Nieuwe gemeenschappelijke regeling Mgr sociaal domein (zichtbare wijzigingen + aanvullende wijzigingen + geconsolideerde wijzigingen)
Tekst van het document
Artikel 24a Burgerparticipatie Ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de raden van de deelnemende gemeenten betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. HOOFDSTUK 13 FINANCIËLE BEPALINGEN Artikel 25 Begrotingsprocedure 1. De begrotingsprocedure wordt ingericht conform de procedure zoals beschreven in de wet. 2. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 35, zesde lid, van de wet, is het eerste lid niet van toepassing op wijzigingen van de begroting die niet leiden tot een overschrijding van de jaarlijkse bijdragen van de deelnemers. Artikel 26 Bijdragen van de gemeenten 1. In de begroting wordt aangegeven welke bijdragen de gemeenten, afzonderlijk of tezamen, verschuldigd zijn voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft. 2. In iedere samenwerkingsmodule wordt geregeld: a. de berekeningsgrondslag voor de bijdrage met betrekking tot die module; b. de wijze waarop de betaling van de bijdrage met betrekking tot die module plaatsvindt. 6
3.
De gemeenten dragen er zorg voor dat het samenwerkingsverband te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al haar verplichtingen te kunnen voldoen.
Artikel 27 Jaarrekening 1. In de jaarrekening wordt het door elk van de deelnemende gemeenten, afzonderlijk of tezamen, over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen. 2. Het algemeen bestuur kan een jaarrekeningoverschot bestemmen. De in totaal op deze wijze gevormde reserve mag niet meer bedragen dan 15% van de uitvoeringskosten in het betreffende boekjaar. De bestemming van het jaarrekeningoverschot vindt plaats direct na de vaststelling van de jaarrekening. 3. De jaarrekeningprocedure wordt ingericht conform de procedure zoals beschreven in de wet. HOOFDSTUK 14 HET ARCHIEF Artikel 28 Archivering 1. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Samenwerkingsverband. 2. De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Samenwerkingsverband, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 3. Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Samenwerkingsverband, die niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht. 4. Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Samenwerkingsverband wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente van de plaats van vestiging. 5.
Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Samenwerkingsverband, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van de gemeente van de plaats van vestiging. 6. De archivaris van de gemeente van de plaats van vestiging brengt tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Samenwerkingsverband, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 7. Het dagelijks bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de bestuursorganen van het Samenwerkingsverband. HOOFDSTUK 15 TOETREDING, UITTREDING EN OPHEFFING Artikel 29 Toetreding tot de regeling 1. Een college kan tot de regeling toetreden na verkregen toestemming van de gemeenteraad. 2. Toetreding tot de regeling kan slechts plaatsvinden wanneer alle colleges daar mee instemmen bij eensluidend besluit. 3. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding van een nieuw college. 4. Het algemeen bestuur kan voorwaarden verbinden aan de toetreding. Artikel 30 Deelname aan een bestaande samenwerkingsmodule 1.
Een college kan aan een reeds bestaande samenwerkingsmodule deelnemen krachtens een daartoe strekkend besluit van het college en na verkregen toestemming van de raad. 2. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van deelname door een nieuw college. 3. Het algemeen bestuur kan voorwaarden verbinden aan de deelname. Artikel 31 Uittreding 1. Een college kan uit de regeling treden door een daartoe strekkend besluit van het betreffende college, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de wet. 2. Uittreding kan plaats vinden niet eerder dan 5 jaren na toetreding tot de regeling, met in acht name van een opzegtermijn van tenminste twee jaar. Deze opzegtermijn vangt aan op 1 januari van het jaar volgend op dat waarin tot uittreden besloten is. 3. Een college zendt, na toestemming van zijn raad, het besluit tot uittreding aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen.
7
4.
5. 6.
Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in een uittredingsplan zoals bedoeld in artikel 32. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend. Nadat het uittredingsplan is vastgesteld, is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen.
Artikel 32 Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1. Het in artikel 31 bedoelde uittredingsplan bevat de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende deelnemer. 2. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van het algemeen bestuur het uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van het uittredende college. 3. Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van het uittredende college en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur, waaronder in ieder geval de vertegenwoordiger in het algemeen bestuur van het uittredende college. 4.
Het algemeen bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in het eerste lid en op de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. Tevens past de onafhankelijke adviseur bij de berekening van de uittreedsom een risico-opslag van 5% op de uittreedsom toe om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 5. Het algemeen bestuur is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het algemeen bestuur onderzoekt in dat kader met de uittredende deelnemer de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Het voorgaande behoeft echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. Artikel 33 Te vergoeden kosten [Vervallen per 01-07-2024] Artikel 34 Verplichtingen uittreder [Vervallen per 01-07-2024] Artikel 35 Wijziging en opheffing 1. De regeling kan worden gewijzigd of opgeheven krachtens een daartoe strekkend besluit van de colleges, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de wet. 2.
Een module kan worden toegevoegd, gewijzigd of opgeheven krachtens een daartoe strekkend besluit van twee derde van de colleges en na verkregen toestemming van hun gemeenteraden. 3. Elk college en het algemeen bestuur is bevoegd een wijziging in de regeling aan de besturen van de deelnemende gemeenten in overweging te geven via een daartoe strekkend voorstel. Het dagelijks bestuur zendt het voorstel van het algemeen bestuur toe aan de besturen van de deelnemende gemeenten. Artikel 36 Liquidatie 1. Deze regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van alle colleges van burgemeester en wethouders minus één. 2. In geval van opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en regelt het de financiële en andere gevolgen van de opheffing in een liquidatieplan. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling worden afgeweken. 8
3. 4. 5.
6. 7.
Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, de raden van de gemeenten gehoord, vastgesteld. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de beëindiging heeft voor het personeel als bedoeld in hoofdstuk 9 van deze regeling. Het liquidatieplan geeft regels voor de wijze waarop de deelnemende gemeenten, voor zover het saldo ontoereikend is, zorgdragen voor de nakoming van de verplichtingen van het samenwerkingsverband, uitgaande van de verdeling van financiële lasten en risico’s tussen deelnemende gemeenten per samenwerkingsmodule. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie. Zo nodig blijven de organen van het openbaar lichaam ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid.
HOOFDSTUK 16 SLOTBEPALINGEN Artikel 37 Geschillen Geschillen omtrent de toepassing, in de ruimste zin, van een regeling tussen besturen van deelnemende gemeenten of tussen besturen van een of meer gemeenten en het bestuur van het samenwerkingsverband worden overeenkomstig artikel 28 van de wet, door Gedeputeerde Staten beslist. Artikel 38 Duur van de regeling De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Artikel 39 Evaluatie en bekendmaking 1. De werking van de regeling zal geëvalueerd worden indien het algemeen bestuur daartoe besluit. Het dagelijks bestuur zal dan een onderzoeksvoorstel aan de deelnemers voorleggen. 2. Het college van de gemeente Venray maakt een volledig ondertekend exemplaar van deze regeling alsmede besluiten tot wijziging, tot uittreding van, van toetreding tot en tot opheffing van deze regeling tijdig in alle deelnemende gemeenten bekend in het door de gemeente Venray uitgegeven Gemeenteblad. 3. Het dagelijks bestuur is belast met de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de wet. Artikel 40 Inwerkingtreding De regeling treedt in werking op met ingang van 1 februari 2016, nadat deze op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 41 Citeertitel De regeling wordt aangehaald als: MGR sociaal domein Limburg-Noord.
9
SAMENWERKINGSMODULE 1: OPDRACHTGEVEN NOORD-LIMBURG Deze samenwerkingsmodule maakt onlosmakelijk deel uit van de Modulaire gemeenschappelijke regeling sociaal domein Limburg-Noord. Artikel 1 Begripsomschrijvingen In deze samenwerkingsmodule wordt verstaan onder: a) opdrachtgeven: het verwerven van zorg- en ondersteuningsaanbod ten behoeve van inwoners en het beheren, managen en handhaven van de gesloten contracten; b) deelnemers: de colleges in het samenwerkingsverband die deelnemen aan de module Opdrachtgeven Noord-Limburg; Artikel 2 Belang Deze samenwerkingsmodule dient ter verhoging van de effectiviteit en de efficiëntie van het opdrachtgeven. Artikel 3 Taken 1 Het samenwerkingsverband heeft de taak om uitvoering te geven aan het opdrachtgeven met betrekking tot de diensten die regionaal worden ingekocht in het kader van: a. de Jeugdwet; b. de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 met uitzondering van beschermd wonen, maatschappelijke opvang en bemoeizorg en preventie; c. de Participatiewet. 2 Het samenwerkingsverband heeft in ieder geval de volgende specifieke taken: a. het voorbereiden en uitvoeren van de verwerving van het zorg- en ondersteuningsaanbod ; b. het beheren, managen en handhaven van de in lid 2 sub a van dit artikel verworven zorg- en ondersteuningsaanbod; c.
het systematisch verzamelen van gegevens over de kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkelingen binnen het domein van deze module; d. het aan de deelnemers rapporteren over de gerealiseerde resultaten en verwachtingen binnen het domein van deze module. 3. Het samenwerkingsverband voert deze taken uit ten behoeve van de gezamenlijke deelnemers. Artikel 4 Bevoegdheden De deelnemers verlenen ieder afzonderlijk de mandaten, volmachten en machtigingen aan het samenwerkingsverband die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken. Artikel 5 Bekostiging 1. De kosten die gemaakt worden ten behoeve van de taken in deze samenwerkingsmodule worden verdeeld over de deelnemers naar rato van hun aantal inwoners. 2. De deelnemers betalen bij wijze van voorschot jaarlijks op 1 januari, op 1 april, op 1 juli en op 1 oktober telkens een kwart van de in lid 1 bedoelde bijdrage. Artikel 6 Vrijwaring De deelnemers vrijwaren de niet-deelnemers van aansprakelijkheid ten gevolge van de uitvoering van de taken van deze samenwerkingsmodule. Artikel 7 Uittreding 1. Een deelnemer kan uit de samenwerkingsmodule treden als bedoeld in artikel 31 tot en met artikel 34 van de regeling; 2. In het kader van deze samenwerkingsmodule dient de uittredende deelnemer zijn verplichtingen na te komen ten aanzien van afgesloten contracten tot de einddatum van de betreffende contracten.
10
SAMENWERKINGSMODULE 2: REGIONALE TAKEN BW MO B&P NOORD- EN MIDDEN-LIMBURG Deze samenwerkingsmodule maakt onlosmakelijk deel uit van de Modulaire gemeenschappelijke regeling sociaal domein Limburg-Noord. Artikel 1 Begripsomschrijvingen In deze samenwerkingsmodule wordt verstaan onder: a) deelnemers: de colleges in het samenwerkingsverband die deelnemen aan de module Regionale taken BW MO B&P Noord- en Midden-Limburg; b) BW MO B&P: beschermd wonen (BW), maatschappelijke opvang (MO), bemoeizorg en preventie (B&P). c) Regionale raming BW, MO en B&P: de jaarlijkse regionale raming waarin opgenomen zijn de inkomsten en uitgaven op het gebied van BW, MO en B&P. d) Regionaal budget BW, MO en B&P: het deel van de algemene uitkering aan de deelnemers dat aantoonbaar gerelateerd is aan de doelgroep BW, MO en B&P, alsmede de eigen bijdragen BW. e) uitvoeringskosten: de bedrijfsvoeringskosten die de MGR maakt ter uitvoering van deze samenwerkingsmodule (personeel, huisvesting, ict en dergelijke). f) programmakosten: de uitgaven die de MGR doet ter uitvoering van deze samenwerkingsmodule, die niet vallen onder de uitvoeringskosten.
g) verdeelsleutel BW, MO en B&P: de verdeling van een (positief of negatief) bedrag over de deelnemers waarbij geldt dat 25% van het saldo wordt verdeeld naar rato van het aantal inwoners van elke deelnemer en 75% van het saldo wordt verdeeld naar rato van de lokale zorg- en toegangskosten ten behoeve van de doelgroep BW, MO en B&P die elke deelnemer heeft. Artikel 2 Belang Deze samenwerkingsmodule dient ter verhoging van de effectiviteit en de efficiëntie van de uitvoering van de regionale taken BW MO B&P. Artikel 3 Taken 1 Het samenwerkingsverband heeft de taak om uitvoering te geven aan de regionale taken BW MO B&P. 2 Het samenwerkingsverband heeft in ieder geval de volgende specifieke taken: a. het faciliteren en coördineren van de procesregie ten aanzien van de visievorming en het opstellen van de jaarlijkse beleidsagenda BW, MO en B&P ten behoeve van de deelnemers; b. de coördinatie van de lokale toegang BW waarbij toezicht wordt gehouden op de kwaliteit en de kwantiteit van de lokaal afgegeven BW indicatie; c. het zorgdragen voor de regionale verwerving van het zorg- en ondersteuningsaanbod dat de deelnemers nodig vinden voor een adequate uitvoering van BW, MO en B&P; d. het uitvoeren van het contractmanagement met betrekking tot de in het kader van lid 2 sub c van dit artikel gesloten contracten; e.
de monitoring van de uitvoering van BW, MO en B&P op generiek niveau (geen casusregie) en het periodiek uitbrengen van een monitor; f. het financieel beheer ten behoeve van BW, MO en B&P, conform hetgeen is bepaald in artikel 5 van deze samenwerkingsmodule. g. het vergelijken van de jaarlijkse Regionale raming van de uitgaven ten behoeve van BW, MO en B&P met de uitgaven BW, MO en B&P van het jaar daarvoor, zodat verschillen duidelijk worden en ook verklaard worden. h. het opstellen van de Regionale raming BW, MO en B&P; i. het verwerven van het Regionaal budget BW, MO en B&P bij de deelnemers (algemene uitkering gerelateerd aan BW, MO en B&P) en het CAK (eigen bijdragen BW); j. het ten laste van het Regionaal budget BW, MO en B&P verrichten van de betalingen aan gecontracteerde zorgaanbieders en andere contractpartijen en aan de deelnemers, zoals opgenomen in de Regionale raming BW, MO en B&P; k. het opstellen van de financiële rapportages conform de P&C cyclus van het samenwerkingsverband. 3 Het samenwerkingsverband voert deze taken uit ten behoeve van de gezamenlijke deelnemers. Artikel 4 Bevoegdheden De deelnemers verlenen ieder afzonderlijk de mandaten, volmachten en machtigingen aan het samenwerkingsverband die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken.
11
Artikel 5 Bekostiging 1. De kosten die gemaakt worden ten behoeve van de taken in deze samenwerkingsmodulebestaan uit de uitvoeringskosten en de programmakosten. 2. De uitvoeringskosten worden over de deelnemers verdeeld op basis van de verdeelsleutel BW, MO en B&P. Het samenwerkingsverband brengt deze kosten bij de deelnemers in rekening . 3. De deelnemers betalen inzake de uitvoeringskosten bij wijze van voorschot jaarlijks op 1 januari, op 1 april, op 1 juli en op 1 oktober telkens een kwart van de in lid 2 bedoelde bijdrage. 4. De programmakosten worden bekostigd uit het Regionaal budget BW, MO en B&P. 5. De deelnemers betalen maandelijks een twaalfde deel van de bijdrage die zij op jaarbasis verschuldigd zijn aan het Regionaal budget aan het samenwerkingsverband. 6. Het saldo van het Regionaal budget BW, MO en B&P, zijnde het verschil tussen de inkomsten en de uitgaven vanuit het Regionaal budget BW, MO en B&P (zowel positief als negatief), wordt over de deelnemers verdeeld op basis van de verdeelsleutel BW, MO en B&P. 7.
Indien een deelnemer in enig jaar substantieel meer indicaties BW en/of MO heeft afgegeven (die ten laste komen van het Regionaal budget BW, MO en B&P) dan op grond van de inschatting als bedoeld in de Regionale raming BW, MO en B&P of door maatschappelijke ontwikkelingen zou mogen worden verwacht, kan een onafhankelijk onderzoek worden ingesteld en kan het samenwerkingsverband op basis van de uitkomsten van dit onderzoek een financiële correctiemaatregel aan de betrokken deelnemer opleggen. 8. De deelnemers zijn op grond van artikel 193 van de Gemeentewet te allen tijde verplicht bij te dragen aan contractverplichtingen die zij in het kader van BW MO B&P zijn aangegaan. Artikel 6 Vrijwaring De deelnemers vrijwaren de niet-deelnemers van aansprakelijkheid ten gevolge van de uitvoering van de taken van deze samenwerkingsmodule. Artikel 7 Uittreding 1 Een deelnemer kan uit de samenwerkingsmodule treden als bedoeld in artikel 31 tot en met artikel 34 van de regeling. 2 In het kader van deze samenwerkingsmodule dient de uittredende deelnemer zijn verplichtingen na te komen ten aanzien van afgesloten contracten tot de einddatum van de betreffende contracten.
12