IHP 2024-2029 (tussendocument Visie)
Tekst van het document
Integraal huisvestingsplan 2024-2039 (tussendocument visie) Gemeente Leudal
Opdrachtgever Gemeente Leudal
Datum 4 september 2023
Referentienummer 2220318/20230904/OD
Auteur(s) Onno Damen, Merlijn Langenhuijsen, Tijmen Bruil
│ Onderdeel van ICS Ruimteregiegroep BV
Inhoudsopgave 1.
Inleiding
3
2.
Visie op onderwijs
4
3.
4.
2.1
Aanbod
4
2.2
Kindcentra
5
2.3
Doorlopende ontwikkellijn
6
2.4
Betekenisvolle leeromgeving
7
2.5
Inclusief en passend onderwijs
7
2.6
Samenwerkingen en relaties
8
Visie op onderwijshuisvesting
9
3.1
Wettelijke taken
9
3.2
Regionale samenwerking
10
3.3
Toekomstbestendige onderwijshuisvesting
10
3.4
Invloed passend en inclusiever onderwijs
10
3.5
Flexibiliteit, ruimtegebruik en multifunctionaliteit
11
3.6
Toekomstige aanpasbaarheid
13
3.7
Duurzaamheid
13
3.8
Gezondheid
15
3.9
Huisvesting kinderopvang
16
Type maatregelen binnen IHP
17
De inhoud van deze uitgave is eigendom van ICS Adviseurs B.V. te Zwolle. Enkel de opdrachtgever waarmee ICS Adviseurs B.V. een overeenkomst is aangegaan, heeft een gebruiksrecht voor deze uitgave. De inhoud en omvang van dat gebruiksrecht zijn vastgelegd in de algemene voorwaarden van ICS Adviseurs B.V., gedeponeerd bij de Rechtbank Overijssel onder nummer 9/2021, dan wel in de overeenkomst zoals hiervoor bedoeld. Elk ander gebruik van deze uitgave, door opdrachtgever en of derden is uitgesloten, inhoudende dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, via internet, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ICS Adviseurs B.V.
www.icsadviseurs.nl
1. Inleiding Status IHP Dit IHP is in overleg tussen gemeente en schoolbesturen tot stand gekomen. Daarnaast zijn de opvangorganisatie(s) betrokken in het proces. De partijen hebben een akkoord gegeven over de visie en ambitie op onderwijshuisvesting. Het IHP vormt daarnaast een perspectief om alle besluiten rond investeringen in huisvesting de komende jaren hierlangs te leggen en kan iedere vier jaar worden geactualiseerd. Het IHP is als het ware een koersdocument en geen blauwdruk, om de twee jaar wordt gekeken of de denkrichtingen nog in lijn liggen met de ontwikkelingen. Op deze manier blijft flexibiliteit (beargumenteerd) gehouden. Het is aan alle partijen om te waarborgen dat projecten en daaraan gekoppelde investeringen mogelijk zijn. Het plan krijgt status met een vaststellingsbesluit vanuit de gemeenteraad. Hiermee staan de investeringen in de eerste vier jaar vast en weet de gemeenteraad welke investeringen vanaf jaar vijf en verder worden verwacht. Over investeringen na de eerste periode van vier jaar dient de gemeenteraad aparte besluiten te nemen. Naast de investering van de gemeente kan ook sprake zijn van investering vanuit schoolbesturen en/of andere partners, in de vorm van een bijdrage.
Als partijen zich onverhoopt niet aan het IHP (kunnen) houden of er onderling niet uitkomen, dan wordt teruggevallen op de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Leudal.
www.icsadviseurs.nl
3/22
2. Visie op onderwijs In dit hoofdstuk is de visie op onderwijs- en opvang(huisvesting) beschreven. De visie vormt het fundament voor het Integraal Huisvestingsplan Leudal. In een interactieve werksessie, met vertegenwoordigers van de schoolbesturen en de gemeente, zijn de ontwikkelingen benoemd die van invloed zijn op onderwijs(huisvesting) in de gemeente Leudal. In dit hoofdstuk gaan we dieper in op enkele onderwerpen en verbreden we de scope naar het VO. De vraag die centraal staat is: “Wat willen we de kinderen in de gemeente Leudal bieden?” Aan de hand van verschillende thema’s wordt in dit hoofdstuk antwoord gegeven op deze vraag. Het gaat daarbij om de visie op groei en ontwikkeling die hieronder maar ook in de Lokale Educatieve Agenda (LEA) verder wordt vormgegeven.
2.1 Aanbod De gemeente Leudal bestaat uit 16 kernen (Baexem, Buggenum, Ell, Grathem, Haelen, Haler, Heibloem, Heythuysen, Horn, Hunsel, Ittervoort, Kelpen-Oler, Neer, Neeritter, Nunhem en Roggel) met daarbinnen, in met name de grotere kernen, meerdere wijken. Het streven is om een dekkend aanbod met keuzevrijheid te voorzien, waarbij de ambitie is het huidige aanbod binnen het basisonderwijs te handhaven en voor het voortgezet onderwijs en het speciaal onderwijs tot een toekomstbestendige invulling te komen. Indien de bevolkingsdichtheid dit niet toelaat is het mogelijk leerlingen uit betreffende kernen onder te brengen in één van de scholen in de omliggende kernen. Voor het voortgezet onderwijs en het speciaal onderwijs is het met hun regionale functie ook belangrijk om rekenschap te hebben wat er in de omliggende buurgemeenten gebeurt qua aanbod. Naast het aanbod en bereikbaarheid binnen de kernen speelt een divers aanbod van onderwijsdenominaties en onderwijsconcepten ook een grote rol. De gemeente en schoolbesturen streven naar het in stand houden en het versterken van onderwijsdiversiteit ten behoeve van keuzemogelijkheid voor ouders en voor kinderen de mogelijkheid tot verschillende ontwikkelroutes.
Deze spreiding van het onderwijsaanbod heeft als gevolg dat een aantal scholen onder de opheffingsnorm komt en het is aan de schoolbesturen om daarnaar te kijken vanuit onderwijskwaliteit en financiering om de toekomstbestendigheid zolang als mogelijk te waarborgen. Daarnaast worden schoollocaties gesitueerd op toekomstbestendige en goed bereikbare locaties (zowel bestaande als nieuwe locaties). Hierbij wordt rekening gehouden met de ligging in het voedingsgebied, relaties tussen wijken en dorpen, fysieke barrières en de nabijheid van andere voorzieningen. Primair onderwijs Binnen de gemeente zijn er 13 basisscholen gehuisvest. In het accommodatiebeleid van de gemeente Leudal staat dat kindfuncties zoveel mogelijk worden gekoppeld aan basisscholen. Speciaal onderwijs Het streven is inhoudelijk sterk onderwijs aan te bieden voor iedere leerling passend bij zijn of haar onderwijsbehoefte en mogelijkheden, ononderbroken en zo thuisnabij mogelijk. De ambitie is om al binnen het regulier onderwijs, en waar nodig in het speciaal (basis)onderwijs, een zodanig gedifferentieerd onderwijsaanbod te creëren dat ieder kind zich optimaal kan ontwikkelen. Als uitgangspunt geldt: regulier onderwijs als het kan, speciaal onderwijs waar het moet. Het speciaal onderwijs vervult een regionale functie.
Voor leerlingen in de leeftijdscategorie van het voortgezet onderwijs is de ambitie om optimale groei te faciliteren binnen het onderwijs met als doel waardige deelname aan de maatschappij nu en in de toekomst. Vanuit de gedachte regulier waar het kan, is ook een vorm syntheseonderwijs een mogelijke invulling. In algemene zin geldt dat het streven is steeds inclusiever onderwijs aan te bieden passend bij de mogelijkheden van kind en leerling.
www.icsadviseurs.nl
4/22
Voortgezet onderwijs De gemeente en schoolbesturen zijn erg gebaat bij voortgezet onderwijs in de regio om het talent binnen de kernen te houden, wat ook gezien wordt als groot belang in het kader van de leefbaarheid binnen de gemeente. Dit houdt in dat schoolbesturen een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor een regionaal dekkend en kwalitatief goed onderwijsaanbod1. Op deze manier kunnen jongeren kiezen voor de school die het beste bij hen past en kunnen de (nadelige) gevolgen van leerlingendaling (door regionale terugloop van leerlingen) worden opgevangen. Binnen Leudal en omstreken biedt Sint Ursula voortgezet onderwijs voor leerlingen vanuit gemeente Leudal. Voortgezet onderwijs is van belang om jongeren in de gemeente over een langere looptijd onderwijs in de regio te kunnen laten volgen. Binnen het IHP wordt gezocht naar een toekomstbestendige invulling van het voortgezet onderwijs en haar onderwijshuisvesting op een goed bereikbare locatie. Basis op orde Voor iedere onderwijs- en opvangvoorziening geldt dat de basis goed op orde moet zijn. De ambitie is om aan ieder kind kwalitatief hoogstaand onderwijs en opvang nabij aan te bieden. Het huidige aanbod vormt daarbij het vertrekpunt.
Een passende organisatievorm, goede ketensamenwerking (onderwijs en opvang), ouderbetrokkenheid en lokale betrokkenheid zijn voorwaarden om kwalitatief hoogstaand onderwijs en opvang aan te bieden en te kunnen blijven aanbieden. Vanuit schoolbesturen en opvangorganisaties staat de kwaliteit en continuïteit van het aanbod voorop en vanuit de gemeente het borgen van het huidige voorzieningenniveau. Beide zijn nevengeschikt aan elkaar en vragen telkens om een zorgvuldige afweging, bijvoorbeeld rond de toekomstbestendigheid van een locatie en de kansen om die te borgen. Verdere profilering Met de basis op orde kan een voorziening zich profileren door accenten te leggen. Daarmee ontstaat binnen de gemeente een breed aanbod en hebben ouders en kinderen iets te kiezen. De ouders hebben de vrijheid om een organisatie en profilering te kiezen die het beste bij hen en het kind past. De schoolgids/het schoolplan is daarbij het uitgangspunt. Hierin staat het niveau van de basiskwaliteit beschreven en wat ouders daar aanvullend op kunnen verwachten (pedagogisch kader/klimaat). De opvangorganisatie wordt erbij betrokken als het gaat om een doorgaande lijn van 0-13 jaar. Het vervolgonderwijs als het gaat om de doorgaande lijn tot 21 jaar.
2.2 Kindcentra De schoolbesturen en de gemeente hebben het streven om een bereikbaar aanbod van kindvoorzieningen te realiseren in kindcentra (KC). In deze kindcentra werken onderwijs en opvang samen aan een stabiele, intellectuele, persoonlijke en sociale groei van kinderen van 0 – 12 jaar. Op basis van lokale behoeften en weten regelgeving is een verbreding met zorg en/of ondersteuning voor kinderen en ouders noodzakelijk, om de kinderen met speciale behoeften te voorzien van passend en inclusief onderwijs. Daarom is ook ruimte voor verbreding van de samenwerking naar andere partners, bijvoorbeeld jeugdzorg, noodzakelijk. In een kindcentrum werken onderwijs en opvang samen aan een doorlopende lijn vanuit een gedeeld pedagogisch en didactisch concept. Nauwe samenwerking, gelijkwaardigheid als kindpartner (binnen de gestelde kaders) en vertrouwen tussen de betrokken partners is essentieel om de continuïteit in de samenwerking te waarborgen. Een gezamenlijke koers slaagt als er bij alle partners draagvlak aanwezig is. Dit vindt bij voorkeur plaats in één gebouw of in de directe omgeving. Bij nieuwbouw is het streven van een kindcentrum vanzelfsprekend2. Het vroegtijdig maken van (integrale) plannen stelt partners in staat om het gebouw zodanig in te zetten, dat het samenwerking tussen onderwijs en partners faciliteert. Bij bestaande bouw worden de mogelijkheden bekeken.
1 VO-raad (2020), Regie op samenwerking: routekaart voor regionale samenwerking bij leerlingendaling in het voortgezet onderwijs. 2 In kleine kernen wordt specifiek gekeken hoe dit kan worden bereikt.
www.icsadviseurs.nl
5/22
Bovendien krijgt de kwaliteit van scholen een impuls. Het kindcentrum heeft de mogelijkheid accenten te leggen die passen bij de ontwikkelbehoefte van het individuele kind. De maatschappelijke opbrengsten daarvan dragen op de lange termijn bij aan maatschappelijke vraagstukken zoals participatiebevordering en gezondheidsontwikkeling. Lokaal Educatieve Agenda (LEA) Vanuit het LEA worden in 2023 twee gesprekstafels doorlopen om het aanbod in Leudal verder te verbeteren. Eén gesprekstafel gaat over de goede start en de andere over de doorgaande lijn. Gesprekstafel goede start De partners in de ‘eerste schil’ / het voorliggende veld (CJG, JGZ, kinderopvang, IB) richten structureel overleg in over doorgaande lijn, samenwerking, expertise delen, oplossingen voor knelpunten zoeken en intervisie. Het streven is te komen tot regionaal brede samenwerking. Het gaat dan bijvoorbeeld om: ▪ ▪
Benutten van bestaande kansen (informeren en basis uniformiteit van de aanpak) Meer continuïteit kinderopvang/onderwijs, denk aan BSO voor alle kinderen, meer weken VVE en rijke schooldag.
Gesprekstafel doorgaande leerlijn Hier gaat het om vroeg signalering van problemen in de ontwikkeling en daarnaast het actief informeren van ouders over de opvoeding. Partijen werken toe naar meer ruimte voor samenwerking bij zorgen in ontwikkeling of omgeving door JGZ en kinderopvang en onderwijs. Het gaat dan bijvoorbeeld om: ▪ ▪ ▪
Eén kind, één gezin, één plan mét ouders! Het aanbieden van gastlessen Gezamenlijke ontsluiting van informatie in voor professionals toegankelijk systeem
De gesprekstafels van de LEA kunnen bijvoorbeeld uitmonden in een convenant waarin het aanbod voor kinderen in Leudal wordt geborgd en wat leidend is voor de aanpak en betrokkenheid van professionele organisaties.
2.3 Doorlopende ontwikkellijn De doorlopende ontwikkellijn van opvang en primair onderwijs kan ook worden doorgetrokken naar het voortgezet onderwijs en verder om een ontwikkellijn van 0-18 jaar (voor het speciaal onderwijs tot 21 jaar) te creëren (inclusief de leerlingen in het speciaal onderwijs). De focus bij de overgang van kinderopvang naar primair onderwijs naar voortgezet onderwijs en vervolgens naar het vervolgonderwijs ligt op de warme overdracht3. Daarnaast ligt in het voortgezet onderwijs de aandacht op het leren van vaardigheden en competenties die nodig zijn in het vervolgonderwijs en in de samenleving. Dit kan ook worden vormgegeven in samenwerking met het vervolgonderwijs en het bedrijfsleven, zoals het aanbieden van gastlessen. Dit komt mooi naar voren in een hybride leeromgeving die ervarend leren mogelijk maakt. Binnen Leudal wordt gewerkt aan meer samenwerking tussen de typen onderwijs om de overgang en doorgaande ontwikkellijn voor leerlingen te versoepelen. Deze samenwerking is zich verder aan het ontwikkelen, er worden mogelijkheden verkend en afgetast en ook verkennende projecten gestart. De komende jaren moet blijken op welke wijze dit zich verder gaat ontwikkelen en welke huisvestingsvragen daaruit voortkomen.
Vanuit de schoolbesturen wordt aangegeven dat zij waarde hechten aan een duurzame inpassing in de samenleving van de leerlingen in samenwerking met de andere partners (ook de partners die op afstand zitten). Ten aanzien van de overgang van KO naar PO naar VO verandert er veel voor het kind/de leerling wat van invloed kan zijn op zijn of haar ontwikkeling. Het voorzien van een laagdrempelige overgang van PO naar VO kan belangrijk zijn in de voorbereiding van de positie in de maatschappij.
3 Zoals vastgelegd in beleidskader voorschoolse voorzieningen en ontwikkelachterstanden, later geïntegreerd in het LEA.
www.icsadviseurs.nl
6/22
Belangrijk aspect is de rol van de schoolbesturen, zij zijn bepalend wanneer het gaat over de schaalgrootte in relatie tot de leefbaarheid van de omgeving en de ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen/leerlingen vanuit een veilige situatie.
2.4 Betekenisvolle leeromgeving Betekenisvol leren is, zowel binnen het primair, speciaal als voortgezet onderwijs, steeds vaker zichtbaar. Leren door te ervaren en te ontdekken, in de vorm van praktijk, excursies, gastlessen, stages, et cetera. Schoolbesturen en samenwerkende partijen hechten er waarde aan hun leerlingen vroegtijdig met de beroepspraktijk kennis te laten maken. Dat vraagt om hybride docenten en samenwerkingsverbanden met bedrijven, instellingen en andere organisaties. Hier zijn verschillende modellen mogelijk, variërend van incidentele ontmoetingen met de beroepspraktijk (hiervoor is geen structurele onderwijsruimte nodig) tot een structurele integratie van onderwijs en beroepspraktijk, dan wel op de school of bij een externe partner. Onderwijsruimte wordt in dat laatste geval gedeeld met de partner.
2.5 Inclusief en passend onderwijs In juli 2016 is het VN-verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap in werking getreden; landen moeten zorgdragen voor een inclusieve samenleving, waartoe inclusief onderwijs behoort. De schoolbesturen en de gemeente onderschrijven het belang van het aanbieden van passend en inclusief-onderwijs. Kansengelijkheid en het recht op kwalitatief goed onderwijs voor alle leerlingen is belangrijk. Leudal heeft op de basis van de benchmark een bovengemiddeld aantal leerlingen in het speciaal onderwijs. Vanuit het samenwerkingsverband PO en VO4 loopt een onderzoek hoe dit aantal te verlagen. De gemeente en schoolbesturen hebben belang bij een evenredige behandeling van deze leerlingen en de kloof tussen regulier en speciaal onderwijs zo klein mogelijk te maken. Een kind heeft er baat bij om zo regulier onderwijs te volgen met de begeleiding welke het kind nodig heeft waar dat mogelijk is. Het adagium is regulier waar dat kan en speciaal waar dat moet. School zal zodanig een sterke pedagogische basis moeten bieden waarbij laagdrempelig advies over opvoeden en opgroeien voor ouders een plaats krijgt. Duidelijk is dat de school hierin steeds meer als sociale basis gaat dienen waar ouders “laagdrempelig” terecht kunnen voor advies.
Dit vraagt om samen optrekken, inclusief andere externe partners waar mogelijk, om een optimaal aanbod te kunnen creëren. Door te denken aan het combineren van onderwijs en zorg door het inzetten van expertise op regulier onderwijs, kan men voorliggend zijn op een traject met bijvoorbeeld jeugdzorg en ontstaat er een meer tweerichtingsverkeer tussen de partijen. Het samen optrekken waarbij onderscheid mogelijk is, behoort tot een pré. Dit vraagt een andere blik op huisvesting die nader moet worden onderzocht door de schoolbesturen. In het accommodatiebeleid Leudal staat dat er een goede spreiding moet zijn van jeugdvoorzieningen over de gemeente maar ook dat samenwerking en bundeling zoveel mogelijk wordt nagestreefd binnen het domein jeugd en/of binnen de kern met andere activiteiten. Scholen hebben per 1 augustus 2014 de zorgplicht om een passende onderwijsplek voor ieder kind te realiseren. Kinderen gaan in principe naar het reguliere onderwijs, waar ze worden uitgedaagd op basis van de mogelijkheden en de onderwijsbehoefte. Wanneer de zorgbehoefte toeneemt en/of scholen niet tegemoet kunnen komen aan de zorgbehoefte, is de school verantwoordelijk om in overleg met ouders en schoolbesturen binnen de regio een passend onderwijsaanbod te realiseren.
Inclusiever en thuisnabijer onderwijs is een proces en gaat ervan uit dat het onderwijs voor meer leerlingen toegankelijk is en niemand wordt uitgesloten op basis van beperkingen. Kinderen leren, spelen en werken samen en ieder kind kan zich optimaal ontwikkelen met ondersteuning die daarvoor nodig is. Kinderen krijgen hiermee gelijke kansen op school, maar ook in de maatschappij.
4 De schoolbesturen maken onderdeel uit van de samenwerkingsverbanden.
www.icsadviseurs.nl
7/22
Schoolbesturen en gemeente onderschrijven het belang van het aanbieden van passend en inclusiever onderwijs. Kansengelijkheid voor alle leerlingen is belangrijk. Passend en inclusiever onderwijs vraagt om een ander (flexibel) ruimtegebruik, bijvoorbeeld ruimten waar, onder begeleiding, zelfstandig of in kleine groepen kan worden gewerkt door leerlingen, maar ook door externe zorgaanbieders of begeleiders. De doelstelling is om tussen gemeente en schoolbesturen tot passende huisvesting, afgestemd op de specifieke behoefte, te komen waarbij de drempel voor ouders laag blijft om binnen te lopen en om advies te vragen. In hoofdstuk 3 worden de gevolgen van inclusief en passend onderwijs voor de huisvesting nader uitgewerkt.
2.6 Samenwerkingen en relaties Samenwerken wordt tegenwoordig steeds belangrijker. Veel maatschappelijke thema’s en functies raken nog meer bij elkaar betrokken. Dit IHP moet daar verder bij helpen. Het combineren van functies in één gebouw draagt bij aan een efficiënte samenwerking. De samenwerkingen richten zich voornamelijk op logische verbanden waar functies nauw aansluiten op elkaar. Een samenwerking óf het fysiek in één gebouw onderbrengen van allerlei verschillende soorten (maatschappelijke) functies kan daar waar logisch, maar is geen doel op zich. De doelstelling is om tussen gemeente, schoolbesturen en opvangorganisaties tot passende huisvesting, afgestemd op de specifieke (lokale) behoefte, te komen. Dit kan bijvoorbeeld door samenwerking met jeugdzorg, jeugd- en jongerenwerk of de bibliotheek. Het onderwijs en de kinderopvang hebben in dit proces de leiding. De kinderopvang speelt bij het aangaan van deze samenwerkingen een belangrijke rol. Bij ieder project dient de behoefte aan kinderopvang te worden geïnventariseerd en te worden meegenomen in het project. Het heeft de voorkeur kinderopvang zo dicht mogelijk bij de school waar de kinderen naartoe gaan of in een kindcentrum te situeren. De opvangorganisaties zijn daarbij een volwaardige en gelijkwaardige partner in het proces om te komen tot nieuwe of aangepaste huisvesting.
Dit betekent ook dat opvang niet wijkt voor onderwijs zolang sprake is van zakelijke huurafspraken op basis van een kostprijsdekkend tarief. Voor andere organisaties/functies dan opvang kunnen ook per project op basis van behoefte afspraken worden gemaakt. Stelselwijziging kinderopvang Op dit moment is landelijk een ontwikkeling bezig om op termijn de kinderopvang (bijna) gratis te maken en ook een stelselwijziging mogelijk te bewerkstelligen. De vraag naar kinderopvang zal daardoor vermoedelijk toenemen. In de scenario-ontwikkeling wordt daaraan aandacht besteed.
www.icsadviseurs.nl
8/22
3. Visie op onderwijshuisvesting De visie op (onderwijs)huisvesting gaat in op gerelateerde thema’s zoals toekomstbestendigheid, multifunctionaliteit, duurzaamheid, circulariteit, binnenklimaat, et cetera. Voor elk thema is de gezamenlijke visie en ambitie beschreven. Daarnaast is deze ambitie vertaald in concrete en haalbare spelregels voor de uitvoering. Het zorgen voor adequate huisvesting is belangrijk omdat de huisvesting actief bijdraagt aan de leer- en ontwikkelmogelijkheden van kinderen en leerlingen. Goede huisvesting zorgt voor een omgeving waarin door leerkrachten en personeel een klimaat kan worden gerealiseerd waarin ontplooiingsmogelijkheden optimaal zijn. Door te zorgen voor goede huisvesting levert dit actief een bijdrage aan de ontwikkeling van de jongste inwoners van Leudal en daarmee het potentieel van alle toekomstige inwoners. Dit vormt een belangrijke drijfveer voor dit IHP.
3.1 Wettelijke taken De gemeente Leudal heeft wettelijke taken waaraan ze moet voldoen. De gemeente is verantwoordelijk voor het voorzien in huisvesting van scholen met (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding. Scholenbesturen zijn verantwoordelijk voor het onderhoud, de exploitatie en inpandige aanpassingen en worden hiervoor vergoed. Figuur 1 geeft weer wat door de wetgeving is bepaald.
Figuur 1: Overzicht wettelijke taken gemeente en schoolbestuur
Er ligt op dit moment een wetsvoorstel voor onderwijshuisvesting. Het wetsvoorstel bestaat uit verschillende onderdelen: ▪ ▪ ▪ ▪
Een verplichting voor het vaststellen van een integraal huisvestingplan (IHP) voor gemeenten en meerjarenonderhoudsplan (MJOP) voor schoolbesturen; Renovatie wordt een voorziening in de huisvesting waarvoor de gemeente verantwoordelijk is; Het investeringsverbod in het primair onderwijs wordt opgeheven; Een zorgplicht voor het schoolbestuur voor een gezond binnenklimaat.
NB: Ons advies is om nu nog niet toe te werken naar vastgestelde actuele duurzame meerjarenonderhoudsplannen zoals in de wetgeving in ontwikkeling staat. Als de wetgeving wordt vastgesteld kan dit meegenomen worden bij de eerstvolgende actualisatie van het IHP Leudal. Dit is iets om te bespreken/kort te sluiten met elkaar de komende tijd.
www.icsadviseurs.nl
9/22
3.2 Regionale samenwerking Samenwerking Midden-Limburg De gemeenten Leudal, Echt-Susteren, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert onderhouden een netwerksamenwerking Samenwerking Midden-Limburg. Deze gemeenten delen één gezamenlijke investeringsagenda waaronder ook onderwijs valt. Deze investeringsagenda is onderverdeeld in de speerpunten circulair en biobased, agrifood, landschap en natuur, onderwijs en arbeidsmarkt, economie en innovatie, mobiliteit, wonen en leefbaarheid, recreatie en toerisme. Ten aanzien van de zorgstructuur trekt met in de samenwerking op met Weert en Nederweert (Samenwerking Midden-Limburg West). Samenwerkingsverbanden PO en VO Het samenwerkingsverband Passend Onderwijs PO 31-02 Midden Limburg betreft alle leerlingen in het (speciaal) basisonderwijs en speciaal onderwijs uit de gemeenten Leudal, Roerdalen, Roermond, Maasgouw en Echt-Susteren. In dit samenwerkingsverband werken 14 schoolbesturen samen die het bevoegd gezag zijn van 60 basisscholen, 3 SBO-scholen en 9 scholen voor SO (cluster 3 en 4) en die voor ongeveer 12.000 leerlingen het onderwijs verzorgen. Het Samenwerkingsverband Voortgezet Onderwijs 31.02 betreft alle scholen voor voortgezet onderwijs (VO), voortgezet speciaal onderwijs (VSO) en praktijkonderwijs (PrO) uit 6 gemeenten: Beesel, Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Roerdalen en Roermond.
3.3 Toekomstbestendige onderwijshuisvesting Schoolbesturen, opvangorganisatie en gemeente streven naar gebouwen die toekomstbestendig zijn voor volgende generaties. In lijn met het Nationaal Klimaatakkoord vraagt dit om verantwoord gebruik te maken van beschikbare energiebronnen en materialen om de invloed op klimaatveranderingen te beperken. Gemeente en schoolbesturen zijn samen vanuit hun zorgplicht voor onderwijshuisvesting verantwoordelijk voor de verduurzamingsopgave. Concrete afspraken tussen de gemeente en schoolbesturen zijn nodig om de verduurzaming van schoolgebouwen een impuls te geven en te zoeken naar haalbare en betaalbare oplossingen. Ook opvangorganisaties zijn actief bezig met duurzaamheid en verduurzaming van hun huisvesting. Duurzaamheid heeft betrekking op verschillende thema’s die onderstaande worden toegelicht. Toekomstbestendige huisvesting gaat echter verder dan alleen duurzaamheid en energie. Multifunctionaliteit, flexibel ruimtegebruik en Total Cost of Ownership (TCO) zijn hierbij ook belangrijke thema’s. De schoolbesturen zien kansen om een fysieke koppeling te maken tussen het PO en VO door ruimten geschikt te maken voor beide doelgroepen. Er wordt zo voor de langere termijn geanticipeerd op schommelingen in het leerlingaantal binnen bestaande gebouwen.
Bij het opstellen van het IHP worden de kansen voor het integreren van doelgroepen verder onderzocht.
3.4 Invloed passend en inclusiever onderwijs Passend en inclusiever onderwijs en kinderopvang vraagt om een ander (flexibel) ruimtegebruik. Bijvoorbeeld ruimtes waar, onder begeleiding, zelfstandig of in kleine groepen kan worden gewerkt door leerlingen, externe zorgaanbieders en/of begeleiders. Schoolbesturen, kinderopvangorganisaties en de gemeente komen samen tot passende onderwijsplekken, afgestemd op de specifieke (lokale) behoeften. Daarbij is het uitgangspunt (beargumenteerd) maatwerk bieden.
www.icsadviseurs.nl
10/22
Inclusiever en gedifferentieerd onderwijs vragen om meer ruimte In het onderwijs zijn twee ontwikkelingen gaande die op gespannen voet staan met de normatieve vierkante meters. Het gaat dan om het passend onderwijs en het streven om te komen tot meer inclusiever onderwijs. Daarnaast ontwikkelt het onderwijs zich ook naar andere onderwijsconcepten met meer gedifferentieerde werkwijzen van het toekomstige onderwijs. Beide ontwikkelingen hebben invloed op de ruimtebehoefte en vraag vanuit het onderwijs. Het gaat dan bijvoorbeeld om meer diversiteit aan werkplekken én meer spreekruimten. Dit om zo meer ruimte te geven aan begeleiding/ondersteuning (bijv. vanuit school en/of jeugdhulp) maar ook dat kinderen kunnen leren op de plek die bij de leerling/activiteit past (bijv. in stilte of in groepsverband samenwerken aan een project). Denkrichting is om 10% extra vierkante meters mee te nemen en per situatie wordt op maat een afweging gemaakt over de toepassing van deze extra meters. De investering van deze meer meters wordt gepleegd vanuit de gemeente. De exploitatielasten komen voor rekening van het schoolbestuur. De investering wordt gepleegd bij nieuwbouw (of uitbreiding) en renovatie.
Indien er aanvullende ruimten ten behoeve van passend en inclusiever onderwijs worden gerealiseerd ligt de investering hiervan bij de gemeente. Van de schoolbesturen wordt verwacht dat ze deze aanvullende ruimten beheren en exploiteren. Daarnaast dienen er afspraken te worden gemaakt voor wanneer andere partijen (bijvoorbeeld een consultatiebureau of schoolarts) de ruimte willen gebruiken.
3.5 Flexibiliteit, ruimtegebruik en multifunctionaliteit Flexibiliteit en ruimtegebruik Voor gemeente en schoolbesturen is het wenselijk om bestaande voorzieningen zo optimaal mogelijk vorm te geven, rekening houdend met inhoudelijke samenwerking, passend onderwijs en leerlingenaantallen. Bij zowel groei als krimp is het van belang om hierop te anticiperen met behoud van het onderwijs- en opvangconcept. Bij (vervangende) nieuwbouw of renovatie is het van belang om aandacht te hebben voor toekomstige aanpasbaarheid. Dit betekent: ▪ ▪
▪
Uitbreidingsmogelijkheden: bij planvorming rekening houden met (toekomstige) uitbreiding zonder dat de uitbreiding het onderwijskundige of opvangconcept tenietdoet. Aanpasbaarheid: bij planvorming rekening houden met toekomstige aanpasbaarheid om groei, krimp en/of onderwijsontwikkeling (flexibel) op te vangen. Het gebouw faciliteert daarmee de gebruikers en niet andersom. Daarnaast is er aandacht voor het installatieconcept om grote investeringen bij aanpassing (en veranderingen in het binnenklimaat) zoveel mogelijk te voorkomen. Transformeren van functie: bij scholen in kleine kernen (constructief) rekening houden met het transformeren van schoolgebouwen naar een andere functie voor het schoolgebouw. Dit betekent dat bij de planvorming rekening wordt gehouden met het veranderen van functie naar bijvoorbeeld woningen. Belangrijk aandachtspunt is dat de transformeerbaarheid niet ten koste mag gaan van de bruikbaarheid van het gebouw voor het onderwijs.
Indien een situatie ontstaat waarbij een onderwijsvoorziening te maken heeft met leegstand, dan bepaalt de onderwijsorganisatie zelf in hoeverre leegstand een (financieel) probleem is. Indien de leegstand door het schoolbestuur als probleem wordt ervaren, dient in afstemming met de gemeente een plan opgesteld te worden om de leegstand terug te dringen en daarmee de capaciteit af te stemmen op de behoefte. Deze plannen dienen te zijn afgestemd op de toekomstige normatieve ruimtebehoeften (aantal leerlingen) en (maatschappelijke) ontwikkelingen binnen een gebied (bijvoorbeeld dorpsontwikkelingen). Het uitgangspunt is niet te bouwen voor leegstand. Dit vanuit de filosofie dat de voorzieningen zijn of worden bekostigd met
www.icsadviseurs.nl
11/22
maatschappelijke middelen. Investeringen worden daarom beargumenteerd en maatschappelijk verantwoord gepleegd. Bij het maken van integrale en toekomstbestendige plannen wordt vanzelfsprekend ook gekeken naar het huisvesten van opvangfuncties en/of overige partners. Primair onderwijs Vanuit de gedachte van kindcentra zijn onderwijs en opvang op basis van gelijkwaardigheid gehuisvest in het gebouw. Dit betekent dat bij vraagstukken rond krimp of groei opvang niet vertrekt voor het onderwijs, maar in overleg tussen gemeente, onderwijs en opvang wordt gekeken naar oplossingen. Deze werkwijze geeft onderwijs- en opvangorganisaties de mogelijkheid om per situatie maatwerk te leveren, waarbij het uitgangspunt is om de continuïteit te borgen die noodzakelijk is om te kunnen bouwen aan en participeren in langdurige inhoudelijke samenwerking. Concreet: de groei van de school mag niet leiden tot het wijken van de opvang, want dat is o.a. niet bevorderlijk van de doorlopende leerlijn. Dit vraagt wel om afspraken binnen het IHP hoe een eventuele uitbreiding wordt bekostigd en welke dekking daartegenover staat. Een ander belangrijk element is dat de schoolorganisatie een geheel vormt en als zodanig kan functioneren.
Daarom is het van belang om onderwijs zoveel als mogelijk vanuit één locatie aan te bieden opdat groepsdoorbrekend onderwijs en onderwijs op maat in groepen goed kan worden georganiseerd. De school vormt samen met de opvang een geheel en wordt op een locatie gehuisvest (of opvang in directe nabijheid). In voorkomende gevallen treden gemeente en schoolbesturen in overleg bij een capaciteitsvraagstuk over tijdelijk medegebruik. Hierbij is het uitgangspunt dat het ruimtegebruik de onderwijsen opvangorganisatie faciliteert en kinderen ten goede komt. In kindcentra waar meerdere onderwijsorganisaties onderdeel van uitmaken worden heldere afspraken gemaakt over gezamenlijk ruimtegebruik. Hierbij staat het huisvesten van kinderen voorop. Bij een capaciteitsvraagstuk treden gemeente en schoolbesturen in overleg om tot een passende oplossing te komen. Daarnaast is het belangrijk aandacht te hebben voor de veiligheid in en rondom het gebouw, ook voor de voorzieningen van kinderopvang. Dan gaat het over openbaar gebied zoals bijvoorbeeld nadenken over het scheiden van verkeersstromen waardoor leerlingen zelfstandig naar school kunnen gaan. Daarnaast is het belangrijk om goede haal- en brengvoorzieningen te realiseren voor taxivervoer, maar ook voor ouders die met de fiets komen (doel: vermijden autoverkeer rond de school).
Middelen voor het openbaar gebied zijn geen onderdeel van de onderwijshuisvestingsmiddelen. Voortgezet en speciaal onderwijs Voor het speciaal en voortgezet onderwijs is de bereikbaarheid van voorzieningen belangrijk. Leerlingen moeten goed in staat zijn om zelfstandig naar school te komen of via georganiseerd vervoer. Hiervoor is het belangrijk om aandacht te hebben voor het openbaar gebied. Middelen voor het openbaar gebied zijn geen onderdeel van de huisvestingsmiddelen. Multifunctionaliteit Traditionele schoolgebouwen faciliteren onderwijs. Lesuren vinden doorgaans plaats tussen 8:00 en 16:30 van maandag tot en met vrijdag. Een traditioneel schoolgebouw biedt zelden de voorzieningen om het gebouw naast deze tijden voor andere doeleinden dan onderwijs te gebruiken. Door het treffen van de juiste voorzieningen is het mogelijk om multifunctioneel ruimtegebruik te bevorderen. Buiten schooltijden is het bijvoorbeeld mogelijk de school open te stellen voor het gebruik van de bibliotheek en het beschikbaar stellen van de sportzaal voor verenigingen. Om dit te bewerkstelligen dient echter wel rekening te worden gehouden met een aantal facetten, met als voornaamste: veiligheid. Exploitatielasten kunnen evenredig naar gebruik worden verdeeld. Bij nieuwe projecten voortkomend uit het IHP wordt gestreefd naar multifunctionaliteit waar mogelijk.
Multifunctionaliteit biedt ook een kans bij het in stand houden van voorzieningen met beperkt aantal gebruikers of leerlingen. Door gezamenlijk ruimtegebruik kunnen kosten worden gedeeld waardoor voorzieningen minder huisvestingslasten ervaren en zo langer kunnen bestaan en mogelijk toekomstbestendig kunnen blijven.
www.icsadviseurs.nl
12/22
3.6 Toekomstige aanpasbaarheid Om in te spelen op groei en krimp en mogelijke veranderingen in gebruik is het de ambitie om flexibele huisvesting te realiseren. Flexibele schoolgebouwen zijn gebouwen die eenvoudig aanpasbaar zijn aan een veranderende ruimtevraag. Het zijn gebouwen die over ruimten beschikken die voor verschillende doeleinden kunnen worden ingezet en waar verschillende gebruikers multifunctioneel gebruik van maken. Flexibele gebouwen vragen om een flexibele inrichting die aanpasbaar is aan het type gebruik. Een mogelijk alternatief voor de traditionele bouwmethoden is modulair bouwen. Modulair bouwen biedt de mogelijkheid om een flexibel schoolgebouw te realiseren. Deze methode is een geschikte bouwoplossing voor de korte en middellange termijn. Modulair bouwen betekent dat er wordt gewerkt met gestandaardiseerde, geprefabriceerde of demontabele onderdelen. Het grootste voordeel van deze manier van bouwen is de flexibiliteit en de mate van aanpasbaarheid in de toekomst. Het volume van het gebouw is tussentijds aanpasbaar door in- of uit te breiden ten behoeve van het onderwijs en mogelijk andere functies. Modulair bouwen wordt door de gemeente en schoolbesturen niet gezien als een structureel noodzakelijke en sobere oplossing, maar kan in situaties worden ingezet als een mogelijke oplossing.
Het doel van de partijen is en blijft om de leerling een zo prettig mogelijke leeromgeving te bieden. Het vertrekpunt is daarbij kwaliteit op basis van de geldende nationale eisen zoals het Bouwbesluit.
3.7 Duurzaamheid Binnen het IHP worden, in lijn met het programma Duurzaam Leudal en geldende wet- en regelgeving, duurzaamheidsambities geformuleerd voor onderwijshuisvesting. Onderwijshuisvesting, gefinancierd met maatschappelijke middelen vanuit overheidswege, wordt aangemerkt als maatschappelijk vastgoed. ‘De gemeente Leudal heeft de ambitie om de meest duurzame Midden-Limburgse gemeente te zijn’. Duurzaam Leudal Leudal heeft als ambitie om in 2050 CO2-neutraal te zijn door middel van energiebesparing, duurzame opwekking en compensatie van CO2-uitstoot. Voor het maatschappelijk vastgoed ziet de gemeente het als voorbeeldfunctie om al in 2030 CO2-neutraal te zijn, voor zover mogelijk. Voor nieuwbouw betekent dit dat de ambitie hoger ligt dan het Bouwbesluit (1 januari 2021) waarin Bijna Energie Neutraal (BENG) als eis geldt. De ambitie ligt op Energie Neutraal Gebouw (ENG) en daarmee is het saldo energieverbruik en energieopbrengst, met betrekking tot gebouwgebonden energie, nul. Daarnaast wordt gasloos gebouwd. Voor renovatie geldt dat BENG beredeneerd zoveel mogelijk wordt gehaald. NB: Er is wetgeving vanuit Europa in ontwikkeling waar ENG vanaf 2027 voor nieuwbouw waarschijnlijk verplicht wordt. Daarnaast kan een schoolgebouw ook energieopwekkend zijn met behulp van hernieuwbare energie.
De gemeente draagt zorg bij nieuwbouw voor het aantal PV-panelen dat vereist is om te voldoen aan de uitgangspunten zoals beschreven in het IHP. Het schoolbestuur kan ervoor kiezen om voor eigen rekening meer PV-panelen te realiseren. Met voldoende dakoppervlak kunnen zonnepanelen op een school een bijdrage leveren aan een energieneutrale wijk. Om wijken aardgasvrij te maken is de gemeente op dit moment bezig met het opstellen van een Plan van Aanpak. Schoolgebouwen worden meegenomen in de gekozen route per wijk.
www.icsadviseurs.nl
13/22
Definities BENG: Bijna Energie Neutraal Gebouw BENG is van toepassing op de gebouwgebonden energie. De gebruikgebonden energie zoals energie voor smartboards, laden van ICT-apparatuur en keukenfaciliteiten wordt buiten beschouwing gelaten. De energieprestaties voor BENG-gebouwen worden vastgelegd aan de hand van drie eisen: ▪ ▪ ▪
De maximale energiebehoefte per kWh/m2/jaar; Het maximaal primair fossiel energiegebruik in kWh/m2/jaar; Het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten.
Het is per project maatwerk hoe aan deze prestatie-eisen kan worden voldaan. Meer informatie is te vinden op de website van RVO. ENG: Energie Neutraal Gebouw Ook hier draait het om gebouwgebonden energie. De gebruikgebonden energie wordt buiten beschouwing gelaten. Het verschil met BENG is dat het saldo energieverbruik en -opbrengst, ten aanzien van de gebouwgebonden energie, nul is. Nul op de meter Bij een nul-op-de-meter-gebouw wordt zowel het gebouwgebonden als het gebruikgebonden energieverbruik gecompenseerd. Het verschil met ENG is dat het saldo energiegebruik en -opbrengst, ten aanzien van de gebouwgebonden en gebruikgebonden energie, nul is.
Verduurzamen als maatregel in dit IHP – op natuurlijke momenten De focus in dit IHP ligt primair op het realiseren en het behouden van kwalitatief goede onderwijshuisvesting in de kernen van Leudal. Hiermee is voor goede onderwijshuisvesting als randvoorwaarde voor onderwijskwaliteit de grootste 'winst' te behalen en wordt tegelijkertijd verduurzaming optimaal toegepast. Dit betekent dat investeringen in het verduurzamen van gebouwen plaatsvinden bij natuurlijke momenten zoals (vervangende) nieuwbouw en renovatie. Schoolbesturen zijn vrij om, binnen de mogelijkheden die zij hebben, zelf maatregelen te treffen met betrekking tot het verduurzamen van onderwijsgebouwen. Bij situaties die voortkomen uit de Wet Milieubeheer is een spanning tussen de verplichtingen en de bekostiging. Een schoolbestuur ontvangt geen aanvullende bekostiging om maatregelen die voortkomen uit de Wet Milieubeheer (erkende maatregelenlijst energiebesparing) te financieren. De gemeente is niet verantwoordelijk voor het realiseren van deze maatregelen. Wel heeft de gemeente een toezichthoudende taak in deze. Omdat beide partijen geen aanvullende bekostiging ontvangen is het in de praktijk lastig om tot realisatie van de voorzieningen te komen. Gemeente en schoolbesturen blijven hierover in gesprek. Stroomnet Versnelde duurzaamheidsmaatregelen zijn een goede ontwikkeling voor het milieu.
Echter, het verleden leert dat de netbeheerder in Limburg in 2022 geen nieuwe aansluitingen meer verleende aan nieuwe bedrijven. De capaciteit op het hoogspanningsnet was destijds niet genoeg om de sterke toename aan gebruik te kunnen dekken. Het RES geeft aan zorgvuldig stroom op te wekken door niet meer op te wekken dan dat er daadwerkelijk wordt verbruikt om zo ook energie te besparen. NB: Het elektriciteitsnetwerk is op dit moment niet berekend om grote elektriciteitsstromen op te vangen en daarmee is terugleveren van energie een probleem (toestemming netbeheerder).
www.icsadviseurs.nl
14/22
Circulair Het streven naar een toekomstbestendige samenleving vraagt om een bewust en verantwoordelijk gebruik van grondstoffen. De ontwikkeling naar een circulaire economie, een economie zonder verspilling van grondstoffen en uitputting van de hulpbronnen van de aarde vormt hiervoor de basis. Nederland wil in 2050 een volledig circulaire economie zijn. Het realiseren en gebruiken van schoolgebouwen maakt integraal onderdeel uit van de ontwikkeling naar een circulaire economie en levert hieraan een bijdrage. Gemeente en schoolbesturen zien diverse kansen om circulariteit te integreren in projecten, maar ook in het gebruik van de schoolgebouwen. Circulaire principes worden zoveel mogelijk toegepast binnen bouwprojecten. Denk daarbij aan het gebruik van hergebruikte materialen, biobased grondstoffen en demontabele bouwmethodes. Ook in het gebruik van ruimte komt de circulaire gedachte tot leven. Om een circulair gebouw en -gebruik te realiseren wordt bij ieder project een team samengesteld van adviseurs, architecten en aannemers die ervaring hebben met circulair bouwen. Ook wordt er in de voorbereidingsfase voldoende tijd ingeruimd om de circulaire principes te vertalen naar een haalbaar ontwerp. Bij circulair bouwen behouden de gebouwen een zekere restwaarde, omdat bouwmaterialen na een levenscyclus herbruikbaar zijn. Materialen krijgen een toekomstwaarde.
Daarmee wordt het mogelijk om restwaarde toe te kennen aan het gebouw en de investering niet volledig naar nul af te schrijven. Investeringen in binnenklimaat Voor investeringen in het binnenklimaat is ook een spanning aanwezig vanuit investeringen. Zowel gemeente als schoolbesturen ontvangen hiervoor geen aanvullende bekostiging. Beide zien wel de noodzaak tot investeringen. Binnen het IHP wordt bij bestaande gebouwen ervoor gekozen investeringen in binnenklimaat mee te nemen op natuurlijke momenten, zoals renovatie of grote onderhoudsinvesteringen, tenzij vanuit de Rijksoverheid aanvullende bekostiging volgt.
3.8 Gezondheid Een goed binnenklimaat is belangrijk voor goede leerprestaties. De ontwikkelingen rondom de COVID-19 pandemie benadrukken het belang van een goed binnenklimaat. Een gezonde school is een schoolgebouw met een laag energieverbruik en een gezond binnenklimaat als het gaat om luchtkwaliteit, temperatuur, comfort, licht en geluid. Gezonde scholen dragen bij aan een duurzaam gebouw, omdat ze het energieverbruik terugdringen en de CO2-uitstoot beperken. In de praktijk zijn vooral de CO2-concentratie en de binnentemperatuur vaak te hoog als gevolg van slechte ventilatie. Daarnaast draagt een gezond klimaat in het gebouw bij aan de leerprestaties en vermindert het gezondheidsklachten. Bij nieuwbouw of renovatie van schoolgebouwen geldt als uitgangspunt het kwaliteitsniveau Frisse Scholen klasse B en de vereisten die gelden voor opvangvoorzieningen. Hierdoor ontstaat een goed binnenklimaat. Voor bestaande gebouwen (niet zijnde renovatie) is de ambitie om ook een goed binnenklimaat te realiseren minimaal op basis van Frisse Scholen klasse B. De investeringen die een goed binnenklimaat realiseren, worden gewogen en in relatie gebracht met het perspectief (nog te verwachten gebruiksduur) van het gebouw. Gemeente, schoolbesturen en opvang hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de ambitie van een goed binnenklimaat in bestaande gebouwen te realiseren.
Vanuit het schoolbestuur kan de bestaande situatie in beeld worden gebracht inclusief inzicht in de benodigde maatregelen. Vervolgens wordt de koppeling gelegd met geplande investeringen vanuit het onderhoudsplan. In de praktijk blijkt dat het realiseren van een goed binnenklimaat vraagt om meer installaties aan te brengen. Dit heeft qua financiën enerzijds een investeringskant en anderzijds een exploitatiekant. Het aanbrengen van installaties betekent in de praktijk vaak een verhoging van het energieverbruik en de onderhoudscomponent voor schoolbesturen. Indien in een bestaand gebouw een investering in het binnenklimaat aan de orde is, dan is het in eerste instantie aan het schoolbestuur (al dan niet samen met de opvang) om te verkennen of ze de investering kan plegen. De opvangorganisatie investeert zelf of voldoet de bekostiging van de gepleegde investeringen (voor het deel dat ze gebruiken) via een huurvergoeding. Alle betrokken partijen maken samen een beargumenteerde keuze.
www.icsadviseurs.nl
15/22
Bewegend leren Een ander aspect van gezondheid is het bevorderen van bewegen in en rond het schoolgebouw. Net als bij een gezond binnenklimaat draagt bewegen bij aan goede leerprestaties en de ontwikkeling van een kind. Om kinderen op school uit te dagen tot meer bewegen, moet de schoolomgeving als zodanig worden ingericht. Denk hierbij aan hoogteverschillen, klimmuren en meubilair dat bewegen stimuleert, maar ook activiteiten die de school organiseert: beweegactiviteiten in de pauze en naschoolse sportactiviteiten. Bij de bestaande locaties wordt de buitenruimte gehandhaafd en kan worden gekeken naar het ‘vergroenen’ of ‘verblauwen’ van de pleinen. Voor nieuwbouw of renovatie wordt de omvang van de buitenruimte van belang geacht. Voor de opvang wordt voldaan aan de geldende regelgeving (ook bij bestaande bouw). Voor het onderwijs wordt uitgegaan van de laatste actualisatie van de VNG-modelverordening en deze te formaliseren5, waardoor voldoende speelterrein ontstaat en dit dus bijdraagt aan het bevorderen van beweegmogelijkheden. Daar waar de kans zich aandient kan het schoolplein en het openbaar gebied worden gecombineerd. Dit wordt per situatie bekeken en besloten. Het is aan het schoolbestuur en de opvangorganisaties om de buitenruimte en binnenruimte op een interessante wijze vanuit de gezamenlijke pedagogische visie vorm te geven en in te richten.
Daarnaast kan ook worden gedacht aan het realiseren van onderwijs- en opvangvoorzieningen nabij of samen met sportvoorzieningen of een nabij gelegen park. In het voortgezet onderwijs is sprake van voldoende buitenruimte (sportvelden) voor het bewegingsonderwijs.
3.9 Huisvesting kinderopvang Vanwege de samenwerking tussen onderwijs en opvang is huisvesting van kinderopvang ook een belangrijk gegeven. Het streven is te komen tot gezamenlijke huisvesting waar de kans zich voordoet. Hiervoor kan het zijn dat de opvangorganisatie en andere partners zelf kunnen investeren. Indien dat niet aan de orde kan zijn, geldt dat de gemeente kan besluiten om de huisvesting te financieren op basis van een afspraak met een kostprijsdekkende huurvergoeding. Deze regels kunnen ook worden toegepast op andere organisaties/functies dan kinderopvang. Separaat aan het IHP wordt een beleidsregel ontwikkeld door de gemeente over het investeren in huisvesting van voorzieningen anders dan onderwijshuisvesting.
5 Dit betekent dat 3 m² per leerling wordt aangehouden met een maximum omvang van het schoolplein van 1.800 m².
www.icsadviseurs.nl
16/22
4. Type maatregelen binnen IHP Voor elke onderwijsvoorziening wordt binnen het IHP een maatwerkscenario beschreven dat leidend is voor de maatregelen en investeringen die de komende jaren door gemeente en schoolbesturen worden gepleegd. In het IHP wordt onderscheid gemaakt tussen schoolgebouwen die de komende periode in stand worden gehouden en gebouwen waar de noodzaak tot vervanging of een maatregel aanwezig is. In het IHP hanteren we daarom de volgende huisvestingsscenario’s: 1. 2. 3. 4. 5.
Vernieuwbouw; Positie herschikking; (Vervangende) nieuwbouw; In stand houden; Afstoten.
NB: Binnen het IHP gaan we vooral uit van het toepassen van de maatregelen 1, 3 en 4. De andere maatregelen zijn op dit moment niet aan de orde maar staan erin als theoretisch denkkader voor de lange termijn. Hieronder wordt de definitie en het afwegingskader van de huisvestingsscenario’s verder uitgewerkt. Per scenario wordt hieronder een nadere toelichting gegeven. Hierbij wordt gesproken over gemeente en schoolbesturen vanuit hun positie als mogelijke bouwheren.
Vernieuwbouw Vernieuwbouw wordt beschouwd als een volwaardig alternatief voor nieuwbouw, waarbij het bestaande gebouw op kwalitatief hoog niveau wordt verbeterd om de levensduur met minimaal 40 jaar 6 te verlengen en tegelijkertijd duurzamer en onderhoudsarmer wordt gemaakt. Aangezien vernieuwbouw als gelijkwaardig alternatief wordt gezien, gelden dezelfde ambitieuze doelen als bij nieuwbouw. Sinds 2020 is het wettelijk verplicht om bij nieuwbouw te voldoen aan de eisen van BENG. Naast deze wettelijke eis wordt gestreefd om indien mogelijk te voldoen aan ENG. Bij vernieuwbouw wordt gekeken naar: ▪ Functionele staat: verbeteren van de functionaliteit (flexibiliteit, multifunctionaliteit en aansluiten onderwijsconcept); ▪ Technische staat: levensduurverlenging door investering in bouwkundige en installatietechnische ingrepen; ▪ Ruimtelijke staat; ▪ Verduurzaming van het gebouw (benaderen ambitie BENG). In de afweging voor nieuwbouw of vernieuwbouw dient er ook aandacht te zijn voor de locatie (in de wijk/kern en leerlingenprognoses) en de klimaateffecten. Spelregels IHP - vernieuwbouw Voor de oplossingsrichting vernieuwbouw zijn de volgende spelregels van toepassing: ▪ Een businesscase (inclusief schouw) dient aan te tonen of vernieuwbouw een beter alternatief is dan nieuwbouw.
▪ De businesscase dient in gezamenlijke opdracht van gemeente en schoolbestuur te worden gemaakt om eenzijdige sturing te voorkomen. 6 De huidige gemeentelijke afschrijvingssystematiek gaat uit van een afschrijvingstermijn van 45 jaar voor (permanente) nieuwbouw, 25 jaar
voor renovatie en 25 jaar voor niet permanente huisvesting.
www.icsadviseurs.nl
17/22
▪ ▪
▪
▪ ▪
De bijdrage vanuit de gemeente en aanvullende bijdrage vanuit het schoolbestuur is vergelijkbaar met de spelregels voor nieuwbouw. Er wordt gerekend met één investeringsbedrag voor zowel vernieuwbouw als (vervangende) nieuwbouw. De ruimtebehoefte voor vernieuwbouw vormt de basis voor de indicatieve investeringskosten, waaruit ook een vernieuwbouw kan worden bekostigd. In het afwegingskader binnen de businesscase dienen de volgende afwegingen ten grondslag te liggen aan de motivatie om te kiezen voor vernieuwbouw in plaats van nieuwbouw: ─ Het gebouw heeft een goede uitstraling, ligging en/of functionaliteit, en/of; ─ Het gebouw heeft verschillende bouwdelen, en/of; ─ Het gebouw heeft nog een hoge boekwaarde, en/of; ─ De exploitatie vormt geen probleem, en/of; ─ Vernieuwbouw vormt een duurzamer alternatief dan nieuwbouw, circulaire maatregelen worden hierin meegenomen, en/of; ─ Er ruimte is in het gebouw of op het terrein om het gewenste aanbod te realiseren, en/of; ─ Het gebouw dusdanig flexibel is dat er multifunctioneel gebruik van ruimten kan worden gemaakt en aanpassingen/uitbreidingen in de toekomst mogelijk zijn (indien gewenst). Er wordt een klimaatscan uitgevoerd om te beoordelen welke klimaatadaptieve maatregelen er mogelijk zijn.
De omschreven ambities voor flexibiliteit, inclusie en circulariteit dienen bij vernieuwbouwprojecten zoveel mogelijk te worden geïntegreerd.
In het proces om te komen tot een afweging voor vernieuwbouw zijn nog drie spelregels van toepassing: ▪ Indien er aanleiding is om de bouwkundige en installatietechnische maatregelen ter discussie te stellen, kan een gebrekenrapportage inclusief maatregelen worden opgesteld ter onderbouwing; ▪ Er kunnen argumenten zijn om een bestaand gebouw toch te handhaven in plaats van (vervangende) nieuwbouw. Dit dient uitgebreid te worden beargumenteerd in een businesscase. Daarna is het een maatregel die conform de genoemde maatregelen voor bekostiging in aanmerking komt; ▪ Aandachtspunt voor in- of uitbreiden met behoud van concept. Spelregels IHP – aangepaste vernieuwbouw (periode tot 20 jaar levensduurverlenging) In uitzonderlijke gevallen kan er sprake zijn van een aangepaste vernieuwbouwvariant. Voor scholen waarvan het toekomstperspectief onzeker is (vanwege leerlingenaantal, ruimtelijke ontwikkeling, et cetera), maar het gebouw vanuit kwalitatief oogpunt om een ingreep vraagt, kan een levensduurverlening van 20 jaar passend zijn. Hiervoor gelden de volgende spelregels: ▪ Bij een aangepaste variant wordt het gebouw verduurzaamd, het binnenklimaat verbeterd en worden beperkte ingrepen gedaan om de onderwijskundige kwaliteit te verbeteren. ▪ De gemeente is verantwoordelijk voor het bekostigen van de kwaliteitverhogende (en levensduurverlengde) ingrepen.
▪ Het budget wordt bepaald op basis van de benodigde ruimtebehoefte van de school (en opvang), niet op de capaciteit van het gebouw en bedraagt maximaal 50% van het nieuwbouwbudget. ▪ Uitgangspunt is dat de ingrepen die met deze vergoeding te bekostigen zijn ervoor zorgen dat de levensduur van het totale pand met minimaal 20 jaar wordt verlengd. ▪ De schoolbesturen blijven verantwoordelijk voor de bekostiging van de onderhoudswerkzaamheden zoals opgenomen in het MJOP. Op het moment dat helder is dat er een ingreep komt, wordt getracht de onderhoudswerkzaamheden zoveel mogelijk te clusteren in combinatie met de ingreep. ▪ De haalbaarheid van de ambities op het gebied van flexibiliteit, inclusie en circulariteit worden onderzocht, maar zijn geen doel op zich.
www.icsadviseurs.nl
18/22
Wetgeving rond renovatie Voor renovatie als voorziening in de onderwijshuisvesting is door het Rijk wetgeving in de maak. De verwachting is dat deze in 2023/2024 een feit wordt. Tot het moment dat de wetgeving van kracht is gelden bovenstaande spelregels voor vernieuwbouw of aangepaste vernieuwbouw.
Positie herschikking Dit betreft een activiteit waarbij twee onderwijsvoorzieningen een herschikking ondergaan waarbij schoolgebouwen onderling worden uitgeruild. Het doel is dat beide scholen daarmee meer passend gehuisvest zijn. Dit is een vorm van duurzaam hergebruik van bestaand vastgoed waarbij mogelijk een beperkt budget voor aanpassing, inhuizen, et cetera nodig is.
Nieuwbouw Onder nieuwe gebouwen worden de schoolgebouwen verstaan waarvoor in het IHP een noodzaak tot vervanging wordt aangetoond. Deze gebouwen krijgen binnen afzienbare tijd een grootschalige ingreep in de vorm van (vervangende) nieuwbouw. Bij nieuwe schoolgebouwen wordt gestreefd naar een maximale bijdrage aan de verduurzamingsopgave. Boven op de bestaande wetgeving om BENG te realiseren, is de ambitie uitgesproken om bij nieuwbouw van scholen zoveel mogelijk te voldoen aan ENG. Voor ieder project wordt onderzocht of ENG haalbaar is. Het streven op het gebied van gezondheid is om gemiddeld Frisse Scholen klasse B te behalen, en waar mogelijk of op onderdelen Frisse Scholen klasse A. Spelregels IHP – (vervangende) nieuwbouw Voor de oplossingsrichting (vervangende) nieuwbouw zijn de volgende spelregels van toepassing: ▪ Een businesscase dient aan te tonen of nieuwbouw een beter alternatief is voor vernieuwbouw (indien daar geen direct uitsluitsel over wordt gegeven op basis van bepaalde context). ▪ De businesscase dient in gezamenlijke opdracht van gemeente en schoolbestuur te worden gemaakt om eenzijdige sturing te voorkomen. ▪ De gemeente financiert het wettelijke deel (vooruitlopend op wetgeving in ontwikkeling ENG en gemiddeld Frisse Scholen klasse B), waarbij per project wordt bekeken op welke onderdelen Frisse Scholen klasse A kan worden behaald binnen het budget.
Voor de gemeente is de normvergoeding leidend en in uitzonderlijke gevallen kan maatwerk worden geleverd. ▪ Er dienen voorafgaand aan de planvorming afspraken te worden gemaakt tussen de gemeente en het schoolbestuur over het eventueel inbrengen van gereserveerde onderhouds- en exploitatiebudget ten behoeve van het bekostigen van ENG. ▪ Er wordt een klimaatscan uitgevoerd om te beoordelen welke klimaatadaptieve maatregelen er mogelijk zijn. ▪ De omschreven ambities voor flexibiliteit, inclusie en circulariteit dienen bij nieuwbouwprojecten zoveel als mogelijk te worden geïntegreerd, passend binnen het budget. Het realiseren van uitbreiding bij een schoolgebouw is een variant van nieuwbouw. Vaak gaat het hier om kleinere projecten waardoor het bedrag voor nieuwbouw kan oplopen (afhankelijk van de grootte). Bij een dergelijke kleine uitbreiding is het duurzaamheidsconcept van het bestaande gebouw leidend en wordt gestreefd naar minimaal BENG.
www.icsadviseurs.nl
19/22
In stand houden Onder in stand houden vallen de gebouwen die binnen de looptijd van het IHP (ca. 16 jaar) in stand worden gehouden. Hoewel deze gebouwen geen grootschalige ingreep krijgen, is ook voor deze categorie aandacht voor hoe kan worden bijgedragen aan de verduurzaming en het verbeteren van het binnenklimaat in lijn met de landelijke klimaatdoelstellingen. Over 27 jaar dienen namelijk alle gebouwen CO 2neutraal te zijn. Het in stand houden en onderhouden van schoolgebouwen is een verantwoordelijkheid van het schoolbestuur, die hiervoor een meerjarenonderhoudsplan (MJOP) opstelt. Bij het planmatig onderhoud wordt minimaal het conditieniveau 3 van instandhouding op sober en doelmatig niveau (NEN2767) gehanteerd. Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de handhaving van dit niveau en de uitvoering van de onderhoudswerkzaamheden. Het schoolbestuur is tevens verplicht om de Erkende Maatregelen (Wet Milieubeheer) uit te voeren. Dit betreft duurzame maatregelen met een terugverdientijd van minimaal 5 jaar. Voor het onderhouden en het uitvoeren van de Erkende Maatregelen zet het schoolbestuur een deel van de bekostiging die zij vanuit het Rijk ontvangt in. Deze regeling blijft gehandhaafd. Toch vraagt het behalen van de doelstellingen uit het Klimaatakkoord om aanvullende maatregelen voor bestaande gebouwen. Hieronder zijn spelregels opgenomen hoe hiermee om te gaan.
Spelregels IHP – in stand houden Hiervoor gelden de volgende spelregels: ▪ Voor alle schoolgebouwen wordt door middel van een scan inzichtelijk gemaakt welke maatregelen er, aanvullend op het activiteitenbesluit, haalbaar zijn om het binnenklimaat te verbeteren, de CO 2-uitstoot te verminderen, energie te besparen en aardgasvrij ready te zijn. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen verschillende categorieën van gebouwen: ─ Leeftijd 35 jaar of ouder: voor deze gebouwen is het aannemelijk dat binnen afzienbare tijd door middel van vernieuwbouw of (vervangende) nieuwbouw (na afweging in een businesscase) de CO 2uitstoot wordt gereduceerd. Met een light scan wordt inzichtelijk gemaakt welke duurzame maatregelen binnen de resterende levensduur van het gebouw haalbaar en verantwoord zijn. Voor gebouwen die binnen nu en 5 jaar in het IHP staan voor een ingreep, wordt geen scan uitgevoerd; ─ Leeftijd jonger dan 35 jaar: deze gebouwen verwachten noch binnen het IHP noch vóór 2050 een grootschalige ingreep. Een uitgebreide scan maakt inzichtelijk welke maatregelen zorgen voor een substantiële verduurzaming voor deze categorie gebouwen. ▪ De gemeente bekostigt de scan gezamenlijk met het schoolbestuur (50-50 verhouding). In het IHP wordt opgenomen voor welke gebouwen een scan noodzakelijk is.