Brief VNG 10mei21 met ‘Wegwijzer gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid’ + toevoeging hoofdstuk 2A ‘Standplaatsen voor woonwagen’ aan VNG-model Huisvestingsverordening
Tekst van het document
• Afspraken over eventuele verborgen gebreken moeten duidelijk zijn. Vervolgens is het ook belangrijk om goede afspraken te maken over de nieuwe situatie. Hoe is dan beheer geregeld voor de standplaatsen, de woonwagens en de locatie. Doet de corporatie dit zelf? Of schakelt zij een beheerorganisatie in? Hoe gaat de nieuwe eigenaar om met huuraanpassingen en met toewijzing. Ook deze aspecten moeten onder de nieuwe situatie duidelijk geregeld zijn. Daarbij kan de gemeente zich niet geheel
62
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
terugtrekken. Inzet blijft nodig van de contactpersonen (ambtelijk en bestuurlijk) vanuit de gemeente, zodat contact op een goed niveau blijft. 5.5 Rol van het Rijk, Provincies en regio’s Het voorzien in voldoende woonwagens en standplaatsen is niet alleen een taak van lokale partijen. Ook de landelijke overheid en Provincie hebben hierin een rol te vervullen. Rijk: Informeren, stimuleren en monitoren Veel gemeenten en woningcorporaties lopen tegen de lastige financierbaarheid van de aanleg van standplaatsen en woonwagens aan. Vooral de korte afschrijftermijn en de technische eisen (bijvoorbeeld met betrekking tot duurzaamheid) maken financierbaarheid van huurwoonwagens lastig. Praktijkvoorbeelden zoals bij de locatie Beukbergen in Zeist laten zien dat financiële stimulering vanuit het Rijk of Provincie een substantiële bijdrage kan leveren in het realiseren van meer standplaatsen. Ook kan er gekeken worden of er mogelijkheden kunnen worden gecreëerd om de Starterslening ook mogelijk te maken voor woonwagens. Hierbij kan ook gedacht worden aan een expliciete uitzonderingspositie voor woonwagens als het gaat om de Wet voortgang energietransitie, zodat woonwagens niet verplicht gasloos hoeven te zijn. Het aardgasloos maken van woonwagens (van houtskeletbouw) is al wel mogelijk, maar tot nu toe zeer kostbaar, mede vanwege de korte afschrijftermijn.
Het ligt voor de hand om voor de energietransitie voor woonwagens een iets minder ambitieus tijdspad te kiezen dan voor reguliere woningen die aanzienlijk langer meegaan. Dat betekent overigens niet dat houtskeletbouw structureel ontzien moeten worden in de energietransitie. Ook bij deze woonvorm moeten we streven naar energieneutrale woningen. Daarnaast vormt deze Wegwijzer niet het definitieve antwoord op alle vragen die bij gemeenten leven. Er is een enorm verscheidenheid aan lokale situaties, afspraken die gemaakt zijn, visies van gemeenten, corporaties en woonwagenbewoners, waardoor er ook in de toekomst nieuwe vraagstukken ontstaan. Dat is ook goed, want het laat zien dat partijen continu nadenken over hoe men het woonwagen- en standplaatsenbeleid lokaal zo goed mogelijk kan invullen en uitvoeren. Maar het betekent ook dat er behoefte is aan kennisuitwisseling; een plek waar gemeenten praktische punten kunnen inbrengen en nawoord kunnen krijgen op basis van praktijkervaringen elders of denkkracht van experts. Het Rijk zou hierin een rol kunnen vervullen om tot een landelijk kenniscentrum op het vlak van woonwagen- en standplaatsenbeleid te komen.
In haar Beleidskader geeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan dat voor het Rijk vooral een taak is weggelegd om vinger aan de pols te houden als het gaat om het nakomen van internationale (mensenrechten-)verdragen. Hiervoor heeft het Rijk toegezegd om de ontwikkeling van het aanbod aan standplaatsen in Nederland te monitoren. In 2018 is hiervoor reeds een nulmeting gehouden. Het is nu zaak dat deze
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
63
nulmeting opvolging krijgt, zodat ook de voortgang sinds 2018 in beeld komt. Als er in de komende jaren te weinig voortgang wordt geboekt in het in evenwicht brengen van vraag en aanbod naar standplaatsen, zullen mogelijk ook meer sturende maatregelen moeten worden overwogen, zoals het herintroduceren van een gemeentelijke taakstelling voor standplaatsen. De lidstaat is (eind)verantwoordelijk voor het in overeenstemming brengen van het woonwagen- en standplaatsenbeleid met de mensenrechten. Provincies en regio’s: creëren gezamenlijke verantwoordelijkheid, financiering Vooral Provincies en (sub)regio’s kunnen een belangrijke rol vervullen bij het creëren van meer samenwerking en een gezamenlijke verantwoordelijkheid onder gemeenten. Een goed voorbeeld hierin is de Provincie Limburg die het initiatief heeft genomen tot een provinciaal behoeftenonderzoek naar standplaatsen en woonwagens onder alle Limburgse gemeenten. Deze gezamenlijke aanpak vergroot de vergelijkbaarheid van de onderzoeksresultaten tussen de gemeenten en voorkomt dat individuele gemeenten op dit punt hun verantwoordelijkheid ontlopen. Toch blijft er verschil in de behoefte aan standplaatsen bestaan tussen onderlinge gemeenten. Bij gemeenten met van oudsher een groot aantal standplaatsen, is de kans groter dat er een grote uitbreidingsvraag zal zijn, dan bij gemeenten met slechts enkele standplaatsen.
Met name de positie van gemeenten zonder standplaatsen is daarbij belangrijk. Hierbij kan het gaan om gemeenten die nooit over standplaatsen hebben beschikt, maar ook om gemeenten die na afschaffing van de Woonwagenwet het aanbod aan standplaatsen volledig hebben afgebouwd. De kans dat bij deze gemeenten een grote behoefte naar standplaatsen zal zijn, is betrekkelijk klein. De vraag is echter of deze gemeenten daarmee ook geen enkele rol spelen bij het voorzien in standplaatsen en woonwagens. Hierbij kunnen Provincies en/of subregio’s een verbindende rol spelen om een gezamenlijke verantwoordelijkheid te creëren. Dit is echter niet afdwingbaar. Met het intrekken van de Woonwagenwet bestaat er immers geen taakstelling voor Provincies op het gebied van standplaatsen meer. Wel kunnen partijen met elkaar verkennen of gemeenten met veel bouwmogelijkheden een deel van de opgave van gemeenten met weinig tot geen fysieke bouwmogelijkheden over kunnen nemen, mits daarbij ook de woonwagenbewoners zelf worden betrokken. Daarom zal het gesprek hiervoor met de direct aangrenzende buurgemeenten gevoerd moeten worden. Daarbij is het ook goed om de mogelijkheden voor financiële compensatie voor gemeenten met een zeer grote opgave te verkennen. Met zo’n financieel compensatiefonds is bijvoorbeeld de aanleg en herstructurering van woonwagenlocatie Zeist mede mogelijk gemaakt.
64
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Praktijkvoorbeeld: Regionale samenwerking Regionaal handelingsperspectief Noordoost Brabant De 17 gemeenten in de regio Noordoost Brabant zijn tot een regionaal handelingsperspectief woonwagenbeleid gekomen. Doel hiervan is dat er meer transparantie komt voor standplaatszoekenden, dat gemeenten van elkaar kunnen leren. Daarnaast is de veronderstelling dat een groot deel van de behoefte regionaal georiënteerd is. Door voor een regionale aanpak te kiezen, kan een waterbedeffect tussen gemeenten worden voorkomen. Een goed voorbeeld hierbij is het procesvoorstel om tot uitbreiding van het aantal standplaatsen te komen. 1. Gemeenten brengen de behoefte aan standplaatsen in beeld (de wijze waarop dit gebeurt staat vrij). Op termijn streeft de regio naar één centraal inschrijfpunt om continu zicht te hebben op het aantal standplaatszoekenden. 2. Bij een behoefte aan extra standplaatsen zal een gemeente de mogelijkheid hiervoor in de eerste plaats binnen de eigen gemeente verkennen. 3. Lukt dat niet, dan wordt in regionaal verband gekeken naar gemeenten waar het aantal standplaatsen nu lager is dan gemiddeld in de regio (gebaseerd op een nulmeting die de regio heeft uitgevoerd); thans 1,3 staanplaatsen per 1.000 woningen. 4.
In regionaal overleg wordt de casus besproken en wordt gekeken welke gemeente(n) een deel van de behoefte over zouden kunnen nemen, waarbij ook rekening wordt gehouden met familieverbanden op huidige en toekomstige locaties. Het handelingsperspectief is voorgelegd aan de Vereniging Behoud Woonwagencultuur Nederland, die de regio van advies heeft voorzien.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
65
6 De belangrijkste aanbevelingen De vorige hoofdstukken bieden een basis om het Beleidskader concreet invulling te geven. Waarschijnlijk zal er op een aantal punten in de toekomst nog aandachtspunten ontstaan die opgelost moeten worden, maar op veel punten kunnen gemeenten, samen met corporaties, woonwagenbewoners en beheerorganisaties al aan de slag. De belangrijkste aanbevelingen worden hieronder kort weergeven: 1 Investeer in de relatie met woonwagenbewoners De belangrijkste aanbeveling van allemaal; ga als gemeente in gesprek met de woonwagenbewoners in de gemeente. Weet wat er speelt; of het nu gaat om de behoefte aan standplaatsen of het onderhoud van de openbare ruimte. Betrek de bewoners bij het opstellen van het beleid en zorg ook na het opstellen van het beleid voor een duidelijk aanspreekpunt binnen de gemeente. 2 Positieve verplichting voor gemeenten De uitspraken van het EHRM, het onderzoek van de Nationale Ombudsman en het Beleidskader vanuit het Ministerie zijn in hun aanbevelingen helder; gemeenten moeten hun woonwagen- en standplaatsenbeleid in lijn brengen met het mensenrechtelijk kader. Dit betekent niet dat woonwagenbewoners in alle gevallen recht hebben op een standplaats, wel dat gemeenten een positieve verplichting hebben om ervoor te zorgen dat woonwagenbewoners binnen afzienbare tijd kans maken op een standplaats indien daar behoefte naar is.
3 Ken de specifieke wooncultuur en de mensenrechten Een mensenrechten-proof woonwagen- en standplaatsenbeleid vergt een omslag in denken en doen van gemeenten en samenwerkingspartners. Om hier op een goede manier invulling aan te kunnen geven moeten gemeenten investeren in de bewustwording en erkenning van de woonwagencultuur, zowel binnen de eigen organisatie, alsook in de samenwerking met externe partijen (corporaties, beheerorganisaties, omwonenden) die betrokken zijn bij het woonwagenbeleid. Investeer in bewustwording over het belang en de waarde van het materiele gelijkheidsbeginsel en de mensenrechten van woonwagenbewoners. 4 Doe onderzoek naar de behoefte De basis voor een mensenrechten-proof woonwagen- en standplaatsenbeleid is een goed inzicht in vraag en aanbod naar standplaatsen en woonwagens. Zonder dit onderzoek kan je als gemeente niet stellen dat er wel of geen behoefte is aan (extra) standplaatsen.
66
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
5 Weeg verschillende (ruimtelijke) belangen zorgvuldig af Veel gemeenten hebben -naast de opgave voor woonwagenstandplaatsen- de komende jaren te maken met een grote woningbouwopgave voor reguliere woningen, terwijl de ruimtelijke mogelijkheden beperkt zijn. Weeg al deze toekomstige ruimteclaims goed tegen elkaar af, waarbij terdege rekening wordt gehouden met het gegeven dat er vaak in voorgaande jaren weinig tot geen standplaatsen zijn toegevoegd. 6 Voer het gesprek over gewenste kwaliteit en haalbaarheid Het is belangrijk om rekening te houden met de specifieke woonbehoefte zoals het leven in familieverband en een woonwagen van houtskeletbouw. In de praktijk kan het soms lastig zijn om (zeker) op korte termijn aan deze wensen tegemoetkomen, door financiële of ruimtelijke beperkingen. Dit is een spanningsveld tussen enerzijds praktische uitvoerbaarheid en anderzijds de mensenrechten van woonwagenbewoners. Ga in dat geval hierover in gesprek met woonwagenbewoners. Bekijk samen of andere alternatieven sneller te realiseren zijn, zonder dat woonwagenbewoners gedwongen worden te verhuizen naar een woning die hen niet in staat stelt om volgens hun eigen woonwagencultuur te leven. 7 Toewijzen aan de doelgroep woonwagenbewoners Als er eenmaal standplaatsen zijn gerealiseerd, is het zaak dat deze ook in de toekomst weer ten goede komen aan de doelgroep woonwagenbewoners.
Pas bij toewijzing van huurstandplaatsen eventueel het afstammingsbeginsel toe. Bij koopstandplaatsen is een kettingbeding wenselijk om te voorkomen dat een standplaats aan een hoogste bieder − die niet tot de doelgroep behoort − wordt verkocht. 8 Creativiteit en innovatie gewenst Gemeenten, corporatie en beheerorganisaties constateren dat het lastig is om een betaalbare woonwagen te ontwikkelen die tevens voldoet aan alle kwaliteitseisen die vandaag de dag gelden (bijvoorbeeld op het vlak van duurzaamheid). Hiervoor is creativiteit en innovatie nodig. Start pilots om tot een haalbare businesscase voor aardgasloze woonwagens te komen, werk samen met regiopartners om tot een standaardproduct te komen, waardoor ontwikkelingskosten kunnen worden gedeeld. 9 Afspraken maken, maar ook daadkracht tonen In deze Wegwijzer is het proces geschetst om tot woonwagen- en standplaatsenbeleid te komen en hier uitvoering aan te geven. Hierbij zijn verschillende situaties geschetst die in de praktijk voor kunnen komen. Toch is het ook zaak om niet te verzanden in het maken van afspraken, het opstellen van kwaliteitseisen en behoeften te onderzoeken, maar ook daadkracht te tonen. Begin bij het laaghangend fruit; waar kunnen op korte termijn enkele standplaatsen gereed worden gemaakt, waar bewoners zelf een wagen kunnen plaatsen? Maak werk van het onderhoud van openbare ruimte.
Ook al zijn dit soms kleine stapjes; het zien dat er zaken in beweging komen, helpt bij het maken van goede werkafspraken voor de lange termijn.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
67
68
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Bijlagen
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
69
1 Geraadpleegde bronnen Documenten • Woonwagenbewoners in Nederland 1880-2006, Primo-nh (2006) • Een meter boven het maaiveld; wonen in een energiezuinige wagen, Erik van der Hoeven, Het Wiel (2014) • Woonwagencultuur is erkend als immaterieel cultureel erfgoed, Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland (2015) • De cultuur van de woonwagenbewoner; behouden of laten uitsterven? Marcel Bergema (2015) • Woonwagenbewoner zoekt standplaats, De Nationale Ombudsman (2017) • Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (2018) • Woonwagencultuur mag toch blijven, Claire Loven, Leonie Huijbers (2018) • Advies inzake Woonwagen- en standplaatsenbeleid, College voor de Rechten van de Mens (2018) • Begeleidend advies bij uitvoering nieuw Gemeentelijk Woonwagen- en standplaatsenbeleid, Woonwagenbelangen Nederland / Vereniging Sint Roma Woonwagenbewoners Nederland (2018) • Advies gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid, Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland (2019) • Investeren in mensen, investeren in communicatie; handreiking woonwagenzaken, Kay Thijssen (2019) • Pushing for political land legal change: Protecting the cultural identity of travellers in the Netherlands, Leonie Huijbers, Claire Loven (2019) • Advies woonwagen- en standplaatsenbeleid, Woonwagenbelangen Amsterdam / Vereniging Sint Roma
Woonwagenbewoners Nederland (2020) • Advies inzake Amsterdams woonwagen- en standplaatsenbeleid, Woonwagenbelangen Amsterdam / Vereniging Sint Roma Woonwagenbewoners Nederland (2020) Interviews • Piet van Assendorp, Cees Groenendaal (Vereniging behoud Woonwagencultuur Nederland) 9 januari en 11 september 2020 • Sabina Achterbergh (Vereniging Sinti Roma Woonwagenbewoners Nederland) 15 januari en 9 september 2020 • Michael Schmidt (Woonwagenbelangen Amsterdam) 15 januari en 9 september 2020 • Galit Brassem Weiss (Vereniging Woonwagenbewoners in Actie) 15 januari en 9 september 2020 • Paul Joppen (Paul Joppen Project en procesmanagement) 3 februari 2020 • Gerald Wiebing (Gemeente Apeldoorn) 20 februari 2020
70
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
• • • • • • • • •
Jeroen van der Kamp (Gemeente Arnhem) 9 maart 2020 Peter Guijen (PIM Zuid) 10 maart 2020 Bülent Isik (Gemeente Zeist) 13 maart 2020 Marieke Ruitenburg, Frans Weerkamp (Nationale Ombudsman) 27 augustus 2020 Leonie Huijbers, Odile Verhaar (College voor de Rechten van de Mens) 4 september 2020 Paula Bloemers (Travellers United Nederland) 9 september 2020 Doet Kalkenkoot (Travellers United Nederland) 9 september 2020 Tonnie Bosvelt (huurdersvereniging Woonwagenbewoners Arnhem) 9 september 2020 Wendy Kraaikamp (Kraaikamp Chalet- en woonwagenbouw) 24 september 2020
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
71
2 Overzicht historie woonwagen- en standplaatsenbeleid De huidige wetgeving en beleidskaders die van invloed zijn op woonwagens- en standplaatsen kunnen niet alleen worden begrepen door de woorden en de strekking daarvan, maar ook door de context te kennen waarin deze in het verleden tot stand zijn gekomen. Op deze manier wordt inzichtelijk gemaakt hoe wetgeving en beleid zich door de jaren heen tot elkaar hebben verhouden.72 1918 - Invoering Woonwagenwet: vergunningplicht standplaatsen In juli 1918 is de eerste landelijke Woonwagenwet ingevoerd.73 Deze wet bevatte voorwaarden waaraan woonwagens en woonwagenbewoners moesten voldoen om in aanmerking te komen voor een vergunning. Bij de inwerkingtreding van deze wet vervielen alle provinciale, gemeentelijke en waterschapverordeningen betreffende woonwagens en woonschepen.74 De gemeenteraden behielden echter wel hun bevoegdheid om aanvullende regels vast te stellen. Voordeel van de invoering van deze wet was dat woonwagenbewoners niet langer weggestuurd konden worden van de woonwagenlocaties. Een nadelig effect van de wet was de (verdere) segregatie van de woonwagenbewoners: de woonwagenlocaties waren doorgaans ver verwijderd van bestaande dorpen en steden.
Een ander nadelig effect van deze wet was de beperking van de trekvrijheid: in bepaalde gemeenten gold het verbod om met een woonwagen de openbare weg te betreden en/ of een algeheel verbod om met een woonwagen in gemeenten te verblijven.75 1957 – Aanpassing Woonwagenwet In 1957 volgde er een wijziging van de Woonwagenwet.76 De wetswijziging beoogde de woonwagenbewoners te concentreren op ruim vijftig grote regionale woonwagencentra, die door gemeenten gezamenlijk opgericht konden worden (‘het concentratiebeleid’). De woonwagenbevolking werd zodoende geconcentreerd gehuisvest op regionale centra met eigen voorzieningen op het terrein van wonen, werken, welzijn, recreatie en
72 Zie voor een uitgebreide omschrijving van de ontwikkeling van het woonwagenbeleid: VROM- inspectie, Eigentijds omgaan met woonwagenbewoners. Opmaat naar normalisatie. Maart 2009, p. 7. 73 Officieel heet deze Wet betreffende woonwagens en woonschepen (Staatsblad 1918, 492). 74 Artikel 31 van de Wet betreffende woonwagens en woonschepen. 75 Zie bijlage van de Memorie van toelichting inzake Regeling betreffende woonwagens en woonschepen 1912-1913 (194, nr. 4.) 76 Kamerstukken ll, 1955/56, 4363, nr. 2.
72
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
onderwijs.77 Het concentratiebeleid had tot doel om met behoud van de eigen cultuur de woonwagenbewoners in staat te stellen om te functioneren in de samenleving.78 1968 – Nieuwe herziening Woonwagenwet: van grote regionale woonwagencentra naar kleinschalige locaties Uit de Regeringsnota Woonwagen- en standplaatsenbeleid bleek dat het concentratiebeleid tot allerlei onbedoelde en vooral ongewenste effecten had geleid.79 De Woonwagenwet werd in 1968 aangepast met als doel gelijke kansen voor woonwagenbewoners ten opzichte van bewoners van (on)zelfstandige woningen.80 Met de Regeringsnota woonwagen- en standplaatsenbeleid werd gekozen voor decategorisering, normalisatie en deconcentratie.81 Niet langer werd gestreefd naar grote regionale woonwagencentra, maar juist kleine centra met tien tot vijftien standplaatsen verdienden de voorkeur.
Aan iedere gemeente werd een verplichting opgelegd om op het eigen grondgebied en dichtbij de bebouwde kom een woonwagencentrum in stand te houden of aan te leggen.82 Voor de verdeling van het aantal centra en standplaatsen werd ook een provinciale planning noodzakelijk geacht.83 Het wonen in een wagen was uitsluitend voorbehouden aan twee groepen, te weten aan de trekkers (kermisexploitanten, circusmensen en wegenbouwers) en aan degenen die voor 1971 in een wagen woonden en hun nakomelingen.84 Deze laatste beperking is bekend geworden als het afstammingsbeginsel. 1999 – Afschaffing Woonwagenwet In 1991 werd vastgelegd dat alle aparte regels en wetten voor woonwagenbewoners gefaseerd afgeschaft moesten worden. De laatste stap hierin was de algehele afschaffing van de Woonwagenwet in 1999. In feite vormde dit een formele stap om gemeenten integraal verantwoordelijk te maken voor het volkshuisvestingsbeleid, waarvan de huisvesting van woonwagenbewoners onderdeel uitmaakt. Dit had mede het gevolg voor gemeenten dat zij werden ontslagen van hun verplichting om voor woonwagenbewoners een exclusief beleid te formuleren. Hierdoor zijn allerlei bijzondere maatregelen en voorzieningen die via de wet mogelijk waren, opgeheven. Wonen in een woonwagen is door deze ontwikkeling in feite ‘een woonwens geworden’.
77 Kamerstukken ll, 1993/1994, 23 443, nr. 3. 78 VROM- inspectie, Eigentijds omgaan met woonwagenbewoners. Opmaat naar normalisatie, maart 2009, p. 9. 79 In het jaar 1973 is besloten om een integraal plan voor het woonwagenbeleid te doen opstellen. Doel was om de kloof tussen de woonwagenbevolking en de samenleving te overbruggen; zie ook: Kamerstukken II, 1974/75, 13 471, nr. 2. 80 Kamerstukken II, 1974/75, 13 471, nr. 2; Rapport Staatscommissie Vervanging Armenwet, 1948. 81 Kamerstukken II, 1976/77, 14 250, nr. 2. 82 Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid 2018, p. 10. 83 J. Overbekking, Woonwagenbeleid, 20 jaar later en halverwege: een evaluatie van het sinds 1975 gevoerde beleid, Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur 1974, p. 119. 84 M.S. Rooker, ‘Woonwagenbewoners, wat nu? De afschaffing van artikel 18 Woonwagenwet,’ MR 1996/7, p. 155-160.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
73
2006 – Handreiking Ministerie Binnenlandse Zaken: afbouw van standplaatsen Na afschaffing van de Woonwagenwet bleven veel gemeenten in hun maag zitten met het beheer van woonwagenlocaties. De overdracht naar woningcorporaties slaagde maar ten dele. Vooral op het vlak van handhaving was vaak sprake van jarenlange gedoogsituaties. Een handreiking vanuit het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) over beleid en handhaving van woonwagenlocaties moest daarover meer duidelijkheid bieden (2006). In deze handreiking zijn diverse beleidsopties voorgesteld over hoe om te gaan met het bieden van standplaatsen: de nuloptie, het afbouwbeleid, het woonvisiebeleid, het ‘vraag specifieke beleid’ en het ‘neutraal beleid’.85 In de praktijk hebben veel gemeenten in deze periode voor een afbouwbeleid (ook wel uitsterfbeleid) gekozen. Tot het uitkomen van het Beleidskader van het Ministerie (2018) is daardoor het aantal standplaatsen in Nederland fors teruggelopen. Na 2006 – toenemende aandacht woonwagencultuur en mensenrechten Na de publicatie van de handreiking in 2006 hebben zich vele ontwikkelingen voorgedaan.86 Diverse woonwagenorganisaties hebben aandacht gevraagd voor de afbouw van het aantal standplaatsen voor woonwagenbewoners in Nederland.
Het EHRM oordeelde dat Europese lidstaten een positieve verplichting hebben om de identiteit en levensstijl van de woonwagenbewoners te beschermen en te faciliteren. Het EHRM was niet de enige Europese instantie die zich uitsprak over de positie van de woonwagenbewoners in Europa. Zo hebben de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie van de Raad van Europa (2008 en 2013) en het VN Comité tegen Rassendiscriminatie (2015) aanbevelingen gedaan aan de Nederlandse staat om de mensenrechtensituatie van woonwagenbewoners te verbeteren. In Nederland heeft het CRvdM sinds 2014 diverse zaken behandeld waarin woonwagenbewoners klagen over het zogenaamde ‘uitsterfbeleid’ van hun gemeente en woningcorporatie. Het CRvdM oordeelde dat het aanbod van woonruimte voor woonwagenbewoners (in de vorm van standplaatsen) voldoende gelijkwaardig moet zijn aan het aanbod van sociale huurwoningen.87 Ook oordeelde het in 2017 dat de Rijksoverheid met de Handreiking uit 2006 woonwagenbewoners discrimineerde door het zogeheten ‘uitsterfbeleid’ als beleidsoptie voor te stellen aan gemeenten.88 Daarmee legitimeerde het immers dit gemeentelijk beleid.
Eveneens in 2017 heeft de Nationale Ombudsman (op vraag van meerdere woonwagenbewoners en -organisaties) een rapport uitgebracht waaruit blijkt dat het huidige woonwagen- en standplaatsenbeleid niet houdbaar is ten aanzien van het mensenrechtelijk kader.89 Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft vervolgens een nulmeting gehouden om
85 VROM- inspectie 2006, Werken aan Woonwagenlocaties, Handreiking voor Gemeenten: Over Beleid en Handhaven, nr. 6374. 86 Zie voor uitgebreide weergave van deze ontwikkeling: L.M. Huijbers en C.M.S. Loven, Pushing for Political and Legal Change: Protecting the Cultural Identity of Travellers in the Netherlands 2019, Journal of Human Rights Practice. 87 College voor de rechten van de mens, oordeelnummers 2014-165, 2014-166, 2014-167, 2015-61, 2016-19, 2016-64, 2016-67, 2016-68, 2016-71, 2016-72, 2016-109, 2016-110, 2016-139, 2016-19, 2016-109 en 2016-139. 88 College voor de rechten van de mens, oordeelnummer 2017-55. 89 Nationale Ombudsman (2017), Woonwagenbewoner zoekt standplaats, Een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de overheid voor woonwagenbewoners.
74
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
het huidige aantal standplaatsen in kaart te brengen.90 Daarna is in 2018 het nieuwe Beleidskader uitgebracht. In deze periode zijn ook de eerste onderzoeken uitgevoerd naar de standplaatsbehoefte in verschillende Nederlandse gemeenten, waarbij in veel gevallen ook de expertise werd ingeroepen van organisaties als de Vereniging Sinti Roma woonwagenbewoners Nederland en de Vereniging behoud Woonwagencultuur Nederland. De historie van het woonwagen- en standplaatsenbeleid in Nederland (vanaf de invoering van de eerste Woonwagenwet in 1918 tot het uitkomen van het Beleidskader, honderd jaar later) laat een voortdurende verandering zien in het denken over het woonwagenleven en het wonen op woonwagenlocaties. Van beleid dat gericht is op het creëren van enkele grotere woonwagenlocaties met veel standplaatsen, naar een beleid dat gericht is op veel kleinere locaties. Het voortdurend wisselende beleid toont de worsteling aan die zowel Rijk als gemeenten hebben over hoe woonwagenbewoners een goede plek binnen de samenleving kunnen krijgen. Tegelijkertijd hebben sommige beleidsrichtingen in het verleden invloed gehad op de (versterking van) de identiteit van woonwagenbewoners, doordat men steeds meer gedwongen werd om op vaste woonwagenlocaties te gaan wonen. Hierdoor moest men weliswaar het reizigersbestaan nagenoeg volledig opgeven, maar werden de onderlinge banden juist versterkt.91
90 Companen in opdracht van Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, 10 oktober 2020. Woonwagenstandplaatsen in Nederland (nulmeting). 91 Advies gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid van Vereniging Behoud Woonwagencultuur in Nederland (2019), p. 22; ‘Woonwagenbewoners in Nederland (1880-2006), PRIMOnh (2006), p. 7.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
75
3 Voorbeeld vragenlijst (basis) Inwonende personen 1
Op welke woonwagenlocatie woont u nu?
2
Bent u van plan om binnen vijf jaar te verhuizen naar een eigen woning of een woonwagen(standplaats)? (één antwoord mogelijk) ja ga naar vraag 3 misschien ga naar vraag 3 nee ga naar vraag 8 3 Binnen welke termijn wilt u verhuizen? (één antwoord mogelijk) binnen 1 jaar binnen 1 tot 2 jaar binnen 2 tot 5 jaar over meer dan 5 jaar weet niet 4
Wilt u verhuizen naar een woonwagen en/of woonwagenstandplaats? (één antwoord mogelijk) ja ga naar vraag 5 misschien ga naar vraag 5 nee ga naar vraag 8 5 Waar gaat uw voorkeur naar uit? (één antwoord mogelijk) een koopwoonwagen op gekochte standplaats een koopwoonwagen op gehuurde standplaats een huurwoonwagen op gehuurde standplaats een huurwoonwagen op gekochte standplaats geen voorkeur 6 Waar wilt u het liefst naar toe verhuizen? (één antwoord mogelijk) naar een andere/nieuwe standplaats op mijn huidige woonwagenlocatie naar een andere woonwagenlocatie in de gemeente <naam> naar een woonwagenlocatie buiten de gemeente <naam> geen voorkeur
76
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
7
Met hoeveel personen wilt u straks in de woonwagen gaan wonen? (één antwoord mogelijk) alleen met 2 personen met meer dan 2 personen weet ik niet 8
Wat is uw leeftijd?
9
Heeft u nog vragen of wilt u ons nog iets meegeven?
Vertrokken personen 1
Heeft u in het verleden op een standplaats in gemeente <naam> gewoond? (één antwoord mogelijk) ja ga naar vraag 2 nee u behoort niet tot de doelgroep en hoeft de vragenlijst niet in te vullen 2
Waarom bent u toen verhuisd?
3 Wilt u weer naar een woonwagen verhuizen? (één antwoord mogelijk) ja ga naar vraag 4 misschien ga naar vraag 4 nee ga naar vraag 9 4
Waarom wilt u weer naar een woonwagen verhuizen?
5 Binnen welke termijn wilt u verhuizen? (één antwoord mogelijk) binnen 1 jaar binnen 1 tot 2 jaar binnen 2 tot 5 jaar over meer dan 5 jaar weet ik niet 6 Waar gaat uw voorkeur naar uit? (één antwoord mogelijk) koopwoonwagen op gekochte standplaats koopwoonwagen op gehuurde standplaats huurwoonwagen op gehuurde standplaats huurwoonwagen op gekochte standplaats geen voorkeur
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
77
7 Waar wilt u het liefst naar toe verhuizen? (één antwoord mogelijk) naar een woonwagenlocatie in de gemeente <naam> naar een woonwagenlocatie buiten de gemeente <naam> geen voorkeur 8
Met hoeveel personen wilt u straks de nieuwe woonwagen betrekken? (één antwoord mogelijk) alleen met 2 personen met meer dan 2 personen weet ik niet 9 Hoe is uw huishouden samengesteld? (één antwoord mogelijk) alleenstaand (echt)paar zonder kinderen gezin met thuiswonende kinderen gezin met uitwonende kinderen alleenstaande ouder met thuiswonende kinderen alleenstaande ouder met uitwonende kinderen samengesteld gezin (grootouder(s), kinderen, kleinkind(eren)) anders, namelijk: 10 Wat is uw leeftijd? 11 Heeft u nog vragen of opmerkingen?
78
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
3
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 2514 JS Den Haag +31 70 373 83 93 info@vng.nl April 2021
Was-wordt-tabel Wijziging Model Huisvestingsverordening 2014 (gewijzigd model, april 2021)
Leeswijzer modelbepalingen - […] of (bijvoorbeeld) [iets] = door gemeente in te vullen. - [iets] = facultatief. - [iets EN/OF iets] = door gemeente te kiezen. - [(iets)] = een voorbeeld ter illustratie of uitleg voor gemeente. - Combinaties zijn ook mogelijk. In de ‘bestaande tekst’ zijn de woorden en leestekens waaraan iets verandert, cursief gezet en – als het een facultatieve bepaling betreft – eveneens onderstreept (aangezien dan de hele bepaling cursief is i.v.m. het facultatieve karakter). In de ‘nieuwe tekst’ zijn de nieuwe woorden en leestekens vet gedrukt en – als de tekst al vet was gedrukt ook onderstreept.
Artikel 1 (artikel I, onderdeel A, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: [- inwoning: bewoning van een woonruimte die onderdeel uitmaakt van een woonruimte die door een ander huishouden in gebruik is genomen;] - mantelzorg: hulp als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; [- onzelfstandige woonruimte: woonruimte, niet zijnde woonruimte bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;] - wet: Huisvestingswet 2014; - woningcorporatie: toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet die feitelijk werkzaam is in de gemeente; [- woningmarktregio: [beschrijving gebied];] - woningzoekende: huishouden dat in het inschrijfsysteem als bedoeld in artikel 4 is ingeschreven.
Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: [- inwoning: bewoning van een woonruimte die onderdeel uitmaakt van een woonruimte die door een ander huishouden in gebruik is genomen;] - mantelzorg: hulp als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; [- onzelfstandige woonruimte: woonruimte, niet zijnde woonruimte bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;] - wet: Huisvestingswet 2014; - woningcorporatie: toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet die feitelijk werkzaam is in de gemeente; [- woningmarktregio: [beschrijving gebied].]
Artikel 4 (artikel I, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4. Inschrijfsysteem van woningzoekenden 1. [Verhuurders OF Woningcorporaties OF
Artikel 4. Inschrijfsysteem van woningzoekenden 1. [Verhuurders OF Woningcorporaties OF
Bijlage 1/4 bij VNG ledenbrief, april 2021
Particuliere verhuurders] dragen in het kader van deze verordening zorg voor het aanleggen en bijhouden van een uniform inschrijfsysteem van woningzoekenden. 2. Zij stellen regels op over de wijze van inschrijving, registratie van gegevens, opschorting en einde van de inschrijving. 3. De woningzoekende ontvangt een bewijs van inschrijving. 4. Indien een jongere als bedoeld in artikel 7:274c, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek een huurovereenkomst op grond van dat artikel is aangegaan, vervalt de inschrijving van die jongere om in aanmerking te komen voor een woonruimte niet. 5. Indien een huurder een huurovereenkomst voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 271, eerste lid, tweede volzin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is aangegaan, vervalt de inschrijving van die huurder om in aanmerking te komen voor een woonruimte niet.
Particuliere verhuurders] dragen in het kader van deze verordening zorg voor het aanleggen en bijhouden van een uniform inschrijfsysteem van woningzoekenden. 2. Zij stellen regels op over de wijze van inschrijving, registratie van gegevens, opschorting en einde van de inschrijving. 3. De woningzoekende ontvangt een bewijs van inschrijving. 4. Indien een jongere als bedoeld in artikel 7:274c, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek een huurovereenkomst op grond van dat artikel is aangegaan, vervalt de inschrijving van die jongere om in aanmerking te komen voor een woonruimte niet. 5. Indien een huurder een huurovereenkomst voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 7:271, eerste lid, tweede volzin, van het Burgerlijk Wetboek is aangegaan, vervalt de inschrijving van die huurder om in aanmerking te komen voor een woonruimte niet.
Na artikel 13 (artikel I, onderdeel C, van het wijzigingsbesluit) wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
[HOOFDSTUK 2A. Standplaatsen voor woonwagens Artikel 13a. Aanwijzing woonwagenlocatie De standplaatsen die enkel voor bewoning in gebruik mogen worden genomen of gegeven als burgemeester en wethouders daarvoor een huisvestingsvergunning hebben verleend, zijn gelegen in de [volgende locaties van de gemeente: a. […]; b. […], en c. […]. OF in bijlage 2 aangegeven locaties van de gemeente].
Bijlage 1/4 bij VNG ledenbrief, april 2021
Artikel 13b. Standplaatsverbod behoudens huisvestingsvergunning 1. Het is verboden zonder huisvestingsvergunning of in afwijking daarvan een standplaats in gebruik te nemen of te hebben. 2. Een huisvestingsvergunning voor een standplaats kan alleen worden verleend voor een standplaats op een aangewezen locatie waar standplaatsen voor woonwagens [zijn OF kunnen worden] ingericht (woonwagenlocatie). 3. Een huisvestingsvergunning voor een standplaats kan alleen worden verleend aan een persoon die is ingeschreven in het inschrijfsysteem voor standplaatsen of die al beschikt over een huisvestingsvergunning voor een andere standplaats in de gemeente. 4. Bij overlijden van de vergunninghouder vervalt de huisvestingsvergunning voor de standplaats. Een achterblijvend persoon kan aanspraak maken op de overschrijving van de huisvestingsvergunning op zijn naam, mits deze persoon op de datum van overlijden op hetzelfde adres als de overledene in de gemeentelijke basisregistratie personen stond geregistreerd. Artikel 13c. Toepasselijkheid van hoofdstuk 2 Op degenen die een standplaats zoeken (standplaatszoekenden) zijn de artikelen 3, aanhef en onder b, 4, tweede tot en met vijfde lid, 5, tweede en derde lid, 8 tot en met 11 en 13 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13d. Inschrijfsysteem voor standplaatsen 1. Burgemeester en wethouders zorgen voor een inschrijfsysteem voor standplaatsen, waarin alleen standplaatszoekenden kunnen worden ingeschreven die deel uitmaken van een culturele groep waarbij de woonwagen onderdeel is van de culturele identiteit. Daartoe worden in elk geval gerekend Roma, Sinti, reizigers en circus- en kermisfamilies met een woonwagenverleden. 2. Bij overlijden van de standplaatszoekende vervalt de inschrijving. Een achterblijvend persoon kan aanspraak maken op de inschrijving in het inschrijfsysteem, mits deze persoon op de datum van overlijden op hetzelfde adres als de
Bijlage 1/4 bij VNG ledenbrief, april 2021
overledene in de gemeentelijke basisregistratie personen stond geregistreerd. 3. De inschrijving vervalt niet als de standplaatszoekende op grond van hoofdstuk 2 woonruimte krijgt toegewezen en deze accepteert. 4. Zodra een standplaats vrijkomt, stellen burgemeester en wethouders de ingeschrevenen in het inschrijfsysteem daarvan in kennis en wijzen zij hen erop dat zij een aanvraag om een huisvestingsvergunning voor die standplaats kunnen indienen. Artikel 13e. Voorrangsregeling huisvestingsvergunning 1. Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor een standplaats komen achtereenvolgens in aanmerking: a. standplaatszoekenden die zijn ingeschreven in het inschrijfsysteem voor standplaatsen en een urgentieverklaring hebben; b. standplaatszoekenden die zijn ingeschreven in het inschrijfsysteem voor standplaatsen en die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de woonwagenlocatie; c. standplaatszoekenden met een huisvestingsvergunning voor een andere standplaats op de betreffende woonwagenlocatie; d. standplaatszoekenden die inwonen bij en in familierelatie staan tot een hoofdbewoner op een andere standplaats op de betreffende woonwagenlocatie; e. standplaatszoekenden met een huisvestingsvergunning voor een standplaats op een andere woonwagenlocatie in de gemeente; f.
standplaatszoekenden die inwonen bij en in familierelatie staan tot een hoofdbewoner op een standplaats op een andere woonwagenlocatie in de gemeente; g. standplaatszoekenden die staan ingeschreven in het inschrijfsysteem en die vóór [datum] in een woonwagen op
Bijlage 1/4 bij VNG ledenbrief, april 2021
een standplaats woonden of hebben gewoond; h. overige standplaatszoekenden in de gemeente die staan ingeschreven in het inschrijfsysteem; [i. overige standplaatszoekenden uit de regio [naam regio] die staan ingeschreven in het inschrijfsysteem;] [j. overige standplaatszoekenden uit de provincie [naam provincie].] 2. Voor elk van de categorieën, genoemd in het eerste lid, geldt dat de standplaatszoekende met de oudste inschrijfdatum voorgaat op andere standplaatszoekenden uit dezelfde categorie. 3. Als een standplaatszoekende in aanmerking wil komen voor toepassing van de voorrangsregeling van het eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders voor zover noodzakelijk verlangen dat een standplaatszoekende aannemelijk maakt dat hij aan de genoemde vereisten voldoet. [4. Een adviescommissie van bewoners van de betreffende woonwagenlocatie adviseert burgemeester en wethouders over de toepassing van de voorrangsregeling voor zover het standplaatszoekenden betreft die zijn ingeschreven in het inschrijfsysteem voor standplaatsen.] 5. Burgemeester en wethouders kunnen om redenen van passendheid afwijken van de rangorde in het eerste lid. Deze afwijking wordt in de verleningsbeschikking afzonderlijk gemotiveerd. 6.
Als een standplaatszoekende al over een huisvestingsvergunning voor een standplaats beschikt en een andere huisvestingsvergunning krijgt en daarvan gebruik maakt, vervalt daarmee de eerdere huisvestingsvergunning. Artikel 13f. Overgangsbepaling De hoofdbewoners van woonwagens op een standplaats die bij het in werking treden van dit hoofdstuk op dat adres staan ingeschreven in de gemeentelijke basisregistratie personen, beschikken van rechtswege over een huisvestingsvergunning voor hun standplaats.]
Bijlage 1/4 bij VNG ledenbrief, april 2021
Toelichting Algemeen De wijziging van de [citeertitel Huisvestingsverordening 2014] omvat [naast invoeging van een hoofdstuk met een regeling voor standplaatsen voor woonwagens, ook] enkele wetgevingstechnische en redactionele verbeteringen. [Standplaatsen voor woonwagens Met invoeging van hoofdstuk 2A wordt voorzien in de toewijzing van standplaatsen door middel van huisvestingsvergunningen. Het beschikken over passende regels voor de toedeling van deze vorm van woonruimte dient, net als andere vormen van woonruimte, te berusten op de wet. Anders dan de reguliere woonruimte moet de toewijzing van standplaatsen ook voldoen aan de mensenrechtelijke eisen die onder andere volgen uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) en de oordelen van het College voor de Rechten van de Mens (EHRM 27 mei 2004, nr. 66746/01 (Connors/VK); EHRM 17 oktober 2013, nr. 27013/07 (Winterstein/Frankrijk); EHRM 18 januari 2001, nr. 27238/95 Chapman/VK; EHRM 8 december 2009, nr. 49151/07 (Munos Diaz/Spanje). Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt onder meer dat de overheid een positieve verplichting heeft om de identiteit en de levensstijl van woonwagenbewoners te beschermen en te faciliteren. Dit kan betekenen dat woonwagenbewoners een gedifferentieerde behandeling krijgen ten opzichte van andere woningzoekenden.
Hoewel standplaatsen ‘woonruimte’ zijn in de zin van de wet, is de wijze waarop de huisvestingsvergunning wordt geregeld niet identiek aan die van niet-standplaatsen. Voor nietstandplaatsen geldt dat vergunning wordt afgegeven voor de gehele huisvesting. Voor standplaatsen geldt echter dat alleen de ondergrond waarop de uiteindelijke huisvesting wordt aangebracht, wordt vergund met een huisvestingsvergunning. De uiteindelijke huisvesting is bijvoorbeeld de eigen woonwagen. In de praktijk blijkt ook dat woonwagenbewoners relatief vaak in het bezit zijn van een woonwagen. Om die reden is gekozen om alleen voor standplaatsen een huisvestingssysteem te hanteren. Bij woonwagens in het eigen bezit van de woonwagenbewoner op een standplaats, die niet in het bezit is van de woonwagenbewoner, wordt een opstalovereenkomst gesloten. Bij woonwagens die worden gehuurd, is een huurovereenkomst nodig. De benodigde privaatrechtelijke opstal- en huurovereenkomsten worden niet geregeld in deze verordening.] Artikelsgewijs Artikel I, onderdelen A en B In deze onderdelen worden geen inhoudelijke, maar tekstuele en technische aanpassingen voorgesteld die bovendien grotendeels voor zich spreken, zodat zij geen afzonderlijke toelichting behoeven. [Artikel, onderdeel C In dit onderdeel wordt een nieuw hoofdstuk ingevoegd.
Met dit hoofdstuk 2A wordt voorzien in de toewijzing van standplaatsen door middel van huisvestingsvergunningen. Zie verder de algemene toelichting.
Bijlage 1/4 bij VNG ledenbrief, april 2021
Model Raadsbesluit wijziging Huisvestingsverordening 2014 Model Raadsbesluit wijziging Huisvestingsverordening 2014 Besluit van de raad van de gemeente [naam gemeente] tot wijziging van de Huisvestingsverordening 2014 [ naam gemeente en eventueel jaartal] ( Huisvestingsverordening 2014 [naam gemeente en eventueel jaartal]) De raad van de gemeente [naam gemeente]; gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van [datum en nummer]; gelet op artikel [...] van [...]; gezien het advies van de [naam commissie]; besluit :
Artikel I A Artikel 1 komt te luiden: Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: [- inwoning: bewoning van een woonruimte die onderdeel uitmaakt van een woonruimte die door een ander huishouden in gebruik is genomen;] - mantelzorg: hulp als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; [- onzelfstandige woonruimte: woonruimte, niet zijnde woonruimte bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;] - wet: Huisvestingswet 2014; - woningcorporatie: toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet die feitelijk werkzaam is in de gemeente; [- woningmarktregio: [beschrijving gebied].] B Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd: 1 . In het vierde lid wordt ‘artikel 7:274c, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek’ vervangen door ‘artikel 7:274c, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek’. 2 . In het vijfde lid wordt ‘artikel 271, eerste lid, tweede volzin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek’ vervangen door ‘artikel 7:271, eerste lid, tweede volzin, van het Burgerlijk Wetboek’. [ C Na artikel 13 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende: [ HOOFDSTUK 2A. Standplaatsen voor woonwagens Artikel 13a.
Aanwijzing woonwagenlocatie De standplaatsen die enkel voor bewoning in gebruik mogen worden genomen of gegeven als
burgemeester en wethouders daarvoor een huisvestingsvergunning hebben verleend, zijn gelegen in de [volgende locaties van de gemeente: a. […]; b. […], en c. […]. OF in bijlage 2 aangegeven locaties van de gemeente]. Artikel 13b. Standplaatsverbod behoudens huisvestingsvergunning 1. Het is verboden zonder huisvestingsvergunning of in afwijking daarvan een standplaats in gebruik te nemen of te hebben. 2. Een huisvestingsvergunning voor een standplaats kan alleen worden verleend voor een standplaats op een aangewezen locatie waar standplaatsen voor woonwagens [zijn OF kunnen worden] ingericht (woonwagenlocatie). 3. Een huisvestingsvergunning voor een standplaats kan alleen worden verleend aan een persoon die is ingeschreven in het inschrijfsysteem voor standplaatsen of die al beschikt over een huisvestingsvergunning voor een andere standplaats in de gemeente. 4. Bij overlijden van de vergunninghouder vervalt de huisvestingsvergunning voor de standplaats. Een achterblijvend persoon kan aanspraak maken op de overschrijving van de huisvestingsvergunning op zijn naam, mits deze persoon op de datum van overlijden op hetzelfde adres als de overledene in de gemeentelijke basisregistratie personen stond geregistreerd. Artikel 13c.
Toepasselijkheid van hoofdstuk 2 Op degenen die een standplaats zoeken (standplaatszoekenden) zijn de artikelen 3, aanhef en onder b, 4, tweede tot en met vijfde lid, 5, tweede en derde lid, 8 tot en met 11 en 13 van overeenkomstige toepassing. Artikel 13d. Inschrijfsysteem voor standplaatsen 1. Burgemeester en wethouders zorgen voor een inschrijfsysteem voor standplaatsen, waarin alleen standplaatszoekenden kunnen worden ingeschreven die deel uitmaken van een culturele groep waarbij de woonwagen onderdeel is van de culturele identiteit. Daartoe worden in elk geval gerekend Roma, Sinti, reizigers en circus- en kermisfamilies met een woonwagenverleden. 2. Bij overlijden van de standplaatszoekende vervalt de inschrijving. Een achterblijvend persoon kan aanspraak maken op de inschrijving in het inschrijfsysteem, met behoud van de inschrijfdatum, mits deze persoon op de datum van overlijden op hetzelfde adres als de overledene in de gemeentelijke basisregistratie personen stond geregistreerd. 3. De inschrijving vervalt niet als de standplaatszoekende op grond van hoofdstuk 2 woonruimte krijgt toegewezen en deze accepteert. 4. Zodra een standplaats vrijkomt, stellen burgemeester en wethouders de ingeschrevenen in het inschrijfsysteem daarvan in kennis en wijzen zij hen erop dat zij een aanvraag om een huisvestingsvergunning voor die standplaats kunnen indienen. Artikel 13e.
Voorrangsregeling huisvestingsvergunning 1. Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor een standplaats komen achtereenvolgens in aanmerking: a. standplaatszoekenden die zijn ingeschreven in het inschrijfsysteem voor standplaatsen en een urgentieverklaring hebben; b. standplaatszoekenden die zijn ingeschreven in het inschrijfsysteem voor standplaatsen en die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de woonwagenlocatie;
c. standplaatszoekenden met een huisvestingsvergunning voor een andere standplaats op de betreffende woonwagenlocatie; d. standplaatszoekenden die inwonen bij en in familierelatie staan tot een hoofdbewoner op een andere standplaats op de betreffende woonwagenlocatie; e. standplaatszoekenden met een huisvestingsvergunning voor een standplaats op een andere woonwagenlocatie in de gemeente; f. standplaatszoekenden die inwonen bij en in familierelatie staan tot een hoofdbewoner op een standplaats op een andere woonwagenlocatie in de gemeente; g. standplaatszoekenden die staan ingeschreven in het inschrijfsysteem en die vóór [datum] in een woonwagen op een standplaats woonden of hebben gewoond; h. overige standplaatszoekenden in de gemeente die staan ingeschreven in het inschrijfsysteem; [i. overige standplaatszoekenden uit de regio [naam regio] die staan ingeschreven in het inschrijfsysteem;] [j. overige standplaatszoekenden uit de provincie [naam provincie].] 2. Voor elk van de categorieën, genoemd in het eerste lid, geldt dat de standplaatszoekende met de oudste inschrijfdatum voorgaat op andere standplaatszoekenden uit dezelfde categorie. 3.
Als een standplaatszoekende in aanmerking wil komen voor toepassing van de voorrangsregeling van het eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders voor zover noodzakelijk verlangen dat een standplaatszoekende aannemelijk maakt dat hij aan de genoemde vereisten voldoet. [4. Een adviescommissie van bewoners van de betreffende woonwagenlocatie adviseert burgemeester en wethouders over de toepassing van de voorrangsregeling voor zover het standplaatszoekenden betreft die zijn ingeschreven in het inschrijfsysteem voor standplaatsen.] 5. Burgemeester en wethouders kunnen om redenen van passendheid afwijken van de rangorde in het eerste lid. Deze afwijking wordt in de verleningsbeschikking afzonderlijk gemotiveerd. 6. Als een standplaatszoekende al over een huisvestingsvergunning voor een standplaats beschikt en een andere huisvestingsvergunning krijgt en daarvan gebruik maakt, vervalt daarmee de eerdere huisvestingsvergunning. Artikel 13f. Overgangsbepaling De hoofdbewoners van woonwagens op een standplaats die bij het in werking treden van dit hoofdstuk op dat adres staan ingeschreven in de gemeentelijke basisregistratie personen, beschikken van rechtswege over een huisvestingsvergunning voor hun standplaats.]
Artikel II Dit besluit treedt in werking op [datum]. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum]. De voorzitter, De griffier,
Huisvestingsverordening 2014 (gewijzigd model, april 2021) Laatst gewijzigd: 23-05-2017 Leeswijzer modelbepalingen - […] of (bijvoorbeeld) [omschrijving gebied] = door gemeente in te vullen, zie bijvoorbeeld artikel 8. - [iets OF iets] = door gemeente te kiezen, zie bijvoorbeeld artikel 4, eerste lid. - [iets] = facultatief, zie bijvoorbeeld artikel 2, tweede lid. - [(iets)] = een duiding ter illustratie of uitleg voor gemeente, zie bijvoorbeeld artikel 13, eerste lid. - Combinaties zijn ook mogelijk, zie bijvoorbeeld artikel 2, eerste lid, onder a, voor een bepaling met een facultatief deel, delen waaruit gekozen dient te worden en (afhankelijk van die keuzen) waar iets ingevuld dient te worden. - Ook wordt er gewerkt met varianten waaruit gekozen kan worden. Zie bijvoorbeeld artikel 7.
Nadere uitleg is opgenomen in de implementatiehandleiding, onderdeel van de bij deze modelverordening behorendeVNG ledenbrief.
De raad van de gemeente [naam gemeente]; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [datum en nummer]; gelet op de artikelen 4, eerste lid, aanhef en onder [a en b], 5[, 7, 9 tot en met 14, 17, 20 tot en met 22, 24] en 35 van de Huisvestingswet 2014; gezien het advies van de [naam commissie]; besluit vast te stellen de Huisvestingsverordening [naam gemeente en eventueel jaartal]:
HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. BegripsbepalingenDefinities In deze verordening wordt verstaan onder: [- inwoning: bewoning van een woonruimte die onderdeel uitmaakt van een woonruimte die door een ander huishouden in gebruik is genomen;] - mantelzorg: hulp als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; [- onzelfstandige woonruimte: woonruimte, niet zijnde woonruimte bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;] - wet: Huisvestingswet 2014; - woningcorporatie: toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet die feitelijk werkzaam is in de gemeente; [- woningmarktregio: [beschrijving gebied];] - woningzoekende: huishouden dat in het inschrijfsysteem als bedoeld in artikel 4 is ingeschreven.
HOOFDSTUK 2. De huisvestingsvergunning
Artikel 2. Aanwijzing vergunningplichtige woonruimte 1. De volgende categorieën goedkope woonruimte, met uitzondering van standplaatsen voor woonwagens, mogen enkel voor bewoning in gebruik worden genomen of gegeven als daarvoor een huisvestingsvergunning is verleend: a. woonruimten [in eigendom van woningcorporaties OF particuliere verhuurders] met een huurprijs beneden [de huurtoeslaggrens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag OF de aftoppingsgrens als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onder b, van de Wet op de huurtoeslag OF de kwaliteitskortingsgrens als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag OF [huurprijs]]; [b.die gelegen zijn in de volgende delen van de gemeente: 1. […]; 2. […], en 3. […], en OF b. die gelegen zijn in de in bijlage 1 aangegeven delen van de gemeente], en
[c. die [ten minste één van] de volgende kenmerken bezitten: 1. [omschrijving aard]; 2. [omschrijving grootte].] [2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder a tot en met c, van de Leegstandwet ; b. onzelfstandige woonruimten; c. bedrijfswoningen; d. […].]
Artikel 3. Criteria voor verlening huisvestingsvergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de wet, komen voor een huisvestigingsvergunning in aanmerking: a. woningzoekenden met een inkomen lager dan [inkomensgrens]; b. meerderjarige woningzoekenden, en c. […].
Artikel 4. Inschrijfsysteem van woningzoekenden 1. [Verhuurders OF Woningcorporaties OF Particuliere verhuurders] dragen in het kader van deze verordening zorg voor het aanleggen en bijhouden van een uniform inschrijfsysteem van woningzoekenden. 2. Zij stellen regels op over de wijze van inschrijving, registratie van gegevens, opschorting en einde van de inschrijving. 3. De woningzoekende ontvangt een bewijs van inschrijving. 4. Indien een jongere als bedoeld in artikel 7:274c, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek een huurovereenkomst op grond van dat artikel is aangegaan, vervalt de inschrijving van die jongere om in aanmerking te komen voor een woonruimte niet. 5. Indien een huurder een huurovereenkomst voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 7:271, eerste lid, tweede volzin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is aangegaan, vervalt de inschrijving van die huurder om in aanmerking te komen voor een woonruimte niet.
Artikel 5. Aanvraag en inhoud huisvestingsvergunning [1. Een aanvraag om een huisvestingsvergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.] 2. Bij de aanvraag [om een huisvestingsvergunning] worden de volgende gegevens verstrekt:
a. naam, adres, woonplaats, geboortedatum, nationaliteit en, indien van toepassing, de verblijfstitel van de aanvrager; b. omvang van het huishouden dat de nieuwe woonruimte gaat betrekken; c. huishoudinkomen; d. adres, naam van de verhuurder en huurprijs van de te betrekken woonruimte; e. beoogde datum van het betrekken van de woonruimte; f. indien van toepassing, een afschrift van de indicatie voor een woonruimte met een specifieke voorziening; g. indien van toepassing, de urgentiecategorie waartoe de aanvrager behoort, en h. […]. 3. De huisvestingsvergunning vermeldt in ieder geval: a. een aanduiding van de woonruimte waarop de vergunning betrekking heeft; b. aan wie de vergunning is verleend; c. het aantal personen dat de woonruimte in gebruik neemt; d. de voorwaarde dat de vergunninghouder de woonruimte enkel binnen de in de vergunning genoemde termijn in gebruik kan nemen, en e. [...].
Artikel 6. Bekendmaking aanbod van woonruimte 1. Het aanbod van de in artikel 2 aangewezen woonruimte wordt [in ieder geval] bekendgemaakt door publicatie [op een [kosteloos toegankelijke] gemeenschappelijk digitaal platform EN/OF in een huis-aan-huisblad]. 2. De bekendmaking bevat in ieder geval: a. het adres en de huurprijs van de woonruimte; b. de mededeling dat de woonruimte niet voor bewoning in gebruik genomen mag worden als daarvoor geen huisvestingsvergunning is verleend, en c. indien van toepassing, de criteria en voorrangsregels voor het verlenen van de benodigde huisvestingsvergunning.
Artikel 7. Voorrang bij woonruimte van een bepaalde aard, grootte of prijs
Variant 1
Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor: a. woonruimte met een huurprijs tot de tweede aftoppingsgrens wordt voorrang gegeven aan woningzoekenden met een huishoudinkomen dat recht geeft op huurtoeslag; b. eengezinswoningen wordt voorrang gegeven aan huishoudens van ten minste drie personen; c. woonruimte met ten minste vier kamers wordt voorrang gegeven aan huishoudens van ten minste vier personen; d. woonruimte met [specifieke voorzieningen (bijvoorbeeld rolstoeltoegankelijk)] wordt voorrang gegeven aan [huishoudens met een desbetreffende indicatie]; e. [woonruimte met bepaalde aard, grootte of prijs] wordt voorrang verleend aan [categorie woningzoekenden]. Variant 2 1. Woonruimte kan door de verhuurder aangemerkt worden als: a. goedkope woonruimte; b. eengezinswoning; c. grote gezinswoning; d. woonruimte met [specifieke voorzieningen (bijvoorbeeld rolstoeltoegankelijk)], of e. [woonruimte met bepaalde aard, grootte of prijs]. 2. Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor woonruimte die is aangemerkt als: a. goedkope woonruimte wordt voorrang gegeven aan woningzoekenden met een huishoudinkomen dat recht geeft op huurtoeslag; b. eengezinswoning wordt voorrang gegeven aan huishoudens van ten minste drie personen; c. grote gezinswoning wordt voorrang gegeven aan huishoudens van ten minste vier personen; d.
woonruimte met [specifieke voorzieningen(bijvoorbeeld rolstoeltoegankelijk)] wordt voorrang gegeven aan huishoudens met een desbetreffende indicatie; e. [woonruimte met bepaalde aard, grootte of prijs] wordt voorrang verleend aan [categorie woningzoekenden].
Artikel 8. Voorrang bij economische of maatschappelijke binding
Variant 1 Van de in artikel 2 aangewezen categorieën woonruimte kan [percentage] van het aanbod met voorrang worden toegewezen aan woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan [omschrijving gebied (bijvoorbeeld benoemen woningmarktregio, gemeente of een tot de gemeente behorende kern)].
Variant 2 Van de volgende in artikel 2 aangewezen categorieën woonruimte: a. […]; b. […], en c. […] kan [percentage] van het aanbod met voorrang worden toegewezen aan woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan [omschrijving gebied (bijvoorbeeld benoemen woningmarktregio, gemeente of een tot de gemeente behorende kern)].
Artikel 9. Voorrang bij urgentie [1. Voor de in artikel 2 aangewezen categorieën woonruimte wordt bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang gegeven aan woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is. OF 1. Voor de volgende categorieën woonruimte wordt bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang gegeven aan woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is: a. woonruimten [in eigendom van woningcorporaties OF particuliere verhuurders] met een huurprijs beneden [de huurtoeslaggrens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag OF de aftoppingsgrens als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onder b, van de Wet op de huurtoeslag OF de kwaliteitskortingsgrens als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag OF [huurprijs]]; [b.die gelegen zijn in de volgende delen van de gemeente: 1. […]; 2. […], en 3. […] OF