CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8 Mer beoordeling

Commissievergadering Fysiek 7 april 2026, gemeente LeudalBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan De Leistert en Buitenhof De Leistert7.002 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Plan-m.e.r.-beoordelingsnotitie ten behoeve van bestemmingsplan De Leistert en Buitenhof De Leistert te Roggel 30 januari 2026

Plan-mer-beoordelingsnotitie De Leistert

Plan-m.e.r.-beoordelingsnotitie bestemmingsplan De Leistert en Buitenhof De Leistert

Opdrachtgever: Gemeente Leudal Leudalplein 1 6093 HE Heythuysen (0475) 85 90 00 Locatie:

Recreatiepark De Leistert Roggel

Rapportnummer GemLeu.Lei.25.MER-03 Status Definitief

Projectnummer 20240244 Datum 9 februari 2026

Vanwege de AVG-regelgeving worden de namen van de projectleider en auteur(s) niet opgenomen in deze rapportage. Het rapport is tot stand gekomen door middel van het vierogen-principe.

Embridge Nederland BV Willem II Singel 42 6041 HT Roermond Telefoon: E-mail: KvK: IBAN: .

0475-420191 info@embridge.nl 13036743 NL53RABO0303441194

Plan-mer-beoordelingsnotitie De Leistert

Inhoudsopgave 1.

2.

3.

Inleiding

1

1.1 1.2

1 1

Projectbeschrijving Toetsing besluit m.e.r.

Plaats van het project

3

2.1 2.2

3 4

Plaats van het project Te beschermen objecten (natuurgebieden)

Kenmerken van het project

5

3.1 Omvang van het project 3.2 Beoordeling klein gebied 3.3 Cumulatie met andere projecten 3.4 Geluid 3.5 Verkeer en parkeren 3.5.1 Mobiliteit 3.5.2 Parkeren 3.6 Luchtkwaliteit 3.7 Geur 3.8 Externe veiligheid 3.9 Natuur soortenbescherming 3.10 Natuur gebiedsbescherming 3.11 Water 3.11.1 Waterhuishoudkundige situatie 3.11.2 Water in relatie tot de gewenste ontwikkeling 3.11.3 Conclusies en overleg met de waterbeheerder 3.12 Archeologie 3.13 Bodem 3.14 Bedrijven en milieuzonering 3.15 Kabels en leidingen 3.16 Duurzaamheid

5 7 7 7 7 7 8 8 9 9 10 10 11 11 12 12 13 13 13 14 14

4.

Kenmerken van het potentiële effect

15

5.

Conclusie

16

Bijlage 1. Stikstofdepositieonderzoek

17

Plan-mer-beoordelingsnotitie De Leistert

1. Inleiding 1.1

Projectbeschrijving

De gemeente Leudal is in het verleden doende geweest met de actualisatie van de bestaande bestemmingsplannen voor het gehele gemeentelijke grondgebied. Reden hiervoor was het gestelde in de Wet ruimtelijke ordening, waarin werd voorgeschreven dat bestemmingsplannen niet ouder mochten zijn dan 10 jaar. Het bestemmingsplan voor recreatiepark De Leistert dateert uit 1996 en is derhalve sterk verouderd. Om die reden heeft de gemeente aanvankelijk de actualisatie van het bestemmingsplan voor De Leistert willen oppakken. Het recreatiepark, met inmiddels een grootte van circa 91 ha, is het belangrijkste en grootste recreatiepark van de regio. Recreatiepark de Leistert bestaat uit een kampeerterrein met kampeerplaatsen, jaarplaatsen met stacaravans en camping-verhuuraccommodaties met onder andere Glamping Tenten, Safaritenten en Lodges In oostelijke richting is het recreatiepark in 2010 en 2015 uitgebreid met het bungalowterrein, genaamd Buitenhof de Leistert. Om een integraal en actueel plan voor het gehele recreatiepark De Leistert te creëren, worden zowel de oorspronkelijke camping als de uitbreidingen op Buitenhof de Leistert meegenomen.

1.2

Toetsing besluit m.e.r.

Op 1 juli 2010 is de Wet Modernisering m.e.r. in werking getreden. Deze wet wijzigt de Wet milieubeheer daar waar het gaat om de procedures en de wettelijke bepalingen aangaande het opstellen van een milieueffectrapport. Samenhangend hiermee is op 1 april 2011 het besluit tot wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Om te bepalen of een m.e.r.(beoordeling) noodzakelijk is dient te worden bepaald of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. De ontwikkeling komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r.. Op de D-lijst zijn de activiteiten, plannen of besluiten opgenomen waarvoor het opstellen van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op de D-beoordelingsplichtig, indien: a. b. c. d.

de ontwikkeling een oppervlakte heeft van 25 ha of meer; er meer dan 250.000 bezoekers per jaar worden verwacht; er 100 ligplaatsen voor schepen worden gerealiseerd; de ontwikkeling een oppervlakte heeft van 10 ha of meer in een gevoelig gebied.

Ad a.

Er is geen sprake van een aanleg of uitbreiding van het recreatiepark. De oppervlakte van het recreatiepark is en blijft namelijk gelijk aan de huidige situatie. De maximale oppervlakte voor een m.e.r.-beoordelingsplicht van 25 ha wordt in de huidige situatie reeds overschreden en wordt met de ontwikkeling niet vergroot maar vindt plaats binnen het bestaande oppervlakte. Het aantal bezoekers neemt door de ontwikkeling niet toe. De ontwikkeling heeft dan ook geen negatieve invloed op het gebied van milieu.

Ad. b.

In de huidige situatie bedraagt het aantal bezoekers per jaar minder dan 250.000. Er is geen sprake van een toename van het aantal bezoekers, waardoor geen sprake is van overschrijding van de drempelwaarde.

Ad. c.

Er worden geen ligplaatsen voor schepen gerealiseerd. Deze drempelwaarde wordt niet overschreden;

Ad. d.

Het plangebied bevindt zich niet in een gevoelig gebied. Deze drempelwaarde wordt niet overschreden;

GemLeu.Lei.25.MER-03

1

9 februari 2026

Plan-mer-beoordelingsnotitie De Leistert

Uit deze toets blijkt dat het project wel voorkomt op de lijst, maar niet de drempelwaardes overschrijd. Op grond hiervan is geen sprake van een formele m.e.r.-beoordeling, maar kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Naast toetsing aan de lijst uit het Besluit m.e.r., is een plan ook MER-plichtig als een passende beoordeling nodig is. Omdat er mogelijk sprake is van milieugevolgen op het gebied van stikstof en in het kader van het plan gebruik is gemaakt van externe saldering, dient een passende beoordeling opgesteld te worden. Een plan waarbij een passende beoordeling voor natuur benodigd is, is in principe plan-m.e.r.-plichtig. Een uitzondering op deze plan-m.e.r.-plicht kan worden gemaakt als er sprake is van een klein gebied op lokaal niveau. Er kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling, indien: a. Plannen voor kleine gebieden op lokaal niveau; het betreft de vaststelling of wijziging van plannen van een gemeente, waarbij het plan betrekking heeft op een klein deel van het grondgebied van de gemeente; b.

Kleine wijzigingen van een plan; daarbij is van belang dat dit moet worden bezien in de context van het plan en ook moet de mate van waarschijnlijkheid dat de wijziging aanzienlijke effecten zal hebben worden betrokken;

In het kader van het onderhavige plan kan gebruik gemaakt worden van de hiervoor genoemde uitzondering. Geen van de activiteiten waarvoor het plan de kaders stelt, is direct mer-plichtig. Uit diverse uitspraken van de Raad en ABRvS 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3910, r.o. 33.2 en ABRvS 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1183, r.o. 8.3, bleek dat er sprake is van een kleine omvang als het plangebied 1% van het gemeentelijk grondgebied betreft. De actualisatie van het bestemmingsplan heeft betrekking op een klein gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente Leudal. In dit geval wordt er dan ook eerst een plan-mer-beoordeling uitgevoerd. Bij deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met de criteria van bijlage II bij de SMB-richtlijn.

GemLeu.Lei.25.MER-03

2

9 februari 2026

Plan-mer-beoordelingsnotitie De Leistert

2. Plaats van het project 2.1

Plaats van het project

Recreatiepark De Leistert (figuur 2-a) ligt ten noorden van de kern Roggel en ten zuiden van het bosachtige natuurgebied de Ophovense Zandberg. Het recreatiepark heeft een puntige vorm en wordt grotendeels begrensd door openbare wegen. Aan de noordzijde van Buitenhof de Leistert is een zandpad aanwezig. Aan de zuidelijke zijde vormt de N562, oftewel Heldensedijk, de grens. Dit betreft tevens de belangrijkste ontsluitingsweg. De overige grenzen worden gevormd door de Schansdijk en Kunneweg. Recreatiepark De Leistert bevindt zich aan de weg richting Helden (Heldensedijk of N562). Het recreatiepark, met een grootte van circa 91 hectare, is het belangrijkste en grootste recreatiepark van de regio. De noordoostelijke hoek behoort niet tot recreatiepark De Leistert, maar maakt deel uit van het plangebied omdat ter plaatse een dassenburcht is gerealiseerd als mitigerende maatregel in een eerdere procedure en voor deze gronden is een verouderd bestemmingsplan van toepassing. Voor de volledigheid en ter actualisatie van de planologische regeling, maken de gronden deel uit van het juridische kader van dit bestemmingsplan en krijgen een (onbebouwde) natuur bestemming.

Figuur 2-a Luchtfoto met plangebied geel gearceerd.

GemLeu.Lei.25.MER-03

3

9 februari 2026

Plan-mer-beoordelingsnotitie De Leistert

2.2

Te beschermen objecten (natuurgebieden)

Het plangebied ligt geheel buiten de Ecologische hoofdstructuur en Provinciale Ontwikkelingszone Groen zoals vastgesteld op de POLHet plangebied ligt eveneens niet binnen een Natura 2000gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000van circa 1,3 kilometer ten zuiden van het plangebied.

GemLeu.Lei.25.MER-03

4

9 februari 2026

Plan-mer-beoordelingsnotitie De Leistert

3. Kenmerken van het project 3.1

Omvang van het project

Voor het plangebied zijn verschillende planologische kaders van toepassing. Dit is niet praktisch en maakt het algehele planologische regime binnen het plangebied moeilijk leesbaar. Daarnaast zijn de geldende bestemmingsplannen toe aan een update met betrekking tot de huidige en feitelijk aanwezige situatie. Hierdoor is het voornemen ontstaan om voor het gehele recreatiepark (inclusief Buitenhof de Leistert) één integraal nieuw bestemmingsplan op te stellen. Het doel van het geactualiseerde bestemmingsplan is om te beschikken over een plan, waarin: het huidig gebruik van gronden en opstallen positief wordt bestemd; een verdere ontwikkeling van het recreatiepark mogelijk wordt; een juridisch systeem wordt gekozen, dat past in deze tijd; passende zorg wordt gegeven aan milieucomponenten; beschikt kan worden over een digitale verbeelding voor het gehele plangebied. In onderstaand schema is weergegeven welke aantallen recreatiewoningen en voorzieningen in de huidige situatie zijn toegestaan en welke aantallen in het kader van het nieuwe bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt:

GemLeu.Lei.25.MER-03

5

9 februari 2026

Plan-mer-beoordelingsnotitie De Leistert

Categorie

Aantal mogelijk in vigerend bestemmingsplan

Aantal mogelijk in toekomstig bestemmingsplan

Recreatiewoningen

313

313

Oppervlakte Centrale voorzieningen

Er geldt geen maximum bebouwingsoppervlaktepercentage op het campingterrein van 13.000 m2

Groeps-accommodatie

Opmerking / toelichting

er niets aan het aantal recreatiewoningen.

Bij bestemmingsplan Buitenhof gelden bebouwingsvlakken 0

Er wordt een maximum bebouwingspercentage gewenst van 20.500 m2 (exclusief E-Village, verblijfsacoomodadties lodges, chalets en bijbehorend privé sanitair) 5

Op Buitenhof de Leistert staan een vijftal 18-persoons recreatiewoningen. Deze maken deel uit van de 313 die hierboven genoemd zijn. De ervaring is dat dit type woning ook als groepsaccommodatie wordt gezien. Deze accommodaties worden vooral gebruikt door families (grootouders, ouders en kleinkinderen). Soms ook vriendengroepen van dertigers /veertigers met kinderen. Dit zijn ook de doelgroepen die de Leistert wil blijven aantrekken. Oftewel: geen voetbalteams of jongerengroepen. Dat soort groepen worden geweerd. Belangrijk element in de toekomstvisie van de Leistert is dat het campinggedeelte wordt verbonden met het bungalowpark. Dit door de Leistertweg onderdeel te maken van het recreatiepark. De Leistertweg blijft hierbij wel bereikbaar voor doorgaand niet- of licht gemotoriseerd langzaam verkeer, dat via het recreatiepark kan worden afgewikkeld. Beide parkdelen zullen onder andere worden verbonden met elkaar door het thans verouderde deelterrein Beukenhof te herontwikkelen. Op dit deelterrein zijn de 5 nieuwe accommodaties komen dus in de plaats van verouderde jaarplaatsen (stacaravans), waarmee het totaal aantal gasten dat kan verblijven niet zal toenemen, maar eerder zal verminderen

Tijdelijke huisvesting stagiaires / vakantiekrachten

In het vigerende bestemmingsplan Camping de Leistert zijn maximaal 5 bedrijfswoningen toegestaan. Voor het tijdelijk huisvesten van vakantiekrachten / stagiaires gebruikt de Leistert thans 2 bedrijfswoningen, als ook circa 5 (voormalige) verblijfsaccommodaties die op de camping zijn gesitueerd.

GemLeu.Lei.25.MER-03

Ten opzichte van de mogelijkheden in het geldende bestemmingsplan wordt het door de Leistert in 2022 aangekochte perceel Schansdijk 2 / 2a te Roggel voor tijdelijke huisvesting van vakantiekrachten/stagiaires planologisch geborgd."

6

De huidige verblijfaccommodaties waar tijdelijke krachten en stagiaires gehuisvest worden liggen medewerkers nauwelijks rust. Gasten blijven ze toch aanspreken, ook al zijn ze vrij. Het aangekochte perceel Schansdijk 2 / 2A is direct aanpalend gelegen aan de camping, maar staat volledig los van de camping. De toegang bevindt zich aan de Schansdijk. Wanneer tijdelijke medewerkers vrij hebben, kunnen ze op dit perceel dan ook volledig tot rust komen. Op dit perceel worden specifieke verblijfseenheden voor huisvesting van tijdelijke medewerkers gecreëerd. De huidige bestemming

9 februari 2026

Plan-mer-beoordelingsnotitie De Leistert

3.2

Beoordeling klein gebied

Een uitzondering kan worden gemaakt op de plan-m.e.r.-plicht als er sprake is van een klein gebied op lokaal niveau. Dit is het geval als er sprake is van: 1. Gemeente als bevoegd gezag; én 2. De omvang van het gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente klein is. Conform uitspraak ABRS 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3910, r.o. 33.2 en ABRvS 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1183, r.o. 8.3. is er sprake van een klein gebied als het projectgebied 1% ten opzichte van het gemeentelijke grondgebied betreft. De gemeente Leudal heeft een oppervlakte van circa 165 km2 (16.500 ha)1. Om te voldoen aan een klein gebied moet er dus sprake zijn van een plangebied dat maximaal 165 ha betreft. Het recreatiepark, en daarmee het plangebied, heeft een grootte van circa 91 ha. Dit is ongeveer 0,33 procent (kleiner als 1%) van het gemeentelijk grondgebied en kan daarom worden aangemerkt als klein gebied. Daarbij komt dat de gemeente Leudal het bevoegd gezag is voor het vaststellen van het bestemmingsplan. De uitzondering op de plan-m.e.r.-plicht is dus van toepassing en daarom wordt gestart met onderhavige planm.e.r.-beoordeling.

3.3

Cumulatie met andere projecten

Het project staat op zichzelf. Er hoeven geen andere projecten uitgevoerd te worden om het project mogelijk te maken. Ook is de financiering van het project niet afhankelijk van andere projecten. Bouwkundige samenhang is voorts niet aan de orde. Er wordt dan ook geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid.

3.4

Geluid

Per 1 januari 2007 is de Wet geluidhinder in werking getreden. Een (nieuwe) ruimtelijke ontwikkeling dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeers-, spoorweg- en industrielawaai. Een recreatiepark betreft in het kader van de Wet geluidhinder geen geluidsgevoelig object. Daarnaast wordt het recreatiepark zoals aanwezig in de huidige situatie niet uitgebreid. Er vindt geen verplaatsing van functies binnen het park plaats, waardoor er geen sprake is van het verplaatsen van geluid belastende activiteiten. Wanneer er wordt gekeken naar het gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Leudal, kan worden gesteld meer geluidproductie zorgen. Een nader akoestisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

3.5

Verkeer en parkeren

betrekking tot het oppervlakte aan centrale voorzieningen. Het aantal standplaatsen en daarmee het aantal bezoekers zal niet toenemen, maar het blijkt dat een groter oppervlakte aan centrale voorzieningen noodzakelijk is ten behoeve van het huidig aantal bezoekers. Gezien het aantal bezoekers niet toeneemt, zal ook het aantal verkeersbewegingen niet toenemen, waardoor de ontwikkeling geen onevenredig negatief effect op heeft op het aspect verkeer en parkeren.

3.5.1 Mobiliteit De Leistert wordt ontsloten via de Heldensedijk (N562). Op de Heldensedijk (N562) geldt een maximumsnelheid van 80 km/h. Deze weg verbindt de N279 met de N275 en de N277. Daarmee vormt het eveneens de verbinding tussen de kernen Roggel en Heythuysen en Helden en Panningen. De weg is voorzien van twee rijstroken, asmarkering en een bromfietspad aan de noordwestzijde van de weg dat in beide

1

Bron: https://www.leudal.nl/over-leudal

GemLeu.Lei.25.MER-03

7

9 februari 2026

Plan-mer-beoordelingsnotitie De Leistert richtingen wordt bereden. De Heldensedijk (N562) is dan ook gecategoriseerd als een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom. De capaciteit van een gebiedsontsluitingsweg bedraagt onder ideale omstandigheden ongeveer 2.800 pae/h in de doorsnede . Echter, de capaciteit van de weg wordt in de praktijk bepaald door de kruispunten in het tracé. Daarom wordt een vuistregel gehanteerd van 20.000 à 25.000 motorvoertuigen per etmaal. Op basis van het uitgevoerde onderzoeken zijn er geen afwikkelingsproblemen te verwachten op de bestaande aansluitingen van Recreatiepark De Leistert en E-Village op de N562 Heldensedijk. Wel is op een piekdag op vrijdagmiddag in 2040 sprake van een mogelijk afwikkelingsknelpunt (I/C-waarde 0,76), waardoor langere wachtrijen op de linksaffer op de N562 Heldensedijk kunnen ontstaan. Vanuit het onderzoek wordt aanbevolen om een rotonde op de N562 Heldensedijk te realiseren als centrale entree voor Recreatiepark De Leistert en EVillage uit het oogpunt van verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid.

3.5.2 Parkeren Binnen het plangebied dienen er zowel voor gasten van het recreatiepark als voor bezoekers van E-Village voldoende parkeermogelijkheden te zijn. In dit geval is gekeken naar de parkeerbehoefte voor De Leistert, Buitenhof de Leistert en E-Village. Het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen voor alle functies binnen het plangebied bedraagt 3.249 parkeerplaatsen. Gezien er ter plaatse van Buitenhof De Leistert bij de accommodaties zelf wordt geparkeerd en hier voldoende ruimte voor is, hoeft voor het Buitenhof niet te worden voorzien in extra parkeergelegenheid. Bij de standplaatsen, chalets, lodges en groepsaccommodaties is er per accommodatie ruimte voor (ten minste) één auto. Dat betekent dat er voor de campinggasten, naast de parkeerplaatsen bij de accommodatie (800 + 400 + 5 = 1205), op basis van de parkeernorm nog 770 parkeerplaatsen zijn benodigd. Voor de daggasten/bezoekers van E-Village en het zwembad is de parkeerbehoefte 385 parkeerplaatsen. Het voorgaande Dat betekent derhalve dat er in totaliteit nog 770 + 385 = 1.155 extra parkeerplaatsen benodigd zijn. Er zijn 1165 parkeerplaatsen beschikbaar 693 parkeerplaatsen toegankelijk en bereikbaar zijn voor daggasten. Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte tijdens het piekmoment (worstcasescenario).

Vanwege de aspecten verkeer en parkeren treden geen significante effecten op.

3.6

Luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt al dan niet per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Ter plaatse van gevoelige objecten waar voor langere tijd kan worden verbleven, dient te worden aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit. Daarnaast mogen ontwikkelingen op het gebied van luchtkwaliteit (fijn stof en stikstofdioxide) geen onevenredig negatief effect hebben op het woon- en leefklimaat in de omgeving. betrekking tot het oppervlakte aan centrale voorzieningen.

Het aantal standplaatsen en daarmee het aantal GemLeu.Lei.25.MER-03

8

9 februari 2026

Plan-mer-beoordelingsnotitie De Leistert bezoekers zal niet toenemen, maar het blijkt dat een groter oppervlakte aan centrale voorzieningen noodzakelijk is ten behoeve van het huidig aantal bezoekers. Gezien het aantal bezoekers niet toeneemt, zal ook het aantal verkeersbewegingen niet toenemen, waardoor de ontwikkeling geen onevenredig negatief effect op de luchtkwaliteit heeft. Toetsing Volgens de kaarten van het Planbureau voor de Leefomgeving is de concentratie PM 10 ter plaatse 25,4 µg/m³ en is de concentratie NO2 ter plaatse 18,9 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het Planbureau voor de Leefomgeving is het woon- en leefklimaat op het gebied van de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar. Een ontwikkeling kan een negatief effect op de luchtkwaliteit hebben, wanneer de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt. De ontwikkeling van het recreatiepark heeft in dit geval geen toename van het aantal bezoekers tot gevolg, gezien het aantal kampeerplekken minimaal gelijk blijft. Er wordt enkel een toename aan oppervlakte centrale voorzieningen mogelijk gemaakt en een vijftal nieuwe groepsaccommodaties, die in de plaats van verouderde jaarplaatsen (stacaravans) komen.

Het aantal gasten dat kan verblijven neemt niet toe, maar zal eerder verminderen. Binnen het maximale raamwerk van onderhavig bestemmingsplan zouden 'worst-case' ruimschoots minder dan 1.500 recreatiewoningen kunnen worden gerealiseerd. Daarnaast heeft de gewenste ontwikkeling geen toename van het aantal bezoekers tot gevolg. De ontwikkeling van De Leistert draagt dan ook 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.

3.7

Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor de omgevingsvergunning milieu voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Er dient te worden bepaald of de geursituatie voor geurgevoelige objecten in het buitengebied acceptabel is. Zo dient er voor woningen sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In dit geval worden er binnen het plangebied geen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Daarnaast zijn de veehouderijen in de omgeving op een grote afstand van het plangebied gelegen waardoor dit geen belemmering vormt. Zo is de veehouderij aan Asbroek 1 op een afstand van circa 800 meter van het plangebied gelegen en ligt de veehouderij aan Schansdijk 7 op circa 275 meter. Ten slotte heeft de ontwikkeling niet tot gevolg dat er geurproducerende activiteiten plaatsvinden, waardoor het woon- en leefklimaat in de omgeving niet wordt belemmerd.

3.8

Externe veiligheid

gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarl vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn:

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Toetsing

GemLeu.Lei.25.MER-03

9

9 februari 2026

Plan-mer-beoordelingsnotitie De Leistert Conform de Risicokaart van de Atlas Leefomgeving is bekeken of er in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of (water)wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd aanwezig zijn. Uit de Risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het recreatiepark geen bronnen aanwezig zijn, waarvan de plaatsgebonden risicocontour tot aan het recreatiepark reikt. Conform de risicokaart is er binnen het recreatiepark wel een risicovolle inrichting aanwezig. De plaatsgebonden risicocontour reikt tot een afstand van 20 meter. Binnen een afstand van 20 meter zijn geen kwetsbare objecten aanwezig en vinden geen veranderingen plaats ten opzichte van de huidige situatie. Hierdoor vormt dit geen belemmering voor de ontwikkeling. Daarnaast is er geen sprake van enige significante toename van het groepsrisico. Dit gezien het feit dat de ontwikkelingen op het recreatiepark geen toename van het aantal aanwezig personen tot gevolg hebben. Om deze reden is er geen aanleiding voor een nadere verantwoording van het groepsrisico.

3.9

Natuur soortenbescherming

De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Het plangebied valt buiten de invloedssfeer van door de Natuurbeschermingswet beschermde gebieden. Aangezien het plangebied dezelfde bestemmingen behoudt, zijn negatieve effecten op de omliggende gebieden met natuurwaarden uitgesloten. Mogelijkerwijs kan bebouwing en/of een gebied dienen als verblijfsplaats dan wel foerageergebied van (beschermde) diersoorten. Met deze integrale herziening gaan echter geen bouw- en/of sloopwerkzaamheden gepaard. Derhalve kan worden uitgesloten dat de ontwikkeling een significant negatief effect heeft op mogelijk aanwezige (beschermde) flora en fauna. Wel wordt er in extra bouwmogelijkheden voorzien. In dit geval geldt in het kader van de Wet natuurbescherming ten allen tijde de zorgplicht. Een nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

3.10

Natuur gebiedsbescherming

Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Het plangebied ligt geheel buiten de Ecologische Hoofdstructuur en Provinciale Ontwikkelingszone Groen zoals vastgelegd op de POL-kaart 'Groene waarden'. De randen van het plangebied zijn in het vigerende bestemmingsplan weliswaar bestemd als 'Groen', er is geen sprake van specifieke groene waarden, behoudens het planologisch zekeren van de afschermde beplanting rondom het recreatiepark. In de nieuwe situatie zal het park met veel groen ingepast blijven, wat de rustieke en recreatieve kwaliteit eer aan doet en waardoor het park goed blijft ingepast in het landschap.

De omringende groenstroken worden echter niet meer als 'Groen' bestemd, maar als 'Recreatie'. Het blijft echter niet toegestaan dichter dan 5 m van de perceelsgrens te bouwen ten behoeve van recreatieve doeleinden. De instandhouding van de groenstroken blijft hierdoor toch gewaarborgd. Het bosgebied (Ophovense Zandberg) dat direct ten noorden van het plangebied ligt, behoort tot de Ecologische Hoofdstructuur. Ontwikkelingen op het park leiden niet tot een noemenswaardige toename van GemLeu.Lei.25.MER-03

10

9 februari 2026

Plan-mer-beoordelingsnotitie De Leistert verstoring van het bosgebied ten opzichte van de huidige situatie. In de planontwikkeling hoeft geen rekening gehouden te worden met planologische gebiedsbescherming. Natura 2000 Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft op het vernieuwen van het huidige zwembad met plaza en receptie, het gasverbruik van de verblijfsrecreatie en het aantal verkeersbewegingen is bekeken of dit een significant negatief effect heeft op Natura 2000gebieden. Derhalve is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de resultaten uit het onderzoek weergegeven. De volledige onderzoeksrapportage is bijgevoegd als separate bijlage. Ten opzichte van de feitelijke, planologische en legale situatie is er zowel in de aanleg als gebruiksfase een toename van stikstofdepositie op Natura 2000stikstofdepositie gemitigeerd. Door deze externe saldering is er geen sprake van een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstof. Ten behoeve van de projectontwikkeling is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd. In afwachting van het verlenen van de Wnb-vergunning geldt de zorgplicht dat er geen sprake mag zijn van een onevenredig significant effect op Natura-2000-gebieden.

Activiteiten welke een significant nadelig gevolg kunnen hebben voor een Natura 2000-gebieden, zijn niet rechtstreeks toegestaan. In die gevallen is de zorgplicht van toepassing. In het kader van het planspoor vormt dit aspect geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

3.11

Water

In het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening is het wettelijk verplicht een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

3.11.1 Waterhuishoudkundige situatie Bodemgesteldheid en grondwater De bodem in het plangebied is tamelijk vlak. De maaiveldhoogte varieert binnen het plangebied tussen 28,3 en 29,2 meter +NAP. De bodem in het plangebied bestaat uit gooreerdgronden. Op de bodemkaart van Nederland wordt de grondwaterstand weergegeven in zeven klassen, de zogenaamde grondwatertrappen. Deze geven een globale aanduiding van het niveau van fluctuatie van het grondwater aan. Het plangebied is gelegen binnen grondwatertrap V. De gemiddeld hoogste grondwaterstand voor het plangebied ligt hoger dan 40 cm beneden maaiveld en de laagste grondwaterstand is dieper dan 120 cm beneden maaiveld gelegen. De bodem bestaat uit leemarm zand. Oppervlaktewater In het plangebied bevindt zich een kleine watergang (noordwestelijk deel van het plangebied), welke in het beheer is bij het waterschap. De watergang is specifiek bestemd en voorzien van een beschermingszone overeenkomstig de Keur van het Waterschap. Daarnaast liggen op het recreatiepark vier plassen, waarvan er een wordt gebruikt als visvijver en een als strandbad/recreatieplas. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Provinciale Omgevingsverordening van de provincie Limburg. Voorts is het plangebied wel gelegen in de beschermingszone van de Roerdalslenk (paragraaf 3.3.2).

Deze is als boringsvrije zone aangewezen, aangezien diepe boringen de natuurlijke geologische bescherming kunnen aantasten. Diepe boringen zijn in dit kader echter niet aan de orde. Afvalwater / riolering De afvalwaterstromen zijn aangesloten op het bestaande rioleringssysteem.

GemLeu.Lei.25.MER-03

11

9 februari 2026

Plan-mer-beoordelingsnotitie De Leistert

3.11.2 Water in relatie tot de gewenste ontwikkeling Algemeen Het hemelwater wordt in de huidige situatie geloosd op het maaiveld wat ook in de beoogde situatie het geval zal blijven. Uitgangspunt Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra bebouwd oppervlak en/of verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de belendende percelen. Daarnaast is het van belang dat bestaande waterhuishoudkundige functies niet mogen worden geschaad of beperkt. Eveneens mag, als gevolg van de verdere ontwikkeling van het recreatiepark, geen sprake zijn van een structurele verlagen van de grondwaterstand. Hemelwaterafvoer / hemelwaterberging Voor het bepalen van de noodzakelijke compenserende waterberging is het van belang om te weten hoe groot de toename aan verhardingen zal zijn. Aangezien met dit plan enkel de bouwmogelijkheden worden vergroot, zijn de exacte oppervlakten aan verharding nog niet bekend.

De mogelijk nieuwe verhardingen in de toekomst bestaan uit de recreatiewoningen met bijbehorende verharding en terrassen. Hemelwater dat op deze verhardingen valt, zal door middel van nader te bepalen waterinfiltratie- en/of buffervoorzieningen worden afgekoppeld van het vuilwatersysteem en terug worden geleid de bodem in. De exacte wijze van bufferen of infiltreren van het hemelwater dient nader te worden uitgewerkt als er duidelijkheid is hoe groot de toename aan verharding is en hoe groot de capaciteit van de bergingsvoorziening dient te bedragen. Waterkwaliteit Ten aanzien van de waterkwaliteit dienen af te koppelen dakoppervlakken niet worden vervaardigd van uitlogende bouwmaterialen. Uitlogende materialen als lood, koper en zink worden niet toegepast bij deze ontwikkeling.

3.11.3 Conclusies en overleg met de waterbeheerder Onderhavige ontwikkeling staat de ambities zoals beschreven in het beleid niet in de weg. Aangezien de ontwikkeling geen fysieke wijzigingen ten opzichte van de huidige situatie tot gevolg heeft, heeft de ontwikkeling geen negatieve invloed op water(kwaliteit). Dit vormt dan ook geen belemmering voor het planologisch-juridisch borgen van de huidige situatie. Een negatieve beïnvloeding van het grondwaterpeil of de waterhuishouding is, gezien het bovenstaande, niet te verwachten. De conclusie luidt dat bij de voorgenomen ontwikkeling geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik, bestemming of waterhuishoudkundige functies in relatie tot waterbeheer.

GemLeu.Lei.25.MER-03

12

9 februari 2026

Plan-mer-beoordelingsnotitie De Leistert

3.12

Archeologie

De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal bepalingen toegevoegd, die aangeven dat in een bestemmingsplan een beschrijving dient te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient te worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In dit bestemmingsplan is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. Om de mogelijk aanwezige archeologische waarden in de bodem te beschermen, heeft de gemeente Leudal naar aanleiding van een onderzoek een archeologische beleidskaart laten opstellen. De onderzoeksrapportage - en beleidsadvie raadsbesluit d.d. 8 februari 2011. Toetsing Conform de archeologische verwachtingskaart heeft De Leistert grotendeels een lage archeologische waarde en voor een klein deel een hoge archeologische waarde.

Hoge archeologische waarde De hoge archeologische verwachting betreft voornamelijk (afgedekte) bewoning en begraving die zich veelal over relatief grote gebieden (> 1.000 m²) uitstrekt. Voor gebieden met een hoge archeologische waarde geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een grotere oppervlakte dan 1.000 m2. De grens van 1.000 m² is gebaseerd op de zones met een hoge verwachting in provinciale aandachtsgebieden. Lage archeologische waarde In gebieden met een lage archeologische verwachting zijn er geen restricties ten aanzien van ontwikkelingen. Hoewel in deze gebieden in principe wel archeologische resten aanwezig zouden kunnen zijn, zal de kans op het aantreffen en verstoren van deze resten zo laag zijn dat de schade aan de archeologie beperkt blijft. Met onderhavige planologisch-juridische borging van de mogelijkheden vinden geen bodemingrepen plaats. Mogelijk aanwezige archeologische waarden zullen dan ook niet worden verstoord. Indien er in de toekomst wel bodemingrepen noodzakelijk zijn, zullen deze binnen het gebied met een lage archeologische waarde plaatsvinden waar geen restricties ten aanzien van ontwikkelingen aan de orde zijn. Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

3.13

Bodem

In het kader van de Wro dient te worden aangegeven of de bodemkwaliteit geschikt is om een nieuwe functie te realiseren en hoe eventuele bodemverontreiniging kan worden voorkomen. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijziging. Beoordeling van dit aspect kan achterwege blijven in een aantal situaties. Bij het wijzigen van het gebruik van een bebouwd perceel, waarbij de nieuwe gebruiksvormen een voor de beoordeling van het aspect bodemkwaliteit minder kritisch gebruik kennen, is beoordeling van dit aspect niet aan de orde. In dit geval vindt er geen herbestemming naar een gevoeligere bestemming plaats dan in de huidige situatie reeds het geval is. Het recreatiepark is reeds voorzien van een recreatieve bestemming en deze bestemming zal blijven gehandhaafd. Op basis van de Wro is een onderzoek naar de bodemkwaliteit niet benodigd.

3.14

Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publica bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige GemLeu.Lei.25.MER-03

13

9 februari 2026

Plan-mer-beoordelingsnotitie De Leistert functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur en geldt tussen enerzijds de grens van de gevel van een milieugevoelige functie en anderzijds de uiterste situering van een milieubelastende functie. Toetsing noordoostelijke hoek krijgt, in overeenstemming met het feitelijke gebruik, een natuurbestemming. Er zijn aan deze zijde van het park geen andere functies op korte afstand te vinden. Voor omliggende gevoelige functies blijft de afstand dan ook gelijk aan de huidige situatie. Daarnaast is gekeken naar bedrijvigheid in de omgeving. Zo is ten noordwesten van het plangebied aan de Kunneweg 9 is fabrikant Döhler gevestigd. Gelet op het feit dat er binnen het plangebied geen (nieuwe) gevoelige objecten worden gerealiseerd, vormt dit geen belemmering. Aan de andere kant vindt er binnen het plangebied geen herbestemming plaats, waardoor het bedrijf niet meer in de (uitbreidings)mogelijkheden wordt beperkt. De ontwikkeling heeft dan ook geen beperkende invloed op de omgeving. Een verdere ontwikkeling van het park brengt geen (nieuwe) milieuconsequenties met zich mee voor de omgeving. Het aspect Bedrijven en milieuzonering vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

3.15

Kabels en leidingen

Aan de westelijke zijde van het plangebied bevindt zich de ondergrondse rioolwatertransportleiding van Zuiveringsschap Limburg. Ten behoeve van de leiding is een beschermingszone van 2,5 meter aan weerszijden opgenomen welke in onderhavig plan ongewijzigd wordt overgenomen. Binnen deze beschermingszone vinden geen werkzaamheden of activiteiten plaats, waardoor dit geen belemmering oplevert.

3.16

Duurzaamheid

Bij nieuwe ontwikkelingen in onderhavig project dient aandacht besteed aan het duurzaamheidsaspect. Hierbij kan gedacht worden aan energiezuinigheid en het gebruik van duurzame bouwmaterialen. Tevens dienen bij de ontwikkelingen niet-uitlogende materialen gebruikt te worden en vindt infiltratie van het hemelwater plaats.

GemLeu.Lei.25.MER-03

14

9 februari 2026

Plan-mer-beoordelingsnotitie De Leistert

4. Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële effecten van het project wordt voor zover relevant gekeken naar: het bereik van het effect; het grensoverschrijdende karakter van het effect; de orde van grootte en de complexiteit van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; de autonome ontwikkelingen. beschreven. Waar het bij de criteria 'kenmerken van het project' en 'plaats van het project' vooral gaat om beschrijvingen van de voorgenomen activiteiten en de omgeving gaat het bij de 'kenmerken van de potentiële effecten' juist om de interactie tussen beiden. Hier worden dan ook de effectbeschrijvingen voor de beschouwde milieuthema's weergegeven. Er wordt ingegaan op het bereik van het effect, hiermee wordt bedoeld tot waar is er sprake van significante wijzigingen bijvoorbeeld op het gebied van geluid, lucht en verkeersintensiteiten. Als sprake is van grensoverschrijdende effecten moeten deze apart benoemd worden. Bij de optredende effecten zowel in het plangebied (dit is het gebied waar de voorgenomen activiteit in gelegen is) als het studiegebied (dit is het gebied tot waar de effecten als gevolg van de voorgenomen activiteiten kunnen reiken) moet aangegeven worden wat de duur, frequentie en omkeerbaarheid is.

Het doel is uiteindelijk om te bepalen of er omstandigheden zijn die kunnen leiden tot (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. De kenmerken van de potentiële effecten zijn reeds beschouwd in de voorgaande paragrafen van deze notitie. De potentiële effecten zijn bezien in het kader van de kenmerken van het project. Er zijn geen significante effecten te verwachten. Voor wat betreft de duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect kan gesteld worden dat sprake is van nieuwe ontwikkelingen. Dit betreft het opnieuw vaststellen van het bestemmingsplan, waarbij uitbreidingen zijn meegenomen. De effecten zijn blijvend. Zoals echter al verwoord in het voorgaande, zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting van milieuaspecten.

GemLeu.Lei.25.MER-03

15

9 februari 2026

Plan-mer-beoordelingsnotitie De Leistert

5. Conclusie Bovenstaande effecten zijn weloverwogen beoordeeld. Het voornemen om een integraal en actueel plan voor het gehele recreatiepark De Leistert te creëren, leidt niet of in zeer beperkte mate tot effecten voor het milieu en de omgeving. Waar mogelijk worden maatregelen genomen om deze effecten te beperken. Ten opzichte van de feitelijke, planologische en legale situatie is er zowel in de aanleg als gebruiksfase een toename van stikstofdepositie op Natura 2000stikstofdepositie gemitigeerd. Door deze externe saldering is er geen sprake van een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstof. Naast toetsing aan de lijst uit het Besluit m.e.r., is een plan ook MER-plichtig als een passende beoordeling nodig is. Omdat er mogelijk sprake is van milieugevolgen op het gebied van stikstof en in het kader van het plan gebruik is gemaakt van externe saldering, dient een passende beoordeling opgesteld te worden. Een plan waarbij een passende beoordeling voor natuur benodigd is, is in principe plan-m.e.r.-plichtig. Een uitzondering op deze plan-m.e.r.-plicht kan worden gemaakt als er sprake is van een klein gebied op lokaal niveau. Er kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling, indien: a.

Plannen voor kleine gebieden op lokaal niveau; het betreft de vaststelling of wijziging van plannen van een gemeente, waarbij het plan betrekking heeft op een klein deel van het grondgebied van de gemeente; b.

Kleine wijzigingen van een plan; daarbij is van belang dat dit moet worden bezien in de context van het plan en ook moet de mate van waarschijnlijkheid dat de wijziging aanzienlijke effecten zal hebben worden betrokken;

In het kader van het onderhavige plan kan gebruik gemaakt worden van de hiervoor genoemde uitzondering. Geen van de activiteiten waarvoor het plan de kaders stelt, is direct mer-plichtig. 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1183, r.o. 8.3, bleek dat er sprake is van een kleine omvang als het plangebied 1% van het gemeentelijk grondgebied betreft. De actualisatie van het bestemmingsplan heeft betrekking op een klein gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente Leudal. In dit geval wordt er dan ook eerst een plan-mer-beoordeling uitgevoerd. Bij deze beoordeling is rekening gehouden met de criteria van bijlage II bij de SMB-richtlijn. Ten behoeve van de projectontwikkeling is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd. In afwachting van het verlenen van de Wnb-vergunning geldt de zorgplicht dat er geen sprake mag zijn van een onevenredig significant effect op Natura-2000-gebieden. Activiteiten welke een significant nadelig gevolg kunnen hebben voor een Natura 2000-gebieden, zijn niet rechtstreeks toegestaan. In die gevallen is de zorgplicht van toepassing. In het kader van het planspoor vormt dit aspect geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

Er kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van de ontwikkeling die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen negatieve effecten verwacht hoeven te worden. Er kan worden geconstateerd dat de nadelige effecten te reguleren zijn en dat een uitgebreide merbeoordeling of het opstellen van een MER in deze niet zinvol en/of noodzakelijk is.

GemLeu.Lei.25.MER-03

16

9 februari 2026

Plan-mer-beoordelingsnotitie De Leistert

Bijlage 1. Stikstofdepositieonderzoek

GemLeu.Lei.25.MER-03

17

9 februari 2026

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=257b71d6-7759-4b5c-a43f-c788a3c3f844