CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Brief VNG 14aug19 wijziging model APV

Raadsvergadering 16 maart 2021, gemeente LeudalBij agendapunt: Vaststellen 2e wijziging Algemene plaatselijke verordening gemeente Leudal50.454 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

Brief aan de leden T.a.v. het college en de raad

Datum 14 augustus 2019 Ons kenmerk TRE /U201900650/ Lbr 19/063 Telefoon 070-373 8393 Bijlage(n) 3

Onderwerp

Wijziging model-APV zomer 2019

Samenvatting Met deze ledenbrief bieden wij u de ‘zomeraanpassing 2019’ van de Model Algemene plaatselijke verordening (hierna: model-APV) aan. Hierin is nieuwe wetgeving en jurisprudentie verwerkt. In het bijzonder vragen wij aandacht voor de volgende wijzigingen: - het vermelden van medebewindswetgeving in de aanhef van het raadsbesluit tot vaststelling van de Algemene plaatselijke verordening; - het herbenoemen van een aantal hoofdstukken en afdelingen en het in verband hiermee schrappen van een aantal titels; - het benoemen van een ‘waterpijpcafé’ als openbare inrichting in artikel 2:27; - het uitdrukkelijker omschrijven van het aanlijn- en muilkorfgebod voor hinderlijke of gevaarlijke honden in artikel 2:59; - het toevoegen van een stopverbod aan artikel 5:10, waarbij wij wijzen op het verschil van mening met het Openbaar Ministerie; - het herformuleren van de vrijstelling van het inzamelings- of wervingsverbod voor instellingen die zijn opgenomen in het collecte- en wervingsrooster in artikel 5:13. In de Was-wordt-tabel wijziging Model Algemene plaatselijke verordening met artikelsgewijze toelichting (bijlage 1) treft u een totaaloverzicht van de wijzigingen aan. Wij gaan ook in op een aantal actuele zaken dat niet heeft geleid tot wijziging van de model-APV.

Dit betreft het gebruik van lachgas, roken in de openbare ruimte, oplaten van ballonnen, geluidhinder door warmtepompen en vuurwerkvrije zones.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl

U201900650

PROD

Aan de leden

Datum

14 augustus 2019 Ons kenmerk

TRE /U201900650/ Lbr 19/063 Telefoon

070-373 8393 Bijlage(n)

3

Onderwerp

Wijziging model-APV zomer 2019

Geacht college en gemeenteraad, Met deze ledenbrief bieden wij u de ‘zomeraanpassing 2019’ van de Model Algemene plaatselijke verordening (hierna: model-APV) aan. Hierin is nieuwe wetgeving en jurisprudentie verwerkt. In het bijzonder vragen wij aandacht voor de volgende wijzigingen: - het vermelden van medebewindswetgeving in de aanhef van het raadsbesluit tot vaststelling van de Algemene plaatselijke verordening (hierna: APV); - het herbenoemen van een aantal hoofdstukken en afdelingen en het in verband hiermee schrappen van een aantal titels; - het benoemen van een ‘waterpijpcafé’ als openbare inrichting in artikel 2:27; - het uitdrukkelijker omschrijven van het aanlijn- en muilkorfgebod voor hinderlijke of gevaarlijke honden in artikel 2:59; - het toevoegen van een stopverbod aan artikel 5:10, waarbij wij wijzen op het verschil van mening met het Openbaar Ministerie (hierna: OM); - het herformuleren van de vrijstelling van het inzamelings- of wervingsverbod voor instellingen die zijn opgenomen in het collecte- en wervingsrooster in artikel 5:13. In de Was-wordt-tabel wijziging Model Algemene plaatselijke verordening met artikelsgewijze toelichting (bijlage 1) treft u een totaaloverzicht van alle wijzigingen aan. Wij gaan ook in op een aantal actuele zaken dat niet heeft geleid tot wijziging van de model-APV.

Dit betreft het gebruik van lachgas, roken in de openbare ruimte, oplaten van ballonnen, geluidhinder door warmtepompen en vuurwerkvrije zones.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/6

1. Toelichting op de wijzigingen Hieronder treft u een toelichting op de meest in het oog springende (inhoudelijke) wijzigingen in de model-APV. Wijziging aanhef In de aanhef van het raadsbesluit tot vaststelling van de APV hebben wij als grondslag van de verordenende bevoegdheid de medebewindswetgeving benoemd. De APV is voor een groot deel gebaseerd op de algemene verordende bevoegdheid van de gemeenteraad (artikel 149 van de Gemeentewet). Maar de APV bevat ook een aantal bepalingen waarvoor de verordenende bevoegdheid is gebaseerd op andere wettelijke bepalingen. Wijziging titels De titel van sommige hoofdstukken of afdelingen is gewijzigd, omdat de plaatsing van een artikel in een hoofdstuk of afdeling mede bepaalt hoe het gelezen moet worden (de zogenoemde ‘rubrica est lex’-regel). De systematiek van een APV is van belang voor het antwoord op de vraag op welke gronden de ontheffing of vergunning mag worden geweigerd (ABRvS 24-10-2018, ECLI:NL:RVS:2018:3487). Waterpijpcafé is openbare inrichting In artikel 2:27 is ‘waterpijpcafé’ (ook bekend als ‘shisha-lounge’) toegevoegd in de opsomming van openbare inrichtingen. De exploitatie van een waterpijpcafé is hierdoor altijd aan een vergunning onderworpen.

Aanlijn- en muilkorfgebod In artikel 2:59 (gevaarlijke honden) is in het tweede en derde lid uitdrukkelijker aangegeven dat de eigenaar of houder van de hond zich moet houden aan een opgelegd aanlijn- en muilkorfgebod. Dit is mede gebeurd op aanwijzing van het OM in het kader van de handhaving. Overtreding van het gebod moet een gemeente vanzelfsprekend wel strafbaar stellen in artikel 6:1. Het aanlijngebod houdt in dat de lijn een lengte kan hebben van ten hoogste 1,50 meter. In de feitcodes van het OM staat ‘kort aangelijnd’. Om discussie te voorkomen, hebben wij het woord ‘kort’ toegevoegd aan de bepaling. Parkeer- of stopverbod anders dan op de rijbaan Bij de ‘zomeraanpassing 2018’ van de model-APV (zie VNG ledenbrief Lbr. 18/047 van 7 augustus 2018) hebben wij artikel 5:10 aan de model-APV toegevoegd. Dit betreft het verbod op het zogenaamde ‘bermparkeren’. Op grond van Europese regelgeving en jurisprudentie geldt het parkeerverbodsbord (bord E1 uit de bijlage bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990)) alleen voor de rijbaan. Omdat dit ook geldt voor het stopverbodsbord (bord E2), hebben wij aan artikel 5:10 het stopverbod toegevoegd. Over dit artikel bestaat een verschil van mening met het OM.

Het OM vindt dat het artikel in strijd is met hogere regelgeving (artikel 10 van het RVV 1990), op grond waarvan bermparkeren volgens het OM niet kan worden verboden. Door een gemeente bij het OM aangebrachte zaken zullen dus worden geseponeerd. Het OM is echter bereid om een proefprocedure te voeren. Collecte- en wervingsrooster

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

3/6

In artikel 5:13 (collecteren en leden- of donateurwerving) is de formulering van de vrijstelling van het inzamelings- of wervingsverbod voor instellingen die zijn opgenomen in het collecte- en wervingsrooster aangepast. Wij hadden opgenomen dat het college het collecte- en wervingsrooster voor het betreffende kalenderjaar vaststelt. Het college kan daarbij het door het Centraal Bureau Fondsenwerving vastgestelde rooster overnemen. Gebleken is dat met name in het wervingsrooster in de loop van het jaar mutaties optreden. In verband hiermee hebben wij ‘voor het betreffende kalenderjaar’ geschrapt. Het vaststellingsbesluit van het college kan worden aangemerkt als een (bundel van) beschikking(en). Het college kan daarom aan bijvoorbeeld een gemeenteambtenaar opdragen om namens hem wijzigingsbesluiten te nemen (mandaat). Op die wijze kan de gemeente snel wijzigingen in het rooster doorvoeren. 2. Actualiteiten Hieronder treft u een aantal actuele zaken dat niet heeft geleid tot wijziging van de model-APV. Lachgas De verkoop en het gebruik van lachgas in Nederland neemt toe, soms met overlast tot gevolg. De VNG ontvangt regelmatig de vraag van gemeenten of het mogelijk is een lachgasverbod in de APV op te nemen. Lachgas is een legaal middel en valt onder de Warenwet. Er bestaat veel onduidelijkheid over het gebruik en de risico’s van lachgas. Het Rijk wacht nader onderzoek af.

Wij zijn op dit moment van mening dat de model-APV al voorziet in de mogelijkheid om op te treden tegen hinderlijk gedrag (zie de artikelen 2:47, 2:49 en 2:50). Bij evenementen waarvoor een vergunningplicht geldt, kan de gemeente als voorschrift een ‘verbod van verkoop van lachgas’ in de vergunning opnemen met als motivering het voorkomen van hinder. Overigens merken wij op dat de grootste distributeur van lachgas zich bewust is van de markt waarop zij actief is. Zij gaat met marktpartijen en de overheid in gesprek om te komen tot effectieve afspraken die de uitwassen van lachgasgebruik tegengaan. Roken in de openbare ruimte De VNG krijgt ook vaak de vraag of het mogelijk is om een rookverbod voor daartoe aangewezen plaatsen in de openlucht in de APV op te nemen. Over het antwoord op die vraag zijn de meningen verdeeld. Onduidelijk is of een decentraal rookverbod niet in strijd komt met hogere regelgeving. Bovendien is de vraag of een dergelijk verbod te handhaven is. Zo kent de gemeente Groningen een verbod om op daartoe – op verzoek van een rechthebbende – aangewezen plaatsen hinderlijke rookgassen te verspreiden, maar draagt de rechthebbende op een gebouw zelf de zorg voor een juiste uitvoering daarvan. In overeenstemming met gemeenten zien wij daarom af van een rookverbod in de model-APV. Wij verwachten meer van ontmoedigingsbeleid.

Zie ook het VNG nieuwsbericht van 11 juli 2019 “VNG biedt ondersteuning bij beleid rookvrije omgeving” als uitvloeisel van het Nationaal Preventieakkoord. Oplaten van ballonnen Een andere vraag die de VNG vaak krijgt, is de vraag of een ballonoplaatverbod in de APV mogelijk is. Het oplaten van ballonen kan schade toebrengen aan het milieu en de natuur. Er kunnen resten van ballonen achterblijven in de buitenruimte, wat bijvoorbeeld door dieren voor voedsel kan worden aangezien. Vooropgesteld dient te worden dat ballonnen vrij en legaal verkrijgbaar zijn. Er is geen direct gevaar voor de volksgezondheid of de veiligheid. Op deze gronden kan dan ook geen oplaatverbod worden gefundeerd.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

4/6

Ook hierbij geldt dat een verbod in de praktijk moeilijk te handhaven is. Er moet immers sprake zijn van een constatering van het overtreden van het verbod en hiervoor zal een heterdaad vrijwel altijd noodzakelijk zijn. Gelet hierop hebben wij, in afstemming met de gemeenten, vooralsnog afgezien van het opnemen van een ballonoplaatverbod. Wij verwachten meer van bewustwordingscampagnes. Wat niet ongebruikelijk is, is dat het op grond van een evenementenbeleid of voorschriften bij een evenementengunning niet is toegestaan om ballonnen bij een evenement op te laten. Mocht dit wel (dreigen te) gebeuren, dan kunnen (doorgaans) sancties volgen. Geluidhinder door warmtepompen Bij de ‘zomeraanpassing 2018’ van de model-APV hebben wij erop gewezen dat geluidhinder door warmtepompen onder artikel 4:5b of artikel 4:6 kan vallen. Wij wezen op het voornemen van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om geluidseisen op te nemen in het Bouwbesluit 2012. Die wijziging van het Bouwbesluit 2012 is in juni 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2018/19, 32757, nr. 153, blg. 885284). Buiten de woning geplaatste warmtepompen en airco’s mogen straks niet meer dan 40dB geluid veroorzaken op de perceelsgrens met de buren. Wanneer de wijziging in werking treedt is nog niet bekend.

Vuurwerkvrije zones Er is een wijziging van het Vuurwerkbesluit aangekondigd op grond waarvan gemeenteraden bij verordening het afsteken van vuurwerk binnen het grondgebied kunnen verbieden. De bedoeling is om gemeenten expliciet de mogelijkheid te geven het gehele grondgebied vuurwerkvrij te maken. Het geheel vuurwerkvrij maken van een gemeente is ingrijpender dan enkel het vuurwerkvrij maken van een deel van de gemeente waarin artikel 2:73 nu voorziet. In een geheel vuurwerkvrij verklaarde gemeente kan immers op geen enkele wijze gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om consumentenvuurwerk af te steken. Wij hebben deze aanstaande wijziging van het Vuurwerkbesluit nog niet meegenomen in de ‘zomeraanpassing 2019’ van de model-APV. Er volgt op een later moment een wijziging. 3. Bijlagen Deze ledenbrief bevat drie bijlagen: Bijlage 1 - Was-wordt-tabel wijziging Model Algemene plaatselijke verordening met artikelsgewijze toelichting: Deze kan desgewenst gebruikt worden voor de raadsvoordracht voor de wijziging van de verordening. Bijlage 2 - Model Raadsbesluit wijziging Algemene plaatselijke verordening: Opgemaakt in Word 3.0 format (DROP) voor publicatie, zonder toelichting. Bijlage 3 - Geconsolideerde tekst Model Algemene plaatselijke verordening, met wijzigingen bijgehouden. 4.

Informatie De geconsolideerde teksten van de VNG modellen (met de bijbehorende toelichtingen) zijn te raadplegen via de Kennisbank Decentrale Regelgeving (www.kder.nl). Voor vragen over deze ledenbrief kunt u terecht bij het Informatiecentrum van de VNG (070-373 8393 of e-mail: info@vng.nl).

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

5/6

Met vriendelijke groet, Vereniging van Nederlandse Gemeenten

J. Kriens Algemeen directeur

Deze ledenbrief staat ook op www.vng.nl onder ‘Producten en Diensten’.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

6/6

Model Algemene plaatselijke verordening (gewijzigd model, augustus 2019) Laatst gewijzigd: 07-08-2018

Definitie van stijl: Kop 1: Lettertype: 12 pt Definitie van stijl: Kop 2

Leeswijzer modelbepalingen - […] of bijvoorbeeld [aantaliets] = door gemeente in te vullen, zie bijvoorbeeld artikel 2:75. - [iets] = facultatief, zie bijvoorbeeld artikel 2:14. - [(iets)] = een voorbeeld ter illustratie of uitleg voor gemeente, zie bijvoorbeeld artikel 2:78, eerste lid. - [iets OF iets] = door gemeente te kiezen, zie bijvoorbeeld artikel 2:34d. - Combinaties zijn ook mogelijk, zie bijvoorbeeld artikel 3:3, zevende lid, dat facultatief is en dat door de gemeente ingevuld moet worden (uiteraard alleen als besloten wordt het artikel over te nemen). - Ook wordt er gewerkt met varianten waaruit gekozen kan worden. Hierbij kan het voorkomen dat de ene variant uit meer artikelleden bestaat dan een andere variant, zie bijvoorbeeld artikel 3:14. Nadere uitleg is opgenomen in de VNG ledenbrief.

Besluit van de raad van de gemeente [naam gemeente] tot vaststelling van de Algemene plaatselijke verordening [naam gemeente en eventueel jaartal] (Algemene plaatselijke verordening [naam gemeente en eventueel jaartal]) De raad van de gemeente [naam gemeente]; gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van [datum en nummer]; gelet op de artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a van de Gemeentewet, de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Drank- en Horecawet, artikel 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen, artikel 3 van de Winkeltijdenwet[,artikel 64, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s] en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994artikel 149 van de Gemeentewet; gezien het advies van de [naam commissie]; besluit vast te stellen de volgende verordening:

Algemene plaatselijke verordening [naam gemeente en eventueel jaartal]:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - bebouwde kom: [de bebouwde kom of kommen weergegeven op de kaart in bijlage 1 bij deze verordening OF het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994]; - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; - bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel [… (het betreft artikel 1.1, eerste lid, van de VNG Model Bouwverordening))] van de [citeertitel Bouwverordening]; - bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, augustus 2019

Met opmaak: Kop 1, Regelafstand: enkel

- college: het college van burgemeester en wethouders; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; - handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; - motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; - openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; - parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; - voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; - weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen [aantal (bijvoorbeeld acht)] weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.

Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. In afwijking van het [eerste en] tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een [ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid (variant 1) OF vergunning als bedoeld in artikel 2:10, eerste lid (varianten 2 en 3)], een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 4:11. Artikel 1:3 (Vervallen) Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b.

op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, augustus 2019

d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. 5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Met opmaak: Standaard

Afdeling 2. Betoging Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, augustus 2019

Artikel 2:2 (Vervallen) Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste [aantal (bijvoorbeeld 48)] uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.

Artikel 2:4 (Vervallen) Artikel 2:5 (Vervallen) Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken Artikel 2:6 Beperking vVerspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2. Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Met opmaak: Standaard

Afdeling 4. Vertoningen op de weg Artikel 2:7 (Vervallen) Artikel 2:8 (Vervallen)

Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, augustus 2019

Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsenStraatartiest en dergelijke 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid ofen het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 52. Bruikbaarheid, uiterlijk en aanzien van de wegen veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de [weg OF openbare plaats] Variant 1 (Algemene regel met ontheffingsmogelijkheid) 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van [aantal] strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van [aantal] strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 6. Het verbod is niet van toepassing op: a.

evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 7. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of [de [citeertitel provinciale wegenverordening] OF het [citeertitel provinciaal wegenreglement]]. Variant 2 (Vergunningplicht) 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd: a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, augustus 2019

c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 4. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. terrassen als bedoeld in artikel 2:27, tweede lid; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; d. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; e. door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen; f. situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of [de [citeertitel provinciale wegenverordening] OF het [citeertitel provinciaal wegenreglement]]. 5. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 6. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken. 7. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Variant 3 (Vergunningplicht) 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2.

De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op de volgende voorwerpen, mits wordt voldaan aan de krachtens het vijfde lid gestelde nadere regels: a. terrassen als bedoeld in artikel 2:27, tweede lid, tenzij het betreft een locatie die of horecabedrijf dat is aangegeven op de door het college vast te stellen kaart; b. uitstallingen; c. bouwobjecten, mits daarvan uiterlijk vijf werkdagen van tevoren een melding aan het college is gedaan; d. reclameborden; e. plantenbakken en banken; f. nader door het college aan te wijzen voorwerpen. 5. Het bevoegde bestuursorgaan stelt nadere regels voor de categorieën, bedoeld in het vierde lid. 6. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of [de [citeertitel provinciale wegenverordening] OF het [citeertitel provinciaal wegenreglement]]. 7.

In dit artikel wordt onder bevoegd bestuursorgaan verstaan het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. 8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, augustus 2019

breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur, [de [citeertitel provinciale wegenverordening] OF het [citeertitel provinciaal wegenreglement]], de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde [citeertitel telecommunicatieverordening]. 5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:12 Maken, of veranderen van een uitweg Variant 1 (Meldingsplicht) 1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als: a. daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of b.

het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2. Van de melding wordt kennis gegeven [op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking]. 3. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg als: a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 4. De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of [de [citeertitel provinciale wegenverordening] OF het [citeertitel provinciaal wegenreglement]]. Variant 2 (Vergunningplicht) 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b.

als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of [de [citeertitel provinciale wegenverordening] OF het [citeertitel provinciaal wegenreglement]]. Met opmaak: Standaard

Afdeling 6. Veiligheid op de weg Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, augustus 2019

Met opmaak: Kop 2

Artikel 2:13 (Vervallen) [Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze: a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.] [Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.] Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. [Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke 1. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. 2.

Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht.] Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel 2:19 (Vervallen) Artikel 2:20 (Vervallen) Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, augustus 2019

[Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.] [Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale vaarwegenverordening.]

Afdeling 73. Evenementen Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan [aantal] personen; b. de activiteiten plaatsvinden tussen [tijdstip] en [tijdstip] uur; c.

geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00 uur, dan wel in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare geluidsniveau van [aantal] dB(A) op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden; d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en

Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, augustus 2019

e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan [aantal] vierkante meter per object. Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. [2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.] 3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste [aantal] werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4. De burgemeester kan binnen [aantal] dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. [6. Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 7.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is.] 8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Afdeling 84. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. 2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. Met opmaak: Kop 3

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in

Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, augustus 2019

de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. bedrijfskantine of -restaurant. 5. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, als: a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid. 6. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid, onder a. 7. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning en de vrijstelling. Artikel 2:29 Sluitingstijd 1.

Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen [tijdstip] uur en [tijdstip] uur, en op zaterdag en zondag tussen [tijdstip] uur en [tijdstip] uur. 2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 4. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 5. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b.

zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras; d. […]. Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, augustus 2019

Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan. Artikel 2:34 (Vervallen)

Afdeling 58A. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet Artikel 2:34a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: - alcoholhoudende drank; - horecabedrijf; - horecalokcaliteit; - inrichting; - paracommerciële rechtspersoon; - sterke drank; - slijtersbedrijf; - zwak-alcoholhoudende drank; dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet. Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen Variant 1 1. Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op: a. maandag tot en met vrijdag vanaf [tijdstip] tot [tijdstip]; b. zaterdag vanaf [tijdstip] tot [tijdstip]; of c. zondag vanaf [tijdstip] tot [tijdstip]. 2. Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank verstrekken tijdens per jaar ten hoogste: a. [aantal bijeenkomsten] van persoonlijke aard; b. [aantal bijeenkomsten] die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. 3. Een paracommercieel rechtspersoon doet uiterlijk [tijdspanne] voor een bijeenkomst als bedoeld in het eerste lid, onder b, hiervan melding aan de burgemeester. Variant 2 1.

Een paracommercieel rechtspersoon die zich [voornamelijk] richt op het organiseren van activiteiten waarbij het faciliteren van sociale interactie een voorname rol speelt [, zoals studentenverenigingen, studentensportverenigingen en dorpshuizen,] kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op: a. maandag tot en met vrijdag vanaf [tijdstip] tot [tijdstip]; Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, augustus 2019

b. zaterdag vanaf [tijdstip] tot [tijdstip]; of c. zondag vanaf [tijdstip] tot [tijdstip]. 2. Overige paracommerciële rechtspersonen kunnen [onverminderd [artikel waarin sluitingstijden zijn geregeld]] alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf [aantal uren] voor de aanvang en tot uiterlijk [aantal uren] na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon. 3. Een paracommercieel rechtspersoon kan tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, in afwijking van het eerste en tweede lid, alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken met inachtneming van het volgende: a. de drank wordt verstrekt op: 1˚. maandag tot en met vrijdag vanaf [tijdstip] tot [tijdstip]; 2˚. zaterdag vanaf [tijdstip] tot [tijdstip]; of 3˚. zondag vanaf [tijdstip] tot [tijdstip]; b. er wordt geen drank verstrekt als dit zou leiden tot oneerlijke mededinging. Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven 1. Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet [sterke OF alcoholhoudende] drank te verstrekken in inrichtingen: a. die liggen in de volgende gebieden: 1°. […]; 2°. […]; b. van de volgende aard: 1°. […]; 2°. […]; c. gedurende de volgende tijdsruimten: 1°.

van [tijdstip] tot en met [tijdstip]; 2°. van [tijdstip] tot en met [tijdstip]. 2. De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwakalcoholhoudende drank. Artikel 2:34d Koppeling toegang aan leeftijden 1. Het is verboden personen jonger dan [leeftijd (max. 21 jaar)] toe te laten in een horecalokaliteit en op een terras[: a. op zondag tot en met donderdag na [tijdstip]; b. op vrijdag en zaterdag na [tijdstip]. OF waarvoor een ontheffing van de sluitingstijden is verleend als bedoeld in artikel [… (het betreft artikel 2:29, derde lid, van de VNG Model Algemene plaatselijke verordening)] van de [citeertitel Algemene plaatselijke verordeningen]. OF gelegen in een van de volgende gebieden: a. […]; b. […]. OF waar [omschrijving plaatsvindende activiteit].] 2. De vaststelling van de leeftijd geschiedt op de in artikel 20, vierde lid, van de Drank- en Horecawet bepaalde wijze.

Artikel 2:34e Beperkingen voor andere detailhandel dan slijtersbedrijven Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet [aan particulieren per […] meer dan [aantal] eenheden] zwak-alcoholhoudende drank te verstrekken vanuit winkels, warenhuizen en andere Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, augustus 2019

locaties en ruimten als bedoeld in [artikel 18, tweede lid, EN/OF artikel 19, tweede lid, onder a,] van de Drank- en Horecawet:: a. gedurende de volgende tijdsruimten: 1°. van [tijdstip] tot en met [tijdstip]; 2°. van [tijdstip] tot en met [tijdstip]; b. in de volgende gebieden: 1°. […]; 2°. […]. Artikel 2:34f Verbod ‘happy hours’ Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.

Afdeling 96. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel 2:37 (Vervallen) Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Afdeling 107. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:38a Definities 1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.

Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, augustus 2019

Met opmaak: Tabstops: 12,54 cm, Left

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen [of de [citeertitel speelautomatenhallenverordening]]. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Afdeling 118. Maatregelen ter voorkoming van tegen overlast, gevaar of schade en baldadigheid Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel 2:42 Plakken en kladden 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.

Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. 5. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 6. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan. Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42. Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, augustus 2019

Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke 1. Het is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken, grasperken of buiten de daarin gelegen wegen of paden. 2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke 1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist. 2. Dit verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of [de [citeertitel provinciale wegenverordening] OF het [citeertitel provinciaal wegenreglement]]. Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.

Het is verboden op een openbare plaats: a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1. Het is verboden zonder redelijk doel: a. zich in een portiek of poort op te houden; b. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2.

Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw. Bijlage 3/3 bij VNG ledenbrief, augustus 2019

Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt. Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. [Artikel 2:53 Bespieden van personen 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=c47a8960-989a-4b6a-954b-c6c6fd63ee1a