CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsinformatiebrief Landgoed Leudal

Commissievergadering Fysiek 21 oktober 2025, gemeente LeudalBij agendapunt: Raadsinformatiebrief Landgoed Leudal13.645 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het hof stelt in dat kader het volgende voorop. Dat de Gemeente op enig moment voor 2020 in verzuim is komen te verkeren is door HG Beheer onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Door haar is immers niet voldoende onderbouwd dat sprake is van een mededeling van de Gemeente, als bedoeld in artikel 6:83 onder c BW, waaruit HG Beheer moest afleiden dat de Gemeente in de nakoming van de verbintenis te kort zou schieten. Voor zover HG Beheer stelt dat zij uit de houding van de Gemeente mocht afleiden dat aanmaning tot levering van de Percelen nutteloos zou zijn, als bedoeld in artikel 6:82 lid 2 BW, geldt dat zij de Gemeente er schriftelijk op had moeten wijzen dat zij ingeval van niet nakomen aansprakelijk zou worden gesteld. Dat van zo een schriftelijke mededeling — voor 31 juli 2020 - sprake is geweest, is niet gebleken.

Zaaknummer 200.332.518/01

18

HG Beheer heeft immers op verschillende momenten nadat de voorgenomen koop op 1 januari 2015 niet is doorgegaan nader overleg met de Gemeente gevoerd het alsnog kopen van de Percelen, zonder dat zij de Gemeente wegens het niet leveren daarvan in gebreke heeft gesteld of anderszins haar expliciet heeft gesommeerd tot nakoming over te gaan. Uit de in het geding gebrachte brieven van HG Beheer aan de Gemeente (hiervoor weergegeven in rov. 3.2.1. onder i.) blijkt zoals reeds is overwogen in rov. 3.6.8. weliswaar dat zij het recht tot koop heeft voorbehouden, maar niet dat zij de Gemeente expliciet heeft gemaand tot levering van de Percelen. Zij heeft onweersproken juist in november 2015 en juni gepoogd de Percelen tegen een lagere koopprijs te verwerven. Nadat de Gemeente niet heeft ingestemd met haar laatste bod, heeft zij voor het eerst bij brief van 31 juli 2020 uitdrukkelijk de Gemeente verzocht tot verkoop en levering tegen de in de Voorovereenkomst vervatte koopsom over te gaan (zie (xviii) in rov 3.2.1. onder i.). Gelet op het voorgaande was het voor de Gemeente redelijkerwijs vóór dat moment niet duidelijk en kon dat niet zijn dat HG beheer aanspraak maakte op levering van de Percelen. 3.8.5.

Dat HG Beheer de erfpacht eerder wenste te beëindigen, blijkt niet uitdrukkelijk uit andere in het geding gebrachte correspondentie van HG Beheer, zodat zulks niet voor de Gemeente duidelijk was of kan zijn geweest. Van kwader trouw zijdens de gemeente is gelet op het voorgaande dan ook geen sprake. 3.8.6. De Gemeente heeft de in de brief van 31 juli 2020 vervatte termijn voor nakoming van 1 september 2020, ongebruikt voorbij laten gaan, zodat zij per 1 september 2020 in verzuim is. HG Beheer heeft vanaf die datum tot en met 31 december 2022 erfpachtcanon aan de Gemeente betaald, hetgeen zij niet verschuldigd zou zijn indien de Gemeente tijdig aan haar verplichting tot overdracht van de Percelen zou hebben voldaan. De Gemeente dient HG Beheer te compenseren voor de door haar geleden schade als gevolg van het tekortschieten van de Gemeente in de nakoming van haar verplichting tot tijdige overdracht van de Percelen. Daartoe behoort naar het oordeel van het hof in elk geval de terugbetaling van het teveel betaalde aan erfpachtcanon, zijnde een bedrag van € 28.288,56, welk bedrag als volgt is opgebouwd: (i) erfpachtcanon van 1 september 2020 tot en met 31 december 2020 ad 4.041,22 (4/12 x € 12.123,67), (ii) canon 2021 12.123,67 en canon 2022 € 12.123,67. verrekeningsverweer 3.8.7.

De Gemeente heeft als verweer een beroep gedaan op verrekening en gemotiveerd betwist na verrekening nog enige bedragen aan HG beheer verschuldigd zijn. Zij heeft aan de hand van een berekening toegelicht dat het teveel door haar betaálde uit hoofde van eigendom van de Percelen zoals misgelopen rente over de koopsom (van september 2020 tot april 2023) ad € 26.708,35 en onroerende zaak belasting (over 2020-2023) dient te worden verrekend het teveel door HG Beheer betaalde aan erfpachtcanon. Het beroep op verrekening slaagt. Hoewel het door HG Beheer vanaf 1 september 2020 aan de Gemeente verschuldigde bedrag uit hoofde van de onroerende zaakbelasting niet is gespecificeerd, is onvoldoende betwist dat dit bedrag tezamen met het bedrag verschuldigd uit hoofde van misgelopen rente (ad 26.708,35), het totaal aan onverschuldigd betaalde erfpachtcanon (ad € 28.288,56), overtreft. Niet is vast komen te staan dan ook dat de Gemeente per saldo enige bedragen aan HG Beheer dient te voldoen. overige schade 3.8.8. Nadat de gemeente naar aanleiding van de sommatiebrief van 31 juli 2020 niet is overgegaan tot verkoop en levering van de Percelen op 1 september 2020, heeft HG Beheer

Zaaknummer 200.332.518/01

19

gedurende drie jaren geen nadere sommaties aan de Gemeente verzonden dan wel andere rechtsmaatregelen getroffen alvorens tot aanhangigmaking van deze procedure over te gaan, waarbij pas bij incidenteel appel in hoger beroep voor het eerst is gesteld dat HG Beheer schade heeft geleden als gevolg van de vermeende vertraagde levering, welke vordering zij zeer summierlijk heeft onderbouwd. Onder die omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat en waarom de gevolgen van enige vertraging in de levering van de Percelen anderszins geheel voor rekening van de Gemeente zouden dienen te komen. conclusie grief 1 in incidenteel appel 3.8.9. De erfpachtcanon is — voor zover deze betrekking heeft op de periode 1 september 2020 - 31 december 2022 — onverschuldigd betaald. In zoverre slaagt grief 1 in incidenteel appel van HG Beheer. Dit leidt echter niet tot een veroordeling tot terugbetaling van voormelde canon, gelet op het geslaagde verrekeningsverweer van de Gemeente. In zoverre faalt voornoemde grief. 3.8.10. Voor zover grief 1 in incidenteel appel van HG Beheer strekt tot vergoeding van andere door haar geleden schade als gevolg van vertraging in de overdracht van de Percelen, faalt deze ook. 3.9.

Medewerking uitvoering vonnis geweigerd?

3.9.1. Niet is komen vast te staan dat de Gemeente heeft geweigerd tijdig uitvoering te geven aan het vonnis in eerste aanleg. De Gemeente is op grond van het vonnis veroordeeld binnen 14 dagen na de betekening daarvan haar medewerking te leveren aan overdracht van de Percelen. De Gemeente heeft gemotiveerd betwist nadat het vonnis aan haar is betekend te hebben geweigerd zulks te verlenen. Door haar is met overlegging van correspondentie (emailcorrespondentie overgelegd als productie 23 bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep) onderbouwd dat binnen enkele dagen na betekening contact is opgenomen met de notaris teneinde de voorbereiding voor de levering van de Percelen te treffen (waaronder het door haar verlenen aan de notaris van een volmacht voor de levering). Het is het hof niet gebleken dat de Gemeente daarbij onrechtmatig heeft gehandeld, dan wel dat anderszins enige vertraging in de levering van de Percelen te wijten is aan voor rekening van de Gemeente komende omstandigheden. Grief 2 in incidenteel appel slaagt niet. 3.10.

Slotsom

3.10.1. De grieven van de Gemeente, voor zover nog aan de orde, in principaal appel falen. Het vonnis in eerste aanleg zal worden bekrachtigd. Gelet daarop, kan de vordering van de Gemeente tot ongedaanmaking van hetgeen zij op grond van het vonnis in eerste aanleg reeds heeft uitgevoerd niet worden toegewezen. 3.10.2. Grief 1 in incidenteel hoger beroep slaagt gedeeltelijk, maar gelet op het verrekeningsverweer van de Gemeente, is niet komen vast te staan dat de Gemeente nog enige bedragen aan haar verschuldigd is uit hoofde van geleden schade als gevolg van de vertraagde overdracht van de Percelen. Voor het overige falen de grieven van HG Beheer in incidenteel hoger beroep. Haar vorderingen in incidenteel hoger beroep kunnen niet worden toegewezen. HG Beheer zal daarom als in incidenteel hoger beroep in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld. proceskosten in principaal appel

Zaaknummer 200.332.518/01

20

3.10.3. Het hof zal de Gemeente als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principaal hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in principaal hoger beroep aan de zijde van HG Beheer zullen vastgesteld worden op: - griffierechten € 5.689,-- salaris advocaat € 3.642,-- (3 punt(en) x tarief II) - nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal

€ 9.509,-

3.10.4. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. proceskosten in incidenteel appel 3.10.5. Het hof zal HG Beheer als dè (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incidenteel hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in incidenteel appel aan de zijde van HG Beheer zullen vastgesteld worden op: - salaris advocaat € 1.214,-- (1/2 x 2 punt(en) x tarief II) - nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal

€ 1.392,--

3.10.6. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.

De uitspraak

Het hof: op het principaal en incidenteel hoger beroep bekrachtigt het vonnis in eerste aanleg; veroordeelt de Gemeente in de proceskosten van het principaal hoger beroep van € 9.509,-te betalen binnen veertien dagen na heden. Als de Gemeente niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet de Gemeente € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening; veroordeelt de Gemeente in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan; veroordeelt HG Beheer in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep van € 1.392,-- te betalen binnen veertien dagen na heden. Als HG Beheer niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening; veroordeelt HG Beheer in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan; verklaart de proceskostenveroordelingen in principaal hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad;

Zaaknummer 200.332.518/01

21

wijst af het meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. Z.D. van Heesen-Laclé, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en J.G.J. Rinkes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 juli 2025. griffier

rolraadsheer

w.g. de rolraadsheer .j. de griffier i _„ -7._ .,--) VOOR GROSSE / AMIUM4R+Fr n.: M t( . . I. /-: /- A. Afgegeven aan: adv. app./ Griffier gerechtshof 's-Hertogenbosch d.d.: 2_2

-

, /

(--0-11n

07'- 2c2 5

•

AFSCHRIFT

vonnis RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: C/03/337229 / HA ZA 24-570 Vonnis van 6 augustus 2025 in de zaak van . HG BEHEER B.V., te Haelen, 2. LANDGOED LEUDAL VASTGOED B.V., te Haelen, eisende partijen, hierna samen te noemen in het vrouwelijk enkelvoud: HG Beheer, advocaat: mr. R.J. Boogers, tegen GEMEENTE LEUDAL, te Leudal, gedaagde partij, hierna te noemen: de gemeente, advocaat: mr. A.M.E. van Wijk-Driessen.

1.

De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek tevens eiswijziging - de conclusie van dupliek. 1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2.

De feiten

2.1. HG beheer exploiteert een vakantiepark. Dit park is gehuisvest op meerdere percelen grond. Een gedeelte van deze percelen had zij sinds 2011 in erfpacht van de gemeente (hierna: de percelen). De gemeente sloot op 19 november 2009 een erfpachtovereenkomst met Leudal B.V., dat in 2011 werd overgenomen door HG Beheer. 2.2. Partijen hebben in 2010 een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de percelen. In een andere procedure twisten zij over de uitleg daarvan. De gemeente is op 17 mei 2023 bij vonnis van deze rechtbank veroordeeld om medewerking te verlenen aan de

zaaknummer: C/03/337229 / HA ZA 24-570 6 augustus 2025

2

eigendomsoverdracht van de percelen aan HG Beheer.' De gemeente heeft op 20 juli 2023 de percelen geleverd aan HG Beheer, waarbij het recht van erfpacht teniet is gegaan door vermenging. 2.3. Voorafgaand aan de eigendomsoverdracht heeft de gemeente tussen 21 en 23 juli 2023 vier ingebrekestellingen aan HG Beheer verstuurd (inzake: (1) het ontbreken van goedkeuring voor het oprichten van opstallen, (2) het ontbreken van goedkeuring voor de vereiste brand- en stormschadeverzekering, (3) het ontbreken van toestemming voor verhuur aan arbeidsmigranten en (4) het ontbreken van toestemming voor een kadastrale splitsing). HG Beheer zou daarmee in strijd met de erfpachtovereenkomst hebben gehandeld. Bij brief van 15 augustus 2023 wijst de gemeente liet verzoek van HG Beheer om alsnog de vereiste toestemming te verlenen af. Bij brief van 31 augustus 2023 geeft de gemeente aan dat het nadere schrijven van HG Beheer haar geen aanleiding geeft af te wijken van de eerdere weigering, en stelt dat HG Beheer wegens schending van de erfpachtovereenkomst een bedrag van € 1.200.000 aan boetes heeft verbeurd. 2.4. Op 5 december 2024 is HG Beheer deze procedure gestart door de gemeente te dagvaarden. Daarna heeft de gemeente met terugwerkende kracht de vier ingebrekestellingen ingetrokken bij besluit van 28 januari 2025.

3.

Het geschil

3.1. Volgens HG Beheer mocht de gemeente haar geen boetes opleggen. Zij vordert daarom liet volgende. I.

Te verklaren voor recht dat de gemeente misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid, althans dat de gemeente in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld en daarmee toerekenbaar tekort is geschoten althans onrechtmatig heeft gehandeld, althans dat de gemeente in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld door op grond van de erfpachtakte ingebrekestellingen te versturen, toestemming of goedkeuring te weigeren en aanspraak te maken op contractuele boetes.

11.

De gemeente te veroordelen tot vergoeding van de door HG Beheer geleden schade, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

III.

Te verklaren voor recht dat zij op grond van de erfpachtakte geen boete is verbeurd terzake de door de gemeente verzonden ingebrekestellingen, althans te verklaren dat deze boete wordt gematigd tot nihil.

IV.

De gemeente te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van € 4.138,20 (incl. btw) althans € 3.420,- (excl. btw), althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

I Rechtbank Limburg 17 mei 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:3086, bekrachtigd door Gerechtshof 'sHertogenbosch op 22 juli 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2044.

zaaknummer: C/03/337229 / HA ZA 24-570 6 augustus 2025 3

V.

De gemeente te veroordelen in de daadwerkelijke kosten van deze procedure, te weten een bedrag van € 25.167,77 (incl. btw), althans € 21.127,- (excl. btw), althans een goede justitie te bepalen bedrag, althans in de proceskosten, te voldoen binnen zeven dagen na dagtekening van de in deze procedure te geven uitspraak, vermeerderd met de wettelijke rente bij het uitblijven van voldoening binnen die termijn, tot aan de dag der feitelijke en algehele voldoening.

3.2. De gemeente voert verweer. De gemeente concludeert tot niet-ontvankelijkheid van HG Beheer, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van HG Beheer als ongegrond en onbewezen, met veroordeling van HG Beheer in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en nakosten indien VIG Beheer de proceskosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis heeft voldaan aan de gemeente, uitvoerbaar bij voorraad. 3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.

De beoordeling

Kern van de zaak 4.1. De kern van deze zaak ziet op de vraag of HG Beheer voldoende belang heeft bij de gevorderde verklaringen voor recht gelet op het feit dat de gemeente inmiddels de ingebrekestellingen heeft ingetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft HG Beheer onvoldoende belang bij de gevorderde verklaringen. De rechtbank ziet in het verloop van de procedure wel aanleiding tot compensatie van de proceskosten. Zij legt hieronder uit hoe zij tot dat oordeel komt.

Geen belang bij verklaring voor recht misbruik bevoegdheid HG Beheer vordert een verklaring voor recht dat de gemeente misbruik heeft 4.2. gemaakt van haar bevoegdheid op grond van de erfpachtovereenkomst door ingebrekestellingen te sturen en in totaal 1.200.000,- aan boetes op te leggen aan HG Beheer. De gemeente zou dit alleen hebben gedaan om HG Beheer schade toe te brengen. Hoewel de ingebrekestellingen sindsdien zijn ingetrokken heeft HG Beheer belang bij de verklaring vanwege het grote aantal procedures waarin partijen zijn verwikkeld en een wezenlijk risico op herhaling van de gemeente. Zo heeft de gemeente zich het recht voorbehouden om in de toekomst nieuwe boetes op te leggen. Ook als blijkt dat de gemeente niet schadeplichtig is naar HG Beheer heeft zij voldoende belang bij de verklaring omdat HG Beheer daarmee enige genoegdoening kan krijgen. Zij heeft in ieder geval belang bij de verklaring op grond van een proceskostenveroordeling. Volgens de gemeente heeft HG Beheer onvoldoende belang bij de verklaring voor 4.3. recht. De gemeente heeft immers geen misbruik gemaakt van haar bevoegdheid. HG Beheer kwam haar verplichtingen uit de erfpachtovereenkomst niet na. De gemeente heeft de ingebrekestellingen verstuurd als prikkel tot nakoming, niet om HG Beheer te schaden. Het innen van boetes is dan ook niet liet doel van de gemeente.

Bovendien is HG Beheer door de intrekking van de ingebrekestellingen geen boetes verschuldigd. Dat de gemeente zich daarbij heeft voorbehouden nieuwe ingebrekestellingen te versturen, in het geval dat de

zaaknummer: C/03/337229 / HA ZA 24-570 6 augustus 2025

gemeente in hoger beroep gelijk krijgt en het erfpacht•echt herleeft, maakt dat niet anders. Het staat immers niet vast dat toekomstige handelingen onrechtmatig zouden zijn. 4.4. De eiser van een verklaring voor recht moet voldoende belang bij zijn vordering hebben in de zin van artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Naar het oordeel van de rechtbank heeft HG Beheer onvoldoende belang bij de gevorderde verklaring. Het belang van HG Beheer kan niet volgen uit verschuldigde boetes, nu de grondslag daarvan met het intrekken van de ingebrekestellingen is komen te vervallen. Bovendien heeft de gemeente nadrukkelijk benoemd dat HG Beheer geen boetes heeft verbeurd. Daarnaast heeft HG Beheer de mogelijkheid van schade onvoldoende onderbouwd, zoals hierna zal blijken (in onderdeel 4.10.), waardoor ook op die grond het belang van HG Beheer niet kan worden aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank levert loutere genoegdoening in de zakelijke context van dit geschil onvoldoende belang op. Genoegdoening kan voldoende belang opleveren als de verklaring ziet op het schenden van fundamentele (grond)rechten van natuurlijke personen. Daarvan is in dit geval geen sprake. De rechtbank wijst de gevorderde verklaring daarom af vanwege gebrek aan belang. Geen belang bij verklaring voor recht dat er geen boetes zijn verbeurd

4.5. HG Beheer stelt dat zij belang heeft bij een verklaring voor recht dat zij geen boetes heeft verbeurd, ondanks de intrekking van de ingebrekestellingen met terugwerkende kracht door de gemeente op 28 januari 2025. Uit de brief van de gemeente blijkt niet dat HG Beheer geen boetes verschuldigd is, alleen dat zij de ingebrekestellingen met terugwerkende kracht intrekt. Echter kan zij een eenzijdige rechtshandeling niet met terugwerkende kracht intrekken, waardoor HG Beheer de boetes verschuldigd blijft. Bovendien heeft HG Beheer belang bij de verklaringen omdat de gemeente zich het recht heeft voorgehouden om in de toekomst nieuwe boetes op te leggen. 4.6. De gemeente stelt dat HG Beheer geen belang heeft bij deze verklaring voor recht. Volgens haar is HG Beheer door de intrekking met terugwerkende kracht geen boetes verschuldigd. Dit heeft zij verklaard in haar conclusie van antwoord en vervolgens herhaald in haar conclusie van dupliek. 4.7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft HG Beheer geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht. Met het intrekken van de ingebrekestellingen is de grondslag van de boetes immers komen te vervallen. Bovendien heeft de gemeente meermaals benoemd dat HG Beheer geen boetes heeft verbeurd op grond van de ingetrokken ingebrekestellingen.

Dat betekent dat HG Beheer geen boetes heeft verbeurd en dat de gemeente in de toekomst geen beroep meer kan doen op de ingetrokken ingebrekestellingen. Het voorbehoud van de gemeente om in de toekomst nieuwe ingebrekestellingen te versturen doet daar niet aan af omdat het geen betrekking kan hebben op de ingetrokken ingebrekestellingen en boetes. Zover HG Beheer heeft willen stellen belang te hebben bij de verklaring omdat de gemeente sprak over `heractivering' van de ingebrekestellingen, wijst der rechtbank op het volgende. Het recht van erfpacht is op 20 juli 2023 door vermenging teniet gegaan. Anders dan de gemeente stelt herleeft het recht van erfpacht niet als op enig moment de levering van de percelen aan HG Beheer ongedaan zou moeten worden gemaakt. Van nieuwe schendingen van de erfpachtovereenkomst uit 2009 kan dan ook geen sprake zijn. De rechtbank wijst de gevorderde verklaring dan ook af vanwege gebrek aan belang.

zaaknummer: C/03/337229 / HA ZA 24-570 6 augustus 2025 5

Geen schadevergoeding en verwijzing naar schadestaat 4.8. HG Beheer vordert veroordeling van de gemeente tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij heeft geleden, waaronder reputatieschade, nader op te maken bij staat. De continuïteit van HG Beheer (en daaraan gelieerde vennootschappen) zou direct in gevaar zijn gekomen als zij de boete van € 1.200.000,- zou moeten betalen. Al le beschikbare liquiditeiten en investeringen werden daarom direct bevroren, wat heeft geleid tot vertraging van ontwikkeling en exploitatie. Daarnaast had de gemeente het oogmerk de goede naam van HG Beheer aan te tasten en daarmee immateriële schade veroorzaakt. 4.9. De gemeente stelt dat zij bevoegd was tot het opleggen van de boetes, en dus niet onrechtmatig gehandeld heeft gehandeld. 4.10. Naar het oordeel van de rechtbank is wat HG Beheer heeft aangevoerd niet voldoende om de mogelijkheid van materiële schade aannemelijk te maken. Zo heeft zij niet aangevoerd welke investeringen zij heeft stilgelegd, welke adviezen zij heeft ingewonnen of wat de kosten daarvan waren. De concrete onderbouwing van haar schade schiet daarmee tekort. Ook haar stellingen omtrent de gevorderde immateriële schade en reputatieschade heeft HG Beheer onvoldoende onderbouwd.

Uit het feit dat de gemeente betaling van boetes vorderde volgt niet dat de gemeente daarbij het oogmerk had schade toe te brengen aan HG Beheer, en ook niet wat haar schade dan zou zijn. Bovendien is het naar algemene ervaringsregels onaannemelijk dat de gemeente het oogmerk had om schade toe te brengen gezien de functie van de gemeente in liet maatschappelijk bestel en de bijbehorende complexiteit van haar besluitvorming. De rechtbank wijst de gevorderde schadevergoeding en verwijzing naar de schadestaatprocedure daarom af. De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten deelt dit lot. (Werkelijke) proceskosten 4.11. HG Beheer vordert betaling van haar werkelijke proceskosten, althans de proceskosten. 4.12. Volgens de gemeente is er geen sprake van buitengewone omstandigheden die kunnen leiden tot toewijzing van de werkelijke proceskosten en dient HG Beheer veroordeeld te worden in de kosten van deze procedure. 4.13. Omdat niet is gebleken van enig misbruik van (proces)recht is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van artikel 237 Rv met een veroordeling in de werkelijke proceskosten. 4.14. De rechtbank ziet aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren. Dat ziet zij in het verloop van de procedure.

Hoewel de hoofdvorderingen van HG Beheer worden afgewezen, vloeit dit voort uit het intrekken van de ingebrekestellingen door de gemeente. Die intrekking viel (nagenoeg) samen met de door de gemeente genomen conclusie van antwoord en was nadrukkelijk een reactie op de dagvaarding. Naar het oordeel van de rechtbank was het daarom in feitelijke zin effectief voor HG Beheer om deze procedure te starten om de boetes van tafel te krijgen. Daarna heeft HG Beheer de procedure echter niet ingetrokken, en vervolgens zijn haar vorderingen afgewezen. Kort gezegd zou daarmee de eerste helft van de procedure voor rekening van de gemeente komen, en het

zaaknummer: C/03/337229 / HA ZA 24-570 6 augustus 2025

tweede deel voor rekening van HG Beheer. De proceskosten zullen daarom tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5.

De beslissing

De rechtbank 5.1.

wijst de vorderingen van HG Beheer af,

5.2. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.3.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. dr. R. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2025.

•

VOOR

JF

SI A <IDEND AFSCHRIFT De griffier

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=9b44cf56-1f05-4f54-ae0b-8343df4e7733