Raadsbesluit 11dec18 vaststellen Industrieel geurbeleid
Tekst van het document
Raadsvoorstel Openbare Raadsvergadering CONCEPT Datum
6 november 2018
Onderwerp
Industrieel geurbeleid bio-based activiteiten bedrijventerrein Zevenellen wethouder P.H.G. Verlinden
Portefeuillehouder(s)
Agendapunt
Inhoudelijk voorstel Aanleiding Uit de milieu effecten analyse is gebleken dat het aspect geur, bij maximale invulling van het vigerende bestemmingsplan, mede door de beoogde bio-based ontwikkelingen, een forse impact op de omgeving rondom Zevenellen kan hebben. Daarom is besloten een industrieel geurbeleid voor het bedrijventerrein Zevenellen op te stellen, waarmee het lokale woon- en leefklimaat in de kernen rondom Zevenellen kan worden geborgd. De kern van het beleid Voorgesteld wordt het Industrieel geurbeleid bio-based activiteiten bedrijventerrein Zevenellen vast te stellen. De beleidskaders zijn: • De verplichting overleggen geuronderzoek voor bio-based bedrijven; • Het aanwijzen van beschermingsniveaus (hogere bescherming voor woningen binnen kern en scholen); • De vaststelling van individuele geur grenswaarden: o Voor objecten met hoger beschermingsniveau 0,5 OUE/m3 als 98 percentiel; o Voor objecten met regulier beschermingsniveau 1,0 OUE/m3 als 98 percentiel; • De vaststelling van cumulatieve geur grenswaarden: o Voor objecten met hoger beschermingsniveau 1,0 OUE/m3 als 98 percentiel; • De verplichte toetsing van best bestaande technieken; • Vastleggen afspraken over toezicht en handhaving; • De wijze van communicatie over bio-based activiteiten.
In de bijlage van het beleid is uitgebreid ingegaan op de reacties van de stakeholders die tijdens de bijeenkomst van 5 april 2018 zijn verzameld. De geleverde input is meegenomen in de afwegingen van dit beleid. Daarnaast hebben de stakeholders allemaal de mogelijkheid gehad te reageren op het concept beleid. Er zijn reacties ingediend door diverse stakeholders. Enkele hebben geleid tot kleine aanpassingen. Verder is dit voorstel afgestemd met de provincie Limburg en de gemeentelijke taakvelden Ruimtelijke Ordening en Toezicht en handhaving. Voor meer informatie wordt verwezen naar het beleid zelf (zie bijlage). De argumenten De worst-case invulling op basis van het huidig vigerende bestemmingsplan laat voor het aspect geur een hoge berekende concentratie van circa 5 OUE/m3 ter plaatse van de kern Buggenum zien. Deze berekende waarde overschrijdt ruimschoots de regulier te vergunnen waarde en daardoor kan geur tot in de verre omtrek waarneembaar zijn. In de directe omgeving kan deze invulling leiden tot ernstige hinder. Voor het toekomstige lokale woon- en leefklimaat vormt het huidige bestemmingsplan, bij een worst-case invulling, een bedreiging. Dit komt hoofdzakelijk doordat, in tegenstelling tot andere milieuaspecten, voor geur geen cumulatieve wettelijke grenswaarde bestaat, die een onbelemmerde groei beperkt.
Met dit beleid wordt, naast een individuele grenswaarde, dus ook een cumulatieve waarde bepaald. Financiële paragraaf N.v.t. Inkoopparagraaf N.v.t.
Datum Betreft Pagina
6 november 2018 Industrieel geurbeleid bio-based activiteiten bedrijventerrein Zevenellen 2 van 2
Personele paragraaf N.v.t. Communicatieparagraaf Openbaar: ☑ Actief: ☐ Informeren raad ☐ Ter inzage leggen voor ☑ Publiceren op Overheid.nl ☑ Plaatsen op gemeente info ViaLeudal ☑ Plaatsen op website ☐ Plaatsen op social media ☑ Versturen persbericht naar (lokale) media ☐ Plaatsen op intranet ☑ Overige communicatie Toelichting: De stakeholders (grondeigenaren, initiatiefnemers op Zevenellen, bewoners van Buggenum, Dorpsraad Buggenum) worden, zoals eerder afgesproken, via een e-mail geïnformeerd over de besluitvorming; De inwoners van Leudal wordt via een bekendmaking (zie bijlage) in ViaLeudal en de gemeentelijke website geïnformeerd; De buurgemeenten Beesel en Roermond en de provincie Limburg ontvangen een afschrift van dit beleid. Dit lokaal industrieel geurbeleid is een relatief uniek concept in Nederland. Leudal kan zich hiermee op positieve wijze onderscheiden en dat mag gedeeld worden. Daarom wordt ervoor gekozen om: een persbericht op te stellen, dat wordt verspreid via verschillende kanalen wordt (website, social media en stakeholders) (zie bijlage); Hallo Leudal te vragen om een bericht te wijden aan dit unieke beleid. Na besluitvorming zullen we de inwoners van Leudal met een artikel in ViaLeudal en op de gemeentelijke website informeren.
Deze berichtgeving vindt plaats in afstemming met OML en wordt ook gedeeld via www.zevenellen.nl Bijlage(n) B&W-besluit Raadsbesluit Bekendmaking Heythuysen, 9 oktober 2018 Burgemeester en wethouders van Leudal, De secretaris,
De burgemeester,
H.K.W. Bekkers
A.H.M. Verhoeven MPM
CONCEPT
Raadsbesluit De gemeenteraad van de gemeente Leudal; Agendapunt 4
Gezien het voorstel van het college d.d. 9 oktober 2018, nummer BenW2018\517; Gelet op artikel 2.7a Activiteitenbesluit en het feit dat uit de milieueffecten analyse is gebleken dat het aspect geur, bij maximale invulling van het vigerende bestemmingsplan bedrijventerrein Haelen, mede door de beoogde bio-based ontwikkelingen, een forse impact op de omgeving rondom Zevenellen kan hebben, Besluit: Het ‘Industrieel geurbeleid bio-based activiteiten bedrijventerrein Zevenellen’ vast te stellen.
Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van de gemeente Leudal, 11 december 2018. DE RAAD VAN DE GEMEENTE LEUDAL De griffier,
De voorzitter,
Drs. W.A.L.M. Cornelissen
A.H.M. Verhoeven MPM
BIJLAGEN
Opdrachtgever: Projectnr: Datum:
Gemeente Leudal LEU150-0002 14 augustus 2017
Opdrachtgever: Projectnr: Rapportnr: Status: Datum:
Gemeente Leudal LEU150-0002 LEU150-MA01 Definitief 14 augustus 2017
T 088 - 33 66 333 F 088 - 33 66 099 E info@kragten.nl
Opsteller: OBE
-+C0OBE+-
Verificatie: EVH
© 2014 Kragten Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Kragten. Het is tevens verboden informatie en kennis
-+R0EVH+-
Validatie: PVZ
-+V0PVZ+-
INHOUDSOPGAVE 1.1 1.2 1.3
Aanleiding .......................................................................................................................... 7 Doel ..................................................................................................................................... 7 Plan- en studiegebied ..................................................................................................... 7
2.1 2.2 2.3 2.4
Inleiding .............................................................................................................................. 9 Akoestiek ............................................................................................................................ 9 Luchtkwaliteit ..................................................................................................................... 9 Geur..................................................................................................................................... 9
4.1 4.2 4.3 4.4
Akoestiek .......................................................................................................................... 13 Luchtkwaliteit ................................................................................................................... 17 Geur................................................................................................................................... 18 Conclusie .......................................................................................................................... 21
5.1 5.2
Inleiding ............................................................................................................................ 23 Oplossing borging leefklimaat via geurbeleid .......................................................... 24
6.1 6.2 6.3
Aanleiding ........................................................................................................................ 27 Opties voor inrichten buffer Zevenellen - Buggenum ............................................. 27 Conclusie .......................................................................................................................... 30
7.1 7.2
Voorstel oplossingsstrategie .......................................................................................... 33 Vervolgstappen .............................................................................................................. 33
BIJLAGEN
5
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding In de gemeente Leudal, nabij de kernen Haelen en Buggenum, is het bedrijventerrein Zevenellen gelegen. Het bestemmingsplan voor dit bedrijventerrein is vastgesteld op 25 juni 2013. In het bestemmingsplan is de mogelijkheid geboden tot de vestiging van verschillende vormen van bedrijvigheid tot maximaal milieucategorie 5.2. De bedrijven dienen dan wel te zijn opgenomen op de ‘Lijst van bedrijfsactiviteiten’ die als bijlage bij het bestemmingsplan is vastgesteld. Met een binnenplanse wijzigingsbevoegdheid kan het college van burgemeester en wethouders een bedrijf dat niet op de lijst staat toch vergunnen, mits de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is aan bedrijven die wel op de lijst staan. Op 15 december 2014 heeft de gemeenteraad van de gemeente Leudal het beleidskader Biobased Leudal vastgesteld. Op basis van een analyse naar een duurzaam toekomstperspectief voor het bedrijventerrein is geconcludeerd dat het inrichten van een biobased bedrijventerrein hier goede kansen voor biedt. Als beleidsuitgangspunt heeft de gemeenteraad onder andere opgenomen dat daarbij de Triple P-benadering (People, Planet, Profit) leidend dient te zijn. Ook zijn maatregelen om de omgeving een kwaliteitsimpuls te geven onderdeel van het beleidskader.
Inmiddels is een tweetal biobased initiatieven concreet geworden en heeft een initiatiefnemer een aanvraag ingediend om gebruik te mogen maken van de wijzigingsbevoegdheid voor het realiseren van een mestverwerkingsbedrijf. Dit heeft geleid tot vragen bij de gemeenteraad over het invullen van de wijzigingsbevoegdheid in relatie tot het woon- en leefklimaat in de woonkern Buggenum. De gemeenteraad wil dat inzichtelijk wordt gemaakt welke (milieu)effecten er ontstaan, indien de volledige wijzigingsbevoegdheid wordt benut.
1.2
Doel De vraag die beantwoord dient te worden is in hoeverre de inwoners van om het bedrijventerrein Zevenellen liggende kernen hinder ondervinden van toekomstige bedrijvigheid die zich op het bedrijventerrein volgens het geldend bestemmingsplan en het beleidskader Biobased Leudal mag vestigen. In lijn met de m.e.r.-systematiek wordt daarbij uitgegaan van een maximaal planologische situatie. Dat wil zeggen: de planologische situatie, inclusief de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid, wordt beschouwd, waarbij wordt uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. De hinderaspecten die daarbij worden onderzocht zijn: akoestiek, geur, luchtkwaliteit en volksgezondheid. Daarnaast wordt een doorkijk gegeven naar oplossingsrichtingen, indien uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van hinder. De Milieueffectanalyse heeft de status van onderzoeksrapport. Het is geen formele milieueffectrapportage. Een m.e.r.-procedure dient namelijk altijd ter ondersteuning van de besluitvorming over een concreet plan of project (een bestemmingsplan of een vergunning). Dit is hier niet aan de orde.
1.3
Plan- en studiegebied In het onderzoek wordt de plangrens van het vigerende bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Haelen’ gehanteerd, waarbij wordt uitgegaan van het deel van het plangebied dat het bedrijventerrein Zevenellen omvat (afbeelding 1).
7
Afbeelding 1
Plangebied milieueffectanalyse Zevenellen
Het studiegebied omvat het gebied waarbinnen mogelijk effecten te verwachten zijn als gevolg van de inrichting en het gebruik van het bedrijventerrein Zevenellen. Het studiegebied is daarmee ruimer gedefinieerd dan het plangebied. Per milieueffect kan de omvang van het studiegebied echter verschillen, al naar gelang de reikwijdte van het effect. De verschillende milieuaspecten worden niet alleen afzonderlijk bestudeerd, ook de onderlinge samenhang wordt bekeken. Hierdoor ontstaat een samenhangende gebiedsanalyse voor het gehele gebied.
8
2
METHODEN EN TECHNIEKEN
2.1
Inleiding Voor de worst-case milieusituatie bij het volledig invullen van het industrieterrein op basis van de maximale mogelijkheden die het huidige bestemmingsplan biedt, worden drie milieuaspecten beschouwd: akoestiek, luchtkwaliteit en geur. De te onderzoeken aspecten worden uitgedrukt in GES-scores om de gevolgen voor de volksgezondheid in beeld te brengen. De maximalisatie in de worst-casesituatie wordt enerzijds bepaald door de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt en anderzijds door overig van toepassing zijnde regelgeving die grenzen aan de milieubelasting stelt. Deze overig van toepassing zijnde regelgeving is voor de drie te beschouwen milieuaspecten verschillend. Daardoor zal ook de aanpak van de drie milieuaspecten op onderdelen anders zijn. Onderstaand wordt de aanpak per milieuaspect beschreven.
2.2
Akoestiek Relevante regelgeving: Bestemmingsplan Bedrijventerrein Haelen en Gezoneerd Industrieterrein De akoestische maximale invulling van bedrijventerrein Zevenellen wordt bepaald door de wettelijke geluidszone. Ongeacht de invulling van het industrieterrein is de gezamenlijke maximale geluiduitstraling naar de omgeving gemaximaliseerd middels de vastgestelde geluidscontour van 50 dB(A). De transporten van en naar de bedrijven worden niet meegenomen in de zonebewaking. Daardoor zijn voor de toekomstige invulling van het bedrijventerrein niet de bedrijfsprocessen maatgevend maar de transportintensiteiten die niet met de zonebewaking worden begrensd.
2.3
Luchtkwaliteit Relevante regelgeving: Bestemmingsplan Bedrijventerrein Haelen en grenswaarden luchtkwaliteit Wet milieubeheer Bij de vestiging van een bedrijf op bedrijventerrein Zevenellen dienen onder andere de consequenties voor de (lokale) luchtkwaliteit inzichtelijk gemaakt te worden. Daarbij dient de eigen bijdrage van het bedrijf aan de lokale luchtkwaliteit te worden berekend. Deze moet worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. In een dergelijk onderzoek worden de heersende achtergrondconcentratie betrokken. Indien een nieuw initiatief leidt tot een overschrijding van de grenswaarde, kan dit niet gerealiseerd worden. In de achtergrondconcentratie zitten alle bronnen, ook het verkeer. Bovenstaande betekent dat de luchtkwaliteit maximaal kan verslechteren tot dat bij de dichtst bijgelegen woning nabij het industrieterrein de wettelijke grenswaarde wordt bereikt, ook als het industrieterrein nog niet volledig zou zijn ingevuld.
2.4
Geur Relevante regelgeving: Bestemmingsplan Bedrijventerrein Haelen. Géén aanvullende regelgeving Voor het milieuaspect geur is geen andere wet- of regelgeving voorhanden die een beperking oplegt aan de geurhinder. Wel zijn er richtwaarden opgenomen in de Handleiding geur, maar deze hebben geen wettelijke status.
9
Daarmee is de beperking in het bestemmingsplan de enige beperking op de ruimtelijke ontwikkeling. Wel zal in het kader van vergunningverlening een individuele toets per vergunning plaatsvinden. Bij vergunningverlening vindt echter geen cumulatieve toets plaats. Voor het aspect geur worden de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt inzichtelijk gemaakt. Deze worden per bedrijf bepaald en daarna gecumuleerd. De gecumuleerde berekeningen worden inzichtelijk gemaakt middels geurcontouren over de woonomgeving.
10
3
HINDERBEOORDELING Op basis van de door de projectgroep vastgestelde uitgangspunten (zoals beschreven in hoofdstuk twee en bijlage 1) zijn berekeningen uitgevoerd op het gebied van akoestiek, luchtkwaliteit en geur. Deze hinderaspecten zijn gekozen, omdat deze de hinderbeleving van de omwonenden van het bedrijventerrein bepalen. Bij de beoordeling van de hinder is aangesloten bij de GES-scoresystematiek van de landelijke GGD.
Tabel 1
Klasse-indeling GES-scores
De Gezondheidseffectscreening (GES) is een beoordelingsmethode waarmee inzicht verkregen wordt in de verschillende factoren die van invloed kunnen zijn op de gezondheid van bewoners. Een GES geeft een goed beeld van de gezondheidskundige knelpunten en kansen bij wijzigingen in de ruimtelijke ordening of infrastructuur en herstructureringsprojecten. De verschillende GES-scores worden per beoordeeld milieuaspect als gekleurde contourvlakken weergegeven op en rondom het industrieterrein Zevenellen. De kleuren variëren van groen (GESscore 0) via geel, oranje en rood tot paars (GES-score 8). Indien de invloed van een milieuaspect reikt tot aan de omliggende kernen, kan het aantal aanwezige personen per GES-score worden bepaald en in een tabel worden weergegeven.
Afbeelding 2 Geuremissies bij bio-based activiteiten
11
4
REKENRESULTATEN
4.1
Akoestiek Bij de akoestische berekeningen is rekening gehouden met de geluidszone van het gehele bedrijventerrein in het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Haelen’. De gehele geluidszone is daarbij tot het maximum opgevuld. Ook de wegen binnen het bedrijventerrein zijn meegenomen in de beschouwing, evenals de belangrijkste wegen van en naar het bedrijventerrein en de scheepvaart van en naar het bedrijventerrein. De berekeningen voor industrielawaai en verkeerslawaai (wegverkeer en scheepvaart) zijn in eerste instantie apart uitgevoerd. Daarna zijn ze conform de daarvoor geldende rekenregels gecumuleerd. Het railverkeerslawaai is niet meegenomen, omdat dit een factor is die in de huidige situatie ook al aanwezig is. Het beeld van de geluidsbelasting wordt bij het passeren van een trein kortstondig verstoord. Navolgend worden achtereenvolgens de resultaten gepresenteerd van de uitgevoerde berekeningen voor scheepvaartlawaai, wegverkeerslawaai en industrielawaai. In afbeelding drie is de bijdrage van het scheepvaartlawaai op de directe omgeving van het industrieterrein te zien. De geluidbelasting vanwege scheepvaart heeft alleen invloed op woningen die relatief dicht aan de Maas zijn gelegen.
13
Afbeelding 3
Geluidbelasting vanwege transport over het water
In afbeelding vier is de maximale bijdrage van het wegverkeerslawaai op de directe omgeving van het industrieterrein te zien. De geluidbelasting vanwege het wegverkeer heeft vanwege de vertakking van het wegennet effecten in alle richtingen rondom het bedrijventerrein.
14
Afbeelding 4 Geluidbelasting vanwege transport over de weg
15
In afbeelding vijf is de maximale bijdrage van het industrieterrein op de directe omgeving te zien. Doordat het industrieterrein gezoneerd is, kan de gecumuleerde geluidbelasting van het gehele terrein maximaal gelijk zijn aan de wettelijk vastgestelde zone. De wettelijke zone (50 dB) contour is in het vigerend bestemmingsplan verankerd. Bij nieuwe vergunningaanvragen wordt de inpasbaarheid van bedrijven hieraan getoetst. Het niet passen binnen de wettelijke zone vormt een weigeringsgrond voor de betreffende vergunning.
Afbeelding 5
16
Geluidbelasting vanwege het gezoneerde industrieterrein
In afbeelding zes is het maximale cumulatieve effect vanwege de huidige mogelijke ontwikkelingen op het industrieterrein weergeven. De cumulatie is uitgevoerd conform de daarvoor geldende rekenregels. In afbeelding zes is met de blauwe contour de 50 dB zone van het industrieterrein weergegeven. Daarnaast is middels een paarse contour de 50 dB weergeven als gevolg van de maximaal gecumuleerde situatie.
Afbeelding 6 Gecumuleerde geluidbelasting Uit de berekeningen blijkt dat de geluidbelasting vanwege het gezoneerde industrieterrein maatgevend is ter plaatse van de aaneengesloten woonbebouwing. Onder invloed van het extra transport in de maximaal planologische situatie schuift de 50dB-contour van het bedrijventerrein (blauwe contour alleen bedrijven) naar de rand van de kern Buggenum (paarse contour bedrijven en transport) . Dit leidt, in combinatie met andere bronnen, in een worst-case situatie tot een beperkte toename van de geluidbelasting nabij de aangesloten woonbebouwing.
4.2
Luchtkwaliteit Voor de effecten op de luchtkwaliteit zijn de componenten stikstofdioxide (NO2) en fijnstof PM10 maatgevend. In de berekening is de uitstoot van NO2 en PM10 gemaximaliseerd tot de wettelijke norm bij de dichtstbijzijnde woningen nabij het bedrijventerrein. Meer dan dat kunnen bedrijven op het bedrijventerrein niet in uitstoot groeien, omdat de wettelijke norm dit voorkomt. Dit betekent dat de effecten bij aangesloten woonbebouwing in de kernen relatief beperkt zijn. Er is
17
in een toekomstige worst-case situatie een verschuiving mogelijk van GES-score 3 naar GES-score 4a. De bijdrage van het bedrijventerrein aan de lokale luchtkwaliteit ter plaatse van de kern Buggenum bedraagt in een worst-case situatie circa 7 ug/m3. De wettelijke grenswaarde voor de totale jaargemiddelde concentratie is 40 ug/m3.
Afbeelding 7
Maximaal effect luchtkwaliteit
De cumulatieve norm voor zowel stikstofdioxide als fijnstof bedraagt 40 ug/m3. Op dit moment is de achtergrondconcentratie van fijnstof circa 18 ug/m3 en voor stikstofdioxide circa 16 ug/m3. Als gevolg van het bedrijventerrein kan de maximale toename ter plaatse van de kern Buggenum circa 7 ug/m3 bedragen, waarmee de gecumuleerde concentratie ter plaatse van de dichtstbij gelegen kern maximaal 23 tot 25 ug/m3 kan bedragen. Hiermee wordt de wettelijke grenswaarde ruimschoots gerespecteerd. In afbeelding 7 is deze maximale situatie weergegeven.
4.3
Geur In tegenstelling tot andere hinderaspecten is er voor het aspect geur geen cumulatieve grenswaarde die een onbelemmerde groei beperkt. Voor dit aspect is het industrieterrein maximaal gevuld met Biobased geuremitterende bedrijven zover het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Haelen’ dit toestaat. In tegenstelling tot het aspect lucht is er voor geur geen achtergrondconcentratie aanwezig. Dat wil zeggen dat de berekende geurconcentratie geheel wordt veroorzaakt door de Biobased bedrijvigheid die op het bedrijventerrein zich kan vestigen.
18
Zowel voor de geurbelasting van individuele bedrijven als de cumulatie van geur vanwege meerdere bedrijven bestaat geen wettelijke grenswaarde. Dit betekent dat de fysieke beperkingen van de omvang van het industrieterrein en de daarbij behorende milieucategorie de enige harde beperking vormen voor de maximale geurbelasting in een worst-case situatie. Bij vergunningverlening voor een individueel bedrijf wordt voor het aspect geurhinder regulier 0,5 OUe/m3 als toetsingskader bij aaneengesloten bebouwing gehanteerd. In tabel 2 zijn de GESscores weergeven behorend bij de berekende maximale cumulatieve geurbelasting. Geurconcentratie P98 [ouE/m3] GES-score 0
0
0 - 0,5
1
0,5 - 1,5
3
1,5 - 5
4
≥5 Tabel 2
6 Klasse-indeling GES-scores geur
Navolgend is de maximale cumulatieve geurconcentratie middels contouren gepresenteerd in de milieukwaliteitsklassen conform de klassen van de GES-scores.
19
Afbeelding 8
Maximaal effect geurbelasting
Uit de rekenresultaten blijkt dat de concentratie in Buggenum in een worst-case situatie 5 OUe/m3 bedraagt. Het aantal aanwezige personen binnen de verschillende geurconcentratie klassen wordt in tabel 3 gepresenteerd. Geurconcentratie P98 GES-score [ouE/m3] 0 0 0 - 0,5 1 0,5 - 1,5 3 1,5 - 5 4 ≥5 6 Tabel 3 Overzicht aantal personen binnen GES-scores
20
Aantal aanwezige personen
80.826 8.017 1.802
Doordat het aspect geur niet door andere rechtstreeks geldende norm wordt begrensd, kan de cumulatieve geurbelasting fors toenemen bij een volledige bezetting van het industrieterrein met bio-based bedrijven. In deze worst-case ontwikkeling kunnen meer dan 80.000 mensen de geur vanwege het industrieterrein waarnemen. Dit wordt met name veroorzaakt doordat de waarneembare geurcontour van 0,5 OUe/m3 tot over de kernen Buggenum, Roermond, Swalmen, Neer, Roggel, Heythuysen, Haelen, Nunhem en Horn is gelegen.
4.4
Conclusie In de uitgevoerde milieu hygiënische beoordeling is het bedrijventerrein drie maal fictief opgevuld met op basis van de worst-case uitgangspunten per milieuaspect. Geluid De worst-case invulling op basis van het huidig vigerende bestemmingsplan laat voor het aspect geluid een maximale geluidbelasting van circa 50 dB zien ter plaatse van aaneengesloten bebouwing. Deze geluidbelasting wordt nog als acceptabel gezien en zal alleen onder worstcase omstandigheden kunnen optreden. Voor het toekomstige lokale woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende kernen ten aanzien van het aspect geluid, vormt het vigerende bestemmingsplan van het industrieterrein geen bedreiging. Luchtkwaliteit De worst-case invulling op basis van het huidig vigerende bestemmingsplan laat voor het aspect lucht een totale concentratie van circa 23 ug/m3 ter plaatse van de dichtst bijgelegen kern zien. Hiermee wordt de wettelijke grenswaarde ruimschoots gerespecteerd. Voor het toekomstige lokale woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende kernen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit, vormt het vigerende bestemmingsplan van het industrieterrein geen bedreiging. Geur De worst-case invulling op basis van het huidig vigerende bestemmingsplan laat voor het aspect geur een totale concentratie van circa 5 OUe/m3 ter plaatse van de dichtst bijgelegen kern zien.
Er is geen wettelijke grenswaarde voor een individuele of cumulatieve geurbelasting. De berekende waarde overschrijdt echter ruimschoots regulier te vergunnen waarden en zal tot in de verre omtrek waarneembaar zijn. In de directe omgeving van het industrieterrein zal deze invulling leiden tot ernstige hinder. Voor het toekomstige lokale woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende kernen ten aanzien van het aspect geur, vormt het vigerende bestemmingsplan van het industrieterrein, bij een worst-case invulling, een bedreiging.
21
5
HINDERBEPERKING
5.1
Inleiding In hoofdstuk vier zijn de worst-case effecten gepresenteerd voor geluid, luchtkwaliteit en geur op basis van de meest ongunstige invulling van het industrieterrein voor de betreffende milieuaspecten. Het is onwaarschijnlijk dat het industrieterrein volledig ingevuld zal worden met een worst-case variant voor één van de beschouwde milieuaspecten. Daarmee zal de feitelijke milieubelasting bij een volledig ingevuld industrieterrein waarschijnlijk lager zijn dan hier beschouwd. Voor geluid en luchtkwaliteit is aangetoond dat zelfs bij een worst-case invulling dit niet tot een onacceptabele groei van de milieubelasting zal leiden. Voor het aspect geur is dit anders. Doordat er geen sprake is van enig ander wettelijk kader dat de cumulatieve geuremissie begrensd, kan deze mede door de beoogde bio-based ontwikkelingen, een forse impact op de omgeving hebben. Daarmee is het wenselijk om ten aanzien van het aspect geur te beschikken over een instrument waarmee het lokale woon- en leefklimaat in de kernen rondom het industrieterrein kan worden geborgd. Er zijn verschillende opties voorhanden om sturing te geven aan de invulling van het industrieterrein. Alle opties hebben voor- en nadelen. De beschouwde opties zijn opgenomen in bijlage 2. Door de projectgroep zijn de opties afgewogen.
Als beste sturingsinstrument voor het borgen van het lokale woon- en leefklimaat wordt een gemeentelijk geurbeleid gezien dat voorziet in een cumulatieve toetsing. In de navolgende paragraaf worden de hoofdlijnen van een gemeentelijke geurbeleid geschetst dat kan voorzien in een afdoende bescherming. De juridische haalbaarheid van een dergelijk geurbeleid is in opdracht van de gemeente door juridisch adviesbureau Tonnaer getoetst.
Afbeelding 9 Geuremissies bij bio-based activiteiten
23
5.2
Oplossing borging leefklimaat via geurbeleid Cumulatie van geur Verschillende geuren vermengen elkaar waarbij vooral een verdringing optreedt. De meest overheersende wordt waargenomen en de andere geur ‘verdwijnt’ naar de achtergrond. Het is dan ook nagenoeg niet mogelijk om een kwantitatief kader voor de cumulatie van verschillende ‘geursoorten’ op te stellen. Voor dit soort situaties dient uitgegaan te worden van het individueel toetsingskader waaraan elk individueel bedrijf dient te voldoen. Gelijksoortige geursoorten kunnen elkaar wel versterken. Dit is een bekend verschijnsel bij bijvoorbeeld intensieve veehouderijen waarbij ook de gemeenschappelijke geurbelasting kan worden bepaald. Het kan dan ook voorkomen dat afzonderlijke bedrijven aan hun individuele geurnorm voldoen. Maar door cumulatie kan de totale geurbelasting het aanvaardbaar hinderniveau overschrijden. Vooral bij bedrijventerreinen waar veel gelijksoortige bedrijven in de directe omgeving van elkaar liggen, kan dit voor overlast zorgen. Middels een eigen geurbeleid kan hier sturing aan worden gegeven. In het eigen geurbeleid kan een afbakening worden opgenomen voor de bedrijfstypen en/of processen waarvan de geur cumulatief wordt beschouwd. Zo kan dit worden afgebakend op bio-based activiteiten (bijvoorbeeld mestvergisting en compostering wel cumulatief maar kunststofverwerking niet cumulatief beoordelen).
Wie beschermen tegen cumulatieve geur Regulier vindt alleen een bescherming tegen geur van individuele bedrijven plaats. Bij deze bescherming wordt een onderscheid gemaakt naar de gevoeligheid van verblijfsobjecten / personen. Voor het bepalen van de mate van het beschermingsniveau is de verblijfsduur, de omvang van de groep, functie van de omgeving, aanwezigheid van gevoelige groepen en eventueel bijzondere functies van belang. Een aantal voorbeelden van objecten die tegen individuele geurhinder worden beschermd staan hieronder. Het bevoegd gezag hanteert over het algemeen voor de objecten in de eerste kolom een hoger beschermingsniveau dan voor de objecten in de tweede kolom. Welke mate van bescherming het bevoegd gezag aan het geurgevoelig object toekent, blijft een afweging van het bevoegd gezag.
24
Tabel 4 Overzicht mogelijk onderscheid in beschermingsniveau
25
Normstelling Indien besloten wordt tot het instellen van een cumulatieve geurbeoordeling op aaneengesloten woonbebouwing dient bepaald te worden welke normstelling daarbij wordt gehanteerd. Deze normstelling dient per definitie minder strikt te zijn dan de individuele normstelling. De cumulatie normstelling heeft tot doel onaanvaardbare hinder te voorkomen. Daarmee wordt het van belang geurbelasting om te rekenen naar hinder en daarna een keuze te maken van welke hinder als aanvaardbaar wordt aangemerkt. Voor het bepalen van een normstelling behorend bij een hinder ervaring of ernstige hinder ervaring kan worden aangesloten bij de systematiek van GES-scores zoals opgesteld door de landelijke GGD. GES‐score ‐ Industriële bedrijven Bij de GES scores is de bovengrens gebaseerd op 5 ouE/m3. Deze bovengrens heeft een GES‐ score van 6, omdat deze grens als een soort maximaal toelaatbaar risico (MTR) wordt beschouwd. Het MTR van stank is niet te vergelijken met het MTR van toxische stoffen. Toch wordt bij stank bij overschrijding van deze bovengrens gekozen voor een score 6, om tot uitdrukking te brengen dat stank wel degelijk een gezondheidsprobleem is en dat erg hoge geurbelastingen ontoelaatbaar worden geacht. Ook is bij de indeling van de GES-scores deels aangehaakt bij het streven van de landelijke overheid om maximaal 12% gehinderden en geen ernstig gehinderden te hebben.
De indeling in GES‐scores, waarbij de geurconcentraties en percentage ernstig gehinderden aan elkaar gekoppeld zijn, ziet er als volgt uit: Hinder (%) 0 0-5 5 - 12 12 - 25 ≥ 25 Tabel 5
Ernstige hinder (%)
Geurconcentratie P98 (OU/m3)
0 0 0 0 - 0,5 0-3 0,5 - 1,5 3 - 10 1,5 - 5 ≥ 10 ≥ 5 GES scores geur individuele bedrijven
GES-score 0 1 3 4 6
Individuele en cumulatieve normstelling Voor de beoordeling van individuele geurbelasting worden vaak verschillende normen gehanteerd afhankelijk van de ligging van bebouwing en de functies. Hierbij zijn onder meer te onderscheiden de navolgende functies en normering: - Voor individuele inrichtingen 0,5 OU bij aaneengesloten woonbebouwing - Voor individuele inrichtingen 1,5 OU bij woonbebouwing in het buitengebied - Voor individuele inrichtingen 3 OU bij woonbebouwing op een bedrijventerrein Zoals eerder al aangegeven heeft de gemeente daarbij een eigen afwegingsbevoegdheid. Het doel van het instellen van een cumulatieve geurbeoordeling is het voorkomen van onaanvaardbare hinder. Geadviseerd wordt voor de cumulatieve geurbelasting middels een gemeentelijk beleid te voorzien in een normstelling die omwonenden in kernen beschermd. Deze normstelling voorziet in een bescherming tegen een worst-case situatie waarbij zich meerdere bio-based bedrijven in de omgeving vestigen. Daarbij kan in een dergelijke situatie de milieukwaliteit niet zover achteruitgaan als in een situatie zonder gemeentelijke cumulatieve normstelling. Het toetsen aan lokaal beleid voor cumulatieve geurbelasting vindt zowel plaats bij vergunningverlening als bij beoordeling van meldingen in het kader van het Activiteitenbesluit (art. 2.7a lid 3 onder a).
26
6
GROENE BUFFER
6.1
Aanleiding Het dorp Buggenum ligt op enige afstand van het bedrijventerrein Zevenellen. Tussen het bedrijventerrein en het dorp is een open gebied met graslanden gelegen. Aan de zuidzijde van de Berikstraat/Dorpsstraat is een natuurlijke zone ingericht als afbakening van de kern en als overgang naar het relatief open landschap. Vanuit het dorp is het bedrijventerrein Zevenellen zichtbaar. Ook de spoorbrug over de Maas is vanuit het dorp zichtbaar.
Afbeelding 10 Zicht op bedrijventerrein Zevenellen (augustus 2016) vanuit de Dorpsstraat. Op de voorgrond is de natuurlijk ingerichte zone zichtbaar. Op de achtergrond zijn de overgebleven koeltorens van de oude energiecentrale te zien. Vanwege het open karakter van het gebied tussen Zevenellen en het dorp, heeft de Dorpsraad Buggenum de wens voor een groene buffer tussen het bedrijventerrein en het dorp kenbaar gemaakt. In dit hoofdstuk worden de mogelijkheden voor het inrichten van deze buffer beschreven. Deze buffer heeft geen invloed op de in de vorige hoofdstukken behandelde hinderaspecten. De Groene Buffer heeft uitsluitend een functie in het kader van de visueelruimtelijke impact van het bedrijventerrein in de toekomst.
6.2
Opties voor inrichten buffer Zevenellen Buggenum De spoorlijn Weert-Roermond vormt een harde afbakening van het bedrijventerrein Zevenellen. Tot aan de spoorlijn mogen bedrijven zicht vestigen op basis van het vigerend bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Haelen’’. In een zone van ongeveer 35 meter ten zuiden van de spoorlijn mag echter geen bedrijfsbebouwing worden opgericht. Zuidelijk daarvan wel. Tussen de spoorlijn en de dorpsrand ligt, zoals vermeld, een open gebied van ongeveer 200 tot 450 meter breed. In de zuidwestpunt ligt aan de Berikstraat nog een bebouwingscluster op geringere afstand van het spoor.
27
De visueel-ruimtelijke impact die het oprichten van bedrijfsbebouwing op het bedrijventerrein Zevenellen heeft, hangt sterk af van de hoogte en massa van de in het bestemmingsplan toegestane bedrijfsbebouwing. In afbeelding 11 is aangegeven hoe het bouwvlak in het bestemmingsplan is opgenomen. Bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend binnen dit bouwvlak worden opgericht. Van dit bouwvlak mag maximaal 80% worden bebouwd met bedrijfsgebouwen. Binnen het bouwvlak is een zonering in hoogtes opgenomen, die ook op afbeelding 11 is weergegeven. Buiten het bouwvlak mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Hiervoor geldt dat erf- en terreinafscheidingen niet hoger mogen zijn dan 2 meter, lichtmasten niet hoger mogen zijn dan 10 meter en vlaggenmasten niet meer dan 6 meter. Voor overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, geldt dat deze uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden opgericht, maar dan wel met een maximale hoogte van 30 meter.
Afbeelding 11 Bouwvlak (rood) en maximale bouwhoogtes in het bestemmingsplan. Bron: bestemminsplan ‘Bedrijventerrein Haelen’ op www.ruimtelijkeplannen.nl De bovenstaande maximale bouwhoogtes zijn bepaald op basis van de planologische rechten ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Haelen’. Voor een deel volgen deze uit de voorheen aanwezige energiecentrale.
28
Afbeelding 12 Beeld van de Willem Alexandercentrale te Buggenum voor sloop (27 april 2010). Bron: Panoramio. De in het bestemmingsplan toegestane bouwhoogtes in combinatie met de maximaal mogelijke bouwvolumes zorgen voor een forse visueel-ruimtelijke impact bij volledige gebruikmaking van de maximale planologische mogelijkheden. Er kan een beeld ontstaan dat vergelijkbaar is met het beeld uit afbeelding 12. Om deze impact voor de inwoners van Buggenum te verzachten, is het alleen effectief om direct nabij de kern een groenzone aan te leggen. Feitelijk zoals reeds is gebeurd nabij de Berikstraat/Dorpsstraat. In de noordelijk zone van het bedrijventerrein, direct langs het spoor, zijn de toegestane bouwhoogtes lager. Bovendien zullen bij een biobased invulling van het bedrijventerrein naar verwachting niet zulke hoge gebouwen worden gerealiseerd als ten tijde van de energiecentrale. Om deze bebouwing in te passen, kan een afschermende groenstrook worden ingericht. Op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Haelen’ is dit toegestaan. In de bestemmingsomschrijving van de bestemming ‘Bedrijventerrein’ zijn onder punt q expliciet groenvoorzieningen benoemd.
Burgemeester en wethouders kunnen op basis van artikel 4.3 van het bestemmingsplan nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van bebouwing, onder andere ter waarborging van stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving. Deze bevoegdheid kan worden gebruikt om de inrichting van een groene buffer te waarborgen, maar ook om een te grote bouwhoogte en bouwmassa te voorkomen. Het gebied buiten het bedrijventerrein Zevenellen, de strook van 200 tot 450 meter agrarische gronden, kan dusdanig worden ingericht dat de visueel-ruimtelijke impact van het bedrijventerrein wordt verzacht. Deze gronden zijn opgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Leudal’ van 18 november 2015. De gronden zijn aangeduid met de bestemming ‘Agrarisch met waarden - 4’ en zijn onderdeel van het waterbergend rivierbed van de Maas. De gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden -4’ zijn, naast agrarisch grondgebruik, bestemd voor: ‘behoud en versterking van de natuurlijke waterhuishouding, betreffende zowel het oppervlaktewater als het grondwater, en de daarvan afhankelijke landschappelijke en
29
natuurlijke waarden, alsmede de realisering van een veerkrachtig watersysteem geschikt voor waterconservering en opvang van hoge waterafvoeren en versterking van de landschappelijke structuur’. Een op het watersysteem gebaseerde, natuurlijke inrichting van deze kan de belevingswaarde van dit gebied sterk vergroten, waardoor de impact van het bedrijventerrein wordt verkleind. Randvoorwaarde is dat wordt aangesloten bij het natuurlijke fundament en de ontstane landschapskwaliteiten. Het gebied is onderdeel van het rivierdal van de Maas en kent een zone met van nature natte gronden. De gronden zijn gekarakteriseerd als weide en akkers. Parallel aan de Berikstraat en de Dorpsstraat loopt het beekdal van de Ziep. Dit beekdal wordt nu al begeleid door opgaande groenelementen.
Afbeelding 13
Landschapswaarden in de zone tussen Zevenellen en Buggenum Bron: Landschapskader Noord en Midden Limburg
In het Landschapskader geeft de provincie Limburg aan dat tussen Zevenellen en Buggenum een kwaliteitsimpuls van het landschap kan plaatsvinden door het treffen van de volgende maatregelen: Ontwikkelen van beek- en rivierdal Versterken van groenstructuren langs de Berikstraat en de Dorpstraat en het stimuleren van erfbeplantingen Ontwikkelen van groenstructuren langs de spoorlijn
6.3
Conclusie Op basis van de maximaal planologische mogelijkheden kan er een forse visueelruimtelijke impact voor de kern Buggenum ontstaan. Het vigerend bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Haelen’ biedt burgemeester en wethouders echter de mogelijkheid om
30
door het stellen van Nadere eisen aan de plaats en afmetingen van bebouwing de stedenbouwkundige kwaliteit en de beeldkwaliteit van de naaste omgeving te waarborgen. Om de ruimtelijke impact voor inwoners van Buggenum te verzachten is er bovendien al een goede stap gezet door het aanleggen van groenelementen langs het beekdal van de Ziep. De vigerende bestemmingsplannen bieden de ruimte om, in lijn met de in het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg voorgestelde kwaliteitsimpuls zowel op het bedrijventerrein als in de zone tussen Zevenellen en Buggenum maatregelen ter versterking van de landschaps- en beeldkwaliteit te treffen.
31
7
CONCLUSIE
7.1
Voorstel oplossingsstrategie In de uitgevoerde milieu hygiënische beoordeling is het bedrijventerrein drie maal fictief opgevuld met op basis van de worst-case uitgangspunten per milieuaspect. Voor de aspecten geluid en luchtkwaliteit vormt de maximale invulling van het industrieterrein geen bedreiging van de lokale luchtkwaliteit. Middels het stellen van nadere eisen bij het verlenen van vergunningen kan een goede inpassing van nieuwe bedrijven worden geborgd. Daarnaast kan door het aanleggen van groenelementen een goede visuele scheiding worden aangebracht tussen het industrieterrein en de omliggende kernen. Voor het aspect geur wordt geadviseerd om middels een eigen geurbeleid het lokale woon- en leefklimaat te borgen. In paragraaf 5.2 is de oplossingsrichting geschetst die kan dienen als borging van het lokale woon- en leefklimaat tegen een mogelijk ongecontroleerde cumulatieve geurbelasting door het vestigen van een onbeperkt aantal bio-based bedrijven.
7.2
Vervolgstappen Geurbeleid Om te komen tot een functioneel geurbeleid dienen keuzes gemaakt te worden. Deze keuzes richten zich op onder meer: Welke objecten gaan we individueel beschermen (woning, kantoor, bedrijfshal, school)? Welke objecten gaan we cumulatief beschermen? Gaan we werken met verschillende normen (bijvoorbeeld burgerwoning, bedrijfswoning, kantoor)? Welke normstelling gaan we hanteren? Welke hinder vinden we aanvaardbaar? Voor wie gaat deze normstelling gelden? Op welk deel van ons grondgebied ziet het beleid toe? Al deze keuzes zijn van invloed op het effect van het gemeentelijk geurbeleid. Geadviseerd wordt om in samenspraak met belanghebbende te komen tot een gemeentelijk geurbeleid voor cumulatieve industriële geurhinder. Dit geurbeleid kan zowel voorzien in groeiruimte voor bedrijven als in een bescherming van het woon- en leefklimaat in de omliggende kernen. Landschappelijke inpassing Een goede landschappelijke inpassing kan bereikt worde met medewerking van diverse betrokkenen zoals grondeigenaren , Rijkswaterstaat en gemeente. Geadviseerd wordt om in samenspraak met betrokken partijen een landschappelijke inpassing uit te werken.
33
BIJLAGEN
B1 AANPAK MAXIMALISATIE PER MILIEUASPECT B 1.1
Aanpak maximalisatie milieuaspect Akoestiek 1.
2.
3.
4. 5. 6.
7. 8.
Krachtens de Wet geluidhinder wordt het gezoneerde industrieterrein met betrekking tot de beschikbare geluidruimte beperkt door de van toepassing zijnde geluidzone. Ter plaatse van de zone geldt een gecumuleerde geluidbelasting vanwege alle bedrijven binnen het industrieterrein van 50 dB(A) etmaalwaarde. De geluidszone van het gezoneerd industrieterrein wordt volledig opgevuld. In de ‘Lijst van bedrijfsactiviteiten’ (bijlage 1 van de regels van bestemmingsplan “Bedrijventerrein Haelen” wordt de bedrijfsactiviteit geselecteerd met de hoogste transportintensiteit. Op basis van de toegestane bedrijfsactiviteit, CROW informatie en bureau-ervaringscijfers worden de maximale transportintensiteiten per bedrijf en bepaald en omgerekend naar intensiteiten per oppervlak. De transportintensiteiten per oppervlak worden omgerekend naar maximaal totaal mogelijke transporten op basis van het beschikbaar oppervlak bedrijfsterrein. De transporten worden gemodelleerd tot dat deze op een doorgaande weg in het heersende verkeersbeeld zijn opgenomen. De geluidbelasting richting de omgeving vanwege het industrieterrein en de verkeersbewegingen van en naar het industrieterrein worden conform de geldende rekenregels gecumuleerd. De gecumuleerde contouren worden grafisch gepresenteerd in milieukwaliteitsklassen conform de gezondheidseffectscreening (GES) van GGD Nederland.
Het aantal gevoelige objecten per milieukwaliteitsklasse wordt bepaald.
Ad 2) 2 Het aantal transportbewegingen binnen het industrieterrein en de transportbewegingen van en naar het industrieterrein worden bepaald met behulp van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Aan de hand van paragraaf 2.2 (werkgebieden) van de genoemde CROW-publicatie kan een berekening worden uitgevoerd ter bepaling van de verkeersgeneratie op etmaalniveau. Het type werkmilieu bepaalt in belangrijke mate de vervoersbehoefte en de concurrentieverhouding tussen vervoerswijzen. In onderhavige situatie wordt uitgegaan van een ‘Zwaar industrieterrein’ ter plaatse van het oppervlak alwaar een functieaanduiding van maximaal milieucategorie 5.2 is toegestaan. Een zwaar industrieterrein is een terrein geschikt voor grootschalige industriële bedrijvigheid en waar bedrijvigheid in de hindercategorieën 5 en 6 is toegestaan. Ter plaatse van het overige deel van het industrieterrein alwaar bedrijven zijn toegestaan van milieucategorie 2 tot en met 4.2 wordt uitgegaan van een ‘Gemengd terrein’. Een gemengd terrein is een terrein met een hindercategorie 2, 3 of 4 bestemd voor reguliere bedrijvigheid en niet behorend tot de categorieën hoogwaardig bedrijvenpark of distributiepark. In tabel 5 van de genoemde CROW-publicatie wordt het aantal motorvoertuigbewegingen per netto ha bedrijventerrein per weekdagetmaal, naar werkmilieu en vervoerswijze weergegeven.
Voor een zwaar industrieterrein vinden per netto ha bedrijventerrein 59 personenautobewegingen en 14 vrachtwagenbewegingen plaats per etmaal. Voor het gedeelte dat bedoeld is als ‘gemengd terrein’ vinden per netto ha bedrijventerrein 128 personenautobewegingen en 30 vrachtwagenbewegingen plaats per etmaal.
B1-1
Op basis van tabel 6 van de genoemde CROW-publicatie kan voor de afzonderlijke werkmilieutypen de verdeling worden bepaald in percentage lichte vrachtauto’s en percentage zware vrachtauto’s. Op basis van de netto oppervlakken per type werkmilieu kan de totale etmaalintensiteiten (weekdaggemiddelden) worden bepaald voor het verkeer binnen het industrieterrein en het verkeer komende van of gaande naar het industrieterrein. Om de totale geluidshinder voor de omgeving in beeld te brengen, worden ook de geluidsuitstraling van het gezoneerd industrieterrein, het verkeer buiten het industrieterrein en de scheepvaart op de Maas bepaald. Deze worden gecumuleerd met de geluidsproductie van het transport van en naar de bedrijven op Zevenellen. Het railverkeerslawaai is niet meegenomen, omdat dit een factor is die in de huidige situatie ook al aanwezig is en die geen invloed ondervindt van de invulling en het gebruik van het bedrijventerrein Zevenellen. Het beeld van de geluidsbelasting wordt bij het passeren van een trein bovendien kortstondig verstoord.
B 1.2
Aanpak maximalisatie milieuaspect Lucht 1.
2. 3.
4.
5.
6.
De achtergrondconcentratie ter plaatse van woningen in de omgeving van het industrieterrein wordt inzichtelijk gemaakt voor de componenten stikstof (NOx), fijnstof (PM 10) en zeer fijn stof (PM2,5). Er wordt een luchtkwaliteitsmodel opgesteld waarbij over het bedrijventerrein enkele emitterende bronnen worden geplaatst van de genoemde componenten. Per component wordt de maximale emissie bepaald totdat bij het eerste gevoelige object de grenswaarde voor de betreffende component wordt bereikt. Op dat moment is een verdere verslechtering van de luchtkwaliteit niet meer mogelijk. Nadat de maximale emissie bij het maatgevende gevoelige object is bereikt, worden voor die situatie luchtkwaliteitscontouren inzichtelijk gemaakt. Daarmee wordt de maximaal negatieve situatie ter plaatse van de woonomgeving inzichtelijk gemaakt op basis van het bedrijventerrein. De berekende concentraties worden als contouren in milieukwaliteitsklassen gepresenteerd in milieukwaliteitsklassen conform de gezondheidseffectscreening van GGD Nederland. Het aantal gevoelige objecten per milieukwaliteitsklasse wordt bepaald.
Ad 2) Deze stap is niet afhankelijk van soorten bedrijven die gevestigd mogen gaan worden. Middels een oppervlaktebron wordt per component een emissie bepaald waarmee ter plaatse van de maatgevende woning / toetspunt volgens blootstellingscriterium nog net wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Wel kan deze maximale emissie worden gerelateerd aan een emissie in kg/hectare behorend bij een bepaalde milieucategorie. Op basis van deze emissiewaarden kan de realiteitswaarde van het worst-case scenario worden geëvalueerd
B 1.3
Aanpak maximalisatie milieuaspect Geur
Aanpak onderzoek: 1. Per deel van het industrieterrein wordt de maximale milieucategorie bepaald. 2. Uit de handreiking bedrijven en milieuzonering wordt de bijbehorende richtafstand bepaald.
B1-2
3.
4. 5.
6. 7. 8.
9.
Op basis van de normstelling uit de handreiking wordt de afstand (voor gevoelige objecten) teruggerekend naar een bronemissie, dit gebeurd per maximaal toegestane milieucategorie (bijvoorbeeld 5.2 en 4.2 etc.) . Per bedrijfscategorie worden de bedrijfsactiviteiten vastgesteld met de grootste afstand voor het aspect geur. Indien meerdere bedrijfscategorieën eenzelfde grootste richtafstand voor geur hebben, wordt bepaald welk bedrijfstype bij een kleinere bedrijfsomvang al kan functioneren. Dit bedrijfstype zal dan gebruikt worden voor de verdere modellering. De onder punt 3 bepaalde bronemissie wordt toegekend aan het kleinste bedrijf in oppervlak met de maximale geurrichtafstand. De bronemissie wordt omgerekend naar een brongeuremissie per m2. Aan alle beschikbare m2 bedrijfsterrein wordt de bepaalde maximale brongeuremissie toegekend. Middels een modelberekening wordt de maximale cumulatieve geurconcentratie in de omgeving berekend en grafisch gepresenteerd in milieukwaliteitsklassen conform de gezondheidseffectscreening van GGD Nederland . Het aantal gevoelige objecten per milieukwaliteitsklasse wordt bepaald.
Ad 2) Richtafstanden: Voor bedrijven uit milieucategorie 5.2 wordt een richtafstand voor geur van 700 meter aangehouden. Voor bedrijven uit milieucategorie 4.2 wordt een richtafstand van 300 meter aangehouden. Voor de overige vlakken is een milieucategorie 2 tot 3 vastgesteld: hiertoe wordt een richtafstand voor geur aangehouden van maximaal 100 meter. Ad 4) In eerste instantie wordt per toegestane maximale milieucategorie bepaald welke bedrijfscategorieën een maximale richtafstand hebben voor geur. Deze bedrijven zijn per milieucategorie opgenomen in onderstaande tabellen. Vervolgens is/wordt bepaald welke bedrijf categorieën zijn te scharen onder de categorie ‘biobased bedrijven’. Per biobased bedrijf wordt vervolgens bepaald welke minimale oppervlakte een bepaalde bedrijfscategorie benodigd heeft. Deze bedrijfscategorie wordt dan in de berekeningen betrokken ter bepaling van de maximale geurimmissie. Tabel 1: Bedrijven binnen vlak met milieucategorie 5.2 conform de ‘Lijst van bedrijfsactiviteiten’ (bijlage 1 regels bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Haelen”) SBI-2008
Omschrijving
101 sub 2 102 sub 1 1091 sub 1 1091 sub 2
Vetsmelterijen Visverwerkingsbedrijven - drogen Veevoerfabrieken - destructiebedrijven Veevoerfabrieken - beender-, veren-, vis- en vleesmeelfabriek Veevoerfabrieken - drogerijen (gras, pulp, groenvoeder, veevoeder) cap >= 10 t/u water Kunstharsfabrieken e.d. Ruwijzer en staalfabrieken - p.c. < 1.000 t/j
1091 sub 4
2016 241 - sub 1
Afstand geur [m] 700 700 700 700
Milieucategorie
Biobased [ja/nee]
5.2 5.2 5.2 5.2
Nee Nee Ja Ja
700
5.2
Ja
700 700
5.2 5.2
Nee Nee
B1-3
SBI-2008
Omschrijving
382 sub C2
Composteerbedrijven - niet belucht v.c. 5.000 tot 20.000 ton/jaar
Afstand geur [m] 700
Milieucategorie
Biobased [ja/nee]
5.2
ja
Voor een composteerinrichting waar niet-belucht wordt gecomposteerd is met een productie van circa 20.000 ton een oppervlakte van 2 hectare benodigd inclusief de benodigde opslagruimte en ruimte voor transport.
Tabel 2: Bedrijven binnen vlak met milieucategorie 4.2 conform de ‘Lijst van bedrijfsactiviteiten’ (bijlage 1 regels bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Haelen’) SBI-2008
Omschrijving
102 sub 3 102 sub 4 1031 sub 1 1032, 1039 sub 4 1032, 1039 sub 5 104101 sub 2 104102 sub 2 1062 1091 sub 3 1091 sub 6 10821 sub 4 1089 sub 2
Visverwerkingsbedrijven - roken Visverwerkingsbedrijven - anderszins Aardappelproducten fabrieken Groente en fruitconservenfabrieken met drogerijen Groente en fruitconservenfabrieken met uienconservering Vervaardiging van ruwe en plantaardige oliën Vervaardiging van en plantaardige oliën Zetmeelfabrieken Destructiebedrijven - drogerijen Destructiebedrijven - mengvoeder Suikerwerkfabrieken met suiker branden Snoep en snoeparomafabrieken met poederdrogen Destilleerderijen en likeurstokerijen Vervaardiging van ethylalcohol door gisting Bierbrouwerijen Mouterijen Lederfabrieken Recycling bedrijven voor afgewerkte olie Aardolieproductenfabrieken n.e.g.
110101 110102 sub 2 1105 1106 151,152 19202 sub B 19202 sub C 2012 sub 2
20141 sub A1 20149 203 2110 sub 2 2041
B1-4
Anorg. Chemische grondstoffenfabrieken - vallend onder post-Seveso-richtlijn Oregan. Chemische grondstoffenfabrieken - niet vallend onder post-Seveso-rcihtlijn Vetzuren en alkanolenfabrieken Verf, lak en vernisfabrieken Farmaceutische grondstoffenfabrieken Zeep, was en reinigingsmiddelenfabrieken
Afstand geur [m] 300 300 300 300
Milieucategorie
Biobased [ja/nee]
4.2 4.2 4.2 4.2
Nee Nee Ja Ja
300
4.2
Ja
300
4.2
Ja
300
4.2
Ja
300 300 300 300 300
4.2 4.2 4.2 4.2 4.2
Nee Ja Ja Nee Nee
300 300
4.2 4.2
Nee Nee
300 300 300 300
4.2 4.2 4.2 4.2
Nee Nee Nee Nee
300
4.2
nee
300
4.2
Nee
300
4.2
Ja
300 300 300 300
4.2 4.2 4.2 4.2
Nee Nee Nee Nee
SBI-2008
Omschrijving
2042 2060
Parfumerie en cosmeticafabrieken Kunstmatige synthetische garen en vezelfabrieken Rubberbandenfabrieken Kunststofverwerkende bedrijven met fenolharsen glaswol en glasvezels p.c. 5.000 ton / jaar Bitumineuze materialenfabrieken < 100 t/u Rubberregeneratiebedrijven
221101 222 sub 2 231 sub 3 2399 sub A1 383202 sub B 52241 sub 7
52242 sub 10 3700 sub A2 382 sub A6 382 sub B 382 sub C1
Laad, los, overslagbedrijven ten behoeve van zeeschepen Tankercleaning Laad, los, overslagbedrijven ten behoeve van binnenvaart Tankercleaning RWZI - 100.000 - 300.000 i.e. Afvalverbrandingsinrichtingen, thermisch vermogen > 75 MW Vuilstortplaatsen Composteerbedrijven - niet belucht < 5.000 ton /jaar
Afstand geur [m] 300 300
Milieucategorie
Biobased [ja/nee]
4.2 4.2
Nee Nee
300 300
4.2 4.2
Nee Nee
300
4.2
Nee
300
4.2
Nee
300
4.2
Nee
300
4.2
Nee
300
4.2
Nee
300 300
4.2 4.2
Ja Ja
300 300
4.2 4.2
Nee ja
Voor een composteerinrichting waar niet-belucht wordt gecomposteerd is met een productie van maximaal 5.000 ton een oppervlakte van 1 hectare benodigd inclusief de benodigde opslagruimte en ruimte voor transport. Voor de overige locaties binnen het plangebied zijn bedrijven toegestaan tot milieucategorie 3 tenzij is aangegeven dat maximaal milieucategorie 2 van toepassing is. Milieucategorie 3.2 is de maximaal toegestane categorie, waarbij een aantal bedrijven tot de categorie biobased kan worden gerekend. Voor een dergelijk bedrijf wordt een bedrijfsoppervlakte van 0,5 hectare gehanteerd waarbij een onderneming bedrijfseconomisch rendabel kan functioneren. Ad 5) De bedrijven met de kleinste bedrijfsoppervlakte zijn: Voor milieucategorie 5.2:bedrijf met SBI-code: 382 sub C2 Voor milieucategorie 4.2: bedrijf met SBI-code: 382 sub C1 Voor milieucategorie 2-3: niet van toepassing
B1-5
Er verandert niets in het bestemmingsplan. Dat betekent dat geuremitterende bedrijven niet geweigerd kunnen worden. Indien zich veel geuremiterende bedrijven aandienen, kan de cumulatieve geurbelasting op de omgeving groot zijn. Het aantal geur-emitterende bedrijven dat zich kan vestigen wordt hiermee beperkt, daarmee kan de cumulatieve geurbelasting worden geborgd op een niveau dat de gemeente acceptabel acht.
1. Niets doen
Doc: p:\prj100\leu\150\uitwopdr\1_werk\2016.512 kragten milieuanalyse bedrijventerrein zevenellen\5. product\industrieel geurbeleid\oplossingsrichtingen.docx
5. Combinatie van 3 en 4
Over de gehele gemeente wordt middels een paraplu bestemmingsplan de vestiging van geuremitterende bedrijven beperkt. . Het paraplubestemmingsplan biedt de mogelijkheid om vigerende bestemmingsplannen partieel te herzien. Op één of meer aspecten wordt het vigerende bestemmingsplan aangepast, voor het overige blijft het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Haelen’ van toepassing. Zo kan je een nieuwe zone voor industrielawaai vastleggen of archeologische waarden in de gemeente beschermen, zonder dat daarvoor alle vigerende bestemmingsplannen opnieuw moeten worden vastgesteld.
4. Vaststellen van een paraplubestemmingsplan voor de gehele gemeente m.b.t. geur
VERTROUWELIJK
‘Het begrip parapluplan wordt gehanteerd voor bestemmingsplannen die gelijktijdig een groot aantal andere bestemmingsplannen gedeeltelijk herzien. In feite betreft het een verzameling van gedeeltelijke herzieningen die niet apart, maar binnen één besluit worden vastgesteld.’ (Bron: praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012) Het geurbeleid wordt juridisch verankerd in een bestemmingsplan. Dit geeft een hard toetsingkader.
Middels een industrieel geurbeleid kan op basis van milieubeleid sturing gegeven worden aan de invulling van onder meer het industrieterrein Zevenellen
3. Opstellen van een gemeentelijk (industrieel) geurbeleid
2. In bestemmingsplan (deels) geur-emitterende bedrijven uitsluiten door het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan ‘Zevenellen’.
De gemeente heeft via het partnerschap met OML deels controle over de bedrijven die zich willen vestigen
EFFECT
OPTIE
Niet zozeer de vestiging van bedrijven wordt beperkt, maar er wordt uitgegaan van aanvaardbare hinder in relatie tot ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven. Er is een combinatie mogelijk met het geurbeleid voor veehouderijen
De bestaande bestemmingsplannen (dus ook Zevenellen) blijven in stand. De effecten van het paraplubestemmingsplan spelen in het kader van de MER-systematiek dan een rol. In meerdere projecten in Nederland zijn paraplubestemmingsplannen gemaakt, waarbij de effecten van het paraplubestemmingsplan ten opzichte van de effecten van de te wijzigen, vigerende bestemmingsplan inzichtelijk zijn gemaakt. Daarbij hoeft uitsluitend te worden gekeken naar de effecten die door de wijziging ontstaan, in dit geval op het gebied van geurhinder. Qua geurhinder worden er kaders geïmplementeerd die niet dusdanige effecten zouden moeten hebben, dat een verslechtering van de vigerende geursituatie zou leiden tot een MER. In de praktijk is dit goed toepasbaar. Stikstofdepositie blijft dan buiten beschouwing, waardoor een planm.e.r-procedure wordt voorkomen.
Voor het vastellen van nieuw milieubeleid is het niet noodzakelijk het bestemmingsplan aan te passen en wordt een PlanMer procedure voorkomen.
De berekende cumulatieve worst-case geurbelasting kan worden uitgesloten. Het woon- en leefklimaat voor wat betreft geur kan worden gegarandeerd op een voorhand vast te stellen niveau.
Er hoeft geen ruimtelijke procedure gevolgd te worden. De procedure kosten zijn laag (geen procedure). Het afbreukrisico is laag (geen procedure).
VOORDELEN
Ook deze constructie is niet vaak toegepast in Nederland.
Er dient een nieuwe bestemmingsplan procedure te worden doorlopen. Onderdeel van de nieuwe bestemmingsplanprocedure is een stikstofdepositie onderzoek. Uit een eerste indicatieve berekening volgt dat de depositie op gevoelige habitattypen die al overbelast zijn tussen de 5 en 7 mol per hectare per jaar zal zijn (= fors). Dit houdt in dat een Passende Beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming moet worden gemaakt. Hierdoor wordt het plan tevens Planm.e.r.-plichtig. In de Passende Beoordeling moet op basis van ADCcriteria worden beoordeeld of het belang van het bedrijventerrein opweegt tegen de effecten op Natura2000-gebieden. Dit betekent een grote kostenpost, een lange procedure en een onzekere uitkomst. Industrieel geurbeleid gericht op het voorkomen van gecumuleerde geurhinder is zeer uitzonderlijk. Binnen Nederland is hier nog maar weinig ervaring mee opgedaan. Geurbeleid wordt wel betrokken in vergunningsituaties en eventuele OBM toetsen maar niet bij meldingsplichtige activiteiten. Het vaststellen van een paraplubestemmingsplan voor het aspect geur is nieuw en raakt de gehele gemeente. Er is in Nederland nog nauwelijks ervaring mee opgedaan en de juridische houdbaarheid van deze constructie is niet getest.