfsactiviteiten, indien technologische ontwikkelingen of vernieuwde inzichten hiertoe aanleiding geven; d. het aanpassen van opgenomen bepalingen in de voorafgaande artikelen, waarbij verwezen wordt naar bepalingen in wettelijke regelingen, indien deze wettelijke regelingen na het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan worden gewijzigd.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

43

10.2 Nota Kwaliteit Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de als Bijlage 5 bij deze regels opgenomen Nota Kwaliteit te wijzigen indien na het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan een actuelere versie is vastgesteld, met dien verstande dat alsdan de actuelere versie de opgenomen Nota Kwaliteit vervangt.

Artikel 11

Algemene procedureregels

11.1 Nadere eisen Bij het stellen van nadere eisen als bedoeld in deze regels gelden de volgende procedureregels: a. het ontwerpbesluit ligt gedurende tenminste twee weken voor een ieder ter inzage ter gemeentesecretarie; b. burgemeester en wethouders maken de terinzagelegging van het ontwerpbesluit tevoren bekend in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen, die in de gemeente worden verspreid en voorts op de gebruikelijke wijze; c. de bekendmaking houdt in de bevoegdheid van belanghebbenden tot het naar keuze schriftelijk of mondeling indienen van zienswijzen bij burgemeester en wethouders tegen het ontwerpbesluit gedurende de onder a. genoemde termijn; d. burgemeester en wethouders delen aan hen die hun zienswijzen hebben ingediend de beslissing daaromtrent mede.

Artikel 12

Overige regels

12.1 Verhouding tussen bestemmingen Waar een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming; Waar dubbelbestemmingen samenvallen geld in de eerste plaats de regels van de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie - 5';

12.2 Natura 2000 (coördinatiebepaling) Burgemeester en wethouders zullen bij het toestaan van bouwwerken en werken en werkzaamheden rekening houden met de specifieke bestemming en instandhouding van Natura2000-gebieden, zoals die zijn weergegeven op de kaart die als Bijlage 4 bij deze regels is gevoegd, door voorkomen van significant negatieve aantasting van de natuurlijke kenmerken van de gebieden, zodanig dat er geen strijd met de Natuurbeschermingswet 1998 zal zijn.

12.3 Relatie Vlakken die door middel van een relatie met elkaar verbonden zijn worden in deze regels gezien als één vlak.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

44

12.4 Verbetering omgevingskwaliteit Indien bij een ontwikkeling invulling moet worden gegeven aan een verbetering van de omgevingskwaliteit, gelden de volgende bepalingen: a. er dient voldaan te worden aan de eisen die gesteld worden in de Nota Kwaliteit, zoals opgenomen in 'Bijlage 5 Nota Kwaliteit' bij de regels; b. indien een ontwikkeling niet is opgenomen binnen de Nota Kwaliteit dient sprake te zijn van een landschappelijke inpassing van de bebouwing al dan niet gecombineerd met andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen. Dit dient voorzien te zijn van een positief advies van de kwaliteitscommissie.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

45

4.

Overgangs- en slotregels

Artikel 13

Overgangsrecht

13.1 Overgangsrecht bouwwerken a.

b. c.

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde onder a. voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het bepaalde onder a. met maximaal 10%. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

13.2 Overgangsrecht gebruik a. b.

c.

d.

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

13.3 Hardheidsclausule Voor zover toepassing van het overgangsrecht gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruiken in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht afwijken.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

46

Artikel 14

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10.

Bestemmingsplan Vergroting bouwvlak Karreveld 10 | regels

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=964add40-bb4b-46ec-bbf6-848043394856