Brochure-gemeente-en-openbaar-onderwijs
Tekst van het document
Als het openbaar onderwijs verzelfstandigd is, kan het gemeentebestuur alleen extra middelen toekennen op basis van een verordening, zoals bedoeld in artikel 128 van de WPO.38 Bij vaststelling van die verordening kan de gemeenteraad één of meer voorzieningen omschrijven op basis waarvan aan het
Grote problemen door fraude, wanbeleid en krimp Een stichting voor openbaar voortgezet onderwijs raakt in grote financiële problemen door fraude, wanbeleid en een teruglopend aantal leerlingen. De gemeente heeft de school 1,5 miljoen euro geleend om faillissement te voorkomen. Daarnaast is de gemeente actief geweest bij de benoeming van het college van bestuur vanuit de rol van hoeder van het openbaar onderwijs, in dit geval openbaar voortgezet onderwijs. Om uit de problemen te komen, waren naast interne strategische keuzes ook externe strategische keuzes nodig voor het voortbestaan van de verschillende scholen. Onder andere is door de gemeente mogelijk gemaakt dat er twee bestuurders werden aangesteld in plaats van één, waarbij de extra interim-bestuurder voornamelijk de taak had te onderzoeken hoe de scholen konden voortbestaan. Dit heeft met unanieme instemming van de gemeenteraad geresulteerd in een bestuurlijke overdracht per 2022 aan een ander schoolbestuur, waarmee openbaar voortgezet onderwijs behouden is gebleven.
openbare schoolbestuur gelden beschikbaar kunnen worden gesteld, die dan niet doorbetaald hoeven te worden aan het bijzonder onderwijs. Dat kan bijvoorbeeld het ’noodzakelijk saneren van de exploitatie’ zijn. Dat criterium kan in de bijlage bij de verordening aan de hand van enkele concrete kengetallen nader worden omschreven. Te denken valt aan een gemiddeld bedrag per leerling dat het openbare schoolbestuur op de exploitatie
37 In een enkel geval kan het voorkomen, dat een schoolbestuur in financiële problemen is gekomen door wijzigingen in wet- en regelgeving. Indien dat aan de orde komt, wordt daarin soms voorzien door het treffen van een financiële overgangsmaatregel of de instelling van een noodfonds, waar men onder bepaalde voorwaarden een beroep op kan doen. Zo’n regeling is bijvoorbeeld getroffen bij invoering van de lumpsumbekostiging in het primair onderwijs. In het algemeen geldt dat als men door eigen beleid in financiële problemen terecht is gekomen, men niet voor hulp bij het Rijk kan aankloppen. 38 Zie ook artikel 5.23 WVO en artikel 123 WEC.
26 | RELATIE TUSSEN DE GEMEENTE EN HET OPENBAAR ONDERWIJS
tekortkomt of het bereiken van een bepaalde ondergrens voor de voorzieningen en/of het vermogen. Let op, de wettelijke regeling ex artikel 140 WPO geeft nadrukkelijk aan, dat de gemeenteraad geen onderscheid mag maken tussen openbaar en bijzonder onderwijs en dat beide naar dezelfde maatstaf moeten worden behandeld. Is de noodzakelijke sanering van de exploitatie als voorziening in de regeling omschreven, dan is het gemeentebestuur gehouden ook een bijzonder schoolbestuur financieel bij te springen als dat in vergelijkbare exploitatieproblemen verkeert. De verordening ex artikel 128 WPO is dus wel een instrument om bij financiële ondersteuning aan het openbaar onderwijs de automatische doorbetaling te voorkomen, maar draagt het risico in zich, dat het gemeentebestuur in vergelijkbare gevallen ook het bijzonder onderwijs moet ondersteunen. Het directe gevaar dat andere besturen met succes ook een dergelijke voorziening aanvragen, wordt wel verkleind als de situatie zeer specifiek is (zoals bij een financiële malaise die de continuïteit bedreigt). Daarbij is het mogelijk dat de aan te vragen voorzieningen in de verordening kunnen worden opengesteld voor een bepaalde termijn. 1.7.2.2 Faillissement Een stichting voor openbaar onderwijs kan failliet gaan. Belanghebbenden (schuldeisers, de gemeente of het stichtingsbestuur zelf) kunnen een faillissement bij de rechtbank aanvragen.
De rechter benoemt – bij inwilliging van het verzoek – een curator en een toezichthouder. De curator voert dan het beheer en zorgt voor de vereffening van de failliete boedel. Dat betekent dat de curator bestuursbevoegdheid overneemt van het stichtingsbestuur. De curator behartigt ook de belangen van de schuldeisers en kan beschikken over de boedel ten bate van hen. In het kader van de afwikkeling van het faillissement kan gedacht worden aan de optie om de stichting te ontbinden en de scholen over te dragen aan een ander bestuur (in casu de gemeente die zelf weer het openbaar onderwijs gaat besturen of aan een nieuw op te richten stichting of aan een bestaande stichting voor openbaar onderwijs). Voor deze overdracht geldt dat in
Fusie voor behoud openbare scholen Een stichting met openbare scholen voor voortgezet onderwijs en een andere stichting met een grotere regionale dekking en voornamelijk bijzondere scholen voor voortgezet onderwijs wilden fuseren. De openbare scholen voor voortgezet onderwijs zouden overgedragen worden. De stichting openbaar onderwijs stond er echter financieel erg slecht voor en in die staat wilde het andere bestuur de scholen niet overnemen. Er was sprake van een exploitatietekort van vele miljoenen euro’s, achterstallig onderhoud van de gebouwen en de afwezigheid van financiële reserves. Zonder overdracht van de scholen dreigde faillissement van de stichting, waarmee de continuïteit van het openbaar voortgezet onderwijs in het geding was. Steun vanuit het Rijk via bijvoorbeeld schatkistbankieren (zie paragraaf 1.7.2.3) was niet mogelijk. Vanuit de rol van externe toezichthouder en de zorgplicht voor openbaar onderwijs in de eigen gemeente besloot de gemeenteraad bij te springen met een grote financiële injectie ter grootte van de helft van het exploitatietekort. Dit is gedaan met een verordening ex artikel 5.23 WVO (zie paragraaf 1.7.2.1). De andere helft heeft de ontvangende stichting geïnvesteerd.
De gemeenteraad bleef hiermee op dezelfde afstand van het bestuur van de scholen, maar zorgde wel voor continuïteit van het openbaar voortgezet onderwijs binnen de gemeentegrenzen. Met de ontvangende stichting heeft de gemeente daarna een uitgebreid convenant gesloten om elkaar goed op de hoogte te houden van de stand van zaken op de openbare scholen (en de verwachtingen van de gemeente). Dit om herhaling van deze casus te voorkomen.
dit geval de schulden niet meegaan. De vraag is wel hoe de bevoegdheden van een curator zich verhouden tot de taken en RELATIE TUSSEN DE GEMEENTE EN HET OPENBAAR ONDERWIJS
|
27
bevoegdheden van het gemeentebestuur als externe toezichthouder van de stichting openbaar onderwijs. Kan de curator zelfstandig – zonder toestemming van de gemeente – besluiten tot opheffing van een school, samenvoeging van enkele openbare scholen uit oogpunt van bedrijfseconomische redenen of ontbinding van de stichting? Ook de beschikkingsbevoegdheid van de curator over de grond en schoolgebouwen roept vragen op. Bij het schoolbestuur berust het juridische eigendomsrecht van de grond en de gebouwen, maar de gemeente het economisch claimrecht. Kan de curator zelfstandig besluiten grond en/of gebouwen te verkopen? Op grond van het feit dat na faillissement bij een overdracht van de openbare scholen de schulden niet meegaan naar de nieuwe rechtspersoon, lijkt het faillissement een niet onaantrekkelijke keuze. Het nieuwe schoolbestuur zal echter een gezonde organisatie willen overnemen. Dat betekent dat – voorafgaand aan de overdracht – een reorganisatie en ontslag van personeelsleden onvermijdelijk zullen zijn. De rekening daarvan zal ongetwijfeld ergens worden neergelegd. Mocht faillissement onafwendbaar zijn, dan is de gemeente weer direct verantwoordelijk voor het openbaar onderwijs, inclusief alle tekorten. Als het schoolbestuur diverse gemeenten bestrijkt, geldt die verantwoordelijkheid vanzelfsprekend alle betreffende gemeenten.
1.7.2.3 Schatkistbankieren Om faillissement af te wenden, kan in sommige gevallen het ministerie van OCW worden gevraagd om via schatkastbankieren een roodstandfaciliteit aan te vragen. Via die faciliteit is het mogelijk om noodzakelijke investeringen ter voorkoming van een faillissement te kunnen doen, dan wel de salarissen te kunnen blijven betalen. Bij een aanvraag tot roodstandfaciliteit kijkt het ministerie van OCW naar twee zaken:
1. De roodstandfaciliteit mag maximaal 10 procent van de jaarlijkse rijksbijdrage van het schoolbestuur zijn. 2. De financiële positie van het schoolbestuur moet voldoende vertrouwen geven. Bij de beoordeling kijkt het ministerie van OCW zowel naar de huidige stand van de kengetallen als naar de prognose van de financiële positie. Het tweede criterium brengt met zich mee dat specifieke omstandigheden iedere casus anders maken. Het ministerie van OCW doet ter beoordeling van dit criterium altijd navraag bij de Inspectie van het Onderwijs.
1.8 Samenwerking gemeenten bij gemeentelijk toezicht (WGR) Als een schoolbestuur de instandhouding van openbare scholen in verschillende gemeenten verzorgt, oefenen de gemeenteraden van die gemeenten elk voor zich de taak van externe toezichthouder uit. Elke gemeenteraad van de gemeente waarin het openbaar onderwijs van dat schoolbestuur gelegen is, heeft dan de bevoegdheid om in te stemmen met het wijzigen van de statuten of de bevoegdheid om de leden van de raad van toezicht bij een stichting openbaar onderwijs te benoemen. Gemeenteraden kunnen besluiten samen te werken bij het uitoefenen van hun taak als externe toezichthouder. Voor het schoolbestuur is die gemeentelijke samenwerking een belangrijke ontwikkeling. Het kan dan zaken doen met één gesprekspartner en hoeft zich niet meer met een aantal afzonderlijke gemeenteraden te verstaan. Doorgaans gebeurt dit op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen (WGR).39
39 De wet Versterken van de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen is op 18 januari 2022 gepubliceerd in het Staatsblad (Staatsblad 2022, nr. 18). Deze wet regelt verschillende wijzigingen ten aanzien van de WGR. Die wijzigingen hebben geen directe verbinding met de relatie van de gemeente(n) met het toezicht op openbaar onderwijs. De wijzigingen worden derhalve in deze brochure niet behandeld.
28 | RELATIE TUSSEN DE GEMEENTE EN HET OPENBAAR ONDERWIJS
Op grond van de WGR kunnen de gemeenteraden beslissen één of meer van de toezichthoudende taken en bevoegdheden over te dragen aan een in te stellen openbaar lichaam (artikel 8, eerste lid WGR) of gemeenschappelijk orgaan (artikel 8, tweede lid WGR)40. Het openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan bestaat uit raadsleden van de deelnemende gemeenten41. Taken en bevoegdheden die door gemeenteraden in de regel worden overgedragen zijn, wanneer van toepassing: } goedkeuren van de begroting en instemmen met de jaarrekening } benoemen van bestuursleden en leden van de raad van toezicht } instemmen met een statutenwijziging } bespreken van het jaarverslag van het openbaar onderwijs De bevoegdheid om te besluiten over de opheffing van een openbare school wordt in de regel niet overgedragen aan een openbaar lichaam of gemeenschappelijk orgaan. Dat is begrijpelijk, want het is essentieel dat een gemeenteraad van de gemeente waar de desbetreffende openbare school is gevestigd, daar geheel zelfstandig over kan beslissen. Op deze wijze is te komen tot een goede balans tussen snel handelen (bij incidenten) en openbare verantwoording in de gemeenteraad. Het raadslid dat zitting heeft in de gemeenschappelijke regeling, handelt in plaats van de gemeenteraad. Als de financiën zich ontwikkelen buiten de gestelde kaders, koppelt het raadslid dit terug naar zijn gemeente.
Het is van belang dat de gemeenten die de taak hebben overgedragen, zich op de hoogte houden van wat er gebeurt.
40 Het gemeenschappelijk orgaan is in tegenstelling tot het openbaar lichaam geen rechtspersoon. 41 Zie artikel 13 lid 1 jo. artikel 15 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Wethouders maken geen onderdeel uit van een openbaar lichaam of gemeenschappelijk orgaan dat enkel voor het uitoefenen van een bevoegdheid of bevoegdheden van de gemeenteraad in het leven is geroepen. Dat strookt niet met de wijze waarop hieraan invulling is gegeven in de wet en, onder andere, het uitgangspunt van dualisering.
RELATIE TUSSEN DE GEMEENTE EN HET OPENBAAR ONDERWIJS
|
29
2. Stichten van nieuwe openbare scholen vanuit de garantiefunctie De garantiefunctie ziet ook op het stichten van nieuwe openbare scholen, naast de elementen van overheersende overheidsinvloed die besproken zijn in het eerste hoofdstuk en die veelal betrekking hebben op het bestaande openbaar onderwijs. Met de inwerkingtreding van de Wet Meer ruimte voor nieuwe scholen is voor scholen in het primair en voortgezet onderwijs de stichtingsprocedure in algemene zin flink gewijzigd.42 Ten behoeve van het behoud van het aantal openbare scholen in de gemeente heeft de wetgever in de sectorwetten neergelegd welke rol de gemeenteraad daarin heeft. In paragraaf 1.1 staat dat de rol van de gemeenteraad bij de opheffing van een openbare school in het voortgezet onderwijs anders is dan bij scholen in het (speciaal) basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs. De volgende twee paragrafen gaan in op de mogelijkheden tot stichting van een openbare school op grond van de garantiefunctie en de rol van de gemeente daarin.
1.1 Primair onderwijs Naast de (algemene) stichtingsmogelijkheid van verzelfstandigde besturen hebben ouders sinds 2014 het initiatiefrecht om een openbare school voor basisonderwijs voor bekostiging in aanmerking te laten komen. Als ouders een (nieuwe) openbare school wensen, kunnen zij dat kenbaar maken bij het college van B en W. In de wet is geregeld dat het college van B en W een onderzoek naar de haalbaarheid van
het stichten van een openbare school moet uitvoeren als een ouder in totaal minimaal 50 schriftelijke verklaringen van verschillende ouders kan overleggen (dit betekent ook dat beide ouders van een kind een verklaring kunnen afgeven). De verklaringen moeten wel afkomstig zijn van ouders van kinderen in de leeftijd tot en met 12 jaar. Het onderzoek van het college van B en W houdt in, dat wordt gekeken wat de daadwerkelijke belangstelling is voor een nieuwe openbare school. Dit gebeurt op dezelfde manier als bij een reguliere stichtingsaanvraag van een school (dus via ouderverklaringen of via marktonderzoek). Als de gemeente voldoende belangstelling ziet, zal de gemeente een aanvraag moeten indienen.43 Voldoende belangstelling kan op twee manieren worden aangetoond: 1. Volgens het onderzoek van de gemeente zullen in het elfde jaar na stichting minstens zoveel leerlingen de school bezoeken als de voor de betreffende gemeente geldende stichtingsnorm44; 2. Wanneer binnen 10 kilometer van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven over de weg gemeten geen school aanwezig is waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven en aan het volgen van openbaar onderwijs behoefte bestaat.
42 De wet is gepubliceerd in het Staatsblad 2020-160 en trad voor het voortgezet onderwijs in werking op 1 november 2020 en voor het primair onderwijs op 1 februari 2021. 43 Dit volgt uit artikel 77 van de WPO. 44 De opheffingsnorm van een gemeente wordt elke 5 jaar bepaald aan de hand van de leerlingdichtheid van de gemeente. De stichtingsnorm bedraagt 10/6 maal de betreffende opheffingsnorm, en bedraagt minstens 200.
30 | RELATIE TUSSEN DE GEMEENTE EN HET OPENBAAR ONDERWIJS
Ad 2) Indien dit het geval is, geldt de stichtingsnorm niet, omdat dit stichting vanuit de garantiefunctie betreft en dus ziet op de zorgplicht van een gemeente te voorzien ‘in een genoegzaam aantal openbare scholen’. Indien de aanvraag op deze grond wordt ingediend, zal de minister die aanvraag voor een openbare school honoreren, indien voldaan is aan de wettelijke voorschriften. Dit betekent dus dat de ouders slechts hun verzoek kenbaar hoeven te maken. Het college van B en W is verplicht bij voldoende belangstelling een aanvraag in te dienen. Als een gemeente deze plicht onvoldoende naleeft, kan de gemeente hierop worden aangesproken door middel van een aanwijzing van de minister. Ook in gemeenten waar het openbaar onderwijs verzelfstandigd is, houdt de gemeente de plicht om voldoende openbaar onderwijs aan te bieden en kan de gemeente zelf het initiatief nemen om een openbare school te starten.45 Zoals eerder gemeld, is bij de daadwerkelijke aanvraagprocedure voor een nieuwe school een van de voorwaarden, dat aangetoond dient te worden dat er voldoende leerlingen de school zullen bezoeken. In de regel is dit via ouderverklaringen van ouders met kinderen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar die op maximaal 6 kilometer van de (verwachte) vestigingsplaats van de nieuwe school wonen.
Indien sprake is van een nieuwbouwgebied of stichten op grond van de garantiefunctie, is het inzetten van marktonderzoek een alternatief. Alle nieuwe scholen hebben te maken met een inhoudelijke startprocedure, waarbij wordt gekeken of de school voldoende belangstelling heeft en of de school onderwijs van voldoende kwaliteit zal kunnen bieden. Ook scholen die starten vanuit de garantiefunctie voor openbaar onderwijs moeten aantonen van goede kwaliteit te (zullen) zijn.46
1.2 Voortgezet onderwijs Zoals we in de vorige paragraaf hebben kunnen lezen, geldt in het primair onderwijs een drempel van 50 ouders op basis waarvan behoefte voor openbaar onderwijs moet zijn aangetoond, waarna de gemeente onderzoek zal doen. Het aantal van 50 is een kwart van de minimale stichtingsnorm in het basisonderwijs van 200 leerlingen. De wetgever hanteert voor het voortgezet onderwijs geen specifieke drempel, maar in een casus uit 2019 werd analoog aan het primair onderwijs ook uitgegaan van een kwart, maar dan van de landelijk bepaalde stichtingsnorm. Voor een scholengemeenschap met mavo, havo en vwo ligt de stichtingsnorm op 732 leerlingen. Een kwart daarvan is 183 leerlingen. Dus op basis van minimaal 183 handtekeningen van geïnteresseerde ouders moet de gemeente onderzoek doen naar de stichting van een openbare middelbare school met mavo, havo en vwo.47 Over het stichten op grond van de garantiefunctie is in het voortgezet onderwijs meer te zeggen. Zo is in artikel 4.4 van de WVO bepaald dat Gedeputeerde Staten (GS) ervoor zorgen dat is voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs door een voldoende aantal scholen.
In het artikel is tevens bepaald dat GS het college van B en W kunnen opdragen bij de minister een aanvraag in te dienen voor stichting wanneer er naar het oordeel van GS voldoende behoefte is voor een nieuwe openbare school, en het college van B en W de wens daartoe niet heeft ingewilligd. Ouders dienen in eerste instantie dus wel bij de gemeente te zijn, maar kunnen bij een niet-meewerkende gemeente naar GS. Als ook GS niet wil meewerken aan het initiatief, kunnen de ouders zich wenden tot de minister, conform artikel 4.4 WVO. Bij voldoende belangstelling zal de minister de gemeente opdragen de openbare school te stichten op grond van de garantiefunctie.
45 Dit volgt uit de memorie van toelichting bij de Wet Meer ruimte voor nieuwe scholen die voor het primair onderwijs in werking trad op 1 februari 2021, Kamerstukken II, 2018-2019, 35050, nr. 3, p. 58. 46 De reguliere procedure staat uitgewerkt op de website van DUO. 47 Brief van de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media d.d. 8 april 2019 met kenmerk 7453843.
RELATIE TUSSEN DE GEMEENTE EN HET OPENBAAR ONDERWIJS
|
31
Het vorenstaande betekent dat ouders slechts hun verzoek kenbaar hoeven te maken en de belangstelling dienen aan te tonen. Het college van B en W is verplicht bij voldoende belangstelling een aanvraag in te dienen. Als een gemeente deze plicht onvoldoende naleeft, kan de gemeente hierop worden aangesproken door middel van een aanwijzing van de minister en/of door GS. Ook in gemeenten waar het openbaar onderwijs verzelfstandigd is, houdt de gemeente de plicht om voldoende openbaar onderwijs aan te bieden en kan de gemeente zelf het initiatief nemen om een school te starten.48 Zoals eerder gemeld, is bij de daadwerkelijke aanvraagprocedure voor een nieuwe school een van de voorwaarden dat aangetoond dient te worden dat voldoende leerlingen de school zullen bezoeken. In de regel is dit via ouderverklaringen van ouders met kinderen in de leeftijd van 10 tot 12 jaar die op maximaal 15
kilometer van de (verwachte) vestigingsplaats van de nieuwe school wonen. Indien sprake is van een nieuwbouwgebied of stichten op grond van de garantiefunctie, is het inzetten van marktonderzoek een alternatief. Lagere stichtingsnormen in voortgezet onderwijs In het voortgezet onderwijs gelden lagere stichtingsnormen bij het aantonen van de belangstelling in de aanvraagprocedure voor een nieuwe openbare school op grond van de garantiefunctie. In de memorie van toelichting bij artikel 4.4 WVO (toen nog 67 WVO) staat: ‘Als ouders openbaar onderwijs wensen en in het betreffende voedingsgebied een potentieel van twee derde van de stichtingsnorm kan worden aangetoond, is de gemeente waarin de meeste ouders woonachtig zijn die openbaar onderwijs wensen, verplicht om daarin te voorzien’.49 Dit betekent dat de gemeente bij het stichten van de nieuwe school
48 Dit volgt uit de memorie van toelichting bij de Wet Meer ruimte van nieuwe scholen die voor het voortgezet onderwijs in werking trad op 1 november 2020, Kamerstukken II, 2018-2019, 35050, nr. 3, p. 58. 49 Kamerstukken II, 2007-2008, 31310, nr. 3, p. 29.
32 | RELATIE TUSSEN DE GEMEENTE EN HET OPENBAAR ONDERWIJS
Stichting op grond van garantiefunctie In het recente verleden is er een middelbare school gestart op grond van de garantiefunctie. Dit was nog onder de stichtingsprocedure, zoals deze gold vóór 1 november 2020. Dit is een initiatief geweest van actieve ouders die iets te kiezen wilden hebben naast een bestaande bijzondere middelbare school. Vanuit de toen geldende eisen voor het aantonen van belangstelling zou de school de stichtingsnorm halen. Daarop heeft de ouderinitiatiefgroep de gemeente en later Gedeputeerde Staten aangeschreven. Vanwege de krimp zagen beide overheden geen ruimte voor een extra middelbare school en namen ze de aanvraag niet in behandeling. De ouderinitiatiefgroep schreef vervolgens op grond van de wet de minister aan met het verzoek de gemeente op te dragen een school te stichten vanuit de garantiefunctie voor openbaar onderwijs en de afwezigheid van een openbare middelbare school in de buurt. De minister heeft daarop aan de ouderinitiatiefgroep bericht dat er eerst voldoende belangstelling moest worden aangetoond.
De minister gaf daarbij aan dat hij die belangstelling zou toetsen op een wijze die vergelijkbaar is aan de wijze waarop dat in het primair onderwijs gebeurt. Dit hield in dat er in dit geval voor een scholengemeenschap met mavo, havo en vwo 183 handtekeningen nodig waren (een kwart van de stichtingsnorm). De ouderinitiatiefgroep haalde dat aantal ruimschoots, waarop verwacht werd dat de minister de gemeente zou opdragen de school te stichten. Dat gebeurde echter niet, omdat bij de minister duidelijk was dat de ouderinitiatiefgroep en de gemeente niet op één lijn zaten. Daarop heeft de minister besloten een bemiddelaar aan te stellen. Onderdeel van de bemiddeling was een gesprek met andere schoolbesturen in de buurt om te verkennen of die als bestuur van de nieuwe school zouden willen fungeren. Uiteindelijk heeft dit erin geresulteerd dat de gemeente de school heeft gesticht en direct daarna heeft overgedragen aan een schoolbestuur. De ouderinitiatiefgroep bleef ten volste bij de stichting en de inrichting betrokken.
rekening moet houden met de lagere stichtingsnormen.50 Voorts hebben alle nieuwe scholen te maken met een inhoudelijke startprocedure, waarbij wordt gekeken of de school voldoende belangstelling heeft en of de school onderwijs van voldoende kwaliteit zal kunnen bieden. Ook scholen die starten vanuit de garantiefunctie voor openbaar onderwijs, moeten aantonen van goede kwaliteit te (zullen) zijn.51
50 Zie voor de bestendiging van die lagere normen de memorie van toelichting bij de de Wet Meer ruimte voor nieuwe scholen, Kamerstukken II, 2018-2019, 35050, nr. 3, p. 98. 51 De reguliere procedure staat uitgewerkt op de website van DUO.
RELATIE TUSSEN DE GEMEENTE EN HET OPENBAAR ONDERWIJS
|
33
Nawoord Na het lezen van deze brochure zou het voor u als lezer in elk geval duidelijk moeten zijn dat het openbaar onderwijs en de gemeente een relatie met elkaar moeten onderhouden. Beide partijen spelen een belangrijke rol als het gaat om het behoud en voortbestaan van het openbaar onderwijs, zoals ingegeven door de grondwettelijke opdracht aan de gemeente. Mocht u met vragen zitten, dan kunt u die stellen aan VOS/ABB. Wij kunnen met u in gesprek gaan, bijvoorbeeld over uw specifieke situatie of voor het opstellen van een convenant voor samenwerking tussen openbaar onderwijs en de gemeente. Wij zijn er voor onze leden. Zowel voor onderwijsbestuurders als gemeenteleden. Voor meer informatie over het (gemeente)lidmaatschap van VOS/ABB, gaat u naar onze website www.vosabb.nl. Oktober 2022 VOS/ABB Mr. Ronald Bloemers Mr. Janine Eshuis Mr. José van Snek
34 | RELATIE TUSSEN DE GEMEENTE EN HET OPENBAAR ONDERWIJS
Houttuinlaan 8 Postbus 162 3440 AD Woerden t 0348 405 200 e welkom@vosabb.nl www.vosabb.nl
36 | RELATIE TUSSEN DE GEMEENTE EN HET OPENBAAR ONDERWIJS